waren de luitenant en Hansen van hun lang uitstapje met goed succes
teruggekeerd. Ze hadden hun doel, kaap Crozier, bereikt en het
dépôt daar aangelegd. Het smalste deel der Simpsonstraat was nu,
zoo goed het ging, onderzocht. Het vaarwater tusschen het eiland
Eta en King Williamsland was zoo vol ondiepten, dat het eigenlijk
feitelijk afgesloten was. Het zuidelijke vaarwater tusschen Eta
en het vasteland van Amerika was, zoowel op den heen- als op den
terugweg met ijs gevuld geweest. Maar die ijsbergen waren zoo groot,
dat er de zee diep genoeg moest wezen voor ons schip. Kon het ijs
door die straat heen komen, dan zou de Gjöa met groote voorzichtigheid
hetzelfde kunnen doen. Dat was een bijzonder belangrijke ontdekking;
de Noordwestelijke Doorvaart was dus daar niet afgesloten.
Met de jacht zag het er in dezen herfst van 1904 twijfelachtig uit. In
Ogchjoktu was nog geen grootere rendierkudde gezien; hoogstens hier
en daar een alleen rondtrekkend dier. Hansen en Lund waren tijdens
mijn afwezigheid met de dorry op jacht geweest, maar zonder veel
geluk. Buitendien had hen het ijs verrast, zoodat ze de dorry aan
land hadden moeten trekken en over land hadden moeten terugkeeren.
We hadden dus nu twee booten in het open veld staan. Om nu voldoende
voorraden voor den aanstaanden winter te krijgen, besloot ik, zoodra
het ijs vast genoeg zou zijn, naar alle zijden jachtexpedities uit te
zenden. De Eskimo's hadden wel beloofd, ons bij hun terugkeer vleesch
te brengen, en ze zouden, zooals we wisten, met het terugkeeren van
het ijs komen, maar ik wist niet in hoever ze betrouwbaar waren,
en durfde mij niet op hen te verlaten.
Wij voerden allerlei verbeteringen aan Villa Magneet uit, volgens
de ervaringen van den vorigen winter. Het dak werd met zoden aarde
bedekt, bijna het geheele huis onder zand gezet en een uitstekende
ventilatie ingericht.
Het bleek, dat de winter zijn intocht kwam doen; de koude nachten,
de beginnende sneeuwval en de in troepen wegtrekkende vogels waren
onbedriegelijke teekenen. De zomer was koud en onvriendelijk geweest;
we hadden haast geen open water voor scheepvaart gehad. Dus moesten
we onze hoop op beter weêr in het volgend jaar stellen.
In den nacht van den 1sten September vroor alles toe. Onze tweede
winter was begonnen.
Op denzelfden dag, waarop het in ernst vroor, verschenen ook de
Eskimo's weer, en de eerste was onze oude vriend, de Uil, met zijn
gezin. De laatste weken had hij met eenige andere familiën aan de
jacht op rendieren en aan de zalmvisscherij gedaan bij Peel Inlet, aan
de oostkust van King Williamsland. Die familiën hadden hoofdzakelijk
gevischt en in de beek, die zich in Peel Inlet uitstort, hadden ze
verbazend veel zalmen buitgemaakt. Over het algemeen is hier in de
rivieren een rijkdom aan zalm, als wel nergens elders. De Uil had
ook een groote menigte rendieren gezien en twintig stuks geschoten,
waar hij ons de bouten van afstond.
Hij vertelde mij, dat hij op den weg naar het Zuiden een Oglugi-Eskimo
had ontmoet, die Tamoktuktu heette en die met zijn gezin in een
van ijs gebouwde hut aan den voet van den Wiikheuvel woonde. Daar
ik nog nooit een hut van ijs gezien had, ging ik den dag daarop op
weg, om die te bekijken. Met den Uil kwam ik er. De hut was gebouwd
van acht vierkante ijsblokken van een meter lengte en breedte en
een halven voet dikte. De kanten waren tegen elkaar gezet en de
blokken waren samengevoegd met een mengsel van ijs en sneeuw, dat
een uitstekend bindmiddel is. Rendiervellen vormden het dak. Ik vond
de heele familie te huis. Pocjarlu, Tamoktuktu's vrouw, zat dik en
vergenoegd op den achtergrond op een paar huiden. Om haar heen lagen
beenderen en vischresten verspreid en vóór de hut lagen een menigte
forellen. Het was te laat in het jaar, om nog visch in orde te maken
en zoo werden de gevangen visschen alle in bevroren toestand bewaard.
