Er lag nu een dik sneeuwdek, en daar het land eentonig is en

zonder verheffingen van beteekenis, was het dikwijls moeilijk, de

goede richting te houden. Eens waren we in twee partijen erop uit

geweest, om vleesch binnen te rijden, de luitenant en ik, Ristvedt

en Wiik. Het was al volkomen donker, toen luitenant Hansen en ik

weer aan boord terugkeerden. Maar de anderen waren nog niet gekomen;

ze kwamen eerst een paar uur later. Zij waren al mooi op weg geweest,

de Noordwestelijke Doorvaart op eigen gelegenheid en per hondenslede

te vinden, want in de duisternis waren ze, zonder het te merken, de

haven voorbijgegaan en toen in westelijke richting verder gegaan. Toen

ze ten laatste bespeurden, dat ze verdwaald waren, lieten ze de sleden

achter en gingen langs het strand naar huis.

In dezen tijd kregen ook de honden, die tot nu toe onder den vrijen

hemel hadden gekampeerd, hun hondenhuis. Het werd ingewerkt in

een geweldigen sneeuwhoop. Een van onze booten werd er als dak

overheen gelegd, en daar stond het mooiste hondehok, dat men zich

kan voorstellen. Het heele gebouw werd met sneeuwwater overgoten en

vormde daardoor een vast geheel. Het was in twee deelen verdeeld;

in de eene helft woonde het oude tweetal van de Fram en in de andere

de Godhavntroep.

Tegelijk werd voor een belangrijke aangelegenheid gezorgd. In het

ijs aan stuurboordzijde werd een gat gehouwen en een sneeuwhuis

werd er overheen gebouwd. Het gat werd den heelen winter door

opengehouden, opdat men in geval van brand water bij de hand zou

hebben. De inrichting werd het brandstation genoemd, en Lund werd

tot chef ervan gekozen. Maar brandweerhoofdman van de _Gjöa_ te zijn,

was geen zeer benijdenswaardige positie. Elken morgen moest hij naar

buiten, om voor het openhouden van het gat te zorgen. Als het ijs een

dikte van bijna vier meter had bereikt, als in onzen eersten winter,

is dat geen lichte taak.

De nieuwe sneeuw was thans zoo stevig samengebakken, dat ze een

uitstekend bouwmateriaal opleverde. Ik ging daarom met Lund en Hansen

het gebouw oprichten, waarin we in den loop van den winter de absolute

magnetische waarnemingen konden doen. Er werd een van het andere 75

meter verwijderd gebouwtje gezet in de richting van den magnetischen

meridiaan. Wij haalden het bouwmateriaal uit een dichtbij zijnd hol

wegje, waar de sneeuw in groote hoeveelheid hard was saamgebakken. Het

huis zou acht meter lang, twee meter breed en een meter tachtig hoog

worden. De blokken werden met de zaag uit de sneeuw gezaagd.

Hoe dicht de sneeuw was, blijkt wel daaruit, dat de blokken gemiddeld

honderd kilogram wogen. Toen we de laatste rij er boven op legden,

hadden we drie man noodig, om ze op hun plaats te tillen. Voor het dak

werd dunne, doorzichtige stof aaneengenaaid en erover getrokken. Op

die manier kregen we een uitstekend huis voor de absolute magnetische

waarnemingen.

