Groenen, groende, heeft en is gegroend

Groengrond, M., -gronden.

Groenheid, V.

Groenlandsvaarder, M., -vaarders.

Groenling, M., groenlingen.

Groenloopen, liep groen, heeft groengeloopen.

Groenmarkt, V., -markten.

Groensel (vogel), M., groensels.

Groensel (groente en verfaarde), O.

Groente, V., groenten.

Groenteboer, M., -boeren.

Groentesoep, V.

Groentevrouw. V., -vrouwen.

Groentijd, M.

Groenvrouw, V., -vrouwen.

Groep, V., groepen. Groepje. O., -jes.

Groepeeren, groepeerde, heeft gegroepeerd.

Groepeering, V., groepeeringen.

Groepen, groepte, heeft gegroept.

Groepvergadering, V., -vergaderingen.

Groet, M., groeten.

Groete, V., groeten.

Groeten, groette, heeft gegroet.

Groetenis, V., groetenissen.

Groeven, groefde, heeft gegroefd.

Groeze, V.

Groezelig, groezeliger, groezeligst.

Groezeligheid, V.

Grof, grover, grofst.

Grofgebouwd.

Grofgrein, O., -greinen.

Grofheid, V., -heden.

Grofsmederij, V., -smederijen.

Grofsmid, M., -smeden.

Grofte, V.

Grog, M. Grogje, O., -jes.

Grogglas, O., -glazen.

Grogstem, V., -stemmen.

Grol, V., grollen.

Grollen, grolde, heeft gegrold.

Grollenmaker, M., -makers.

Grom, O.

Grombaard, M., -baarden.

Grommelen, grommelde, heeft gegrommeld.

Grommen (knorren), gromde, heeft gegromd.

Grommen (ingewand uithalen), gromde, heeft gegromd.

Grommer, M., grommers.

Grommig, grommiger, grommigst.

Grommigheid, V.

Grompot, M. en V., -potten.

Grond, M., gronden.

Grondakkoord, O., -akkoorden.

Grondbeginsel, O., -beginselen.

Grondbegrip, O., -begrippen.

Grondbelasting, V., -belastingen.

Grondbezit, O.

Grondbezitter, M., -bezitters.

Grondboring, V., -boringen.

Grondeigenaar, M., -eigenaars.

Grondeigendom, M. en O., -eigendommen.

Grondel, M., grondels.

Grondeling, M., grondelingen.

Grondeloos, -loozer, -loost.

Grondeloosheid, V.

Gronden, grondde, heeft gegrond.

Gronderig, gronderiger, gronderigst.

Grondgebied, O.

Grondgesteldheid, V.

Grondhout, O.

Grondig, grondiger, grondigst.

Grondigheid, V.

Grondijs, O.

Grondkleur, V., -kleuren.

Grondkrediet, O.

Grondlasten (mv.), M.

Grondlegger, M., -leggers.

Grondnoot, V., -noten.

Grondpapier, O.

Grondsap en -sop, O.

Grondslag M., -slagen.

Grondspecie, V., -speciën.

Grondstof, V., -stoffen.

Grondtoon, M., -tonen.

Grondverf, V.

Grondvesten, grondvestte, heeft gegrondvest.

Grondvesting, V., -vestingen.

Grondvorm, M., -vormen.

Grondwater, O.

Grondwet, V., -wetten.

Grondwetgever, M., -gevers.

Grondwetsherziening, V., -herzieningen.

Groot, grooter, grootst.

Groot (muntstuk), M., grooten.

Groot (in het -), O.

Grootachtbaar, -bare.

Grootachtbaarheid, V.

Grootambtenaarsexamen, O.

Grootboek, O., -boeken.

Grootbrengen, bracht groot, heeft grootgebracht.

Grootdadig, -dadiger, -dadigst.

Grootedelachtbaar, -bare.

Grootelijks.

Grootendeels.

Groothandel, M.

Groothandelaar, M., -handelaars.

Groothartig, -hartiger, -hartigst.

Groothartigheid, V.

Grootheid, V., -heden.

Grootheidswaanzin, M.

Groothertog, M., -hertogen.

Groothertogdom, O., -hertogdommen.

Groothouden (zich -), hield zich groot, heeft zich grootgehouden.

Grootje, O., grootjes.

Grootkorrelig.

Grootkruis, O., -kruisen.

Grootmachtig, -machtiger, -machtigst.

Grootmaken (verheerlijken), maakte groot, heeft grootgemaakt.

Grootmaking, V.

Grootmama, V., -mama's.

Grootmeester, M., -meesters.

Grootmeester-nationaal, M., -meesters-nationaal.

Grootmoeder, V., -moeders; -moedertje, O., -jes.

Grootmoedig, -moediger, -moedigst.

Grootmoedigheid, V.

Grootouders (mv.), M.

Grootsch, grootscher, meest grootsch.

Grootscheepsch.

Grootschheid, V.

Grootschrift, O.

Grootspraak, V.

Grootspreken, O.

Grootspreker, M., -sprekers.

Grootsteedsch.

Grootte, V., grootten.

Grootvader, M., -vaders; -vadertje, O., -jes.

Grootvisscherij, V.

Grootvizier, M., -viziers en -vizieren.

Grootvorst, M., -vorsten.

Grootvorstin, V., -vorstinnen.

Groot-zegelbewaarder, M., -bewaarders.

Grop en Grup, V., groppen en gruppen.

Gros, O., grossen.

Grosse, V., grossen.

Grossier, M., grossiers.

Grossierderij, V., grossierderijen.

Grossierskantoor, O., -kantoren.

Grossiersvak, O.

Grot, V., grotten. Grotje, O., -jes.

Grotesk.

Grovelijk.

Gruis, O. Gruisje, O., -jes.

Gruisbak, M., -bakken.

Gruit, V.

Gruizelementen (mv.), O.

Gruizen, gruisde, heeft gegruisd.

Gruizig.

Gruizigheid, V.

Grup. Zie Grop.

Grut, V., grutten. Grutje, O., -jes.

Gruttenbrij, V.

Gruttenmeel, O.

Grutter, M., grutters.

Grutterij, V., grutterijen.

Gruttersmolen, M., -molens.

Grutterswaar, V., -waren.

Grutterswinkel, M., -winkels.

Grutto, M., grutto's.

Gruwel, M., gruwelen.

Gruweldaad, V., -daden.

Gruwelen, gruwelde, heeft gegruweld.

Gruwelijk, -lijker, -lijkst.

Gruwelijkheid, V., -heden.

Gruwen, gruwde, heeft gegruwd.

Gruwzaam, -zamer, -zaamst.

Gruwzaamheid, V., -heden.

Guano, V.

Guichelen, guichelde, heeft geguicheld.

Guichelheil, O.

Guichelspel, O.

Guillotine, V., guillotines.

Guinje, V., guinjes.

Guirlande, V., guirlandes.

Guit, M., guiten. Guitje, O., -jes.

Guitenstreek, M., -streken.

Guitenstuk, O., -stukken.

Guiterij, V., guiterijen.

Guitig, guitiger, guitigst.

Guitigheid, V., -heden.

Gul, V., gullen. Gulletje, O., -jes.

Gul, guller, gulst.

Guldeling, M., guldelingen.

Gulden, M., guldens. Guldentje, O., -jes.

Gulden (bnw.).

Guldengetal, O.

Guldenmond, M.

Guldenwater, O.

Gulhartig, -hartiger, -hartigst.

Gulhartigheid, V.

Gulheid, V., -heden.

Gulp, V., gulpen. Gulpje, O., -jes.

Gulpen, gulpte, heeft gegulpt.

Guluit.

Gulzig, gulziger, gulzigst.

Gulzigaard, M., gulzigaards.

Gulzigheid, V.

Gummistok, M., -stokken.

Gunnen, gunde, heeft gegund.

Gunning, V., gunningen.

Gunst, V., gunsten. Gunstje, O., -jes.

Gunstbejag, O.

Gunstbewijs, O., -bewijzen.

Gunsteling, M. en V., gunstelingen. V. ook gunstelinge.

Gunstig, gunstiger, gunstigst.

Gust (bnw.).

Guts, V., gutsen.

Gutsen, gutste, heeft gegutst.

Guttapercha, V.

Guttegom, ook Gittegom, V.

Gutturaal, V., gutturalen.

Guur, guurder, guurst.

Guurheid, V.

Gymnasiast, M., gymnasiasten.

Gymnasium, O., gymnasiën en gymnasia.

Gymnast, M., gymnasten.

Gymnastiek, V.

Gymnastiekmeester, M., -meesters.

Gymnastiekonderwijs, O.

Gymnastiekschool, V., -scholen.

Gymnastisch.

H

H, V., h's.

Ha.

Haag, V., hagen. Haagje, O., -jes.

Haagbeuk, M., -beuken.

Haagdoorn en Haagdoren (ook Hagedoorn), M., -doornen en -dorens.

Haagwinde, V.

Haai, M., haaien.

Haaievangst, V.

Haaievel, O., -vellen.

Haak, M., haken. Haakje, O. -jes.

Haakbeentje, O., -jes.

Haakboekje, O., -jes.

Haakbus, V., -bussen.

Haakpen, V., -pennen; -pennetje, O., -jes.

Haaks (bijw.).

Haaksch (bnw.).

Haakswijze en -wijs.

Haakvormig.

Haakwerk, O.

Haal (trek), M., halen. Haaltje, O., -jes.

Haal (werktuig), V. en O., halen.

Haalbaar, -bare.

Haalbier, O.

Haalboter, V.

Haalkan, V., -kannen.

Haalwijn, M.

Haam (vischnet), M., hamen.

Haam (paardetuig), O., hamen. Haampje, O., -jes.

Haan, M., hanen. Haantje, O., -jes.

Haar.

Haar, O., haren. Haartje, O., -jes.

Haarachtig.

Haarborstel, M., -borstels.

Haarbreed, O.

Haarbuisje, O., -buisjes.

Haard, M., haarden. Haardje, O., -jes.

Haardstede, V., -steden.

Haardstedengeld, O.