Tamoktuktu was op het punt, op de vischvangst uit te gaan, en ik mocht
hem vergezellen. Zijn gereedschap bestond uit een kakiva of harpoen en
een snoer van rendierpeezen, waar eenige kleine, schitterend gepolijste
stukjes been en blik aan hingen. Zijn oudste zoon ging mee; hij sleepte
een grooten steen achter zich aan. Vlug gingen we naar het water,
dat de Ristvedtplas was genoemd en waar de vischvangst zou plaats
hebben. Spiegelglad en glanzend lag het ijs op het water, en men kon
elken steen en ieder levend wezen eronder onderscheiden. Tamoktuktu
koos een geschikte plek, nam zijn zoon den steen af en hakte er een
gat mee in het ijs. Toen hij er doorheen was, maakte hij de opening
met zijn mes schoon en hing toen het snoer erin. Dadelijk stroomden de
kleine forellen toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, snuffelden
aan de vele geheimzinnige voorwerpjes en werden door den oplettenden
Tamoktuktu vlug gespietst.
Onderwijl was de Uil bij Poojarlu in de hut gebleven; ze hadden met
elkaar vriendschap gesloten en ik zag duidelijk, dat de Uil iets op
het hart had. Jawel, hij had aan de schoone beloofd, mij voor haar om
den inhoud van het laatst geschoten rendier te verzoeken! Ik beloofde
dien en gaf den Uil vergunning, de maag terstond te halen.
Het wonen in de tent was nu al minder aangenaam geworden. Het
tentdoek lag vol sneeuw en als er binnen gestookt werd, smolt die
en maakte alles vochtig. Daarom besloot ik de tent in te bouwen,
en met medewerking der Eskimo's haalden we uit den naasten plas acht
ijsplaten van een halven voet dik, elke drie voet breed en evenzoo
lang. Die zetten we om de tent, metselden ze met een ijsbrij samen en
dekten het dak met rendiervellen. Het huis was klaar; maar het voldeed
niet aan de verwachting, want de rijp drong binnen en het was steeds,
alsof het van het dak sneeuwde. Toen bouwden mij mijn Eskimo's een
echte winter-iglu. De familie van den Uil en die van Talurnakto woonden
in een slot van ijs, dat hoog was en ruim en vol jachttrofeeën. Het
bouwen werd steeds ter hand genomen, als het geen weêr was om te jagen.
Den 2den October keerde ik weer naar de Gjöa terug en liet Ristvedt
mijn plaats in de tent innemen. Op den terugweg trof ik het spoor
van een berin met twee jongen, die nog heel klein moesten geweest
zijn. Zij trokken naar het Zuiden, naar warmer streken. Het was het
eerste berenspoor, dat wij in de buurt van onze haven zagen.
Toen ik aan boord kwam, was Umiktuallu, de moordenaar van zijn
pleegzoon, van het amerikaansche vasteland gekomen. Van zijn kajak
uit had hij 35 rendieren geschoten, en hij beloofde, ons het vleesch
te brengen, zoodra het ijs goed begaanbaar was. Dat gaf een heerlijke
aanwinst bij onzen nooit zeer grooten voorraad. Umiktuallu berichtte
ook, dat groote rendierkudden langs de Todd-eilanden over het ijs
trokken.
Een nieuwtje hield onze nieuwsgierigheid in die dagen
gespannen. Umiktuallu had een Kilnermiun-Eskimo, dat is een Eskimo
van den stam die aan de Coppermine-rivier woont, ontmoet en vernomen,
dat een Kabluna of blanke in Maart met een Eskimo-gezin een bezoek
had gebracht aan de Eskimo's van de Coppermine. Later bleek, dat dit
bericht volkomen met de waarheid overeenstemde, zooals men zal zien.
