Hij scheen op den jaardag echter niet in feestelijke stemming te

wezen. Zijn gezicht en zijn gebaren drukten neerslachtigheid uit

en de tranen stonden hem in de oogen. Hij gesticuleerde en babbelde

zonder samenhang en jammerde ertusschen. Wij konden niet begrijpen,

wat hem scheelde. Maar ten slotte gelukte het ons toch met vereende

pogingen opheldering te krijgen over zijn ellende, en wij vernamen,

dat het overige deel van de stam verder was getrokken en op de

schandelijkste wijze Teraiu en zijn gezin had achtergelaten. Die

zagen nu den verschrikkelijken hongerdood voor oogen, als wij ons

niet over hen erbarmden en hen gedurende den strengsten wintertijd

bij hen lieten wonen.

Natuurlijk waren wij diep geroerd door die treurige geschiedenis en

beloofden hem met vrouw en kinderen bij ons op te nemen. Buitendien

zei ik, dat ik binnen kort zelf naar Kaa-aak-ka zou gaan om de zaak

te onderzoeken.

Teraiu en het gezin kwamen al spoedig aan, en op den tweeden Kerstdag

besloten wij, het uitstapje naar Kaa-aak-ka te volbrengen. Het

weder was wondermooi, stil en helder. Maar de thermometer wees 24

graden koude. De luitenant, Lund, Ristvedt en ik maakten ons gereed,

met Teraiu en zijn familie te vertrekken. Vóór de slede spanden

we acht honden, maar overigens namen we geen groote voorzorgen in

zake de uitrusting, daar we immers maar een enkelen nacht wilden

uitblijven. Ieder had gezorgd voor wat hij noodig had. Over het gladde

ijs van de straat ging het vliegensvlug voort en na zes uren waren we

op de plaats onzer bestemming. In het kamp van Kaa-aak-ka zag alles er

geheel anders uit dan bij ons vorig bezoek; ledig en uitgestorven lagen

de sneeuwhutten er, zonder menschen of eenig spoor van leven. Alleen

Teraiu's hut toonde aan, dat er menschen woonden. Kajaggolo zijn vrouw

bijgenaamd de "oude uil" schoof het sneeuwblok op zij, dat voor den

ingang der hut lag en ging naar binnen, om vuur aan te maken. Teraiu

zelf sloeg een gat in het ijs, om water te halen, en wij kozen uit

de verlaten hutten die, welke ons het zindelijkst leek, en namen er

voor den nacht bezit van.

Op den dag na onze terugkomst bouwde Teraiu zich een hut aan den

wal en woonde er tot achter in de maand Maart. In werkelijkheid

was ik er niet rouwig om, dat we hem hadden opgenomen, daar hij

en zijn vrouw ons van veel dienst waren. Niettegenstaande zijn

ouderdom was hij gezond en taai, en zonder eenige vermoeienis te

toonen, trok hij een slede van den morgen tot den avond. Hij bleek

vreedzaam en eerlijk, was altijd goed gehumeurd en tot schertsen

geneigd. Als bouwmeester van sneeuwhutten was hij onvergelijkelijk en

van grooten dienst. Kajaggolo zijn vrouw, was stellig even oud als

hij. Haar gezicht leek precies een oud, verschrompeld en verdroogd

winterappeltje. Ze was ongeveer vijf voet lang en zoo vuil, dat de

Eskimo's er haar zelf om bespotten. Haar tienjarige zoon, Nutra, was

net zoo vuil als zijn moeder, maar overigens wel een aardige jongen,

verstandig en vol dartele invallen. Aan zijn onzindelijkheid had

zijn moeder de grootste schuld. Als de Eskimo's eenigen tijd bij

ons waren geweest begonnen ze gewoonlijk ons voorbeeld te volgen,

waschten zich en hielden zich zoo ongeveer schoon. Maar aan de familie

Teraiu was in dit opzicht geen zalf te strijken; toen ze vertrokken,

waren ze nog net zoo vuil als bij hun komst.