Haarfijn.

Haarkam, M., -kammen.

Haarklein.

Haarklooven, haarkloofde, heeft gehaarkloofd.

Haarklooverij, V., -klooverijen.

Haarknippen, O.

Haarknipper, M., -knippers.

Haarlemmer, M., Haarlemmers.

Haarlint, O., -linten; -lintje, O., -jes.

Haarlok, M., -lokken.

Haarloos, -looze.

Haarmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.

Haarnaald, V.; -naalden.

Haarschuier, M., -schuiers.

Haarsnijden, O.

Haarsnijder, M., -snijders.

Haarspeld, V., -spelden.

Haarvlok, V., -vlokken.

Haas, M. en O., hazen. Haasje, O., -jes.

Haas (van een rund), M. Haasje, O.

Haasjeover, O.

Haast, V.

Haast (bijw.).

Haastelijk.

Haasten, haastte, heeft gehaast.

Haastig, haastiger, haastigst.

Haastigheid, V.

Haat, M.

Haatdragend, -dragender, -dragendst.

Haatdragendheid, V.

Habitué, M., habitué's.

Hach, V. Hachje, O., -jes.

Hachée en Hachis (gehakt vleesch), O.

Hachelijk, -lijker, -lijkst.

Hachelijkheid, V.

Hachis. Zie Hachée.

Hachje (persoon), O., hachjes.

Hacht, M., hachten. Hachtje, O., -jes.

Haft (uitsteeksel), V., haften.

Haft (insect), O., haften.

Hagedis, V., hagedissen. Hagedisje, O., -jes.

Hagedoorn. Zie Haagdoorn.

Hagel, M.

Hagelblank.

Hagelbui, V., -buien; -buitje, O., -jes.

Hagelen, hagelde, heeft gehageld.

Hageljacht, V.

Hagelkorrel, V., -korrels; -korreltje, O., -jes.

Hagelschade, V.

Hagelslag, M.

Hagelsteen, M., -steenen.

Hagelwit, -witte.

Hagenaar, M., Hagenaars en Hagenaren.

Hagepreek, V., -preeken.

Hak (houw), M., hakken. Hakje, O., -jes.

Hak (hiel en houweel), V., hakken.

Hakbank, V., -banken.

Hakbijl, V., -bijlen.

Hakblok, O., -blokken.

Hakbord en Hakkebord, O., -borden.

Hakbosch, O., -bosschen.

Haken, haakte, heeft gehaakt.

Hakgeld, O.

Hakhout, O.

Hakkebord. Zie Hakbord.

Hakkel, M., hakkels.

Hakkelaar, M., hakkelaars.

Hakkelbout, M., -bouten.

Hakkelen, hakkelde, heeft gehakkeld.

Hakken, hakte, heeft gehakt.

Hakkenei, V., hakkeneien.

Hakker, M., hakkers.

Hakketeeren, hakketeerde, heeft gehakketeerd.

Hakmes, O., -messen.

Hakmoes, O.

Haksel, O.

Hakstroo, O.

Hakstuk, O., -stukken.

Hal (overdekte plaats), V., hallen.

Hal (de hardigheid der aarde), O.

Halen, haalde, heeft gehaald.

Half, halve.

Halfacht.

Halfbakken.

Halfbroeder, M., -broeders.

Halfdek, O.

Halfdood, -doode.

Halfdrie.

Halfdronken.

Halfgod, M., -goden.

Halfheid, V.

Halfhemdje, O., -jes.

Halfhonderd, O.

Halfhout, O.

Halfjaar, O., -jaren; -jaartje, O., -jes.

Halfje, O., -jes.

Halfklinker, M., -klinkers.

Halfluid.

Halfnegen.

Halfrond, O., -ronden.

Halfslachtig.

Halfslachtigheid, V.

Halfsleetsch.

Halfstok.

Halfvasten, V.

Halfvier.

Halfvijf.

Halfwas, M.

Halfweg.

Halfwind, M., -winden.

Halfzacht.

Halfzes.

Halfzijden.

Halfzuster, V., -zusters.

Halleluja, O., halleluja's.

Halletje, O., -jes.

Halm, M., halmen. Halmpje, O., -jes.

Hals, M., halzen. Halsje. O., -jes.

Halsbrekend, -brekender, -brekendst.

Halsdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Halsketting, M., -kettingen.

Halskraag, M., -kragen.

Halsrecht, O.

Halssierraad, O., -sieraden.

Halsstarrig, -starriger, -starrigst.

Halsstarrigheid, V.

Halsstarriglijk.

Halster, M., halsters.

Halszaak, V., -zaken.

Halt en Halte, V., halten.

Halter, M., halters.

Halveeren, halveerde, heeft gehalveerd.

Halvemaan, V.

Halverwegen.

Halvezolen, halvezoolde, heeft gehalvezoold.

Halzen, halsde, heeft gehalsd.

Ham, V., hammen. Hammetje, O., -jes.

Hamei, V., hameien.

Hamel, M., hamels.

Hamer, M., hamers en hameren. Hamertje, O., -jes.

Hameren, hamerde, heeft gehamerd.

Hamerslag (slag met een hamer), M., -slagen.

Hamerslag (afspringende deeltjes van gesmeed ijzer en kleine

wolkjes), O.

Hammebeen, O., -beenen.

Hammevet, O.

Hamster, V., hamsters.

Hand, V., handen. Handje, O., -jes.

Handboek, O., -boeken.

Handboog, M., -bogen.

Handbreed, O.

Handcamera, V., -camera's.

Handdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.

Handdruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.

Handel, M.

Handelaar, M., handelaars en handelaren.

Handelbaar, -baarder, -baarst.

Handelen, handelde, heeft gehandeld.

Handeling, V., handelingen.

Handelmaatschappij, V.

Handelsbetrekking, V., -betrekkingen.

Handelsblad, O., -bladen.

Handelsgeest, M.

Handelshuis, O., -huizen.

Handelsonderneming, V., -ondernemingen.

Handelsrecht, O.

Handelsreiziger, M., -reizigers.

Handelsschool en ook Handelschool, V., -scholen.

Handelsstad, V., -steden.

Handelsverdrag, O., -verdragen.

Handelsverkeer, O.

Handelsvrijheid, V.

Handelswetenschap, V., -wetenschappen.

Handelszaak, V., -zaken.

Handelwijze en handelwijs, V., -wijzen.

Handen, handde, heeft gehand.

Handenarbeid, M.

Handenloos, -looze.

Handenloosheid, V.

Handgebaar, O., -gebaren.

Handgeklap, O.

Handgeld, O., -gelden.

Handgemeen.

Handgemeen, O.

Handgift, V.

Handgreep, M., -grepen.

Handhaven, handhaafde, heeft gehandhaafd.

Handhaver, M., handhavers.

Handhaving, V.

Handig, handiger, handigst.

Handigheid, V.

Handjegauw, M. en V., -gauws.

Handkar, V., -karren.

Handkoffer, M., -koffers; -koffertje, O., -jes.

Handkus, M., -kussen.

Handlanger, M., -langers.

Handleiding, V., -leidingen.

Handlichting, V.

Handpaard, O., -paarden.

Handreiken, handreikte, heeft gehandreikt.

Handreiking, V., -reikingen.

Handschoen, M., -schoenen; -schoentje, O., -jes.

Handschoenendoos, V., -doozen.

Handschrift, O., -schriften.

Handtastelijk, -lijker, -lijkst.

Handtastelijkheid, V., -heden.

Handtasting, V.

Handteekenen, O.

Handteekening, V., -teekeningen.

Handvat, O., -vatten.

Handvatsel, O., -vatsels.

Handvest, V. en O., -vesten.

Handvol, V. (mv. handen vol).

Handwagen, M., -wagens.

Handwerk, O., -werken.

Handwerksman, M., -lieden en -lui.

Handwijzer, M., -wijzers.

Handzaam, -zamer, -zaamst.

Handzaamheid, V.

Hanebalk, M., -balken.

Hanekam, M., -kammen.

Hanenei, O., -eieren.

Hanengekraai, O.

Hanengevecht, O., -gevechten.

Hanenmat, V., -matten.

Hanepoot, M., -pooten.

Haneschree, V.

Hanespoor, V., -sporen.

Hanetred, M., ook Hanetree, V., -treden.

Haneveer, V., -veeren.

Hang, M., hangen.

Hangbuik, M. en V., -buiken.

Hangebast (karnemelk), V.

Hangen, hing, heeft gehangen.

Hanger, M., hangers. Hangertje, O., -jes.

Hangijzer, O., -ijzers.

Hangklok, V., -klokken.

Hangkompas, O., -kompassen.

Hanglamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.

Hanglip, M. en V., -lippen.

Hangmat, V., -matten.

Hangoor (persoon), M. en V., -ooren.

Hangoor (tafel), V., -ooren.

Hangop, V.

Hangslot, O., -sloten; -slotje en -slootje, O., -slootjes.

Hanig, haniger, hanigst.

Hannekemaaier, M., -maaiers.

Hans, M., hanzen. Hansje, O., -jes.

Hanssop, M., hanssoppen.

Hansworst, M., hansworsten.

Hanteeren, hanteerde, heeft gehanteerd.

Hanteering, V., hanteeringen.

Hanze, V.

Hap, M., happen. Hapje, O., -jes.

Haperen, haperde, heeft gehaperd.

Hapering, V., haperingen.

Happa.

Happen, hapte, heeft gehapt.

Happig, happiger, happigst.

Happigheid, V.

Hapschaar, M., -scharen.

Har en Harre, ook Her en Herre, V., harren en herren. Harretje en

herretje, O., -jes.

Hard, harder, hardst.

Harddraven, harddraafde, heeft geharddraafd.

Harddraver, M., -dravers.

Harddraverij, V., -draverijen.

Harden, hardde, heeft gehard.

Hardgeel, -gele.

Hardglas, O.

Hardhandig, -handiger, -handigst.

Hardheid, V., -heden.

Hardhoorig, -hooriger, -hoorigst.

Hardhoorigheid, V.

Hardigheid, V., -heden.

