Na een zeer goed middagmaal wonnen luitenant Hansen en ik zooveel

mogelijk inlichtingen in omtrent den verderen weg van hier af. Mc

Kenna was de senior van de amerikaansche walvischvaardersvloot en

kende de kust van Noord-Amerika beter dan iemand. Zeer dankbaar waren

wij voor amerikaansche kaarten van de verdere reis. Ze waren nieuwer

dan onze eigene en gaven veel bijzonderheden. Met randopmerkingen en

koersrichtingen van den ouden bevaren zeeman waren ze een ware schat

voor ons. Wel waren ze al wat versleten en we moesten dus voorzichtig

ermee omgaan.

Toen vroegen wij naar de ijstoestanden. Of hij geloofde, dat wij

verder naar het Westen zonder bezwaren vooruit zouden kunnen

komen. Hij zei, dat hij op de heenreis door het ijs bij het

Herscheleiland was opgehouden; maar wij zouden zoo laat in het jaar

wel niet op hinderpalen stooten. En dat Herscheleiland zouden wij

in elk geval gemakkelijk bereiken. Hij dacht zelf op dat eiland te

zullen moeten overwinteren, en misschien ontmoetten we elkaar daar

nog eens weer. Vóór den winter wou hij nu nog naar Banksland op de

walvischvangst. Tot nu toe had hij geen geluk gehad en nog geen enkel

dier getroffen. Zijn motor was zeer sterk, en hij zou ons bij zijn

terugkeer naar Herscheleiland misschien nog wel inhalen. Buitendien

gaf hij ons alle mogelijke inlichtingen over het ons wachtende

vaarwater. Een zeer aangenaam bericht was de mededeeling, dat langs

de geheele kust de grond uit leem bestond, zoodat wij veilig naar het

lood konden varen. Wij waren daarin niet verwend, en dit verdere deel

van onze reis kwam ons dan ook bijna als een pleizierreis voor.

Daar de wind bleef aanhouden en ik daarvan gebruik wilde maken, namen

wij na een paar uur afscheid van onzen beminnelijken gastheer. Bij

het vertrek schonk hij ons een zak aardappelen en een zak uien. Daar

het al lang geleden was sedert wij iets dergelijks hadden geproefd,

nam ik die gift in dank aan.

Aan boord werden wij in groote spanning verwacht. Wij besloten ons

voorloopig niet bezorgd te maken over het bericht van oorlog tusschen

de twee volken en de aardappels en uien, waren het middelpunt van

onze blijdschap.

Toen haalden we onze vlag in en zetten de vaart met volle

zeilen voort. Mc Kenna voer naar het Oosten, om zijn geluk op de

walvischvangst te beproeven.

Den volgenden avond passeerden wij de Franklin-baai. Den 30sten

Augustus waren wij al bij het eiland Bailey en zagen er geen ijs,

zoodat we den moed vatten, om recht naar het Herscheleiland over

te steken.

Bij kaap Bathurst zagen wij het dikke, bruine water, dat de rivier

de Mackenzie naar buiten stoot. Er kwam nu weer ijs opzetten met

nevel. Er volgde nu nog een zeer moeilijke vaart van eenige dagen. Bij

kaap Sabine gingen we aan land, om rond te zien. Er breidden zich

groote, met lang gras begroeide weiden uit en in de dalen groeiden

hooge struiken. Den volgenden morgen, het was de derde September,

waren wij zoowat een uur onderweg, toen de man op den uitkijk naar

beneden riep, dat een boot van het land naar ons toe kwam. Eerst

meenden wij dat het Eskimo's waren, doch al spoedig zagen we, dat

het twee blanken en één Eskimo waren.

Wij namen ze aan boord en merkwaardig genoeg, sprak een der mannen

ons dadelijk in het Noorsch aan. Het was de Noor Christian Sten,

die tweede stuurman op de schoener _Bonanza_ van San Francisco was

geweest. De schoener was gelijktijdig met ons van huis weggevaren en

had even als wij tweemaal in deze streken overwinterd. Het schip was

door herhaald stooten op het ijs er slecht aan toe, en voor eenige

dagen had men het bij King Point aan land moeten zetten, omdat het

anders zou zijn gezonken. Sten woonde nu met een der harpoeniers en

eenige Eskimo's aan den wal, om de wacht te houden bij de proviand

en de verdere uitrusting. De kapitein van het schip, kapitein Mogg,

was met de overige bemanning in booten naar het Herscheleiland gevaren

en wou van daar met een ander schip zuidwaarts naar San Francisco gaan.