Wanneer ik des namiddags in het magnetische observatorium voor

de absolute waarnemingen was geweest, sprak ik telkens eens met de

Teraiu's, wier hut ik passeerde. Bij die bezoeken ontving Kajaggolo mij

soms met een gezang, het verschrikkelijkste, dat men zich voorstellen

kan, het was niet anders dan woest geschreeuw.

De man en Nutra waren meestal aan boord, nu eens vóór, dan achter,

overal waren ze welkom. Het liefst zaten ze in de keuken te kijken,

en ofschoon Lindström de Eskimo's niet uitstaan kon, werd toch zijn

goed hart hem vaak de baas, en menig lekker hapje vloog naar de

beide Eskimo's. Teraiu en Nutra gewenden langzamerhand aan ons eten;

maar Kajaggolo bleef den geheelen tijd bij haar rauw vleesch en de

rauwe visschen.

Toen Kerstmis en Nieuwjaar voorbij waren, moesten we in ernst aan

de ontworpen sledevaart denken. De plannen, die we ontworpen hadden,

waren van allerlei aard, zooals meestal met plannen in deze streken

het geval is. Eindelijk werd besloten, dat ik mij met een gezel naar

het magnetisch station zou begeven, en als daar alles goed ging en

in orde was, zou beproeven, de Leopoldshaven op Northsomerset met de

post te bereiken.

Een ondersteuningsexpeditie onder leiding van luitenant Hansen en

met nog één man zou ons helpen, zoolang we dat doelmatig oordeelden.

Alle sleden werden nu voor den dag gehaald en nauwkeurig nagezien,

om zoo noodig hersteld te worden. Overal werden werkplaatsen

opgericht. Lund zou de sleden in orde brengen en practische

proviandkisten timmeren; Hansen, die zeer handig was, deed het

fijne werk en was ook een meester op de naaimachine. Ristvedt had

een smidse bij de proviandtent en zijn eigenlijke werkplaats in het

huis Magneet. Wiik leverde goed werk als reparateur van instrumenten,

en de luitenant beoefende naast zijn vak van handschoenenmaken ook

de wetenschap. Zijn talent oude vuisthandschoenen met gaten weer te

herstellen was buitengewoon.

Zooals bij alle slede-expedities in het poolland werd de vraag van de

slaapzakken druk besproken. Ons uitstapje met Teraiu naar Kaa-aak-ka

had ons geleerd, dat er in dat opzicht nog veel te verbeteren was, en

ieder beijverde zich, om het beste uit te vinden. Onze meegebrachte

zakken waren te wijd en moesten vrijwat ingenomen worden. Een

slaapzak moet slechts zoo wijd wezen, dat het vel aan alle zijden

aan het lichaam sluit. Maar natuurlijk mag hij ook niet spannen. Als

men erin ligt en nog naar het omhulsel moet zoeken, wordt men nooit

warm. Het model met een opening van boven en een schuif om den hals

vond het meest bijval; ik geef er ook de voorkeur aan en kan het

ieder aanbevelen.

Onze tenten waren genaaid als Eskimotenten en uitstekend waren ze;

er viel niets aan te verbeteren. Ze konden zelfs bij den hevigsten

wind door één persoon opgezet worden, en als ze er stonden, werden ze

nooit omgeblazen. Daarvan legden ze proeven af. Een verbetering werd

toch nog aangebracht en wel aan de deuren. De afsluiting is al van

ouds het zwakke punt bij een tent, en dus in het bijzonder daar in

het Noorden in de koude. Meestal bestaat de sluiting uit een menigte

haken en touwtjes, waardoor het sluiten een heel werk is, als men

uit de koude binnenkomt. Ik heb buiten ons eigen systeem geen enkele

tentdeur gezien, die den sneeuwstorm geheel buiten hield. Daar nu twee

van ons precies hetzelfde denkbeeld hadden gehad, wil ik geen namen

noemen, ook omdat de zaak haast al te eenvoudig is, maar is niet het

geniale meestal het eenvoudigste? Wij naaiden namelijk een zak rondom

den ingang, sneden daar den bodem uit en kropen daardoor naar buiten

en naar binnen, terwijl we den zak dan met een touw dichtbonden. Een

betere tentafsluiting heb ik nog nooit gezien. Gemakkelijk te openen

en gemakkelijk te sluiten en volkomen dicht. Het veeljarige probleem

was dus opgelost door een zak.