Hardleersch.

Hardlijvig, -lijviger, -lijvigst.

Hardlijvigheid, V.

Hardlooper, M., -loopers.

Hardlooperij, V., -looperijen.

Hardnekkig, -nekkiger, -nekkigst.

Hardnekkigheid, V.

Hardop.

Hardrijder, M., -rijders.

Hardrijderij, V., -rijderijen.

Hardsteen, O.

Hardsteenen (bnw.).

Hardvallen, viel hard, is hardgevallen.

Hardvochtig, -vochtiger, -vochtigst.

Hardvochtigheid, V.

Hardzeiler, M., -zeilers.

Hardzeilerij, V., -zeilerijen.

Harem, M., harems.

Haren (bnw.).

Haren, haarde, heeft gehaard.

Harent (Te -).

Harenthalve.

Harentwege.

Harentwil (Om -).

Harig, hariger, harigst.

Haring (een visch), M., haringen. Harinkje, O., -jes. Als stofnaam, V.

Haringband, O.

Haringbuis, V., -buizen.

Haringjager, M., -jagers.

Haringkaken, O.

Haringkaker, M., -kakers.

Haringpakker, M., -pakkers.

Haringsla, V.

Haringspeetster, V., -speetsters.

Haringspeten, O.

Harington, V., -tonnen.

Haringvangst, V.

Hark, V., harken. Harkje, O., -jes.

Harken, harkte, heeft geharkt.

Harksel, O., harksels.

Harlekijn, M., harlekijns.

Harmonica, V., harmonica's.

Harmonie, V., harmonieën.

Harmonieeren, harmonieerde, heeft geharmonieerd.

Harmonieleer, V.

Harmoniemuziek, V.

Harmonisch.

Harnas, O., harnassen.

Harp, V., harpen. Harpje, O., -jes.

Harpen, harpte, heeft geharpt.

Harpij, V., harpijen.

Harpoen, M., harpoenen.

Harpoenen, harpoende, heeft geharpoend.

Harpoenier, M., harpoeniers.

Harpuis, O.

Harpuizen, harpuisde, heeft geharpuisd.

Harrewarren, harrewarde, heeft geharreward.

Harrewarrerij, V., harrewarrerijen.

Hars, V. en O., harsen.

Harsachtig, -achtiger, -achtigst.

Harst, M., harsten. Harstje, O., -jes.

Hart, O., harten. Hartje, O., -jes.

Hartader, V.

Hartebloed, O.

Hartediefje, O., -jes.

Harteleed, O.

Hartelijk, -lijker, -lijkst.

Hartelijkheid, V.

Harteloos, -looze.

Hartelust, M.

Harten (mv.), O.

Hartenaas, O., -azen.

Hartenboer, M., -boeren.

Hartenet, O., -netten.

Hartenheer, M., -heeren.

Hartenvrouw, V., -vrouwen.

Hartepijn, V.

Hartewee, O.

Hartewensch, M., -wenschen.

Hartgebrek, O., -gebreken.

Hartgrondig, -grondiger, -grondigst.

Hartig, hartiger, hartigst.

Hartigheid, V.

Hartjesdag, M., -dagen.

Hartklopping, V., -kloppingen.

Hartkwaal, V., -kwalen.

Hartlap en Hartelap, M. en V., -lappen. Hartlapje en hartelapje,

O., -jes.

Hartroerend, -roerender, -roerendst.

Hartseeren, hartseerde, heeft gehartseerd.

Hartsteken (- dood).

Hartsterking, V., -sterkingen; -sterkinkje, O., -jes.

Hartstocht, M., -tochten.

Hartstochtelijk, -lijker, -lijkst.

Hartstochtelijkheid, V., -heden.

Hartsvanger, M., -vangers.

Hartsvriend, M., -vrienden.

Hartverscheurend, -verscheurender, -verscheurendst.

Hartwater, O.

Hartzakje, O., -jes.

Hartzeer, O.

Haspel, M., haspels en haspelen. Haspeltje, O., -jes.

Haspelaar, M., haspelaars.

Haspelarij, V., haspelarijen.

Haspelen, haspelde, heeft gehaspeld.

Haspelraam, O., -ramen.

Haspelwerk, O., -werken.

Hassebassen, hassebaste, heeft gehassebast.

Hatelijk, -lijker, -lijkst.

Hatelijkheid, V., -heden.

Haten, haatte, heeft gehaat.

Hater, M., haters en hateren.

Hauw, V., hauwen. Hauwtje, O., -jes.

Have, V.

Haveloos, -loozer, -loost.

Haveloosheid, V.

Haven, V., havens.

Havenbootje, O., -jes.

Havendienst, M.

Havenen, havende, heeft gehavend.

Havenfront, O., -fronten.

Havengeld, O., -gelden.

Havenhoofd, O., -hoofden.

Havenlicht, O., -lichten.

Havenmeester, M., -meesters.

Havenpolitie, V.

Havenwerken (mv.), O.

Haver, V.

Haverdegort, V.

Haverkist, V., -kisten.

Haverklap, M.

Havermeel, O.

Havermout, O. en V.

Haverstroo, O.

Haverzak, M., -zakken.

Havezate, V., havezaten.

Havik, M., haviken.

Haviksbek, M., -bekken.

Haviksneus, M., -neuzen.

Hazardspel, O., -spelen.

Hazelaar, M., hazelaren en hazelaars.

Hazelaarsbosch, O., -bosschen.

Hazelaarshout, O.

Hazelhoen, O., -hoenders.

Hazelnoot (vrucht), V.; (boom), M., -noten; -nootje, O., -jes.

Hazelnoteboom, M., -boomen.

Hazelwortel, V.

Hazendistel, V., -distels.

Hazenjacht, V.

Hazenlip, V., -lippen.

Hazenpad, O.

Hazenslaap, M.; -slaapje, O., -jes.

Hazenwind, M., -winden.

Hazepeper, V.

Hazesprong, M., -sprongen.

Hazevel, O., -vellen.

He.

Hebbelijk, -lijker, -lijkst.

Hebbelijkheid, V., -heden.

Hebben, heeft, had, hadden, heeft gehad.

Hebreër, M., Hebreërs en Hebreën.

Hebreeuwsch.

Hebreeuwsch, O.

Hebzucht, V.

Hebzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Hecatombe, V., hecatombes en -tomben.

Hecht en Heft, O., hechten en heften. Hechtje en heftje, O., -jes.

Hecht, hechter, hechtst.

Hechtdraad, M., -draden.

Hechten, hechtte, heeft gehecht.

Hechtenis, V.

Hechtheid, V.

Hechting, V., hechtingen.

Hechtpleister, V., -pleisters.

Hechtsel, O., hechtsels.

Hectare, V., hectaren en hectares.

Hectisch.

Hectogram, O., hectogrammen.

Hectoliter, M., hectoliters.

Hectometer, M., hectometers.

Heden.

Hedenavond.

Hedendaags (bijw.).

Hedendaagsch (bnw.).

Hedenmiddag.

Hedenmorgen.

Heede, V.

Heel, heele.

Heel (bijw.).

Heelal, O.

Heelbaar, -bare.

Heelegaar.

Heelemaal.

Heelen (genezen), heelde, heeft geheeld.

Heelendal.

Heelheid, V.

Heeling, V.

Heelkracht, V.

Heelkruid, O.

Heelkunde, V.

Heelkundig.

Heelkundige, M. en V., -kundigen.

Heelkunst, V.

Heelmeester, M., -meesters.

Heelshuids en Heelhuids.

Heelster, V., heelsters.

Heelvleesch, O.

Heem en Heim, O., heemen en heimen.

Heemraad, M., -raden.

Heemraadschap, O., -schappen.

Heen en Henen. Zoo ook in de samenstellingen.

Heenbrengen, bracht heen, heeft heengebracht.

Heendrijven, dreef heen, dreven heen, heeft en is heengedreven.

Heengaan, gaat heen, ging heen, is heengegaan.

Heenkomen, komt heen, kwam heen, kwamen heen, is heengekomen.

Heenkomen, O.

Heenloopen, liep heen, is heengeloopen.

Heenreis, V.

Heenrijden, reed heen, reden heen, is heengereden.

Heenrit, M.

Heenspoeden, spoedde heen, is heengespoed.

Heentrekken, trok heen, trokken heen, is heengetrokken.

Heenvaren, voer heen, is heengevaren.

Heenvlieden, vlood heen, vloden heen, is heengevloden.

Heenvliegen, vloog heen, vlogen heen, is heengevlogen.

Heep, V., hepen.

Heer (meester), M., heeren; (met minachting), O. Heertje, O., -jes.

Heer (leger). Zie Heir.

Heerachtig, -achtiger, -achtigst.

Heerachtigheid, V.

Heerboer en Heereboer, M., -boeren.

Heeremijntijd (tusschenw.).

Heerenboon, V., -boonen.

Heerendienst, M., -diensten.

Heerendiner, O., -diners; -dineetje, O., -jes.

Heerenhuis, O., -huizen.

Heerenhuizing, V., -huizingen.

Heerenknecht, M, -knechts.

Heerenloge, V., -loges.

Heerig, heeriger, heerigst.

Heerlijk, -lijker, -lijkst.

Heerlijkheid, V., -heden.

Heeroom, M., -ooms.

Heerschap, O., -schappen.

Heerschappij, V., heerschappijen.

Heerschen, heerschte, heeft geheerscht.

Heerscher, M., heerschers.

Heerscheres, V., heerscheressen.

Heerschzucht, V.

Heerschzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

Heerweg en Heirweg, M., -wegen.

Heesch, heescher, meest heesch.

Heeschheid, V.

Heester, M., heesters. Heestertje, O., -jes.

Heet, heeter, heetst.

Heeten (heet maken), heette, heeft geheet.

Heeten (noemen en genoemd worden), heette, heeft geheeten.

Heethoofd, M. en V., -hoofden.

Heethoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.

Hef en Heffe, V.

Hefboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.

Heffen, hief, hieven, heeft geheven.

Heffer, M., heffers.

Heffing, V., heffingen.