Nu besloten wij, ons jachtgeluk in het Westen te beproeven, waar
Umiktuallu de vele rendieren had gezien. Daarom reisden Lund en Hansen
met Umiktuallu naar het Westen, voorzien van sleden, vijf honden en
proviand voor veertien dagen.
Van Ristvedt kreeg ik een brief door een Eskimo-koerier, waarin hij
mij meedeelde, dat hij het kamp verlegd had naar den noordelijksten
heuvel, waar hij sporen van groote rendieren had ontdekt. Over het
geheel waren er in dat jaar 1904 veel van die dieren; maar ze hadden de
ijstoestanden rondom het eiland Eta gunstig gevonden, en dus kwamen ze
op hun trek niet dicht bij ons. De rendieren waren in dit jaar dik en
vet in tegenstelling met het vorige jaar. Maar zoo dik als de rendieren
op Spitsbergen werden ze hier echter niet; doch dat is ook werkelijk
wonderlijk, hoe de broodmagere rendieren op Spitsbergen in den loop
van den zomer zich vetmesten en spekkussens krijgen van verscheiden
duimen dik. Ook sneeuwhoenders trokken thans in groote scharen voorbij
en wij hielden er zooveel van terug, als we maar konden.
De 15de October was een zeer drukke dag in de haven, want al onze
jagers en vier Eskimofamilies kwamen tegelijkertijd. Lund en Hansen
hadden negen rendieren gedood, die ze in een sneeuwhut ingemetseld
hadden en later aan boord brengen wilden. Het afhalen werd echter
uitgesteld, en toen wij eindelijk in den winter het vleesch wilden
halen, was het door de Oglugi-Eskimo's gestolen. De geheele, door ons
zelven bijeengebrachte, vleeschvoorraad bestond uit twintig rendieren;
visschen hadden wij in het geheel niet. Maar later voorzagen ons de
Eskimo's ruim van visch en vleesch. Het waren daarin betrouwbare
menschen, en als ze beloofd hadden vooraad te brengen, hielden
ze woord.
Door den terugkeer der Eskimo's kreeg onze haven weer een levendig
aanzien. In groote troepen kwamen ze meestal des avonds aan boord, om
ons te begroeten, oude vriendschap te vernieuwen en nieuwe vrienden
voor te stellen. Monter en vroolijk waren ze altijd, en wij waren
goede buren samen.
Tot hier toe heeft men altijd gedacht, dat de lucht in de poolstreken
volkomen zuiver was en vrij van bacillen. Maar daaraan mag voortaan
wel getwijfeld worden, ten minste wat de streken om King Williamsland
betreft. Zooveel is zeker, de Eskimo's worden in het najaar door
een ware verkoudheidsepidemie aangetast. Een paar van hen werden
zoo hard ziek, dat ik voor longontsteking vreesde. Daar bijna
ieder van hen de ziekte kreeg, moest er wel aan besmetting worden
gedacht. Wij op de Gjöa bleven gelukkig vrij, maar wij namen ook onze
voorzorgsmaatregelen. Tegen het spuwen hadden we een zwaren strijd
te voeren. In dat opzicht zijn de Eskimo's al zoo erg mogelijk, en nu
in den tijd van de verkoudheden was het natuurlijk vreeselijk. Onder
onze leiding werd het wel beter.
Omdat ik graag het groote Eskimokamp, dat er bij Navjato moest
zijn, wilde leeren kennen, en daar ik ook visschen wilde inruilen,
ging ik op weg naar het kamp en nam Helmer Hansen mee. Den 23sten
October vertrokken wij met drie Eskimogezinnen, die denzelfden weg
gingen. Ter afwisseling gebruikten we ski. Nog was de sneeuw niet
vast aaneengebakken en de temperatuur was niet beneden 25 graden
vorst, dus voor een skitocht zeer geschikt. Des avonds om half vijf
bereikten wij, vijftien zeemijlen van het station verwijderd, den
top der "Ellinghoogte." Hier vonden wij een oude iglu, die wij den
naam gaven van "Hotel Ellinghoogte."