Bij een proef, die we bij een temperatuur beneden dertig graden vorst

deden, vonden we het verblijf in de tenten te koud en wij besloten

toen sneeuwhutten te bouwen, die naar onze ervaring bij de Eskimo's

veel warmer waren. Het kost wel meer tijd, een sneeuwhut te maken dan

een tent op te slaan, maar ik vind het van zoo verbazend groot belang,

dat men na het dagwerk een goeden en behagelijken nacht doorbrengt,

dat het uur van bouwen wel beloond wordt.

Wij legden ons dus met ijver toe op de sneeuwbouwkunst. Grondstof

hadden we genoeg, tijd ook en in Teraiu een uitstekenden

leermeester. Eerst lieten we het bouwen den oude over, terwijl

we nauwkeurig toekeken. Spoedig bleek het ons, dat het vinden van

de goede sneeuw een voorwaarde van slagen was. Maar daar behoort

veel ervaring toe, ja, het gevoel moet iemand, om zoo te zeggen,

aangeboren zijn. De Eskimo's bedienen zich daarbij van een zeer

eenvoudig werktuig, dat ze een hervond noemen en dat bestaat uit

een ongeveer een meter langen, uit rendierhoorn gesneden stok, met

een handvatsel van rendierhoorn aan het eene einde en een haak van

een bisambeen aan het andere. Daarbij komt den Eskimo's hun instinkt

te stade, waarmee ze juist de goede plek uitvinden, waar de kans op

goede sneeuw aanwezig is. Als ze hun hervond niet bij zich hebben,

gebruiken ze een mes met een lang heft, dat ze aan een touw op den rug

hebben hangen. Wij brachten het in het vinden der goede sneeuw niet

tot groote volkomenheid, maar toch zoo ver, dat het er mee door kon.

Met een lang mes plaatsten wij vieren, de luitenant, Ristvedt, Hansen

en ik, ons elken morgen na het ontbijt vóór Teraiu's hut, om den oude

te wekken. Als we ongeveer om acht uur kwamen, lag de geheele familie

nog te bed. Dan sprong Teraiu vlug op, sloop in haast in zijn kleeren,

want de Eskimokleeding is wijd en ruim en laat zich gemakkelijk uit- en

aantrekken. Den meesten tijd hebben ze noodig voor het aantrekken der

voetbekleeding. De Eskimo is zeer bezorgd voor zijn voeten, uit vrees

niet alleen, dat ze bevriezen, maar ook, dat ze gewond zouden worden

bij het den heelen dag loopen over het ijs en de harde sneeuw. Met

minder dan vijf lagen aan de voeten stelt hij zich daarom niet

tevreden. Als dan eindelijk Teraiu zijn bovenanorak had aangetrokken,

terwijl hij voor zulke korte uitstapjes zijn onderanorak thuis liet,

gingen we op weg. Wij bouwden om beurten; ieder had zijn bepaalden

dag. Maar Hansen was in het bouwvak beslist de meest begaafde;

zijn hutten waren meesterstukken. In de vele kleine holle wegjes,

die in de haven uitloopen, vonden we al gauw een bouwplaats en goede

sneeuw in overvloed. Wij hadden meestal anderhalf uur noodig voor een

voor ons vieren geschikte hut. Na gedanen arbeid kwamen we er samen,

om de waarde te bepalen. Teraiu was telkens vol geestdrift.

"Mamakpo! mamakpo!" (dat is Uitmuntend! Uitmuntend!) riep hij. Een

groote vreugde voor hem was iederen keer de belooning, die hem

wachtte. Hij deed niets zonder betaling. Dit beteekende wel niet veel,

een stuk ijzer of hout, of wat juist bij de hand was. Hij was altijd

aan het verzamelen, om te eeniger tijd voor zichzelf een slede te

kunnen bouwen. Zijn eischen waren niet groot; met een paar planken van

een meter lengte was hij best tevreden. De familie en haar bezittingen

beteekenden immers ook niet veel, wat zou hij dan met een groote slede

doen? Een philosofie, die men zich overal ten voorbeeld kan nemen.