Heft. Zie Hecht.

Heftang, V., -tangen.

Heftig, heftiger, heftigst.

Heftigheid, V.

Heg en Hegge, V., heggen. Hegje en heggetje, O., -jes.

Hei (tusschenw.).

Hei (werktuig), V., heien.

Heibaas, M., -bazen.

Heibei, V., heibeien.

Heibeien, heibeide, heeft geheibeid.

Heibezem, M., -bezems.

Heiblok, O., -blokken.

Heiboender, M., -boenders.

Heibrand, M.

Heidamp, M.

Heide en Hei, V., heiden.

Heidebloem, V., -bloemen.

Heidegrond en Heigrond, M., -gronden.

Heidekruid, O.

Heiden (afgodendienaar),M., heidenen.

Heiden (landlooper), M., heidens.

Heidendom, O.

Heidensch.

Heideontginning, V.

Heideveld, O., -velden.

Heidin, V., heidinnen.

Heien, heide, heeft geheid.

Heier, M., heiers.

Heihaas, M., -hazen.

Heikrekel, M., -krekels; -krekeltje, O., -jes.

Heil, O.

Heiland, M.

Heilbede, V., -beden.

Heilbot, V., -botten.

Heilig, heiliger, heiligst.

Heiligavond, M.

Heiligbeen, O.

Heiligdom, O., heiligdommen.

Heilige, M. en V., heiligen. Heiligje, O., -jes.

Heiligedag, M., -dagen.

Heiligen, heiligde, heeft geheiligd.

Heiligenbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.

Heiligendienst, M.

Heiligheid, V.

Heiliging, V.

Heiligmaking, V.

Heiligschennis, V.

Heiligverklaring, V., -verklaringen.

Heilloos, -loozer.

Heilloosheid, V.

Heilsleger, O.

Heilsoldaat, M., -soldaten.

Heilwensch, M., heilwenschen.

Heilzaam, -zamer, -zaamst.

Heilzaamheid, V.

Heimast, M., -masten.

Heimelijk, -lijker, -lijkst.

Heimelijkheid, V., -heden.

Heimwee, O.

Heinde.

Heinen, heinde, heeft geheind.

Heining, V., heiningen. Heininkje, O., -jes.

Heipaal, M., -palen.

Heir, ook Heer (leger), O., heiren en heren.

Heireep, M., -reepen.

Heirook, M.

Heirvaart, ook Heervaart, V., -vaarten.

Heisa.

Heistelling, V., -stellingen.

Heisteren, heisterde, heeft geheisterd.

Heiwerk, O.

Hek, O., hekken. Hekje, O., -jes.

Hekel (werktuig), M., hekels.

Hekel (afkeer), M.

Hekelaar, M., hekelaars.

Hekelaarster, V., hekelaarsters.

Hekeldicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.

Hekeldichter, M., -dichters.

Hekelen, hekelde, heeft gehekeld.

Hekelig, hekeliger, hekeligst.

Hekeling, V., hekelingen.

Hekelschrift, O., -schriften.

Hekkenspringer, M., -springers.

Heks, V., heksen. Heksje, O., -jes.

Heksen, hekste, heeft gehekst.

Heksendans, M., -dansen.

Heksenmeester, M., -meesters.

Heksenproces, O., -processen.

Heksentoer, M., -toeren.

Heksenwerk, O.

Hekserij, V., hekserijen.

Heksluiter, M., -sluiters.

Hekwielstoomer, M., -stoomers.

Hel, V.

Hel, heller, helst.

Helaas.

Held, M., helden.

Heldenarm, M., -armen.

Heldendaad, V., -daden.

Heldendeugd, V., -deugden.

Heldendicht, O., -dichten.

Heldendichter, M., -dichters.

Heldendood, M.

Heldenmoed, M.

Heldenschaar, V., -scharen.

Heldentijdvak, O., -tijdvakken.

Heldentrouw, V.

Heldenzang, M., -zangen.

Helder, helderder, helderst.

Helderheid, V.

Helderziend.

Heldhaftig, -haftiger, -haftigst.

Heldhaftigheid, V.

Heldin, V., heldinnen.

Helen (verbergen), heelde, heeft geheeld.

Heler, M., helers.

Helft, V., helften. Helftje, O., -jes.

Helhond, M.

Helicon, M.

Heling, V., helingen.

Heliogravure, V., -gravuren.

Helioscoop, M., helioscopen.

Heliotroop, M., heliotropen.

Hellebaard, V., hellebaarden.

Hellebaardier, M., hellebaardieren en hellebaardiers.

Hellen, helde, heeft geheld.

Hellenist, M., hellenisten.

Hellepijn, V., -pijnen.

Hellevaart, V.

Helleveeg, V., -vegen.

Hellig, helliger, helligst.

Helligheid, V.

Helling, V., hellingen.

Helm (hoofddeksel), M., helmen.

Helm (duingras), V.

Helmbindsel, O., -bindsels.

Helmdraad, M., -draden.

Helmhoed, M., -hoeden.

Helmteeken, O.

Heloot, M., heloten.

Helpen, hielp, heeft geholpen.

Helper, M., helpers.

Helpster, V., helpsters.

Helpzeel en Hulpzeel, O., -zeelen.

Helsch.

Hem.

Hem (tusschenw.).

Hemd, O., hemden. Hemdje, O., -jes.

Hemdsboord, M., -boorden.

Hemdsknoop, M., -knoopen.

Hemdskraag, M., -kragen.

Hemdsmouw, V., -mouwen.

Hemel (uitspansel), M., hemelen; (van een bed), M., hemels.

Hemelglobe, V., -globes.

Hemelhoog.

Hemellichaam, O., -lichamen.

Hemellicht, O., -lichten.

Hemelrijk, O.

Hemelrond, O.

Hemelsblauw.

Hemelsbreed.

Hemelsbreedte, V.

Hemelsch.

Hemelschgezind.

Hemelstreek, V., -streken.

Hemeltergend.

Hemelvaart, V.

Hemelvaartsdag, M., -dagen.

Hemelwaarts.

Hemmen, hemde, heeft gehemd.

Hen, V., hennen. Hennetje, O., -jes.

Hen.

Henen, en de samenstellingen. Zie Heen, enz.

Heng, V., hengen.

Hengel, M., hengels. Hengeltje, O., -jes.

Hengelaar, M., hengelaars.

Hengelen, hengelde, heeft gehengeld.

Hengelroede, V., -roeden.

Hengelsnoer, O., -snoeren.

Hengelstok, M., -stokken.

Hengsel, O., hengsels. Hengseltje, O., -jes.

Hengst (paard), M., hengsten.

Hengst (vaartuig), V., hengsten.

Hengsten, hengstte, heeft gehengst.

Hengstenkeuring, V., -keuringen.

Hennegat, O., -gaten.

Hennenei, O., -eieren.

Hennep, M.

Hennepolie, V.

Hennepteelt, V.

Hennepzaad, O.

Her (bijw.).

Herademen, herademde, heeft herademd.

Heraldiek, V.

Heraldiek (bnw.).

Heraut, M., herauten.

Herbarium, O., herbariums en herbaria.

Herbenoemen, herbenoemde, heeft herbenoemd.

Herbenoeming, V., herbenoemingen.

Herberg, V., herbergen. Herbergje, O., -jes.

Herbergen, herbergde, heeft geherbergd.

Herbergier, M., herbergiers.

Herbergierster, V., herbergiersters.

Herbergzaam, -zamer, -zaamst.

Herbergzaamheid, V.

Herboren.

Herbouw, M.

Herbouwen, herbouwde, heeft herbouwd.

Herdenken, herdacht, heeft herdacht.

Herdenken, O.

Herdenking, V., herdenkingen.

Herder, M., herders. Herdertje, O., -jes.

Herderin, V., herderinnen. Herderinnetje, O., -jes.

Herderinnenhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes.

Herderlijk.

Herdersambt, O.

Herdersdicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.

Herdersfluit, V., -fluiten.

Herdershond, M., -honden.

Herdershut, V., -hutten.

Herdersknaap, M., -knapen.

Herdersleven, O.

Herderslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.

Herdersspel, O., -spelen.

Herdersstaf, M., -staven.

Herdersstok, M., -stokken.

Herdersvolk, O.

Herderszang, M., -zangen.

Herdoop, M.

Herdoopen, herdoopte, heeft herdoopt.

Herdooper, M., herdoopers.

Herdooping, V., herdoopingen.

Herdruk, M., herdrukken.

Herdrukken, herdrukte, heeft herdrukt.

Hereenen, hereende, heeft hereend.

Hereenigen, hereenigde, heeft hereenigd.

Hereeniging, V., hereenigingen.

Heremiet, M., heremieten.

Herexamen, O., herexamens.

Herfst, M.

Herfstachtig, -achtiger, -achtigst.

Herfstdag, M., -dagen.

Herfstdraad, M., -draden.

Herfstig, herfstiger, herfstigst.

Herfstlandschap, O., -landschappen.

Herfstmaand, V.

Herfstmanoeuvres (mv.), V.

Herfstweder en -weer, O.

Hergeven, hergaf, hergaven, heeft hergeven.

Herhaaldelijk.

Herhalen, herhaalde, heeft herhaald.

Herhaling, V., herhalingen.

Herhalingsonderwijs, O.

Herhalingsschool, V., -scholen.

Herijk, M.

Herijken, herijkte, heeft herijkt.

Herinneren, herinnerde, heeft herinnerd.

Herinnering, V., herinneringen.

Herinneringsvermogen, O.

Herkauwen, herkauwde, heeft herkauwd.

Herkauwer, M., herkauwers.

Herkennen, herkende, heeft herkend.

Herkenning, V., herkenningen.

Herkenningsteeken, O., -teekenen.

Herkeuren, herkeurde, heeft herkeurd.

Herkeuring, V., herkeuringen.

Herkiesbaar, -bare.

Herkiesbaarheid, V.

Herkiezen, herkoos, herkozen, heeft herkozen.

Herkiezing, V., herkiezingen.

Herkomen, O.

Herkomst, V.