Met mijn vriend Poieta en zijn vrouw namen wij vieren de oude iglu
in bezit, en met de hulp van mevrouw Nalungia was het er spoedig
licht en warm. Na den maaltijd en een klein praatuurtje gingen we te
bed. Natuurlijk schreeuwde de zuigeling nu en dan en moest dan tot
rust gebracht worden; mij hinderde de stoornis, maar Hansen had er
behagen in, want die nachtelijke kinderkamergebeurtenis herinnerde
aan het verre thuis en aan zijn Nalungia.
Den volgenden morgen togen we in zuidelijke richting naar de
Simpsonstraat op weg. Eerst om vier uur hadden wij Navjato bereikt
en vonden tot onze verbazing in het geheel niet meer dan tien hutten,
veel minder dan we hadden verwacht. Wij werden door onze oude vrienden,
die hier kabeljauwen wilden vangen, zeer vriendelijk ontvangen.
Navjato of Novo Terro, zooals de Eskimo's zeggen, heeten de oevers
van een klein meer, dat eenige zeemijlen ten zuiden van Point
Richardson ligt. Navjato is niet zeer ver van de Hongerbaai, die
zoo genoemd wordt, omdat men er geraamten van een groot deel van
Franklin's gezellen vond, en men neemt aan dat ze hier op den weg
naar het Zuiden van honger zijn omgekomen. De ironie van het noodlot
wil, dat juist deze plek zulk een naam draagt, want het is een der
mooiste en rijkste punten van de noordkust van Amerika. In de lente,
als het ijs van den oever loslaat, vangt men hier tallooze vette
zalmen. Iets later komen groote en vele kudden rendieren en blijven
den geheelen zomer. In den herfst kan men kabeljauwen in ongetelde
menigten vangen. En juist hier, in dit arctische Eden, moesten die
koene reizigers uit gebrek aan levensmiddelen ten gronde gaan! Maar ze
waren hierheen gekomen, toen het vlakke land met sneeuw bedekt was,
en ze waren doodop van inspanning, uitgeput door ziekte en hadden
er halt gehouden. Geen enkele afwisseling bood het eentonige, vlakke
land, overal met sneeuw bedekt; geen levende ziel kwam hun tegemoet,
om hen terecht te helpen en hulp te verschaffen. En over de geheele
aarde zal men lang moeten zoeken, eer men een tweede plek vindt,
zoo verlaten als deze in den winter.
Toen eindelijk de zomer kwam en in den korten tijd van verlossing
van het juk van den winter millioenen bloemen op de velden gingen
bloeien, toen alle wateren glinsterden en alle beken kabbelden, toen
het van vogels wemelde, die met vroolijk gekweel nesten bouwden, en
de eerste rendierbok aan den rand van de open IJszee opdook, toen
wees een hoop verbleekte steenen de plaats aan, waar de laatsten
van Franklin's dappere schaar hun laatsten zucht hadden geslaakt,
in het laatste bedrijf van dit groote treurspel.
Op deze plek, waar zooveel treurige herinneringen aan verbonden zijn,
bewogen zich nu de Eskimo's vroolijk en levendig, voordat de lange
nacht aanbrak, die met zware hand licht en leven in deze streken
uitbluscht. Ze haalden uit een diepte water van drie of vier vadem
groote menigten kabeljauwen, en maakten daarbij gebruik van snoeren
van rendierenpeezen en een krommen spijker. Op den namiddag van mijn
aankomst werd mij een spartelende kabeljauw vereerd, die dadelijk
naar den kookpot verhuisde! Na onzen langen, inspannenden marsch
genoten we onzen verschen kabeljauw met vreugde en dachten aan een
vaderlandschen fjord in Noorwegen op een mooien zomeravond...