Wiik en ik deden telkens proeven, om ons vast te overtuigen, dat onze

instrumenten goed in orde waren. Wiik was bestuurder van het vaste,

absolute observatorium, terwijl ik mij 75 meter verder een eigen nieuw

observatorium had gebouwd. Door al die gebouwen was langzamerhand een

aardig dorpje rondom de Gjöa-haven verrezen. Onze waarnemingen vielen

tot onze groote tevredenheid goed uit en om de instrumenten behoefde ik

nu niet meer ongerust te wezen. Voor waarnemingen op elke plaats, waar

ik mij bevond, had ik een zeer kleine theodoliet, die ik van Frithiof

Nansen had gekregen en die hij mee naar Groenland had gehad. Ook deze

werd na nauwkeurig onderzoek van den astronoom in orde bevonden.

Toen volgde de belangrijke werkzaamheid, het pakken van onze sleden.

Tijdens het pakken moesten de sleden onder dak wezen. Maar een zoo

groote hut te bouwen, dat de beide lange sleden erin ondergebracht

konden worden, hielden we voor onmogelijk. Wij wendden ons tot Teraiu

om raad, die echter tegenover onze vragen een sluw lachen stelde

en niets verder zei. Hij strekte beide armen uit en met begeerig

stralende oogen zei hij:

"Panna angi!", dat is Groot mes. Voor de oprichting van zulk een

reuzenhut wou hij een groot mes als belooning. En dat werd hem beloofd.

Wij gingen dadelijk aan het werk. Teraiu koos een terrein van

langwerpigen vorm en opdat de sleden in de nabijheid zouden zijn,

werd de hut op het ijs, onmiddellijk vóór het schip gebouwd. Zij

was verbazend groot, en toen het dak erop moest gezet, moest er

eene heele stelling worden gemaakt. Maar ze bleek toch niet vast

genoeg en de bewegingen van het ijs waren te vreezen; daarom werd ze

herbouwd op den wal en bleek nu voldoende, zoodat we konden beginnen

te pakken. De eene slede kreeg een lading van 350 kilogram en werd

door Hansen bestuurd en getrokken door de zeven honden, die we nog

hadden. De tweede had een lading van 270 kilogram en zou door ons

drie mannen worden voortgetrokken.

Den 28sten Februari legden we de laatste hand aan het werk, en op den

morgen van den 29sten trokken wij allen met elkaar de sleden tegen

den heuvelkam op, om dat moeilijk eind al dadelijk achter den rug

te hebben.

Boven bouwden wij een hoogen sneeuwmuur om de sleden heen en legden

er zware blokken sneeuw op, om te verhinderen, dat de vossen er een

bezoek aan brachten. Dan keerden we terug en brachten den laatsten

avond aan boord door.

Ik zag de reis kalm tegemoet. Wij waren goed uitgerust met goede en

krachtige kameraden en goede honden. Een grooter aantal honden zou

wel gewenscht geweest zijn, maar we hoopten ons met het zevental te

kunnen behelpen.