Herkomstig.

Herkoop, M.

Herkrijgen, herkreeg, herkregen, heeft herkregen.

Herkrijging, V.

Herleiden, herleidde, heeft herleid.

Herleiding, V., herleidingen.

Herleven, herleefde, is herleefd.

Herleving, V.

Herlezen, herlas, herlazen, heeft herlezen.

Herlezing, V., herlezingen.

Hermelijn (dier), M., hermelijnen; (bont), O.

Hermelijnen (bnw.).

Hermeting, V., hermetingen.

Hermetisch.

Hermitage, V., hermitages.

Hermoes, V.

Hernemen, hernam, hernamen, heeft hernomen.

Hernhutter, M., Hernhutters.

Hernieuwen, hernieuwde, heeft hernieuwd.

Hernieuwing, V., hernieuwingen.

Heroën. Zie Heros.

Heroïek, heroïeker, heroïekst.

Heroïsme, O.

Heropenen, heropende, heeft heropend.

Heropening, V.

Heros, M., heroën.

Heroveren, heroverde, heeft heroverd.

Herovering, V., heroveringen.

Herplaatsen, herplaatste, heeft herplaatst.

Herplaatsing, V.

Herrie, V.

Herrijzen, herrees, herrezen, is herrezen.

Herrijzenis, V.

Herrijzing, V.

Herroepbaar, -bare.

Herroepbaarheid, V.

Herroepen, herriep, heeft herroepen.

Herroeping, V., herroepingen.

Herschatten, herschatte, heeft herschat.

Herschatting, V., herschattingen.

Herscheppen, (van gedaante doen veranderen), herschiep, heeft

herschapen.

Herschepper, M., herscheppers.

Herschepping, V., herscheppingen.

Hersenen en Hersens, ook Harsenen en Harsens (mv.), V.

Hersenloos, -looze.

Hersenontsteking, V., -ontstekingen.

Hersenschim, V., -schimmen.

Hersenschimmig, -schimmiger, -schimmigst.

Hersenschudding, V., -schuddingen.

Hersenverweeking, V., -verweekingen.

Hersenvlies, O., -vliezen.

Hersenziekte, V., -ziekten.

Hersmeden, hersmeedde, heeft hersmeed.

Herstel, O.

Herstelbaar, -bare.

Herstellen, herstelde, heeft en is hersteld.

Hersteller, M., herstellers.

Herstelling, V., herstellingen.

Herstellingsoord, V., -oorden.

Herstellingsteeken, O., -teekens.

Herstemming, V., herstemmingen.

Hert, O., herten. Hertje, O., -jes.

Hertebeest, O., -beesten.

Hertebout, M., -bouten.

Hertekop, M., -koppen.

Hertenjacht, V., -jachten.

Hertenkamp, M., -kampen.

Hertevleesch en Hertenvleesch, O.

Hertog, M., hertogen.

Hertogdom, O., hertogdommen.

Hertogelijk.

Hertogin, V., hertoginnen.

Hertrouwen, hertrouwde, heeft en is hertrouwd.

Hertshoorn en Hertshoren (voorwerp), M.; als stofnaam, O.

Hertsleder en -leer, O.

Hertslederen en -leeren (bnw.).

Hervatten, hervatte, heeft hervat.

Hervatting, V.

Hervinden, hervond, heeft hervonden.

Hervormd.

Hervormde, M. en V., Hervormden.

Hervormen, hervormde, heeft hervormd.

Hervormer, M., hervormers.

Hervorming, V., hervormingen.

Hervormingsdag, M.

Hervormingsfeest, O., -feesten.

Hervormingsgezind.

Herwaarts.

Herwinnen, herwon, herwonnen, heeft herwonnen.

Herwinning, V., herwinningen.

Herwissel, M., herwissels.

Herzeggen, herzeide, heeft herzegd en herzeid.

Herzegging, V.

Herzien, herzag, herzagen, heeft herzien.

Herziener, M., herzieners.

Herziening, V., herzieningen.

Hes (volksnaam), M., Hessen.

Hes (kiel), V., hessen. Hesje, O., -jes.

Hesp, V., hespen.

Het.

Heterodox, heterodoxe.

Heterodoxie, V.

Heterogeen, heterogene.

Hette. Zie Hitte.

Hetwelk.

Hetzelfde.

Hetzelve.

Hetzij.

Heug, V. (Tegen - en meug).

Heugel, M., heugels.

Heugen, heugde, heeft geheugd.

Heugenis, V.

Heuglijk, -lijker, -lijkst.

Heuglijkheid, V.

Heuker, M., heukers.

Heul (slaapbol), M.

Heul (hulp), O.

Heul (houten bruggetje), V., heulen. Heultje, O., -jes.

Heulen, heulde, heeft geheuld.

Heulsap, O.

Heulzaad, O.

Heumig, heumiger, heumigst.

Heup, V., heupen. Heupje, O., -jes.

Heupbeen, O., -beenderen.

Heupgewricht, O., -gewrichten.

Heupziekte, V., -ziekten.

Heuristisch.

Heusch, heuscher, meest heusch.

Heusch (bijw.).

Heuschelijk.

Heuschheid, V., -heden.

Heuvel, M., heuvels en heuvelen. Heuveltje, O., -jes.

Heuvelachtig, -achtiger, -achtigst.

Heuvelig, heuveliger, heuveligst.

Heuvelkling, V., -klingen.

Heuveltop, M., -toppen.

Hevel, M., hevels. Heveltje, O., -jes.

Hevelbarometer, M., -meters.

Hevig, heviger, hevigst.

Hevigheid, V., -heden.

Hexameter, M., hexameters.

Hiaat (stooting van klinkers), M.; (gaping), O., hiaten.

Hidalgo, M., hidalgo's.

Hiel, M., hielen. Hieltje, O., -jes.

Hielen, hielde, heeft gehield.

Hieling, V., hielingen.

Hielingsplaat, V., -platen.

Hielingssteek, M., -steken.

Hiep (verkorting van Hypochonder), bnw.

Hier.

Hieraan.

Hierachter.

Hieraf.

Hiërarchie.

Hiëratisch.

Hierbeneden.

Hierbenevens.

Hierbij.

Hierbinnen.

Hierboven.

Hierbuiten.

Hierdoor.

Hierheen.

Hierin.

Hierlangs.

Hiermede.

Hierna.

Hiernaar.

Hiernaast.

Hiernamaals.

Hiernevens.

Hiëroglyphe en Hiëroglief, V., hiëroglyphen en hiërogliefen.

Hierom.

Hieromheen.

Hieromtrent.

Hieronder.

Hierop.

Hierover.

Hiertegen.

Hiertegenover.

Hiertoe.

Hiertusschen.

Hieruit.

Hiervan.

Hiervoor.

Hierzijn, O.

Hij.

Hijgen, hijgde, heeft gehijgd.

Hijlikmaker, M., -makers.

Hijs en Hijze, V., hijzen. Hijsje, O., -jes.

Hijschblok, O., -blokken en -bloks.

Hijschen, heesch, heschen, heeft geheschen.

Hijschtoestel, O., -toestellen.

Hijschtouw, O., -touwen.

Hijze. Zie Hijs.

Hik, M., hikken. Hikje, O., -jes.

Hikken, hikte, heeft gehikt.

Hinde, V., hinden.

Hinder, M.

Hinderen, hinderde, heeft gehinderd.

Hinderlaag, V., -lagen.

Hinderlijk, -lijker, -lijkst.

Hindernis, V., hindernissen.

Hinderpaal, M., -palen.

Hinderwet, V.

Hinkelbaan, V., -banen; -baantje, O., -jes.

Hinkelen, hinkelde, heeft gehinkeld.

Hinken, hinkte, heeft gehinkt.

Hinkepink, M. en V., -pinken.

Hinkepoot, M., -pooten.

Hinniken, hinnikte, heeft gehinnikt.

Hipocras, M.

Hippelen, hippelde, heeft gehippeld.

Hippen, hipte, heeft gehipt.

Hippocreen, V.

Hippopotamus, M., hippopotamussen.

Histologie, V.

Historie, V., historiën en histories. Historietje, O., -jes.

Historiepenning, M., -penningen.

Historieprent, V., -prenten.

Historieschrijver, M., -schrijvers.

Historiestuk, O., -stukken.

Historisch.

Hit, M., hitten. Hitje, O., -jes.

Hitsen, hitste, heeft gehitst.

Hitsigheid, V.

Hitte en Hette, V.

Hittenwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.

Ho.

Hobbel, M., hobbels. Hobbeltje, O. -jes.

Hobbelen, hobbelde, heeft gehobbeld.

Hobbelig, hobbeliger, hobbeligst.

Hobbelpaard, O., -paarden; -paardje, O., -jes.

Hobbelstoel, M., -stoelen.

Hobo, V., hobo's.

Hoboïst, M., hoboïsten.

Hoe.

Hoed (hoofddeksel), M., hoeden. Hoedje, O., -jes.

Hoed (maat), O.

Hoedanig.

Hoedanigheid, V., -heden.

Hoede, V.

Hoedebol, M., -bollen.

Hoededoos, V., -doozen.

Hoeden, hoedde, heeft gehoed.

Hoedenfabriek, V., -fabrieken.

Hoedenfabrikant, M., -fabrikanten.

Hoedenmaakster, V., -maaksters.

Hoedenmaker, M., -makers.

Hoedenwinkel, M., -winkels.

Hoedepen, V., -pennen.

Hoeder, M., hoeders.

Hoedster, V., hoedsters.

Hoef (paardenhoef), M., hoeven. Hoefje, O., -jes.

Hoef en Hoeve (hofstede), V., hoeven. Hoefje, O., -jes.

Hoefbeslag, O.

Hoefijzer, O., -ijzers.

Hoefslag, M., -slagen.

Hoefsmederij, V., -smederijen.

Hoefsmid, M., -smeden.

Hoefstal, M., -stallen.

Hoegenaamd.

Hoegrootheid, V.

Hoek, M., hoeken. Hoekje, O., -jes.

Hoeker, M., hoekers.