Daar de koude nu kwam opzetten en al meer voelbaar werd, moesten we

ook aan onze persoonlijke winteruitrusting denken. Door onze gelukkige

rendierjachten hadden wij een menigte prachtige vellen gewonnen. Hoe

men die looien en tot onderkleeding verwerken kon, daarover braken de

luitenant en ik ons telkens weer het hoofd. Bovenkleeren van rendiervel

hadden we van huis meegebracht; daarover behoefden we ons geen zorg te

maken, maar als we zachte, fijne onderkleeren hadden kunnen krijgen,

zou dat heerlijk zijn geweest. Wij kozen nu alle huiden der jonge

kalvers uit, sleepten ze in de kajuit en begonnen met ons werk. Geen

van ons had een flauw vermoeden, hoe wij het aanleggen moesten. Wij

wisten wel, dat men de vellen moest uitspreiden, om ze te drogen, maar

of dat bij een zwak of een sterk vuur moest gebeuren, daar wisten we

niets van. De luitenant keek naar mij en ik naar hem, en wij kwamen

tot het besluit, dat het goed zou wezen, de vellen onder de zoldering

uit te spannen. Zooveel vellen als er maar met mogelijkheid plaats

konden vinden, werden uitgespannen, en weldra leek de kajuit op een

mengeling van een slagerij en een looierij. Dagelijks bevoelden we

de huiden, en als wij ze voor droog genoeg hielden, namen we ze

af en begonnen het werk. Wat gaven we ons een moeite! Wij zouden

graag resultaten bereiken, en hoe ver we het hadden kunnen brengen,

is niet te zeggen. Bij gebrek aan iets beters zouden we wel stof

voor onderkleeren klaar gekregen hebben, al was het dan niet eerste

qualiteit. Maar als de nood op het hoogst is enz. De hulp kwam nog

vóór we eraan dachten.

Den 17den October hadden Ristvedt en Wiik hun huis voltooid. Het werd

dadelijk gedoopt en ontving den naam Magneet. Het muntte niet zoozeer

uit door zijn aanzien, als wel door zijn ligging, want het stond

boven op den top van een ongeveer dertig meter hoogen heuvel en had

een prachtig uitzicht over de geheele Simpsonstraat. Nu kon er niets

gebeuren, of het werd dadelijk van uit de "Magneet" ontdekt. Mocht

er visite bij ons komen, ieder moest eerst daar voorbij. Indien een

beer op het ijs van de baai mocht verdwalen, dadelijk zou hij van

daar uit worden waargenomen. In het kort de bewoners van het huis de

Magneet beheerschten den omtrek.

Het huis was evenals het vorige van kisten gebouwd, die met zand werden

gevuld. Het was wel geen kasteel, maar daarover waren wij het allen

eens dat zij tweeën er vrijwat beter woonden dan wij aan boord. Het

huis had maar één kamer, die tegelijk slaap- en werkkamer was. In

den eenen hoek stond een groot en breed, uit kistenplanken getimmerd

bed. De beide bewoners hadden ontdekt, dat één bed minder plaats innam

dan twee, en tevens vonden dat twee in één bed gemakkelijker warm

te houden waren dan één alleen, en daarin moest men hun wel gelijk

geven. Alles in aanmerking genomen, was het geheel zeer doelmatig

ingericht. Onmiddellijk naast het bed stond een tafel met een bank

aan elken kant. De andere helft van de kamer was zoo verdeeld, dat

Ristvedt zijn werkbank aan de eene zijde en Wiik zijn werktafel tot

vastlegging der magnetische krommingen aan de andere had. De grond

was met planken van kisthout en met rendierenvellen belegd. Het huis

had ook twee vensters, een met uitzicht op de zee en een, dat naar

de _Gjöa_ keek.

Voor zoo ver ik weet, werden hier voor het eerst in de poolstreken

kisten als bouwmateriaal gebruikt. Als men iets heeft, waarmee men ze

kan vullen, zou ik er de voorkeur aan willen geven boven elk ander

materiaal, heeft men echter geen zand, dan is het er anders mee

gesteld. Wiik en Ristvedt woonden ongeveer twee jaren in het huis,

genaamd de Magneet, en ze hadden niet willen ruilen met ons aan boord

der _Gjöa_. Luitenant Hansen en ik woonden samen in de kajuit; maar

het was zeer vochtig bij ons, en we moesten den geheelen winter door

's avonds groote stukken ijs uit onze kooien slaan. Voorin het schip

woonden Lund, Hansen en Lindström, en het was daar ook wel vochtig,

maar toch niet zoo erg als bij ons in de achterkajuit. Den eersten

winter hadden we het heele schip met sneeuw toegesloten en toen

daalde de temperatuur in de voorkajuit niet beneden het vriespunt;

maar in de achterkajuit hadden wij het steeds onder nul graden. In

den tweeden winter liet ik het schip open liggen, in plaats van het

met sneeuw te bedekken. Ofschoon deze winter veel zachter was dan de

eerste, daalde de temperatuur in de voorkajuit bij nacht toch gauw

onder nul. Toen ik hierop het vaartuig weer liet toedekken, trad na

korten tijd de oude toestand weer in.