Den eersten Maart waren we reisvaardig. De thermometer wees

min 53 graden Celsius; maar wij waren in den loop van Februari

zoo aan de koude gewend geraakt, dat ze op ons geen bijzonderen

indruk meer maakte, en we waren goed gekleed. De eenen in volslagen

Eskimodracht; de anderen ten halve geciviliseerd. Naar mijne meening

is de Eskimokleeding in deze streken verre te verkiezen boven onze

europeesche kleeding. Maar men moet die dan ook goed doorgevoerd

dragen, of in het geheel niet. Elke halfheid is uit den booze. Wollen

onderkleeren zuigen al het zweet op en maken de kleederen van vellen,

die men erover draagt door en door nat. Niets dan rendiervel als

de Eskimo's en de kleedingstukken zoo wijd en ruim mogelijk, opdat

tusschen kleeding en lichaam de lucht circuleeren kan, daarbij behoudt

men in den regel droge kleeren. Moet men zich echter onderweg zoo

inspannen, dat het pak toch nat wordt, dan zijn de kleeren van vellen

toch ook nog gemakkelijker te drogen dan de wollen stoffen. Wollen

kleeren worden ook veel eerder vuil en dan houden ze niet meer

behoorlijk warm. In dit opzicht houden zich kleeren van huiden,

zonder gewasschen te worden, bijzonder goed. Een groot voordeel van

vellen is ook, dat men op hetzelfde oogenblik, dat men ze aantrekt,

warm en behagelijk voelt. In wollen kleederen moet men zich als een

gek aanstellen, rennen en draven en Indianendansen uitvoeren, eer

men behoorlijk warm is. En ten slotte zijn de velkleederen volkomen

winddicht, wat natuurlijk zeer veel beteekent.

Onze achterblijvende kameraden vergezelden ons tot bij de sleden

op de heuvels. De honden werden aangespannen--een laatste handdruk,

en daar gingen we.

Hansen leidde de honden van de eene slede, maar spande zich nu en

dan ook zelf ervoor. Alle zeven dieren waren nog jong, en ze konden

den last slechts met moeite vooruit brengen. Luitenant Hansen,

Ristvedt en ik hadden ons vóór de andere slede gespannen. De

weg liep zacht omhoog, zoo zacht, dat men het met de oogen bijna

niet kon zien, maar men voelde het wel. Gedurende het eerste uur

ging het met frissche krachten snel vooruit, maar daarna werd het

moeilijk. Hansen vorderde met zijn honden goed. Als hij merkte, dat

ze trager liepen, greep hij in de teugels, dan meenden de dieren,

dat er nieuwe hulp was gekomen en trokken weer aan. Ons drieën,

die de andere slede trokken, ging het minder goed. Het was, alsof

we haar door woestijnzand moesten trekken. Zelfs thuis in Noorwegen

weten we, hoe lastig poedersneeuw zijn kan, en bij de erge kou hier

was het veel lastiger. Middenin hield de slede soms plotseling stil;

elke kleine ophooping van sneeuw was een beletsel. Eén, twee, drie,

hallo! Dan komt ze erover. Maar het duurt niet lang, of er volgt een

nieuwe hoop--weer stilhouden--aantrekken--trekken....

Om drie uur in den namiddag besloten we, ons kamp op te slaan. Het

begon al te schemeren, en eer we een sneeuwhut klaar konden hebben,

zou het bepaald heelemaal donker zijn. Nu moesten wij voor het

eerst op de zoek naar goede sneeuw. Wij bevonden ons midden op een

groot meer. Nergens was goede sneeuw; hoe vaak we onze messen er

ook instaken, overal was ze te slap. Naar den oever was het te ver;

we zouden daar niet meer bij daglicht gekomen zijn, en we konden dus

niet anders doen dan blijven, waar we waren.

Allereerst lieten wij de honden los. Ze hadden een zwaar werk achter

zich en hadden vrijheid en rust wel verdiend. De baas onder hen was

Fix, een ongewoon mooie, witgrijze hond, die het meesterschap over de

anderen alleen aan zijn gebiedende houding te danken had, niet door

zijn meerdere kracht. Als het tot een vechtpartij gekomen was, zou

Fix klop gekregen hebben; maar hij scheen als tot heerschen geboren

en hij werd gehoorzaamd. Syl was zijn grootvizier, de leelijkste hond

van den ganschen troep, bruinzwart en met gluiperigen blik. De spitse,

opstaande ooren, die een poolhond een zoo verstandig uitzicht geven,

stonden bij Syl scheef en deden hem er dom uitzien. Zoodra het tuig

was afgenomen, deed Fix, gevolgd door Syl, de ronde bij de honden, en

ten teeken van onderwerping moest iedere hond zich vóór den heerscher

Fix op den rug leggen, met alle vier pooten in de lucht. Als een

treuzelde, schoot Syl als de wind op hem los, en die had zeer scherpe

tanden. Dan kregen de honden hun eten en we waren vrij van hen en

konden gaan bouwen.