Hoekhuis, O., -huizen.

Hoekig, hoekiger, hoekigst.

Hoekigheid, V.

Hoekpunt, O., -punten.

Hoekpuntslijn, V., -lijnen.

Hoeksch.

Hoeksche, M. en V., Hoekschen.

Hoekschop, M., -schoppen.

Hoeksteen, M., -steenen.

Hoekswijze en -wijs.

Hoektand, M., -tanden.

Hoekzak, M., -zakken.

Hoelang (Tot -).

Hoen, O., hoenderen en hoenders. Hoentje, O., hoentjes en hoendertjes.

Hoenderdief, M., -dieven.

Hoenderdrek, M.

Hoenderei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.

Hoenderhof, M.

Hoenderhok, O., -hokken.

Hoendermaag, V.

Hoendermarkt, V., -markten.

Hoendermelker, M., -melkers.

Hoendermest, M.

Hoenderpark, O., -parken.

Hoep, M., hoepen. Hoepje, O., -jes.

Hoepel, M., hoepels. Hoepeltje, O., -jes.

Hoepelen, hoepelde, heeft gehoepeld.

Hoepelrok, M., -rokken.

Hoepelstok, M., -stokken.

Hoer, V., hoeren. Hoertje, O., -jes.

Hoera.

Hoereerder, M., hoereerders.

Hoereeren, hoereerde, heeft gehoereerd.

Hoerekind, O., -kinderen.

Hoerenhuis, O., -huizen.

Hoerenjager, M., -jagers.

Hoerenwaard, M., -waarden.

Hoes, V., hoezen. Hoesje, O., -jes.

Hoest, M.

Hoestbui, V., -buien.

Hoesten, hoestte, heeft gehoest.

Hoetelaar, M., hoetelaars.

Hoetelen, hoetelde, heeft gehoeteld.

Hoeve. Zie Hoef.

Hoeveel.

Hoeveelheid, V., -heden.

Hoeveelste.

Hoeven, hoefde, heeft gehoefd.

Hoevenaar, M., hoevenaars en hoevenaren.

Hoever en Hoeverre.

Hoewel.

Hoezee.

Hoezeer.

Hof (tuin), M., hoven.

Hof (vorstelijk verblijf), O., hoven.

Hofbal, O., -bals.

Hofcabaal, O., -cabalen.

Hofcharge, V., -charges.

Hofdame, V., -dames.

Hoffelijk, -lijker, -lijkst.

Hoffelijkheid, V., -heden.

Hofhoorig.

Hofhoorigheid, V.

Hofhouding, V., -houdingen.

Hofje, O., -jes.

Hofjesjuffrouw, V., -juffrouwen.

Hofkring, M., -kringen.

Hofleverancier, M., -leveranciers.

Hofmeester, M., -meesters.

Hofphotograaf, M., -photografen.

Hofprediker, M., -predikers.

Hofrijtuig, O., -rijtuigen.

Hofstad, V., -steden.

Hofstede en Hofstee, V., -steden.

Hofstoet, M.

Hoggen, hogde, heeft gehogd.

Hok, O., hokken. Hokje, O., -jes.

Hokkeling, M. en V., hokkelingen.

Hokken, hokte, heeft gehokt.

Hokkerig, hokkeriger, hokkerigst.

Hokkerigheid, V.

Hokvast.

Hol (het hollen), M.

Hol (uitgeholde ruimte), O., holen. Holletje, O., -jes.

Hol, holler, holst.

Hola en Holla.

Holderdebolder.

Holheid, V.

Holla. Zie Hola.

Holland, O.

Hollander (volksnaam), M., Hollanders.

Hollander (maal- of roerbak), M., hollanders.

Hollandsch.

Hollandsch, O.

Hollen, holde, heeft en is gehold.

Holligheid, V., -heden.

Holographisch.

Holoogig.

Holrond.

Holsblok, O., -blokken.

Holster, M., holsters.

Holte, V., holten.

Hom, V., hommen. Hommetje, O., -jes.

Hombaars, M., -baarzen.

Homiletiek, V.

Hommel, V., hommels. Hommeltje, O., -jes.

Hommeles.

Hommer, M., hommers.

Hommergat, O., -gaten.

Homoeopaat, M., homoeopaten.

Homoeopathie, V.

Homoeopathisch.

Homogeen, homogene.

Homogeniteit, V.

Homologatie, V., homologatiën en homologaties.

Homologeeren, homologeerde, heeft gehomologeerd.

Homoniem.

Homoniem, O., homoniemen.

Homp, V., hompen. Hompje, O., -jes.

Hompelen, hompelde, heeft en is gehompeld.

Hompelvoet, M. en V., -voeten.

Hond, M., honden. Hondje, O., -jes.

Hondefok, V., -fokken.

Hondejong, O., -jongen.

Hondekar, V., -karren; -karretje, O., -jes.

Hondekot, O., -kotten.

Hondenbaantje, O., -jes.

Hondenbelasting, V.

Hondenbrood, O.

Hondendokter, M., -dokters.

Hondenend, O., -enden.

Hondenhaar, O.

Hondenhok, O., -hokken.

Hondenkost, M.

Hondenleer, O.

Hondenslager, M., -slagers.

Hondententoonstelling, V., -stellingen.

Hondenwacht, V.

Hondenwagen, M., -wagens.

Hondenweer, O.

Hondenwerk, O.

Hondenziekte, V.

Hondenzweep, V., -zweepen.

Honderd.

Honderd, O., honderden.

Honderdjarig.

Honderdmaal.

Honderdste.

Honderdtal, O., -tallen.

Honderdvoud, O.

Honderdvoudig.

Honderdwerf.

Hondestaart, M., -staarten.

Hondetong (plant), V.

Hondevel, O., -vellen.

Hondsch, hondscher, meest hondsch.

Hondschheid, V.

Hondsdagen (mv.), M.

Hondsdolheid, V.

Hondsdraf (plant), V.

Hondsgesternte en -gestarnte, O.

Hondskop, M., -koppen.

Hondsster en -star, V.

Hondsvot, M., -votten.

Hongaar, M., Hongaren.

Hongaarsch.

Hongaarsch, O.

Hongarije, O.

Honger, M.

Hongeren, hongerde, heeft gehongerd.

Hongerig, hongeriger, hongerigst.

Hongerkuur, V., -kuren.

Hongerlijder, M., -lijders.

Hongersnood, M.

Honig en Honing, M.

Honigachtig en Honingachtig, -achtiger, -achtigst.

Honigbij en Honingbij, V., -bijen.

Honigdauw en Honingdauw, M.

Honigraat en Honingraat, V., -raten.

Honigzeem en Honingzeem, O.

Honigzoet en Honingzoet.

Honk, O.

Honken, honkte, heeft gehonkt.

Honnig, honniger, honnigst.

Honorabel, honorabeler, honorabelst.

Honorair.

Honorarium, O., honoraria.

Honoreeren, honoreerde, heeft gehonoreerd.

Hoofd, O., hoofden. Hoofdje, O., -jes.

Hoofdadministratie, V.

Hoofdambtenaar, M., -ambtenaren en -ambtenaars.

Hoofdartikel, O., -artikelen.

Hoofdas, V., -assen.

Hoofdbewerker, M., -bewerkers.

Hoofdbreken, O.

Hoofddeksel, O., -deksels.

Hoofddoek, M., -doeken.

Hoofddoel, O.

Hoofdelijk.

Hoofdeloos, -looze.

Hoofdeneinde, O.

Hoofdenschool, V., -scholen.

Hoofdgebouw, O., -gebouwen.

Hoofdhaar, O.

Hoofdig, hoofdiger, hoofdigst.

Hoofdigheid, V.

Hoofdingeland, M., -ingelanden.

Hoofdingenieur, M., -ingenieurs.

Hoofdinhoud, M.

Hoofdinspecteur, M., -inspecteurs.

Hoofdkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes.

Hoofdkraan, V., -kranen.

Hoofdkussen, O., -kussens.

Hoofdkwartier, O., -kwartieren.

Hoofdmaaltijd, M., -maaltijden.

Hoofdmacht, V.

Hoofdman, M., -mannen en -lieden.

Hoofdofficier, M., -officieren.

Hoofdonderwijzer, M., -onderwijzers.

Hoofdopzichter, M., -opzichters.

Hoofdpersoon, M. en V., -personen.

Hoofdpijn, V., -pijnen.

Hoofdplaats, V., -plaatsen.

Hoofdredacteur, M., -redacteurs.

Hoofdschudden, O.

Hoofdschudding, V.

Hoofdsom, V., -sommen.

Hoofdstad, V., -steden.

Hoofdvak, O., -vakken.

Hoofdwacht, V.

Hoofdwater, O., -wateren.

Hoofdweg, M., -wegen.

Hoofdzaak, V., -zaken.

Hoofsch, hoofscher, meest hoofsch.

Hoofschheid, V.

Hoog, hooger, hoogst.

Hoogaars, V., hoogaarzen.

Hoogachtbaar, -bare.

Hoogachten, achtte hoog, heeft hooggeacht.

Hoogachting, V.

Hoogaltaar, O., -altaren.

Hoogambt, O., -ambten.

Hoogbejaard.

Hoogdag, M., -dagen.

Hoogdienst, M., -diensten.

Hoogdravend, -dravender, -dravendst.

Hoogdravendheid, V.

Hoogduitsch.

Hoogduitsch, O.

Hoogduitscher, M., -duitschers.

Hoogeerwaard.

Hoogelied, O.

Hoogelijk en Hooglijk.

Hoogen, hoogde, heeft gehoogd.

Hoogepriester, M., -priesters.

Hoogerhand, V.

Hoogerhuis, O.

Hoogerop.

Hoogeschool, V., -scholen.

Hooggaand.

Hooggeacht.

Hooggeboren.

Hooggeel, -gele.

Hooggeleerd.

Hooggeplaatst.

Hooggeschat, -geschatte.

Hooghartig, -hartiger, -hartigst.

Hooghartigheid, V.

Hoogheemraad, M., -heemraden.

Hoogheemraadschap, O., -schappen.