Daar zagen wij al het wrak onder de steil afdalende kaap vóór ons.

Sten zei ons, dat het ijs tot dicht bij King Point reikte en dat wij

voorloopig niet verder zouden komen. Hij twijfelde overigens niet,

of het zou nog wel weer losraken. Hij had het zelfs wel beleefd,

dat het ijs op 9 October nog was los gegaan.

Om twaalf uur op den middag bereikten wij het land en vonden alles,

zooals Sten het beschreven had. Wij voeren tot bij een groot stuk

grondijs, dat aan den buitenkant van het wrak lag en maakten er

de _Gjöa_ aan vast. Hoe weinig vermoedden wij, dat King Point onze

verblijfplaats voor tien maanden worden zou!

We roeiden aan land, om de _Bonanza_ en Stens kleine kolonie te

zien. Kapitein Tilton op de _Alexandra_ was de oudste kapitein

derzelfde reederij, aan wie ook de _Bonanza_ behoorde, en hij had,

toen hij voor twee dagen voorbijgevaren was, aan Sten de opdracht

gegeven, ons alle mogelijke hulp te verschaffen. Wij waren wel goed

voorzien van het noodige; maar bij een zoo vriendelijk aanbod was er

altijd nog wel het een of ander, dat welkom was. Wij ruilden veel

conserven met hem, daar wij graag de amerikaansche wilden proeven,

terwijl Sten naar noorsche verlangde. Ook kregen wij nog veel andere

kleinigheden, en ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor de diensten,

die Sten en de _Bonanza_ ons bewezen.

Sten had al vele winters aan de noordamerikaansche kust doorgebracht

en kon ons dus ook veel belangrijks over het land en de bewoners

vertellen, en, wat van gewicht was, hij kende de hier wonende Eskimo's.

Om dezen tijd had ook Manni zich aan boord thuis leeren voelen. Hij was

als een Kabluna gekleed, en daar hij een buitengewoon goed jager was,

had ik hem een geweer gegeven, waar hij zeer trotsch op was en dat

hij opperbest behandelde. Ik vroeg hem, of hij ons niet liever wilde

verlaten en aan land gaan, maar hij antwoordde beslist ontkennend. Ik

nam hem mee naar de Eskimo's, die bij Sten woonden, en zie daar, ze

konden elkaar verstaan. Het eene of het andere woord verschilde wel,

maar in het groot beschouwd, was het dezelfde taal. Deze Eskimo's, een

man en drie vrouwen, waren afkomstig uit de buurt van de Kotzebuesond

in de nabijheid der Beringstraat en ze waren met de walvischvaarders

hierheen gekomen. Zij noemden zich Nunatarmiun-Eskimo's. De bewoners

der kust hier noemden zich Kagmallik-Eskimo's; maar de beschaving had

reeds een zoo verderfelijken invloed op hen uitgeoefend, dat ze van

verscheiden honderden familiën al tot op enkele weinige versmolten

waren. De Kagmallik-Eskimo's waren grooter en knapper menschen dan

de Nunatarmiun-Eskimo's. Sten wou juist zich op een plateautje aan

de berghelling een huis bouwen dichtbij het groote proviandhuis

en al het andere, dat aan land was gebracht. Wij brachten ook een

bezoek aan boord van de _Bonanza_. Het schip lag aan den oever;

de voormast was gekapt, maar de groote mast stond nog. Daarvan was

een tros getrokken naar hetzelfde ijs, waar wij aan vast lagen;

een andere tros was aan den wal bevestigd. Het ruim was vol water,

en een menigte leege vaten dreven erin rond.

Met hun toestemming namen wij wat wij noodig hadden, vooral takelwerk,

blokken, lantaarns en dergelijke. Een klein kacheltje werd ook met

vreugde ontvangen. Als wij nog een winter moesten blijven, en daar

begon het wel op te gelijken, zou dat ons goede diensten kunnen

bewijzen. En ook voor Sten waren wij te rechter tijd gekomen. Hij

had veel te doen en moest hulp hebben. Die had hij later met gemak

van de Eskimo's kunnen krijgen; maar het was veel beter voor hem,

als het werk gedaan was eer er sneeuw lag.