Wij trokken onze vuisthandschoenen aan, die uitsluitend voor het bouwen

van sneeuwhutten bestemd waren, om te beletten, dat de sneeuw bij de

mouwen in liep, want ze hadden lange onderstukken, die vastgebonden

waren. Ieder met een wel een halven meter lang mes gewapend, begonnen

we ons werk. De voor dit doel benoemde bouwmeester stak eerst een kring

op den grond af en langs die lijn maakte hij een vier duim diepe geul,

die dan de sneeuwblokken van den grondmuur moest dragen. Wij anderen

sneden blokken, en de bouwmeester zette ze op. Een iglu, zoo noemen

de Eskimo's hun sneeuwhutten, wordt spiraalvormig, ongeveer als de

bijenkorven en altijd tegen de zon in gebouwd, dus van rechts naar

links. De blokken moeten een lengte van twee voeten en een hoogte van

anderhalven voet hebben en vier duim dik zijn. De grootste moeilijkheid

is daarin gelegen, het bovenste klaar te krijgen en het dak erop te

plaatsen. Een rechten muur kan ieder wel bouwen.

Daar de thermometer min 57 graden Celsius wees, werd niemand tot

luiheid verleid, en het werk schoot goed op. Zoo snel mogelijk ging

de kok des avonds aan den arbeid, die daarin bestond, niet alleen

het eten klaar te maken, maar ook de hutten te verwarmen, en als een

aangename geur van spijzen tot ons doordrong, vlotte het werk buiten

wondervlug. Het laatste was, alle spleten op te zoeken, waar licht

door schemerde, om ze goed dicht te stoppen. Dan keken we ook nog

de sleden na, dat alles stipt vastgebonden was en toegedekt en dat

vooral tegen de honden, die zeer diefachtig waren. De stumpers hadden

zich tegen de hut aan, zoo goed het ging, in de sneeuw opgerold en

als het fel koud was, den snuit onder den staart gestoken.

Was de hut gereed, dan wierpen we een laatsten blik op de wijde

stilte rondom in de verbleekende groenachtige schemering en de reeds

fonkelende sterren, en na ons de sneeuw van de kleederen te hebben

geklopt, kropen wij in de hut. En er was stellig op de wereld dan geen

gelukkiger gezelschap dan het onze in de warme, behagelijke ruimte

met het dampend heete eten en de barre sneeuwvlakte met de tintelende

vorst om ons heen. Na het eten kwamen de tabakspijpen aan de beurt;

en alleen de gedachte dat we den volgenden morgen ons weer moesten

inspannen, kon een eind maken aan het genoegelijk samenzijn en deed

ons in onze slaapzakken kruipen. De vermoeienis deed zich spoedig

gelden, en weldra toonde de gelijkmatige ademhaling van vier mannen,

dat ook de menschlievende god, Morpheus, een poolvaarder is.

Des morgens om vijf uur, toen de kok ons wekte, zag alles er veel

minder vriendelijk uit dan 's avonds, maar een kop dampende chocolade

verbeterde dan de stemming gauw. Buiten kwamen mij de sterren ongewoon

groot en schitterend voor; maar het had volgens den minimumthermometer

dan ook in den nacht 61.7 graden gevroren. Wij hadden er weinig van

gevoeld, en we konden onze uitrusting prijzen, die ons met onze

goede sneeuwhut de kou van het lijf had gehouden. Wat voelden we

haar in de vingertoppen, als we bij het werk de handschoenen moesten

uittrekken! Dan werden de vingers dadelijk wit en men moest ze dan doen

herleven, of door de handschoenen gauw weer aan te trekken of nog beter

door ze op de manier der Eskimo's tegen het bloote lichaam te houden.

De honden lagen nog precies zooals wij ze in den avond hadden verlaten,

behalve Fix en Syl, die op kattekwaad uit waren. Wij ondervonden

ook, hoe totaal onmogelijk het was, de honden zoo vast te maken,

dat ze niet los komen konden. Ze wisten zich altijd los te werken,

namelijk als ze het volstrekt wilden. Enkele hielden zich steeds

rustig, maar als er een los was, gingen de anderen aan het huilen,

prettig was het niet, als men uit zijn slaapzak naar buiten moest,

om de honden tot rust te brengen.

