Manik-tu-mi klonk mij tegemoet. Hansen kwam achter mij aan; de
vreugde en de geestdrift der Eskimo's waren bepaald roerend. Het
waren Netsjilli-Eskimo's, die ons ontdekt hadden op hun reis naar hun
plaatsen van de zeehondenvangst. Ieder had een speer in de hand en een
hond aan een riem achter zich aan. Buitendien waren ze voorzien van
groote sneeuwmessen. Ze maakten den indruk van beter en zindelijker
gekleed te wezen dan onze eerste vrienden, de Ogluli-Eskimo's. Toen
ik naar hun kamp vroeg, wezen ze oostwaarts tusschen de ijsbergen. Ik
had grooten lust, deze menschen nader te leeren kennen en zei, dat ik
graag met hen naar hun kamp wilde gaan. Daarover waren ze uitgelaten
blij; ze hielpen ons dadelijk de sleden verder trekken, door al hun
honden ervoor te spannen. Nu hadden we een voorraad honden, dat het
een aard had!
Na een uur klonk plotseling een luid geschreeuw van de Eskimo's en wij
zagen tusschen de ijsbergen een menigte hutten van den vorm van een
hooiberg. Het was het grootste kamp, dat ik nog gezien had, 16 hutten
te zamen. Het zag er uitgestorven uit. Al spoedig vertoonden zich
de vrouwen, geen schoonheden, de kleeren met vet en roet besmeerd,
en grauwe haren uitkomend onder de kap. Bij de eerste kennismaking
vonden wij de Netsjilli-Eskimo's allen leelijk, maar later oordeelden
we anders, al bleven we de Ogluli's veel knapper vinden. Ze bouwden
een prachtige sneeuwhut voor ons, nadat ze gelachen hadden om de
pogingen, die wijzelven deden. Wij werden zeer bevriend met hen, en
toen we den volgenden dag verder trokken, vergezelde ons Poieta, een
jonge broeder van hun hoofd Atikleura. Wij kwamen tot in de nabijheid
van het eiland Matty, maar het weer was zoo slecht, dat Poieta ons
afried verder te gaan. We hadden weer een Eskimo-nederzetting van zes
hutten gevonden, maar dit waren bedelachtige menschen, en toen wij den
volgenden morgen opbraken, misten we een mes, een zaag en een bijl,
die we eerst na veel gekijf terugkregen. Een dépôt in de buurt van
deze menschen aan te leggen, was dus uitgesloten.
Dan keerden wij weer naar de Netsjilli's terug, die op het punt stonden
naar zuidelijker streken te verhuizen voor de zeehondenvangst. Bij die
gelegenheid verzocht ik hen, ons naar ons schip te vergezellen. Den
25sten Maart vertrokken wij allen te zamen en den volgenden dag
kwamen wij aan boord, maar de Eskimo's moesten eerst nog hun jacht
volvoeren. Ik had hun de plek van de ligging der _Gjöa_ aangeduid,
en ze begrepen mij goed en noemden ze evenals de Ogluli's hadden
gedaan, Ogchjoktu.
De omstandigheden hadden mij ook ditmaal verhinderd, zoo ver te
komen, als ik graag wou, maar we moesten tevreden wezen, dat we een
dépôt toch zooveel verder het land in hadden aangelegd. We hadden het
onder de hoede der Netsjilli's gelaten. Op den dag na onzen terugkeer
kwamen al onze dertig Eskimovrienden met Ristvedt en den luitenant,
die hen op het ijs hadden aangetroffen, aan. Het werd druk in onze
buurt. De Eskimo's bouwden zich een rij hutten in het Lindströmdal,
een der kleine holle wegen, die van de haven naar boven voerden.