Wij waren niet de eenigen, die naar een verandering in de ijstoestanden

verlangden. Een groot aantal Eskimo's was met hun booten op weg van

Herschel-eiland naar de Mackenzie, ongeveer vier zeemijlen westwaarts,

door het ijs opgehouden. Ze hadden hun booten aan land moeten trekken

en waren nu tot wachten gedoemd. Van de hoogte op King Point konden

wij het takelwerk van een schoener in de richting van Key Point

vijftien zeemijlen westwaarts waarnemen. Dit schip behoorde aan de

Eskimo's. Zij hadden het ingeruild voor pelswerk en deden er nu mee

aan walvischvangst. Nu was het aan den grond geloopen, kwam echter

weer los vóór het vroor, en wendde zich nu naar het Herscheleiland. De

hier wonende Eskimo's zijn alleen schippers en walvischvangers, de

Amerikanen nemen geen groote bemanning mee, daar ze hier menschen

genoeg vinden, die het werk best kunnen doen aan boord.

Ristvedt en Manni waren op de jacht geweest en kwamen met een menigte

sneeuwhoenders terug. De luitenant en ik deden aan vischvangst en we

leverden menig lekker vischgerecht voor de keuken. Lund werkte in

het zweet zijns aangezichts, om de nieuwe gaffel klaar te krijgen,

eer wij verder voeren. Wiik en Hansen hadden zich op mijn verzoek

bereid verklaard, Sten bij het bouwen van zijn huis te helpen, dat

onder dak zou komen, eer er sneeuw viel. De hulp der beide flinke

werkers was gemakkelijk te krijgen geweest, en ze hadden schik in de

verandering van arbeid en van spijs.

De dagen verliepen, maar in het ijs speurden wij geen verandering. Wij

moesten ons met de gedachte vertrouwd maken, hier te overwinteren. De

vraag was maar, of er ruimte genoeg was. De baai vóór ons was zeer

ondiep en vol van vaststaande ijsbergen, zoodat er weinig kans was op

verandering. Sten vertelde, dat hier eenmaal drie walvischvaarders

hadden overwinterd, maar dat ze in dien tijd geen enkele beweging

hadden waargenomen. Naar het Oosten was het oeverwater nog open,

zoodat wij Shingle Point, vijftien zeemijlen verder oostwaarts zouden

hebben kunnen bereiken, waar een haventje moest wezen, maar dat was

toch onzeker, en daar wij hier gezelschap en hulp hadden, besloten

wij te blijven waar we waren.

Elken nacht werd het ijs nu een duim dikker en weldra was ons lot

ook voor dezen winter bezegeld. Op Zaterdag den 9den September konden

wij over het ijs loopen, en daarmee moest de derde winter beschouwd

als te zijn ingegaan.

Op denzelfden dag, waarop het ijs begaanbaar werd, kregen wij

ons eerste bezoek. Het was een zendeling, de heer Fraser, die van

Herscheleiland kwam en naar Fort Mc Pherson wou, het noordelijkste

station der Hudsonsbaaimaatschappij aan de Mackenzie. Als gids had

hij een Eskimo, Roksi, geheeten, bij zich. De reizigers waren door het

ijs opgehouden en woonden nu aan het strand, ongeveer vier zeemijlen

westwaarts van ons in een tent. Van den heer Fraser hoorden wij, dat

in de haven van Herschel vijf schepen door het ijs waren ingesloten;

verder lagen er nog zes andere verder naar het Oosten, ze wisten niet

waar. Dus waren er nu niet minder dan twaalf schepen hier in het ijs,

en daarvan waren slechts drie op een overwintering ingericht. Dat

zag er niet te best uit.

Roksi was een Kagmallik-Eskimo, en daar zijn vader stamhoofd

was geweest, hield hij zich voor een persoon van gewicht. Zijn

stamgenooten hadden de leelijke gewoonte, zich in elken hoek van den

mond een gat in de onderlip te boren en er als sieraad een hoornen

knoop in te steken. De eenigzins geciviliseerde hadden het sieraad

weer verwijderd; de gaten trokken dan weer dicht, maar lieten leelijke

litteekens.

Den 11den September begonnen we met den bouw van ons huis. Wij wilden

dezen winter van drijfhout twee huizen bouwen, een om erin te wonen

en een als observatorium en voor de magnetische instrumenten. Het

woonhuis zou uit twee afdeelingen bestaan, een slaapkamer voor vier

man en een ruimte, die tegelijk keuken en eetkamer zou wezen. Het

liefst zouden allen aan land hebben willen wonen. Om de vochtigheid

aan boord te verminderen, liet ik de geheele keuken aan land brengen.