Uranienborg, ons astronomisch observatorium, was het laatste bouwwerk

in de reeks. Op een voormiddag kwamen wij allen bijeen, om den

astronoom bij den bouw van een voor hem passend huis te helpen. Hij

gaf de voorkeur aan den rondbogenstijl, en we bouwden goedsmoeds een

Eskimohut. Het gebouw werd niet bijzonder prachtvol, maar het kwam

toch tot stand.

Eens op een morgen, toen we op den heuvel stonden, om ons ontbijt onder

een vroolijk praatje te verteren, en daarbij als gewoonlijk ook een

beetje op rendieren loerden, wees een van ons naar het Noorden en zei:

"Daar zijn ze waarachtig al weer!"

En dadelijk werden de toebereidselen tot de jacht gemaakt. Maar

Hansen bleef kalm naast mij staan en scheen zijn ongewoon scherpe

oogen buitengewoon in te spannen.

"Nu, Hansen, heb je geen lust vandaag op de rendierenjacht te gaan?"

"O jawel," zei hij, "maar niet op die rendieren daarginds, want die

loopen op twee beenen."

Na die verbluffende uitspraak liep ik naar mijn verrekijker en richtte

dien op de vermeende kudde rendieren. En werkelijk daar in de verte

stonden vijf menschen!

Eskimo's!

Nu hadden wij al steeds wijd en breed over de Eskimo's gepraat, maar

we hadden het op allerlei gronden voor heel onwaarschijnlijk gehouden,

dat we met hen zouden samentreffen. We hadden al eind October, en

dachten dus, dat we er dit jaar niet op behoefden te rekenen en zoo

waren ze ons geheel door het hoofd gegaan.

En daar waren ze nu!

Alles, wat wij over deze arctische barbaren wisten, drong thans

plotseling tot ons door. Met de noord-amerikaansche Eskimo's viel

volstrekt niet te spotten, dat wisten we uit de oude reisbeschrijvingen

uit deze streken. Uit "Roos en Klutschak" hadden we geleerd, dat het

Eskimowoord "Teima" de beste groet was, waarmee men hun tegemoet treden

kon. Het beduidde ongeveer een recht hartelijk: "Goeden dag!" En wij

hadden ons het woord "Teima!" in alle mogelijke uitspraken ingeprent.

Intusschen viel het ons niet in, ons vertrouwen op dat eene woord

te laten rusten. Het was stellig noodig de aankomenden dadelijk

als vijanden te beschouwen, en we ontwierpen ons krijgsplan. Ik zou

met twee man den vijand tegemoet gaan, en Hansen en Lund gaven zich

terstond als vrijwilligers aan. De karabijnen werden goed onderzocht en

op het ijs vóór het schip hield ik een troepenschouw; zelfs de meest

kritisch gestemde veldheer zou tevreden geweest zijn over houding en

uitzien van mijn troepen. Ikzelf zette een zoo krijgshaftig mogelijk

gezicht, richtte mij op en commandeerde: "Voorwaarts marsch!"

Met mijn dapperen dicht achter mij trad ik naar voren en wierp

daarbij een blik zijwaarts naar het dek, waar de luitenant en de kok

naast elkaar stonden. Het scheen mij, alsof de monsterende blikken,

waarmee ze ons aankeken, geen onverdeelde bewondering uitdrukten,

niet eens den noodigen ernst!