Den voorjaarssledetocht begonnen we in April, vonden het vroegere dépôt
nog in den besten staat, wat wel pleit voor de betrouwbaarheid der
Netsjilli-Eskimo's, en deden een reis langs de kust van Boothia Felix,
sloegen ons noordelijkste kamp op ten zuiden van de Tasmania-eilanden
en sloegen den 7den Mei den terugweg in. Het doel was nu, ons dépôt
te halen en er de Victoriahaven mee te bereiken, waar Ross met de
Victoria had overwinterd en waar een reeks magnetische waarnemingen
zeer interessant zou zijn; maar tot de uitvoering van dit plan kwam
het niet. Ik leed aan mijn linkervoet, moest eenige dagen rust nemen
en ten overvloede was het dépôt dezen keer geplunderd, zoodat we geen
keus hadden en naar de _Gjöa_ terugkeerden.
Den 5den Juli trokken we er op uit voor een gecombineerde opmetings-
en magnetische expeditie. Van allerlei kanten kwamen Eskimo's naar
ons toe en we konden hulp krijgen, zooveel als we wilden. Wij waren
voor veertien dagen van proviand voorzien en namen de Eskimo's Ugpi
en Talurnakto mee. De eerste, die de "Uil" bijgenaamd werd, had lang
zwart haar en een open eerlijk gezicht. Hij was een uitstekend vogel-
en rendierjager. Hij was ongeveer dertig en was getrouwd met Kabloka,
een meisje van zeventien jaar. Ze hadden geen kinderen. De moeder van
den Uil, die bij hen woonde, was Anana, die evenals de heele familie
beheerscht werd door Umiktuallu, den ouderen broeder van Ugpi. Diens
vrouw Onaller kon geweldig kijven. Het heftige karakter van Umiktuallu
bleek bij een gelegenheid, die allertreurigste gevolgen had. Hij had
drie kinderen en een pleegzoon. Eens toen het zevenjarig jongetje
het geladen geweer van den wand had genomen en het den pleegzoon
overreikte, ging het schot af en het kleinste jongetje viel dood
neer. De oudere bleef verschrikt staan en Umiktuallu, die aan kwam
loopen stiet zijn pleegzoon in drift en wanhoop zijn mes in het
hart. In één graf werden de beide knapen begraven en Umiktuallu
verliet na het gebeurde met zijn gezin het kamp.
Talurnakto, onze andere begeleider; was juist het tegendeel van
den Uil. Hij ging onder de zijnen door voor een soort van gek; maar
in werkelijkheid was hij de verstandigste van allemaal. Hij lachte
steeds en maakte grapjes. Buiten een eenigen broeder had hij in het
geheel geen familie en hij bekommerde zich om niemand. Dik en kort van
gestalte, had hij den bijnaam Takichja, dat is die moeilijk loopt. Wij
werden het eerst op hem opmerkzaam door de taaie volharding, waarmee
hij telkens weer op de _Gjöa_ verscheen, nadat we hem te verstaan
hadden gegeven, dat we hem niet konden gebruiken. Maar toen we later
hoorden, dat hij flink werken kon, behielden we hem maar. Aan den kost
aan boord gewende hij zich gauw, ja, het eten smaakte hem uitstekend;
maar zijn manieren waren afschuwelijk. Hij zag er afschrikwekkend uit,
als hij zijn maal naar binnen werkte. Ook in dit opzicht was de Uil
een voorbeeld; die zou in gezelschapstoilet in het deftigste milieu op
zijn plaats zijn geweest; hij gebruikte mes en vork als een gentleman.
Het was heerlijk weêr en onder gezang en scherts kwamen we vlug
vooruit. Reeds om half 12 hadden we het eilandje bereikt, dat de
luitenant en Ristvedt in Maart als zoodanig hadden herkend, Achliechtu
noemden het de Eskimo's. Dadelijk nadat we voet aan wal hadden gezet,
liepen we toe op een paar plaatsen, die van sneeuw bevrijd waren en
namen er bezit van, om er de tenten op te slaan. Men moet zelf in
streken geweest zijn, waar de sneeuw tien maanden aaneen alles bedekt,
om de geestdrift mee te voelen, die ons vervulde bij den aanblik
van dien naakten grond. Met het merkwaardig troostrijk bewustzijn,
te staan op moeder de aarde zelve, stampten we erop rond, en onze
oogen zwelgden in de weelde van zwarte aarde en groen mos. Het was
als het weerzien van een vriend, die lang afwezig is geweest.