Maar eigenlijk waren we minder hierheen gekomen om kabeljauw te
eten, dan om kabeljauwen te koopen, en de volgende dagen werden dan
ook aan de zaken gewijd. Buiten op het witte ijs beproefde ik mijn
geluk met de vischvangst, maar zonder bijzonder goed resultaat. Wij
hadden verder een paar onaangename dagen in Navjato. Het was steeds
nevel en wind en min 25 graden. In het voorjaar en den herfst voelt
men de koude het meest, zelfs als ze in den winter veel heviger is,
wat wel samenhangt met de kleeding, die er dan nog niet recht op is
ingericht. De Eskimo's waren van den morgen tot den avond op de jacht
en bezig met de vischvangst, vooral voor het verkrijgen van voorraad
voor den winter.
Toen wij na eenige dagen Navjato verlieten, waren onze sleden hoog
beladen met visch. Verscheiden Eskimo's vergezelden ons op den
terugweg, en onder hen was onze oudste en beste vriend Teraiu. Hij
had ons uitstapje naar Kaa-aak-ka niet vergeten, en kwam nu bij zijn
zware verkoudheid, om een middel ertegen, bij ons. Onderweg hoestte
hij erg en spuwde ook bloed. De oude Auva zat, toen we vertrokken,
bij het vuur en leed aan een ernstig maaglijden; ze stierf een paar
dagen later.
Op een der Todd-eilanden brachten wij den eersten nacht door in een
oude sneeuwhut. Ook op deze eilanden had men eenige geraamten en
andere sporen van de Franklin-expeditie gevonden. Teraiu vertelde,
dat hij indertijd al van de blanke mannen, die hierheen gekomen waren,
had hooren vertellen. Op het eiland, waar we overnachtten, liet hij
mij een groot, plat rotsblok zien, dat ter herinnering aan de dooden
was opgericht. De Eskimo's noemen dit eiland Keuna.
Toen wij met een groote slede vol versche, bevroren kabeljauwen
aankwamen, werden we natuurlijk met geestdrift ontvangen!
Naar de ervaringen van den vorigen winter hadden wij ons gericht voor
de verbeteringen op de _Gjöa_. Het winterdak over het schip heen was
nu beter in orde, en we maakten er een bewegelijke deur in, waardoor
wij als in een huis uit en in konden gaan. Dat had ook nog een ander
voordeel; wij konden ons nu de Eskimo's beter van het lijf houden,
wat soms zeer noodig was. Des avonds sloot en grendelde luitenant
Hansen de deur, en wij zaten dan veilig binnen, als in een vesting. We
richtten ook een bad in en hadden al gauw beneden in het ruim ons
eigen stoombad. De luitenant en ik maakten er in dezen winter druk
gebruik van; het werkte uitstekend en werd voor ons al gauw bij het
leven in de enge ruimte en in de zware kleeding onontbeerlijk. Een
kleedkamer konden wij ook niet ontberen, maar we gebruikten er een
omgekeerde boterton voor. Wat lastig was, dat was de koude douche,
die wij iederen keer kregen door den rijm, dien de bevroren damp
vormde en die dan smolt en op ons neerdroop.
Luitenant Hansen was vol geestdrift voor het bad en maakte er
electrisch licht bij, drie lampen wel! Ja, hij ging nog verder en
richtte ook op het dek electrische leidingen in. Men zat dan recht
genoegelijk in de kajuit, drukte op een knopje, en--ja, dan moest het
licht wezen. Maar het werd niet licht. De eenige fout in de leidingen
van luitenant Hansen was, dat ze geen licht verschaften. Wij moesten
weer in donker baden. Maar men moet niet meenen, dat de luitenant een
slecht electrotechnicus was. O neen! Maar zelfs de beste electrische
ingenieur kan niet uit niets, uit zeer ongeschikt materiaal iets
zóó maken, dat hij maar heeft te zeggen: "Het zij licht!" Wij waren
anders vaak genoeg trotsch op wat we met onze weinige hulpmiddelen
uitrichtten.