Hoogheid, V., -heden.

Hooging, V., hoogingen.

Hooglander, M., -landers.

Hoogleeraar, M., -leeraren en -leeraars.

Hoogloopend.

Hoogmis, V.

Hoogmoed, M.

Hoogmoedig, -moediger, -moedigst.

Hoogmogend.

Hoognoodig.

Hoogoven, M., -ovens.

Hoogrood, -roode.

Hoogschatten, schatte hoog, heeft hooggeschat.

Hoogschatter, M., -schatters.

Hoogschatting, V.

Hoogsel, O., hoogsels.

Hoogst.

Hoogstammig.

Hoogte, V., hoogten. Hoogtetje, O., -jes.

Hoogtelijn, V., -lijnen.

Hoogtepunt, O., -punten.

Hoogtijd, M., -tijden.

Hoogverraad, O.

Hoogvlieger, M., -vliegers.

Hoogwaardige, O.

Hoogwelgeboren.

Hoogzuinig.

Hooi, O.

Hooiberg, M., -bergen.

Hooiboter, V.

Hooibouw, M.

Hooien, hooide, heeft gehooid.

Hooier, M., hooiers.

Hooikist, V., -kisten; -kistje, O., -jes.

Hooiland, O., -landen.

Hooimaand, V.

Hooimijt, V., -mijten.

Hooischelf, V., -schelven.

Hooischuur, V., -schuren.

Hooivork, V., -vorken.

Hooiwagen, M., -wagens.

Hoon, M.

Hoonen, hoonde, heeft gehoond.

Hoonend, hoonender, hoonendst.

Hoop (menigte), M., hoopen. Hoopje, O., -jes.

Hoop en Hope (verwachting), V.

Hoopen (opstapelen), hoopte, heeft gehoopt.

Hoopsgewijze en -gewijs.

Hoopvol, -volle.

Hoorbaar, -bare.

Hoorder, M., hoorders.

Hoorderes, V., hoorderessen.

Hooren, hoorde, heeft gehoord.

Hoorn en Horen (als stofnaam), O.; (als voorwerp), M., hoornen,

hoorns en horens. Hoorntje en horentje. O., -jes.

Hoornachtig en Horenachtig, -achtiger, -achtigst.

Hoornblazer, M., -blazers.

Hoornen (bnw.).

Hoorngeschal, O.

Hoornist, M., hoornisten.

Hoornsignaal, O., -signalen.

Hoornvee, O.

Hoos (waterhoos), V., hoozen.

Hoos (kous), V., hozen.

Hoosgat, O., -gaten.

Hoosvat, O., -vaten.

Hoovaardig, -vaardiger, -vaardigst.

Hoovaardij, V.

Hoozen, hoosde, heeft gehoosd.

Hop (vogel), M., hoppen.

Hop (plant), V.

Hopeloos, -looze.

Hopen (verwachten), hoopte, heeft gehoopt.

Hopje, O., -jes.

Hopman, M., -mans en -lieden.

Hoppebloem, V., -bloemen.

Hoppekorrel, V., -korrels.

Hoppen, hopte, heeft gehopt.

Hopperd, M.

Hoppestaak, M., -staken.

Hoppezak, M., -zakken.

Hopsasa.

Hor, V., horren. Horretje, O., -jes.

Horde, V., horden.

Hordenvlechter, M., -vlechters.

Hordenwand, M., -wanden.

Horen. Zie Hoorn.

Horizon en Horizont, M., horizonten.

Horizontaal, horizontale.

Horlepijp, V., horlepijpen.

Horloge, O., horloges. Horlogetje, O., -jes.

Horlogeglas, O., -glazen.

Horlogeketting, M., -kettingen.

Horlogemaker, M., -makers.

Horlogesleutel, M., -sleutels; -sleuteltje, O., -jes.

Horlogestander, M., -standers.

Horlogeveer, V., -veeren.

Horlogewijzer, M., -wijzers.

Horlogezakje, O., -zakjes.

Horn, M., hornen.

Horoscoop, M., horoscopen.

Horrel, M., horrels.

Horrelvoet (misvormde voet), M., -voeten.

Horrelvoet (persoon), M. en V., -voeten.

Horribel, horribeler, horribelst.

Hort (stoot), M., horten. Hortje, O., -jes.

Hort (Op de -), V.

Horten, hortte, heeft gehort.

Hortensia, V., hortensia's.

Horzel, V., horzels en horzelen.

Hospita, V., hospita's.

Hospitaal, O., hospitalen.

Hospitaaldienst, M., -diensten.

Hospitaallinnen, O.

Hospitaalsoldaat, M., -soldaten.

Hossebossen, hosseboste, heeft gehossebost.

Hossen, hoste, heeft gehost.

Hostie, V., hostiën en hosties.

Hot, V.

Hotel, O., hotels.

Hotelhouder, M., -houders.

Hotsen, hotste, heeft gehotst.

Hotten, hotte, heeft gehot.

Hottentot, M., Hottentotten.

Hottentotsch.

Hou (bnw.). (Hou en getrouw).

Houdbaar, -bare.

Houden, hield, heeft gehouden.

Houder, M., houders.

Houding, V., houdingen.

Houdster, V., houdsters.

Houkind, O., -kinderen.

Houpaard, O., -paarden. Houpaardje, O., -jes.

Hout, O., houten. Houtje, O., -jes.

Houtachtig, -achtiger, -achtigst.

Houtazijn, M.

Houtdeeg, O.

Houtduif, V., -duiven.

Houten (bnw.).

Houterig, houteriger, houterigst.

Houterigheid, V.

Houtgravure, V., -gravures.

Houthak, M.

Houthakker, M., -hakkers.

Houthandel, M.

Houtig, houtiger, houtigst.

Houting, M., houtingen.

Houtkooper, M., -koopers.

Houtluis, V., -luizen.

Houtmarkt, V., -markten.

Houtskool, V., -kolen.

Houtskoolbriket, V., -briketten.

Houtsnede en Houtsnee, V., -sneden, en -sneeën; -sneetje. O., -jes.

Houtsnip, V., -snippen.

Houtvester, M., -vesters.

Houtvesterij, V.

Houtwol, V.

Houtzaagmolen, M., -molens.

Houtzager, M., -zagers.

Houvast, O., houvasten.

Houw, M., houwen.

Houwbijl, V., -bijlen.

Houwblok, O., -blokken.

Houwbosch, O., -bosschen.

Houweel, O., houweelen.

Houwen, hieuw, heeft gehouwen.

Houwer, M., houwers. Houwertje, O., -jes.

Houwhamer, M., -hamers.

Houwitser, M., houwitsers.

Houwitserbatterij, V., -batterijen.

Houwmes, O., -messen.

Hoveling, M., hovelingen.

Hoven, hoofde, heeft gehoofd.

Hovenier, M., hoveniers en hovenieren.

Hovenieren, hovenierde, heeft gehovenierd.

Hovenierskunst, V.

Hoveniersmes, O., -messen.

Hugenoot, M., Hugenoten.

Hui, V.

Hui (tusschenw.).

Huichelaar, M., huichelaars en huichelaren.

Huichelaarster, V., huichelaarsters.

Huichelachtig, -achtiger, -achtigst.

Huichelarij, V., huichelarijen.

Huichelen, huichelde, heeft gehuicheld.

Huid, V., huiden. Huidje, O., -jes.

Huidenkooper, M., -koopers.

Huidenmarkt, V., -markten.

Huidig.

Huidkleur, V.

Huidklier, V., -klieren.

Huiduitslag, M.

Huidvetten, huidvette, heeft gehuidvet.

Huidvetter, M., -vetters.

Huidvetterij, V., -vetterijen.

Huidziekte, V., -ziekten.

Huif, V., huiven. Huifje, O., -jes.

Huig, V., huigen. Huigje, O., -jes.

Huik, V., huiken. Huikje, O., -jes.

Huiken, huikte, heeft gehuikt.

Huiker, M., huikers.

Huilebalk (persoon), M. en V., -balken.

Huilebalk (hoed), V., -balken.

Huilebalken, huilebalkte, heeft gehuilebalkt.

Huilen, huilde, heeft gehuild.

Huilerig, huileriger, huilerigst.

Huis, O., huizen. Huisje, O., -jes.

Huisakte, V., -akten.

Huisbaas, M., -bazen.

Huisbakken.

Huisbel, V., -bellen; -belletje, O., -jes.

Huisdeur, V., -deuren.

Huisdier, O., -dieren.

Huisdokter, M., -dokters.

Huiselijk en Huislijk, -lijker, -lijkst.

Huiselijkheid en Huislijkheid, V.

Huisgenoot, M., -genooten.

Huisgenoote, V., -genooten.

Huishoudboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.

Huishoudelijk, -lijker, -lijkst.

Huishoudelijkheid, V.

Huishouden, O., -houdens. Huishoudentje, O., -jes.

Huishouden, hield huis, heeft huisgehouden.

Huishouder, M., -houders.

Huishoudgeld, O.

Huishoudgroente, V., -groenten.

Huishouding, V., -houdingen. Huishoudinkje, O., -jes.

Huishoudkunde, V.

Huishoudschool, V., -scholen.

Huishoudster, V., -houdsters.

Huishoudzeep, V.

Huishuur, V., -huren.

Huisjesmelker, M., -melkers.

Huisjesslak, V., -slakken.

Huiskamer, V., -kamers.

Huisknecht, M., -knechts.

Huismanskiesrecht, O.

Huismiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.

Huismoeder, V., -moeders; -moedertje, O., -jes.

Huisonderwijzer, M., -onderwijzers.

Huisprelaat, M., -prelaten.

Huisraad, O.

Huisschilder, M., -schilders.

Huissleutel, M., -sleutels.

Huistiran, M., -tirannen.

Huisvader, M., -vaders.

Huisvesten, huisvestte, heeft gehuisvest.

Huisvesting, V.

Huisvrouw, V., -vrouwen.

Huiswaarts.

Huiszittend.

Huiszittenhuis, O., -huizen.

Huiszoeking, V., -zoekingen.