Dat het er intusschen erg lenteachtig was, kan ik niet zeggen. Maar in
vergelijking met het doodsche van te voren werkte het ontwakende leven
verrukkelijk. De weinige kale plekken werden tot drukke middelpunten,
ook voor gonzende insecten; een bloempje kwam er boven den grond en
werd met gejuich begroet. Eenden en zwanen trokken onophoudelijk in
groote troepen boven ons hoofd langs in noordelijke richting. Wij
schoten een menigte sneeuwhoenders en leidden bij het versche vleesch
een echt heerenleven. Over het algemeen behooren de dagen op de
Hovgaard-eilanden tot onze allergelukkigste.
Bij mijn terugkeer vond ik als gewoonlijk aan boord alles in de beste
orde. Mijn observatietent voor magnetische waarnemingen sloeg ik op
in Ogchoktu, zoo noemden de Eskimo's onze vestiging. Het ijs in de
Simpsonstraat buiten begon langzamerhand die licht-blauwgroene kleur
aan te nemen, die optreedt als het aan de oppervlakte smelt. Nu zou
het niet lang meer duren, of het zou losraken. De Eskimo's beweerden,
dat dit elk jaar gebeurde; maar ze gaven mij ook te verstaan, dat de
zomer van 1903, waarin wij waren aangekomen, een zeer ongewone ijszomer
was geweest en dat ik niet op een herhaling daarvan zou kunnen hopen.
Intusschen zag het er voor ons zeer goed uit. De lente en de voorzomer
waren met hun lange avonden heerlijk. Er was één ding, dat ons het
leven lastig maakte, en dat waren de muggen. Wij moesten vechten met
die benden als tegen roofzuchtige bandieten. Ze vervolgden ons aan
boord, en om ten minste des nachts rust van hen te hebben, moesten
we onze vensters met vliegengaas overtrekken. Sommigen van ons hadden
van de beten veel hinder, en bij voorbeeld bij den armen Lund zwollen
ze op, en er kwam ontsteking bij.
De meeste Eskimo's waren nu vertrokken, om hun zomer verblijven op
te zoeken en er aan vischvangst en rendierjacht te gaan doen. Alleen
drie gezinnen, die naar King Williamsland noordwaarts wilden bleven
nog, en dan behielden we den Uil met moeder en vrouw bij ons, alsook
Talurnakto, daar ze mij zouden vergezellen, als ik, zoodra het open
water aan den wal met een boot kon worden bevaren, mijn afgebroken
waarnemingsreis weer zou opvatten.
Verscheiden dagen zochten wij naar de lijken der beide Eskimojongens,
om te zien op welke wijze ze waren begraven. Ten slotte vonden wij ze
ook. Elk lijk lag in een eigen graf op de helling en was door kleine
steenen omgeven. De zoon was zorgvuldig genaaid in rendiervel en men
had hem zijn boog en pijlen, zijn drinkbeker, zijn vuisthandschoenen
en zoo voort meegegeven, terwijl de pleegzoon veel onverschilliger was
behandeld. Zijn hoofd was bijna onbedekt, en hij had niets anders bij
zich dan een paar oude, afgedragen handschoenen. De insecten waren
al met hun werk aan hem begonnen, en in den loop van den winter zou
de vos dat wel komen voltooien. Toen ik de plek in het volgend jaar
weer bezocht, wemelde het in beide graven van kleine wormen.
Luitenant Hansen gebruikte nu het gunstige jaargetijde, om zijn
photografieën te ontwikkelen, want thans had hij genoeg van het
vroeger zoo kostbare water; in een van onze slooten richtte hij zich
een bekken in met regelmatigen toe- en afvoer, waar hij naar hartelust
kon plassen en spoelen.