Een vraag, die wij ons nu en dan stelden, was deze, hoe wij ons
in geval van nood tegen de Eskimo's konden verdedigen, ingeval ze
wat in het schild voerden. Er was nu een groote menigte rondom
ons verzameld, en als zij nu eens een slechte jacht hadden, hoe
gemakkelijk konden ze dan onze proviandtent openbreken. Wij moesten
hun dus behoorlijk respect inboezemen, en eindelijk werd het middel
daartoe gevonden. Onder een sneeuwhut, op vrij grooten afstand van
de _Gjöa_, werd een mijn gegraven, die verbonden werd met het schip
door een onder de sneeuw verborgen leiding.
Toen dat gebeurd was, lieten wij de Eskimo's samenkomen aan boord. Ik
hield voor hen een voordracht over de macht van den blanken man;
zei, dat wij van een grooten afstand uit verdelging konden brengen
en over het algemeen de wonderlijkste dingen tot stand brengen. Dus
was het voor hen van groot belang, dat ze zich fatsoenlijk hielden,
omdat ze anders zich den toorn der Kabluna's of blanke menschen op
den hals haalden. Als zij daarginds aan den wal booze dingen zouden
willen uitrichten, bij voorbeeld bij die sneeuwhut daar in de verte,
dan zouden wij rustig en wel aan boord blijven en enkel maar zóó
doen.... Met een vreeselijk geknal vloog de sneeuwhut in de lucht,
en een sneeuwwolk stoof omhoog.
Dat was volkomen genoeg! Meer was er voor langen tijd niet noodig.
Op Zondag 20 September zaten wij juist aan het tweede ontbijt, toen
tot onze groote verbazing ons een geheel vreemde Eskimo een bezoek
bracht. Reeds de manier, waarop hij binnentrad, wees erop, dat onze
gast zich in de "wereld" had bewogen. Zijn kleeding verschilde van die
van den Netsjillistam. Onze verwondering verminderde niet, toen de man
in een, zoo al niet juist, toch volkomen verstaanbaar Engelsch zei:
"Give me 'moke!"
Wij gaven hem tabak en een pijp, en hij stopte die op sierlijke
manier. Toen stelde hij zich voor:
"Mister Atangala!"
Het begon interessant te worden! Ik bekeek hem oplettend en wachtte
wat nu zou volgen. Maar hij wekte mij uit mijn gepeins en deed
mij verstaan, dat nu van mij de volgende stap werd verwacht, door
te zeggen:
"Mag ik vragen, Mijnheer, hoe uw naam is?"
Ik kreeg een kleur om mijn gebrek aan wellevendheid, boog en noemde
mijn naam. De voorstelling was afgeloopen, en nu was hij blijkbaar
tevreden. Hij beduidde mij, dat zijn familie buiten op het dek was en
ik maakte mijn gebrek aan wellevendheid van zooëven weer goed, door
dadelijk de familie binnen te noodigen. Zij verscheen terstond. De
vrouw was een groote, donkere verschijning van echt Eskimotype,
Kokko geheeten, en ongeveer veertig jaar oud. Haar zoon schatte ze
op tien jaren; hij was een eerste bengel.
Atangala vertelde, dat hij en zijn gezin drie blanken van Chesterfield
Inlet in de Hudsonsbaai naar de Coppermine hadden begeleid. Dit
bevestigde dus het bericht van Umiktuallu, ons zes weken geleden
gebracht. Van de Coppermine had Atangala zich huiswaarts gewend, en
toen hij hoorde, dat er een schip in Ogchoktu lag, besloot hij ons te
bezoeken, ofschoon de afstand een paar honderd zeemijlen bedroeg, en
te onderzoeken of hij ook zaken met ons zou kunnen doen. Hij blufte
van belang, beweerde dat hij kon schrijven, en op zijn verlangen
brachten we hem potlood en papier. Zijn bedrevenheid in de edele
schrijfkunst was niet overweldigend. Met ongeloofelijke inspanning
bracht hij zijn naam op papier. Hij vertelde, dat hij een paar jaren
geleden met een amerikaanschen walvischvanger van de Hudsonsbaai
over land naar Winnipeg was gegaan, en van zijn verblijf aldaar
kende hij nu alle uitvindingen van den nieuweren tijd, telefonen,
spoorwegen, electrisch licht en--whisky. Voor de laatste had hij
groote belangstelling, en hij vroeg er steeds naar. Ik beproefde hem
uit te leggen, dat de anti-alcoholbeweging het allernieuwste was op
dat gebied, maar daar wilde hij niets van weten. Ten slotte smeekte
hij om brandewijn. Maar hij kreeg geen drank. Voor ons was het bericht,
dat bij Katiktali of kaap Fullerton twee groote schepen lagen, van het
grootste belang. Mij kwam het terstond in den zin, of wij misschien
door die beide schepen een postverbinding met de buitenwereld konden
krijgen. Dus vroeg ik den heer Atangala, of hij bereid was, voor
postillon te spelen en hij scheen er niet tegen te hebben.