"Goed zoo," dacht ik, "zich vroolijk maken over ons is niet moeilijk,

als men aan boord veilig en wel is geborgen, terwijl wij ons in het

onzekere wagen en mogelijk in het open veld den dood in het aangezicht

moeten zien."

De Eskimo's waren nog ongeveer vijfhonderd meter van ons verwijderd

en bewogen zich van den heuvel naar beneden op ons schip af. Ik

marcheerde hun zoo martiaal mogelijk te gemoet en achter mij hoorde ik

den geregelden pas van mijn manschappen. Op een afstand van ongeveer

twintig meter maakten de Eskimo's halt. Verscheiden strategische

mogelijkheden gingen mij door het hoofd; offensieve beweging,

defensieve, wat zou het zijn? Maar ten slotte vond ik het toch maar

het best, halt te commandeeren. Ik bestudeerde de tegenpartij. De

vijanden schenen zeer opgewonden, ze lachten en gesticuleerden zonder

bepaald krijgshaftige manieren. Maar plotseling stelden ze zich in

positie en rukten voorwaarts.

"Nu goed!" dacht ik, "beter met eere sterven, dan zich te redden door

een laffe vlucht." En "Voorwaarts marsch!" commandeerde ik.

Wij rukten voorwaarts, volkomen erop voorbereid, den vijand in

het volgende oogenblik den boog te zien spannen en op ons te zien

aanleggen. Maar neen--hij heeft blijkbaar wat anders in den zin. Een

krijgslist?

Plotseling dook in mijn door de spanning van den verwachten strijd

opgewonden brein het woord "Teima!" op. En "Teima!" brulde ik den

vijand, zoo luid ik kon, tegen.

De Eskimo's stonden plotseling stil. Maar nu is onze opwinding

te groot, nu moet er een beslissing vallen, en we snellen, tot

den strijd gereed, voorwaarts. Daar klinkt de roep aan mijn oor:

"Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!"

En dat klinkt zoo bekend en van Mc. Clintock herkomstig; het is

de hoogste en innigste vriendschapsgroet van deze Eskimo's. In een

oogwenk werpen we de geweren weg en snellen naar onze vrienden:

"Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!"

Wij schreeuwen allen door elkander, omhelzen elkaar, kloppen elkaâr

op de schouders, en ik weet niet aan welken kant de vreugde het

grootst is.

Onze vrienden verrasten mij grootelijks door hun uitzien. Voor kort

nog hadden wij de leelijke, platneuzige Eskimo's der noordwestkust

van Groenland verlaten en hier troffen we een volksstam, waarvan

enkele mannen bepaald knap waren. Twee van hen geleken Indianen

en waren als uit een Cooperschen roman geknipt. Forsch van

gestalte en gespierd waren ze ook. Broederlijk vereend, gingen ze

naar beneden naar het schip. Klik-klik! hoorde ik des luitenants

photografietoestel--klik-klik! nog eens en nog eens. Naast hem stond

Lindström met zijn breedsten lach, en ik kan niet zeggen, dat ik als

veldheer plechtig genoeg gestemd was.

Onze gasten namen de uitnoodiging, mee aan boord te komen, verheugd

aan. Op het dek lagen wel honderd verslagen rendieren opgestapeld,

en de Eskimo's zetten groote oogen op over dien vleeschvoorraad,

maar zeiden niets. Wij stonden nog bij elkaar te praten en lachen

en schertsen, toen Lindström mij toefluisterde, of we hun maar iets

zouden voorzetten. "Zeker," antwoordde ik en verzocht hem, koffie te

koken en wat hardbrood voor hen te halen. Wij namen de gasten mee in

het scheepsruim, want in de kajuit wilden we ze liever niet hebben,

daar we vreesden, dat er ongewenscht gezelschap bij hen zou wezen. De

noordgroenlandsche Eskimo's zijn ten minste om hun onzindelijkheid

berucht.

Koffie en brood schenen hun niet recht te smaken; ze lieten merken,

dat ze wel graag wat te drinken wilden hebben, en toen we hun water

lieten zien, begonnen hun gezichten te stralen. Ieder van hen dronk

twee liter water.