Den eersten Augustus begaf ik mij weer op expeditie rondom het
station. Het was nu een onderzoekingstocht te water en wel met
een echte, kleine vloot. Een van onze ijzeren bootjes was het
vlaggeschip, waarin ikzelf aan het roer zat; Anana en Kabloka zaten
op de achterbank. Ons aller proviand was ook in die boot; Talurnakto
roeide een van onze booten van zeildoek, en de Uil zat in zijn eigen
kajak. De kajaks van de Netsjilli-Eskimo's zijn in vergelijking met
die van de Eskimo's uit Noord-Groenland plomp en leelijk. Maar de
Groenlanders zijn ook in veel sterker mate van hun kajaks afhankelijk.
Ons doel was een heuvel, de Helmer-Hansenheuvel, die vijf zeemijlen
verwijderd was; dus we hadden niet ver te varen. De muggen kwelden
ons verschrikkelijk, tot wij een eind ver naar buiten waren gekomen;
toen lieten ze ons met vrede. Toen echter het wêer na den regen van
den morgen opklaarde en de zon stekend begon te worden, hadden we
het uitgezochtste muggenweêr. Het half uur gaans van het strand naar
den wachtpost was een marteling; wij liepen door zwermen muggen, en
daar wij de handen niet vrij hadden, omdat we beladen waren, konden
wij ons niet verdedigen; zoodra we den mond open deden, om een woord
te spreken, hadden we dien vol muggen. Bijna waren we in wanhoop
omgekeerd, maar we hielden vol, en toen eindelijk de tenten waren
opgeslagen, vonden we beschutting tegen de millioenen kwelgeesten.
Het verblijf op den Hansenheuvel was prettig; het landschap was
mooi, en men had er een ruim uitzicht. Het open water reikte juist
tot daar; meer naar het westen kwam het ijs nog tot dicht aan het
strand. Naar het oosten kon ik over een groote baai juist op Nhchoktu
kijken; zuidwaarts was het uitzicht vrij op de Simpsonstraat en in
het Noorden lagen de eindelooze mossteppen van King Williamsland,
waar, meer landwaarts in, veel meren glinsterden met spiegelend
oppervlak. Duizenden vogels vlogen heen en weer, en hier en daar
weidde een eenzaam rendier.
Vanwege de muggen kon ik enkel des morgens en des avonds werken,
en de vrije tijd, dien ik had, werd besteed aan vriendschappelijk
verkeer met de Eskimo's, die ik nu best kende. De Uil en Talurnakto
waren meestal op de rendierjacht, en Kabloka vergezelde hen vaak,
om te helpen met het vervoer van het geschoten wild. De oude Anana
daarentegen bleef bij de tenten en haalde alleen nu en dan wat
heidekruid voor brandstof. Zij hielp mij in de huishouding. Haar
voornaamste werk was het wasschen van het vleesch, dat de Eskimo's
zeer ruw behandelden. Zij namen het van de sleden en lieten het
liggen waar het viel, zoodat het door rendierhaar, modder en kleine
steenen verontreinigd werd. Anana's schoonmaken bestond nu, helaas,
dikwijls nergens anders in, dan dat ze het ging aflikken. Ze meende,
dat het alleen bescheidenheid van mij was, als ik haar trachtte af
te brengen van die gewoonte.
Als we eens in een vrij uurtje allen bij elkaar waren, noodigde ik
mijn vrienden bij mij in mijn tent en onthaalde ze op chocolade en hard
brood. Van alle dranken was chocolade het lekkerste, wat ze kenden. Zij
grijnsden over het geheele gezicht, als ik het woord chocolade maar
noemde. Bij zulke tractaties deed ik navraag naar alles en nog wat,
hun leven en denken betreffende. Van hun taal trachtte ik wat meer te
leeren. De Uil was een eerste paedagoog; hij vond het merkwaardig,
als ik graag wou weten hoe dit of dat heette. Maar Talurnakto was
niet te gebruiken; hij lachte maar en vatte alles op als een grapje.