Onze kok en Sten hadden innige vriendschap gesloten, en daarvan wilden

wij zooveel mogelijk profiteeren. Sten was namelijk een uitstekend

kok; in zijn nu voltooid huis had hij een grooten haard, waar de

heerlijkste gerechten gereed konden worden gemaakt. De luitenant

en ik wilden met Manni aan boord blijven en het schip bewaken. De

architect en de smid zorgden voor den bouw van het huis. De vorm van

een aardhut scheen hun het best; Hansen en Wiik hielpen hen bij het

werk. Als bouwterrein was het vlakste deel van den heuvel gekozen.

Aan boord richtten de luitenant en ik ons zoo goed mogelijk in. De

kachel van de _Bonanza_ werd geplaatst en verbreidde al gauw al de

warmte, die wij de vorige winters ontbeerd hadden. Manni was onze

"meid alleen".

In dezen tijd kregen wij geregeld bezoek vooral van Eskimo's, die,

als wij, in het ijs waren opgesloten. Af en toe was ook de zendeling

erbij. Sten had zijn huis met zoden gedekt, en de Eskimo Kunak was

met de zijnen getrokken in een door hem gebouwd huis, dat dicht naast

dat van Sten lag. De winter mocht komen; hij vond de kolonie van King

Point bereid hem te ontvangen. In het geheel waren er twintig personen,

die gedurende de eerstvolgende tien maanden op deze plek kampeerden.

Op de _Gjöa_ woonden luitenant Hansen, Manni en ik; in ons huis aan

wal de andere vijf van ons; vijftig meter verder westwaarts lag Stens

huis, dat van planken en balken uit de _Bonanza_ was opgetrokken en

er als een villa uitzag. Het bestond uit twee kamers, waarvan de eene

bestemd was voor Sten met zijn vrouw Kataksina en zijn dochtertje

Anni, en de andere voor den harpoenier Jimmi met zijn vrouw. Boven

was nog een hokje voor den Eskimo Neiu met zijn vrouw.

Wand aan wand met Sten had Kunak zijn huisje gebouwd van slechts

één kamer met twee bedden, een tafel en een kachel. Het was weinig,

in aanmerking genomen dat Kunak er woonde met zijn vrouw, zijn oude

moeder en twee kinderen. Hij kreeg vaak gasten en dan woonden er soms

tien menschen in het kleine huis.

Er waren in de kolonie ongeveer evenveel honden als menschen.

Al lang had ik het ijs erop aangezien, of het niet spoedig mogelijk

zou wezen, per slede naar Herscheleiland te komen, omdat ik er naar

de post onderzoek wilde doen, die van daar in de eerstvolgende dagen

zou vertrekken. Wij verlangden allen zoo naar berichten van huis. Ik

had met Sten afgesproken, samen te gaan, daar hij met walvischvaarders

op Herscheleiland zaken had te doen. De Eskimo's westwaarts van ons

hadden beloofd, bericht te zenden, zoodra het ijs voor de sleden

geschikt was, want er loopt daar een rivier in zee uit.

Op Zondag 24 September 1905 kwam een Eskimo voorbij, die naar Herschel

ging. Als die erheen kon gaan, zou het ons ook gelukken. Den Dinsdag

daarop vertrokken wij met een slede en een goed span honden. Daar

wij het loopen nog niet gewend waren, hielden we den eersten dag bij

Key Point stil, vijftien mijlen van King Point en twintig mijlen van

Herschel verwijderd. Wij sloegen op het strand een tent op en maakten

het ons gemakkelijk. Ik had Manni meegenomen, om hem de groote schepen

en de vele Kabluna te laten zien.

Den volgenden dag om half vijf waren wij in de haven van

Herscheleiland. Daar deed zich een zeer ongewone aanblik aan ons

voor, want er lagen vier groote schepen naast elkander en op het

ijs ertusschen wemelde het van menschen. Onze aankomst wekte groot

opzien. In een oogenblik waren wij door een dichte menigte omringd;

er waren Mulatten onder en negers, blanken en gelen. Hun kleeding was

zeer verschillend; de meeste Eskimo's liepen in Kablunakleeren en de

meeste Kabluna's in Eskimokleeren. Kabluna's noemen de Eskimo's hier

alle menschen van een vreemd ras. De negers noemen ze echter "maktok"

Kabluna, wat zooveel beteekent als "de zwarte blanke".