Toen zei ik: "Och, Lindström, geef die rendierbout eens, die daar

ginds ligt." En ik had gelijk; dat was wat anders dan hard brood! Nu

zagen wij ook, dat ze niet geheel ongewapend waren, zooals eerst

scheen. Uit de schachten hunner laarzen trokken ze lange messen en in

ongeloofelijk korten tijd hadden ze het vleesch van drie rendierbouten

zoo schoon afgekrabd, dat enkel de naakte beenderen overbleven.

Wiik en Ristvedt waren niet bij de aankomst der Eskimo's tegenwoordig

geweest, en daar ze nog niet verschenen, moesten ze van het gebeurde

nog niets hebben gemerkt. Toen de gasten eindelijk met hun maaltijd

gereed waren, gaf ik hun een teeken, mij te volgen en liep vóór hen

uit naar Villa Magneet. Nergens was iemand te zien; ik klopte aan

de deur en ging binnen. Ristvedt en Wiik zaten diep over hun boeken

gebogen. De Eskimo's hielden zich rustig achter mij.

"Is het niet merkwaardig," begon ik, "dat wij in deze afgelegen

streken gasten hebben gekregen? En nog wel bekende. Sta mij toe,

dat ik ze even voorstel!"

Beide heeren keken verschrikt op, gingen van hun stoelen opstaan en

maakten een buiging, en nu traden de Eskimo's naar voren. Er werd

een algemeen luid gelach aangeheven, en toen begon een gesprek,

dat daarin bestond, dat de Eskimo's ons op ons verzoek leerden,

hoe de gebruikelijkste dingen in hun taal werden genoemd.

De Eskimo's bleven den nacht bij ons, en den volgenden morgen

trokken ze naar huis. Wij hadden intusschen voldoenden tijd gehad,

hun aan het verstand te brengen, dat wij graag gelooide vellen

van hen wilden koopen. Toen ze zagen, wat de luitenant en ik aan

de bewerking der huiden hadden gedaan, maakten ze er ongeveinsd een

grapje over. Twee dagen later kwamen ze weer terug en brachten eenige

mooie rendiervellen. Ik besloot nu, hen naar hun woning te vergezellen,

om te zien, waar en hoe ze leefden; ze hadden ons te verstaan gegeven,

dat ze op den heenweg niet behoefden te overnachten; dus kon het niet

bijzonder ver wezen.

Den volgenden voormiddag om half twaalf braken we op. Ik had een slede

bij mij, waarop mijn slaapzak, eenig voedsel en allerlei voorwerpen

waren gebonden, die ik wist, dat de Eskimo's op prijs stelden. Met de

mij aangeboren meerderheid van den Europeaan spande ik mijn gasten

voor de slede. Ik zelf liep op ski en nu ging het in vollen galop

voorwaarts naar het Westen. De Eskimo's hadden niets, noch ski,

noch canadeesche sneeuwschoenen, noch iets, dat er op geleek; maar

de harde sneeuw droeg ze met gemak. En ik moest mij inspannen, om op

mijn ski hen bij te houden.

We hadden al den 9den October, en het werd vroeg donker. Ik hield het

dus voor noodzakelijk, tot haast aan te manen. Toentertijd wist ik nog

niet, hoe onverschillig een Eskimo is, als hij onderweg is, hetzij bij

dag of bij nacht, bij helder weêr of in den dichtsten nevel, in storm

of stil weer, of bij een sneeuwstorm, waarin men zijn eigen neus niet

kan onderscheiden, hij geeft er niet om. Ik merkte dat eerst later

bij nadere bekendheid met de menschen. Om half vier beduidden ze mij,

dat we nu hun kamp naderden. En van den top van een heuvelkam zag ik in

een beschutten, behagelijken hollen weg eenige lichtjes schemeren. Het

was al bijna geheel duister. De Eskimo's stieten luide vreugdekreten

uit en bleken uitermate verheugd bij dien aanblik. De kleine lichtjes

daar beneden waren ook inderdaad verlokkend en wekten gedachten aan

warmte en welbehagen, aan spijs en drank, aan alles, wat een zwerver

in een kouden, ruwen winternacht prettig moet voorkomen.