Van eetgerei was ik niet al te best voorzien, en ik zei, dat ze zich
er maar zonder moesten behelpen, wat ook heel goed ging. Op een avond,
toen we bij elkaar zaten aan tafel, kreeg Talurnakto plotseling een
hevigen jeuk op den rug. Met zijn korte armen kon hij de plek niet
bereiken, en vlug besloten, greep hij naar mijn lepel, dien ik een
oogenblik weggelegd had, schoof het instrument bij zijn kleeren in
op den rug en krabde erop los....
Toen ik met mijn observaties zoowat klaar was, kwamen de luitenant
en Helmer Hansen met de "dorry", het kleine amerikaansche bootje van
de soort als in de Hudsonsbaai worden gebruikt en dat zij hadden
uitgerust voor een lange vaart naar kaap Crozier, de zuidwestpunt
van King Williamsland. Zij wilden er een dépôt aanleggen voor de
voor het voorjaar van 1905 ontworpen sledevaart naar de oostkust van
Victorialand. Tevens wilden ze de smalste plaats van de Simpsonstraat
tusschen het eiland Eta en het vasteland opmeten met het peillood. Ze
waren voor een maand voorzien van het noodige en dus zwaar beladen,
daar ze de voorraden van het dépôt ook bij zich hadden.
De afstand van kaap Crozier tot de Gjöahaven was honderd zeemijlen. Het
ijs, dat tot hier dicht bij het land kwam, was door een sterken
Noordenwind zeewaarts gedreven, zoodat ze genoeg open water hadden, om
vooruit te komen. Zij bleven een nacht over bij ons, om den volgenden
dag met ons op te breken, daar ik naar Kaa-aak-ka, mijn naaste station,
wou vertrekken.
Dien namiddag beproefde ik mijn eersten tocht met een kajak. Ik had
daarvoor een kleinen plas als oefeningsterrein uitgekozen. In het
begin ging het uitstekend. Maar mijn kameraden, die in de buurt een
post aanlegden, riepen mij allerlei aardigheden toe, en juist keerde ik
mij om en wou hun zeggen, dat ik toch maar een voortreffelijken aanleg
voor het kajakvaren had, toen de kajak met zijn inhoud kantelde. Het
water was ondiep; ik kon den grond met mijn armen raken, maar het
bootje was vol water en ikzelf nat tot op de huid. De anderen trokken
mij aan land, en het was volstrekt geen triomftocht, toen ik naar de
tent liep, om van kleeding te verwisselen.
Den volgenden morgen ging het met de "dorry" naar het Westen. De
wind was goed, dus behoefden we niet te roeien. Anana, die op het
water geen heldin was, gaf er de voorkeur aan, over land te volgen;
de Uil voer in zijn eigen kajak.
Kaa-aak-ka straalde in volle zomerpracht; een bont tapijt van
veelkleurige bloemen bedekte alle heuvels. Maar het ijs dreef weer
naar land en belette het verder doordringen met de dorry. De luitenant
en Hansen waren dus genoodzaakt ons gezelschap te blijven houden. De
Eskimo's gingen met goed gevolg op de jacht; zoo kwamen ze op een
dag thuis met niet minder dan dertien ganzen, die ze met steenen
hadden doodgeworpen.
Den elfden Augustus was ik met al mijn stations klaar. Ik nam afscheid
van mijn kameraden, die nog altijd door het ijs werden vastgehouden,
en sloeg den weg naar Ogchoktu in. De tien zeemijlen werden in drie
uur roeiend afgelegd, wat een goed stuk werk was, daar we zwaar
beladen waren en telkens door het ijs werden tegengehouden.