Ieder was nu ijverig in de weer met brieven te schrijven. De post
zou binnen een paar dagen vertrekken, en men moest zien, gauw klaar
te komen. Atangala was nog steeds gast aan boord, en hij scheen
het naar zijn zin te hebben. Maar zijn honden zagen er slecht uit;
ze leken magere wolven en liepen snuffelend rond. Het was een naar
gezicht; maar wat konden wij doen? We hadden voor onze eigen honden
niet genoeg, laat staan voor vreemde.
Den 28sten November was de postslede gereed en trots wind en
sneeuwstorm vertrokken de postillons om elf uur in den voormiddag. Ik
had het voor het veiligst gehouden, Talurnakto mee te zenden, want
ik kende immers Atangala niet; misschien was hij wel een der grootste
deugnieten.
Het was een dwaas gezicht, hoe Talurnakto zich met de opdracht,
die hem toevertrouwd was, in zijn schik voelde. De brieven, die
geadresseerd waren aan de "Schepen bij kaap Fullerton," droeg hij
in een tasch aan een riem over den schouder. Ik zag wel, dat een
spotachtig lachje om Atangala's mond speelde, maar begreep eerst later,
wat dat beduidde. De beide Eskimo's trokken dus weg en waren spoedig
in een sneeuwwolk uit ons gezicht verdwenen.
Als een expeditie in de wereld van het poolijs zal gelukken, is het een
eerste vereischte, dat alle leden ten allen tijde volop werk hebben,
en de plicht van den leider is het, de indeeling van het werk te maken,
wat echter in lange perioden wel eens moeilijk onafgebroken vol te
houden is. Ledigheid werkt altijd demoraliseerend, en dat alleen
is al reden genoeg om op een poolreis niet te veel menschen mee te
nemen. Enkele menschen kan men altijd wel aan het werk zetten, maar een
grooter aantal altijd bezig te houden, is bijna onmogelijk. Voor mij
was het geen moeilijke taak, want mijn kameraden kwamen mij altijd
halfweg tegemoet. Als ik niet wat uitvond, kwamen ze zelf met hun
plannen. Lund genoot de hoop van een groot uitvinder te wezen op
allerlei gebied. Als ik met een denkbeeld bij hem kwam, werd het
dadelijk uitgevoerd. Alleen moest hij soms, als er smeedwerk moest
worden verricht, Ristvedt te hulp roepen. Maar als dan ook de smid
Ristvedt en de architect Lund samenwerkten, was er niets onmogelijk.
Van Godhavn hadden wij een menigte vuurvaste baksteenen meegebracht,
waarmee wij onze petroleumkachels ommetselen wilden, om de warmte
langer te kunnen bewaren. Nu had ik al lang over de beste manier om
van die steenen gebruik te maken nagedacht en wendde mij ten laatste
met die vraag tot Lund. Wij overlegden en kwamen toen tot de slotsom,
dat men, in plaats van de oude kachels in te metselen, even goed een
geheel nieuwe kachel kon maken. Lund nam de plannen en de uitvoering
op zich. Op denzelfden dag, waarop de post vertrok, verraste hij ons
met het voltooide werk. Hij had een van onze groote blikken pakkisten
genomen, die in baksteenen ingemetseld en aan de eene zijde een deur
erin aangebracht.