Ik was de gast van veel kapiteins, sprak met de zendelingen, en had

het voorrecht een brief van huis te ontvangen, met vreugde begroet,

al was hij anderhalf jaar oud. Manni had veel pleizier en kreeg

verscheiden uitnoodigingen bij de Eskimo's. Het leven aan boord van

die amerikaansche walvischvaarders staat in geen te besten roep,

en ik hoorde er wonderlijke verhalen over; maar positieve bewijzen

heb ik niet verkregen. De post zou den 20sten October over Fort Mc

Person naar Fort Yukon gaan, en daar zou ze wachten en dan voor de

verschillende kapiteins telegrammen verzenden en terugbrengen.

Met een antwoord voor ons zag het er dus vóór de maand Mei niet best

uit, want de post wordt over Edmonton naar Fort Mc Pherson gebracht en

van daar door Indianen naar Herscheleiland overgebracht. Dat duurde te

lang, en wij vroegen daarom bij de walvischvaarders, of zij er iets

tegen hadden, als ik de post den 20sten October vergezelde. Met de

grootste vriendelijkheid werd dit goed gevonden en al wat ik ervoor

noodig had, werd te mijner beschikking gesteld. Kapitein Mogg van de

gestrande _Bonanza_ wilde ook met de post verder reizen en trachten,

San Francisco te bereiken, om dan in het volgend jaar met een nieuw

schip weer naar de noordelijke breedten te trekken.

Den 29sten September keerden wij naar de _Gjöa_ terug. Zonder veel

moeite hadden we 's avonds om elf uur ons doel bereikt. Drie weken

later was mijn uitrusting voor de postreis klaar; ik nam vier honden

mee en ook Jimmi, om hem een blik in de beschaafde wereld te laten

slaan.

Na mijn vertrek verliep op de _Gjöa_ de tijd kalm onder het commando

van luitenant Hansen. Een reeks van jachtexpedities werd ondernomen,

en nooit keerde men met leege handen terug. Kunak, de Eskimobuurman van

Sten, werd naar de Mackzenziedelta gezonden, om op elanden te jagen,

die daar nog in menigte voorkomen. In het begin van Maart ontvingen ze

de eerste postzending aan boord. Het waren een aantal couranten en een

telegram, dat ik met de "Royal Northwest Mounted Police," die Dawson

City den 25sten December verliet, had afgezonden. Door deze couranten

en door brieven van mij kregen ze nauwkeurige berichten over hetgeen

er in Noorwegen en in de verdere wereld was voorgevallen en tegelijk

ontving ieder berichten van de zijnen.

Den 12den Maart was ik terug aan boord met nog meer brieven en

couranten. Onze derde winter was goed doorstaan. Helaas, dat er op

het laatst nog iets heel droevigs moest gebeuren. Wiik werd in de

derde week van Maart onwel; maar niet zóó, dat we aan iets ernstigs

dachten. Hij had geen eetlust en kreeg den 26sten hevige pijn in

de zijde. Den volgenden dag moest hij blijven liggen; de pijn in

de rechterzij hield aan, en ik begon voor borstvliesontsteking te

vreezen. Eerst behandelden wij hem met koude omslagen, later met

mosterdpleisters en pappen, en in den nacht op den 28sten schertste

hij weer met ons en voelde zich beter. Maar in den namiddag namen de

pijnen toe; er kwam benauwdheid bij, en de pols ging tot honderd-vier

slagen in de minuut. Wij hadden een electrische leiding tusschen het

woonhuis en het schip. Den 30sten Maart schreef ik in mijn dagboek:

"Wiik is veel beter. Temperatuur van morgen 38.8 graden, met kalmen

pols; eetlust neemt toe en spijsvertering goed."

En toch, dien nacht werd ik door de electrische bel gewekt; Wiik was

veel erger. Ik schreef aan kapitein Tilton, die een dokter aan boord

had, dien te zenden en stuurde Jimmi er mee naar Herscheleiland, maar

eer hij vertrokken was, had onze beste vriend Wiik reeds den laatsten

adem uitgeblazen. Onzegbaar treurig bleven we dien nacht bij den doode;

hij was voor ons allen een goed vriend geweest, en door zijn opgewekt

humeur had hij veel tot de onderlinge aangename verhouding bijgedragen.

Het werk moest ons over de droefheid heen helpen. Lund had den 3den

April de zwartgeverfde doodkist gereed, waar Wiik in werd gelegd,

in afwachting, dat de grond zoo ver zou zijn ontdooid, dat we onzen

vriend konden begraven. Op het toegeschroefde deksel spreidden we de

noorsche vlag.