Aan boord werden wij met uitbundige vreugde ontvangen, niet het minst
omdat we een flinken voorraad rendiervleesch en ganzen meebrachten.
Het was nu stil in de Gjöahaven. Alle Eskimo's hadden ons verlaten,
en sinds langen tijd waren we voor het eerst weer onder ons. Op
den zomer is niet veel staat te maken in deze streken; op den 16den
Augustus begon het te regenen; we hadden nog maar drie graden Celsius
in de kajuit en moesten dus stoken.
Van onze leege petroleumvaten hadden Lund en Hansen een
eerste-rangshotel voor de honden gebouwd. Ze huisden er veel
behagelijker dan in de oude sneeuwhut. Voor het oogenblik waren ze
alle vastgebonden en lagen in het zand zich gruwelijk te vervelen. Het
leegloopen beviel hun al na een paar dagen niet meer en ik besloot
dus een lang gekoesterd plan uit te voeren.
Daar ik mijn waarnemingen op de kust van Boothia Felix in één en
dezelfde lente had gedaan en toch eenige afwijkingen meende te hebben
opgemerkt, besloot ik een station zoo ver noordelijk aan te leggen,
als ik maar op de kust van King Williamsland kon doordringen. Daar
wilde ik voor een sledetocht in den herfst nu een dépôt aanleggen,
terwijl het water nog open was. De booten, die te mijner beschikking
stonden, waren wel niet geschikt voor een langere zeereis; maar als men
dicht bij den wal bleef, zou het wel gaan. Ik koos een van onze beide
booten, die Lund in het begin van den zomer van een kiel had voorzien.
De ijstoestanden waren intusschen zeer onaangenaam. Het ijs lag tot
bij de Betzoldpunt, en eer het zich verlegd had, kon van den tocht geen
sprake wezen. Den 20sten Augustus verveelde mij echter het wachten en
ik ging met Talurnakto als eenige geleider op weg, om te zien of men
aan den anderen kant van de punt misschien verder kon komen. Het was
windstil, en wij moesten roeien, maar kwamen niet vooruit. Talurnakto
was aan het roeien met twee riemen niet gewend en kon niet in de maat
blijven; hij stiet telkens tegen mijn riemen, en deed meer kwaad dan
goed. Het vlakke bootje draaide zich ieder oogenblik om en wees met
den neus weer naar huis. Van de Gjöa uit zagen ze ons manoeuvreeren
en bereidden zich al voor op onze terugkomst. Maar plotseling scheen
er voor Talurnakto een licht op te gaan, wat dat was, roeien in de
maat, en hij begon als een ervaren zeeman. Hij zat op de voorste bank,
ik op het achterplankje. Nu ging het vliegensvlug en weldra waren we
bij de Betzoldpunt. Hier was het ijs echter ondoordringbaar en het
bleef verder zoo naar het Oosten langs de geheele kust. Wij brachten
dus onze lading aan land, trokken de boot aan den oever en keerden
haar onderste boven. Daarna keerden we te voet terug.
Toen kwam er een lange, vervelende tijd. Elken morgen wandelde ik
naar de landtong, om de ijstoestanden op te nemen. Maar eerst den
29sten Augustus scheidde zich bij zeewind het ijs van het land,
en wij konden weer aan de reis denken. Wij brachten de boot in open
water en laadden ze. Uit het Noorden woei een flinke bries en in de
Schwatkabaai ging een hooge zee. Om voldoende diep water te bereiken,
moesten we, voordat we den koers naar kaap Luigi d'Abruzzi richtten,
eerst langs het strand tegen den wind in roeien. Dat was hard werk
van ruim twee uren, waarin we roeiden dat het zweet bij ons neer
droop. Ten laatste konden we zeil opzetten en zeilden dwars over de
baai. De golven sloegen onophoudelijk over den rand der boot. Dit was
Talurnakto's eerste zeiltocht, en ze beviel hem maar matig. Maar wij
kwamen ten minste zonder ander nadeel, dan dat we druipnat werden,
over de baai. Wij zeilden om de punt en aan den anderen kant nog een
eind langs het land naar Abva (Mount Matheson).