Toen dien eersten morgen alles in orde was, braken we op. Naar

de ervaring van den vorigen dag zetten we onder de met nieuwzilver

beslagen sleden weer houten platen, omdat bij de scherpe kou de sleden

op hout veel beter liepen. Het beste, wat men eraan doen kan, is er

een fijn overtrek van ijs op te laten komen, zooals de Eskimo's doen,

maar daarin hadden wij nog geen ervaring.

De afstandsmeter was op de hondenslede aangebracht; het was een

oud rad van de tweede Fram expeditie, maar nog in voortreffelijken

toestand. Trots al onze inspanning scheen echter het rad stil te staan,

zoo langzaam kwamen we vooruit. Wat onze moeite nog vermeerderde,

was een fijne, scherpe tegenwind, die iemand de onbedekte deelen van

het aangezicht bepaald openscheurde. Voortdurend moest de een het

gezicht van den ander bekijken, en dan vonden we meestal een bevroren

neus of een spierwitte wang. Dan deden wij wat de Eskimo's doen;

we trokken een warme hand uit den vuisthandschoen en legden haar

op de bevroren plaats, tot het bloed er weer circuleerde. Het oude

huismiddel van de plaats met sneeuw in te wrijven, had ik al lang

verworpen; de Eskimo's wisten daar ook niets van. Terwijl de infaam

scherpe wind ons de ijsnaalden bij min 50 graden als zweepslagen in

het gezicht joeg, schenen de honden daar in het geheel niet onder te

lijden. Maar de arme dieren plaagden zich erbarmelijk, vooral in de

eerste morgenuren, waarin ze nog stijf van den vorigen dag waren. Ook

wij menschen hadden zwaar te trekken. En ik zag in, dat we bij deze

manier van reizen zeer weinig zouden uitrichten.

Daar er nog op den tweeden, noch op den derden dag in de temperatuur

eenige verandering kwam, besloot ik na ruggespraak met mijn kameraden

eenvoudig terug te keeren en zachter weer af te wachten. Op den morgen

van den derden dag legden we dus een deel van onze voorraden als dépôt

in de sneeuwhut en sloten de opening goed af. De ligging der hut werd

nauwkeurig opgenomen; een vlag erop gestoken en geheel gephotografeerd.

Nu richtten we onzen koers weer naar de Gjöahaven. De honden bemerkten

spoedig, in welke richting het thans voorwaarts ging, en ook wij

menschen voelden ons zeer verlicht, dat ons nutteloos worstelen aan

een eind zou komen. En zie daar, de weg, waar we twee en een halven

dag over hadden gedaan, een eind van tien kilometer, werd nu in vier

uren afgelegd. Maar nu waren dan ook onze sleden belangrijk lichter.

Om elf uur in den voormiddag verrasten we onze kameraden op de _Gjöa_

door onze onverwacht spoedige terugkomst.

Op den 16den Maart ondernamen we een tweeden sledetocht, vonden

het dépôt in goede orde en trokken verder noordwaarts; wij hadden

nu een met tien honden bespannen slede bij ons. Het was des morgens

40 graden onder nul, zeer goed voor ons te verdragen. Terwijl we op

weg waren naar het eiland Matty, zagen wij in de verte op het ijs

een zwart punt. Hansen met zijn scherpe oogen verklaarde dadelijk,

dat het een Eskimo was, die naar ons toekwam. Spoedig doken meer op

tusschen de ijsschollen, en in een oogenblik hadden we 34 mannen en

jongens op een afstand van tweehonderd meter voor ons. Zij bleven

staan en keken naar ons, zonder het voornemen aan den dag te leggen,

om naderbij te komen. Ik voelde mij nu natuurlijk veel zekerder dan

bij mijn eerste samentreffen met Eskimo's; mijn kennis van de taal

had ook veel gewonnen en dus besloot ik, naar hen toe te gaan. Toch

hadden we onze geweren geladen en Hansen hield er de wacht bij. Toen

ik zeer dichtbij was, riep ik: "Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!"

De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 3 / 8 段