Toen wij ons verstaanbaar konden maken, gaven mijn begeleiders

luide schreeuwen, waarbij ik alleen het eene woord, Kabluna, witte

man, verstaan kon. En de bewoners van het kamp kwamen in troepjes

naar buiten. Het was een merkwaardig tooneel, dat ik mij nu in de

herinnering terugroep, en dat ik nooit vergeten zal. Daarginds in

het verlaten sneeuwland werd ik omringd door een schaar wilden,

die als dol door elkaar schreeuwden, mij in het gelaat keken, aan

mijn kleeren trokken en mij streelden. De door de ijsvensters uit de

hutten dringende lichtschijn kreeg door den verdwijnenden dag en het

schijnsel in het Westen een flauw donkergroene kleur.

Ik verlangde intusschen naar een warm huis en naar iets om te eten;

dus ging ik met Attira, die mij het best beviel, in zijn hut. Hij en

zijn gezin woonden hier met Tamoktuktu en zijn familie samen. Het

was een groote hut, die haar acht bewoners goed kon bevatten. Kort

na onze aankomst verzamelden zich de mannelijke leden der kolonie aan

een feestmaaltijd, die uit rauw rendiervleesch en water bestond. Drie

geheele rendieren verdwenen zoo snel, als ik een boterham zou hebben

kunnen gebruiken. De Eskimo's lachten en praatten er onophoudelijk

bij. Geen vrouwen namen aan de feestelijkheid deel. Toen ik aan de

mannen trachtte te verklaren, hoe het bij ons ging en aan mevrouw

Tamoktuktu een stuk vleesch reikte, lachten de Eskimo's mij hartelijk

uit.

Nadat de mannen eindelijk genoeg hadden, kwam de beurt aan de

vrouwen. Ze groetten mij met haar Manik-tu-mi als een goed vriend.

Tegen tien uur legde ik mij in mijn slaapzak, die een plaats had

gekregen op de bank tusschen beide familiën. Ik sliep tot het volkomen

dag was. Maar toch had ik bij het eerste morgengrauwen al gezien,

dat de mannen hun bovenlijf ontblootten en een luchtbad namen in de

morgenlucht. Een frisch plezier, dacht ik, verkneukelde mij in mijn

warmen zak en sliep door.

In den loop van den voormiddag trok ik op huis aan. Het uit zes hutten

bestaande Eskimokamp was dicht bij een groot water, dat ze Kaa-aak-ka

noemden. Zij vertelden mij ook, dat Lund en Hansen er gejaagd hadden.

Den 2den November had het vaste station zijn werk begonnen. Wiik had de

zelfregistreerende magnetische instrumenten in het gebouwtje voor de

waarnemingen opgesteld en deed de waarnemingen geheel alleen. Elken

middag, precies om twaalf uur, verwisselde hij de plaat op de

registerwals, en dat was lang niet altijd een genoegen. Als men

bedenkt, dat hij zich bij 60 graden Celsius onder nul door wind en

sneeuwstorm en vaak door meterhooge sneeuw een weg moest banen, dan

zal men begrijpen, hoeveel flinkheid en plichtgevoel iemand moest

hebben, om die taak zoo trouw te vervullen. Negentien maanden lang

deed Wiik het onafgebroken; dat is een mooi record.

De weerkundige waarnemingen werden driemaal daags gedaan. Wij hadden

daarbij ook registreerende instrumenten, die den heelen tijd door dag

en nacht in werking waren. Van dit deel van den dienst was Ristvedt de

leider. Menigen zwaren strijd had hij te voeren met zijn instrumenten

in koude en vocht; zijn trouwe en stipte plichtsvervulling mogen wij

dankbaar erkennen.