Het eerste, waar we nu aan moesten denken, was het drogen van onze
kleeren. De behandeling van kleeren van vellen eischt de grootste
voorzichtigheid, opdat er geen scheuren in komen, en de Eskimo is
daarin met zijn levenslange ervaring een eerste meester. De tent werd
op een kleine plek mos aan het strand opgeslagen.
Den volgenden morgen om acht uur trokken wij verder; de wind blies
nog steeds uit het Noorden, en na vele uren roeiens bereikten wij een
bocht, die zich van het Westen naar het Oosten uitstrekte. Wij deden
herhaaldelijk pogingen, om erover te komen, maar de golven sloegen
in de boot en wij moesten, hoe ongaarne ook, het opgeven en aan land
gaan. Om het windstille weêr te gebruiken, gingen we er den volgenden
morgen al om half vijf op uit; het ging nu vlug en we waren spoedig aan
de noordzijde van Abva. Hier reikte het ijs weer tot dichtbij land;
maar we werkten er ons doorheen, en het was zoo ondiep, dat we met
de bootshaak ons konden afzetten.
Het land was verlaten en onvruchtbaar, met zand en steenen bedekt,
en toen wij bij het aanbreken van den avond, de tent wilden opslaan,
vonden we nergens een plek mos die geschikt was. Dertig meter van
het strand en ter hoogte van vijftien meter vond ik het skelet van
een walvisch. Op dit punt stiet ik ook op het eerste stuk drijfhout,
dat ik op King Williamsland kon ontdekken.
Een treurige aanblik deed zich den volgenden morgen aan ons voor; de
geheele kust was door het ijs geblokkeerd, en er bleef ons niets anders
over dan te blijven, waar we waren. Ik gebruikte den tijd, om het land
in oogenschouw te nemen. Het geheele zuiderstrand was zandig en kaal;
eerst een paar zeemijlen landwaarts in vertoonde zich weer rendiermos.
Twee dagen en twee nachten moesten we daar blijven liggen, en toen
we den daarop volgenden morgen verder voeren, was het genoegen niet
van langen duur. Een paar zeemijlen waren we in de Mc Clintock's
La Trobebaai vooruit gekomen, toen het ijs ons volkomen den weg
versperde. Daar lagen we nu op dezelfde plaats tot den 16den
September en bewaakten het ijs. Het was winderig en het sneeuwde
en in geen enkele richting was iets te zien. De zomer was voorbij,
dat was duidelijk.
Op een van die vervelende wachtdagen probeerden we het met de jacht
en schoten een rendierkoe en haar kalf. Dit jachtgeluk maakte den
goeden Talurnakto opgewonden van plezier, en hij sprong van het eene
been op het andere als een klein kind. De boottocht was dus volkomen
mislukt. Of wij op de plek, waar we nu waren, of in onze eigen
Gjöahaven een dépôt aanlegden, kwam vrijwel op hetzelfde neer. Wij
legden dus zooveel, als we dragen konden, ter zijde en metselden het
overige met steenen toe, stulpten de boot erover heen en begaven ons op
den terugweg naar Ogchoktu. In rechte lijn hadden we 25 mijlen te gaan,
maar als we alle hoeken en bochten meerekenden, dan hadden we met de
boot meer dan 50 zeemijlen afgelegd. Wij hadden drie dagen noodig,
om geheel in de Schwatkabocht te komen, maar wij moesten vaak heen
en weer gaan. Hier sloegen wij de tent op en lieten die staan, toen
we den volgenden morgen naar de Gjöa teruggingen. We wilden later in
de baai op de rendierjacht gaan en lieten daarom ook onze voorraden
achter. Het ijs begon vast te worden; maar het was nog niet sterk
genoeg, om ons te dragen.