Den 2den Mei kwam vroeg in den morgen een Indiaan aan boord met de

eerste regelmatige post, die over Edmonton en Fort Mc Pherson aan

de Yukon naar Herschel was gekomen. Luitenant Hansen en ik waren

de gelukkigen, ieder van ons kreeg een brief, wel oud maar zeer

welkom. Den 6den keerden de brengers terug, en daar ze terstond naar

Aljaska gingen, gaven wij hun eenige brieven mee en een telegram, dat,

naar ik uitdrukkelijk zei, groote haast had. Het was het bericht van

Wiik's dood, waardoor ik hoopte te verhinderen, dat zijn oude moeder

van anderen kant de tijding ontving. Maar het telegram is nooit in

handen van den heer Firth, den directeur op Fort Mc Pherson gekomen.

Mei was een mooie maand, en den 9den konden we onzen vriend

begraven. Er werd een kruis met een krans op den grafheuvel geplaatst

en ik sprak een laatste afscheidswoord.

Een der flinkste Eskimo's, Manitchja, bewees ons in dezen tijd den

dienst, Manni tot zich te nemen, want ondanks al onze moeite om hem

te winnen, wilde hij weer naar de Eskimo's. Toch duurde die stemming

niet lang; na een week was hij al terug, en wij namen hem weer in

genade aan.

Het duurde nog lang, nadat onze toebereidselen klaar waren, eer het ijs

opbrak; eerst den 10den Juli 1906 ontdekten wij drie walvischvaarders

in het open water buiten King Point, het was nog onzeker, of het hun

gelukken zou geheel naar buiten te komen; maar het ging. Nu was ook

onze tijd gekomen; alles was gereed voor het vertrek. Onze lieve _Gjöa_

begon het laatste deel van haren tocht. Toen we langs Wiik's graf

kwamen, lieten we de vlag dalen en zonden hem onzen laatsten groet.

Op Herscheleiland moesten wij nog lang wachten op het verder losgaan

van het ijs; het eiland had een prachtigen plantengroei, waar King

Point een ware woestijn bij was, maar de Eskimo's hadden al het

primitieve verloren, en de jeugd vertoonde duidelijk de sporen van

een sterke vermenging van rassen. Daar op Herscheleiland ondervonden

wij het groote leed, dat onze Manni verdronk; hij was alleen in een

boot aan het eenden jagen, en in het gezicht van de _Gjöa_ stond hij

in het bootje, toen dat door een windstoot omsloeg.

Hoewel dadelijk een boot uitgezet werd, gelukte het niet zijn lijk

te vinden, ook niet na herhaalde pogingen in den loop der week

gedaan. Het was een zwaar verlies voor ons allen; wij hadden hem zoo

graag naar de beschaafde wereld mede genomen, om te zien wat er van

hem te maken viel.

Het werd 9 Augustus, eer voor goed de reis naar het Westen werd

voortgezet, en nog was de vaart vol moeilijkheden in de negen dagen,

die ons van den 18den scheidden, toen we om Point Barrow, Amerika's

noord-westpunt voeren. Den 30sten kwam kaap Prins van Wales, de

oostelijke rots aan den ingang van de Beringstraat in zicht. Wij waren

dus Aljaska voorbijgevaren, het land, waar ik op mijn voorjaarspostreis

kennis mee had gemaakt, waar ik veel gastvrijheid had gevonden aan

de Yukon, in Fort Mc Pherson, Circle City en Eagle City, in welke

laatste plaats ik twee maanden had doorgebracht.

Bij Point Barrow had ik uit Nome, de uiterste noordwestelijke bewoonde

plaats aan de Beringstraat, een schrijven gekregen, of wij de gasten

der stad Nome wilden zijn. De menschen toonden wel, die uitnoodiging

hartelijk te meenen. De vriendelijkheid, waarmee we daar werden

opgenomen en de eindelooze geestdrift, waarvan de _Gjöa_ het voorwerp

was, zullen voor alle tijden tot de aangenaamste herinneringen onzer

reis blijven behooren.

Amundsen besluit zijn reisverhaal te Nome. Uit de dagbladen heeft men

vernomen, dat de leden der expeditie over San Francisco naar Europa

zijn teruggekeerd. Of de _Gjöa_ in andere handen is overgegaan, en

in welke, is ons onbekend; Amundsen deelt het niet mee in zijn verhaal.

End of Project Gutenberg's De Noordwestelijke Doorvaart, by Roald Amundsen

De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 8 / 8 段