Op de _Gjöa_-expeditie als astronoom te fungeeren was geen lichte

taak. De expeditie had nog de ruimte noch de middelen, om opvouwbare

huizen mee te nemen, waarin men rustig en behagelijk het goede

astronomische oogenblik kan afwachten. Hier moesten de waarnemingen

bij de laagste temperatuur met niets dan een kleinen sneeuwmuur ter

beschutting tegen wind en sneeuw worden gedaan. Men stelle zich

zulk een avond voor: veertig graden kou en ijzige bitter scherpe

sneeuw! Tot tegen den avond is de lucht betrokken geweest, maar dan is

het plotseling helder geworden, en de hemel is met duizend fonkelende

sterren bezaaid. "Wat een wondervolle sterrenhemel!" zeggen wij,

anderen. Maar de arme astronoom moet uit zijn warme kajuit naar

buiten en naar den overkant achter zijn sneeuwmuur, waar hij uren

lang staan en al de kwalen van een sterrenkundig waarnemer in de

poollanden moet doormaken, als daar zijn, stijf gevroren vingers,

met ijs overtrokken kijkers en allerlei andere rampen.

Voor Lund en Hansen kwam alle arbeid, die het schip betrof. Als

specialiteit had Lund nog een watergat en Hansen de honden.

Jammer genoeg, kregen de honden weer dezelfde ziekte als op de

heenreis. Eerst werd Tiras van het Godhavntroepje aangetast en

stierf. En al vóór Kerstmis hadden we zeven van onze beste honden

verloren. Ik bedacht te laat, dat het den dieren wel aan vet bij

het eten ontbreken kon; ze hadden den geheelen tijd alleen mager

rendiervleesch gehad.

Ja, de honden! Zij eten van alles, dat bleek uit iets, dat ik met

afschuw waarnam en hier vermelden wil. Overal snuffelden ze rond,

om buiten de hun geregelde toegewezen porties nog het een of ander op

te scharrelen. En daar hadden ze ook eens een even onverwachten als

griezeligen maaltijd. Wij hadden Silla, die in hoogst interessante

positie was, opgesloten in het kleine uitbouwsel van huize Magneet,

waar ze haar bevalling zou afwachten. Op een mooien morgen ontvluchtte

ze echter en sloeg dadelijk de richting naar het schip in. Halfweg

ontmoette ze al haar cavaliers en allen waren geestdriftig over het

weerzien hunner dame. Ze omringden haar en geleidden haar verder. Maar

wat gebeurt? De arme Silla beviel bij verrassing, en haar kroost moest

zich met een hoopje sneeuw als wieg tevreden stellen. Op een teeken

van Lurven natuurlijk wierpen zich plotseling alle honden op de jongen;

ieder hapte naar een en verteerde het ter plaatse. Toen Silla ontdekte,

dat haar jongen verdwenen waren, stond ze op en ging verder. Maar ze

werd weer verrast en het laatste jong kwam ter wereld. Om nu de andere

honden te verhinderen, zich ook hiervan meester te maken, vrat Silla

het liever zelf in razende haast op. Hoe ongeloofelijk het klinke,

het is precies zoo gebeurd.

Op den eersten Kerstdag vierden we een dubbel feest. Wiik werd

dien dag 25 jaar; hij was het jongste lid der expeditie en tevens

een der vroolijksten van ons allen, vol aardige geschiedenissen en

anecdoten. In den loop van den voormiddag kwam de oude Eskimo Teraiu

aan en werd als gelukwenscher vriendelijk opgenomen. Teraiu behoorde

tot onze oudste Eskimovrienden, een van de vijf, die zich het eerst

hadden vertoond. Hij zal tusschen vijftig en zestig jaar zijn geweest

en was een zeer vroolijke snaak. Bij zijn stamgenooten stond hij niet

al te best aangeschreven, want ze hielden hem zoowat voor een idioot;

maar dat hij best zijn verstand had, zouden wij later bemerken.

De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 2 / 8 段