Huiven, huifde, heeft gehuifd.

Huiveren, huiverde, heeft gehuiverd.

Huiverig, huiveriger, huiverigst.

Huiverigheid, V.

Huivering, V., huiveringen.

Huiveringwekkend, -wekkender, -wekkendst.

Huizen, huisde, heeft gehuisd.

Huizing, V., huizingen.

Hul, V., hullen. Hulletje, O., -jes.

Hulde, V.

Huldebetoon, O.

Huldeblijk, O., -blijken.

Hulden, huldde, heeft gehuld.

Huldigen, huldigde, heeft gehuldigd.

Huldiging, V., huldigingen.

Huldigingseed, M.

Hulk, V., hulken. Hulkje, O., -jes.

Hullen, hulde, heeft gehuld.

Hulp, V.

Hulpbank, V., -banken.

Hulpeloos, -loozer.

Hulpeloosheid, V.

Hulpkantoor, O., -kantoren.

Hulplijn, V., -lijnen.

Hulpmiddel, O., -middelen.

Hulppersoneel, O.

Hulpvaardig, -vaardiger, -vaardigst.

Hulpvaardigheid, V.

Huls en Hulze, V., hulzen.

Hulsel, O., hulsels. Hulseltje, O., -jes.

Hulst, M., hulsten.

Hulze. Zie Huls.

Hulzenbosch, O., -bosschen.

Hum (tusschenw.).

Humaan, humaner, humaanst.

Humanisme, O.

Humanist, M., humanisten.

Humaniteit, V.

Humeur, O., humeuren. Humeurtje, O., -jes.

Hummen, humde, heeft gehumd.

Humor, M.

Humorist, M., humoristen.

Humoristisch.

Hun.

Hunebed en Hunnebed, O., -bedden.

Hunkeren, hunkerde, heeft gehunkerd.

Hunkering, V., hunkeringen.

Hunnebed. Zie Hunebed.

Hunnent (Te -).

Hunnenthalve.

Hunnentwege.

Hunnentwil (Om -).

Huppelen, huppelde, heeft en is gehuppeld.

Hupsch, hupscher, meest hupsch.

Hupschheid, V.

Huren, huurde, heeft gehuurd.

Hurk, V., hurken.

Hurken, hurkte, heeft gehurkt.

Hut, V., hutten. Hutje, O., -jes.

Hutjongen, M., -jongens.

Hutkoffer, M., -koffers.

Hutselen, hutselde, heeft gehutseld.

Hutspot, V.

Huur, V., huren.

Huurceêl, V., -ceêlen.

Huurcontract, O., -contracten.

Huurder, M., huurders.

Huurhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.

Huurkoetsier, M., -koetsiers.

Huurling, M. en V., huurlingen.

Huurpenningen (mv.), M.

Huurprijs, M.

Huurrijtuig, O., -rijtuigen.

Huurwaarde, V., -waarden.

Huwbaar, -bare.

Huwelijk, O., huwelijken.

Huwelijksaanzoek, O., -aanzoeken.

Huwelijksbed, O.

Huwelijksbericht, O., -berichten.

Huwelijksbootje, O.

Huwelijksch.

Huwelijkscontract, O., -contracten.

Huwelijksgeluk, O.

Huwelijksgift, V., -giften.

Huwelijksgoed, O.

Huwelijksleven, O.

Huwelijksliefde, V.

Huwelijksplicht, M., -plichten.

Huwelijksreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes.

Huwelijkstrouw, V.

Huwelijksvoltrekking, V., -voltrekkingen.

Huwelijksvoorwaarde, V., -voorwaarden.

Huwelijkszegen, M.

Huwen, huwde, heeft en is gehuwd.

Huzaar, M., huzaren.

Huzarenmantel, M., -mantels.

Huzarensla, V.

Hyacint (edelgesteente), M., hyacinten; (als stofnaam), O.

Hyacint (bloem), V., hyacinten.

Hybridisch.

Hydra, V.

Hydraulica, V.

Hydraulisch.

Hydrographisch.

Hyena, V., hyena's.

Hygiëne, V.

Hymne, V., hymnen.

Hyperbolisch.

Hyperbool, V., hyperbolen.

Hypochonder.

Hypochondrie, V.

Hypotenusa, V., hypotenusa's.

Hypotheek, V., hypotheken.

Hypotheekbank, V., -banken.

Hypotheekbewaarder, M., -bewaarders.

Hypothese, V., hypothesen.

Hypothetisch.

Hysop, V.

Hysterie, V.

Hysterisch.

I

I, V., i's.

Ibis, M., ibissen.

Ideaal, O., idealen.

Ideaal (bnw.).

Idealiseeren, idealiseerde, heeft geïdealiseerd.

Idee, V. en O., ideeën. Ideetje, O., -jes.

Identiek.

Identiteit, V.

Idioma, O.

Idiomatisch.

Idioom, O., idiomen.

Idioot, M., idioten.

Idiotisme, O., idiotismen.

Idolaat.

Idylle, V., idyllen.

Idyllisch.

Ieder.

Iedereen.

Iegelijk.

Iemand.

Iep, enz. Zie IJp, enz.

Ier, M., Ieren.

Iersch.

Iersch, O.

Iets.

Ietwat.

Iezegrim, M.

Ignoreeren, ignoreerde, heeft geïgnoreerd.

IJdel, ijdeler, ijdelst.

IJdelheid, V., -heden.

IJdeltuit, V., -tuiten. IJdeltuitje, O., -jes.

IJdeltuiterij, V.

IJf, M., ijven.

IJk, M.

IJken, ijkte, heeft geijkt.

IJker, M., ijkers.

IJkerspost, M., -posten; -postje, O., -jes.

IJkhamer, M., -hamers.

IJkhuisje, O., -jes.

IJkijzer, O.; -ijzers.

IJking, V., ijkingen.

IJkkantoor, O., -kantoren.

IJkmaat, V., -maten.

IJkmeester, M., -meesters.

IJkplaats, V., -plaatsen.

IJkwezen, O.

IJl, V. (In aller -).

IJl, ijler, ijlst.

IJlen (spoeden), ijlde, heeft en is geijld.

IJlen (in de koorts), ijlde, heeft geijld.

IJlgoed, O., -goederen.

IJlheid, V.

IJlhoofdig, -hoofdiger -hoofdigst.

IJlhoofdigheid, V.

IJlings.

IJp (en Iep), M., ijpen (iepen).

IJpeboom (en Iepeboom), M., -boomen.

IJpelaar (en Iepelaar), M., ijpelaars (iepelaars).

IJpeloof en IJpenloof (en Iepeloof, Iepenloof), O.

IJpen (en Iepen) (bnw.).

IJpenbosch (en Iepenbosch), O., -bosschen.

IJpenlaan (en Iepenlaan), V., -lanen.

IJs, O.

IJsbaan, V., -banen.

IJsbeer, M., -beren.

IJsbreker, M., -brekers.

IJsclub, V., -clubs.

IJselijk, -lijker, -lijkst.

IJselijkheid, V., -heden.

IJsgang, M.

IJskast, V., -kasten.

IJskegel, M., -kegels.

IJskelder, M., -kelders.

IJskist, V., -kisten.

IJskoud.

IJsploeg, M., -ploegen.

IJsschol, V., -schollen.

IJsschots, V., -schotsen.

IJsvermaak, O., -vermaken.

IJswater, O.

IJszak, M., -zakken.

IJver, M.

IJveraar, M., ijveraren en ijveraars.

IJveren, ijverde, heeft geijverd.

IJverig, ijveriger, ijverigst.

IJverzucht, V.

IJverzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.

IJzel, M.

IJzelen, ijzelde, heeft geijzeld.

IJzen, ijsde, heeft geijsd.

IJzer, O., ijzers. IJzertje, O., -jes.

IJzerachtig, -achtiger, -achtigst.

IJzerdraad, O.

IJzeren (bnw.).

IJzererts, O.

IJzergieterij, V., -gieterijen.

IJzerglans, O.

IJzerhard.

IJzerhout, O.

IJzerhouten (bnw.).

IJzeroxyde, O.

IJzerroest, O.

IJzersmelterij, V., -smelterijen.

IJzersterk.

IJzervitriool, O.

IJzervreter, M., -vreters.

IJzerwaren (mv.), V.

IJzerwinkel, M., -winkels.

IJzig, ijziger, ijzigst.

IJzigheid, V.

IJzingwekkend, -wekkender, -wekkendst.

Ik.

Ikheid, V.

Ikker, M., ikkers.

Ilias, V., Iliaden.

Illiberaal, illiberaler, illiberaalst.

Illiberaliteit, V.

Illuminatie, V., illuminatiën en illuminaties.

Illumineeren, illumineerde, heeft geïllumineerd.

Illusie, V., illusiën en illusies.

Illustratie, V., illustratiën en illustraties.

Illustreeren, illustreerde, heeft geïllustreerd.

Imker, M., imkers.

Immer.

Immermeer.

Immers.

Immigrant, M., immigranten.

Immigratie, V.

Immoraliteit, V.

Immoreel, immoreeler, immoreelst.

Imperatief en Imperativus, M., imperatieven.

Imperiaal, V., imperialen.

Imperialisme, O.

Impertinent, impertinenter, impertinentst.

Impertinentie, V., impertinentiën en impertinenties.

Imponeeren, imponeerde, heeft geïmponeerd.

Important, importanter, importantst.

Importantie, V.

Imposant, imposanter, imposantst.

Impost, M., imposten.

Impressie, V., impressies.

Impressionnisme, O.

Improductief, improductiever, improductiefst.

Impromptu, O., impromptu's.

Improvisatie, V., improvisatiën en improvisaties.

Improvisator, M., improvisators en improvisatoren.

Improviseeren, improviseerde, heeft geïmproviseerd.

In.

Inachtneming, V.

Inademen, ademde in, heeft ingeademd.

Inademing, V., -ademingen.

Inauguratie, V., inauguratiën en inauguraties.

Inaugureel, inaugureele.

Inaugureeren, inaugureerde, heeft geïnaugureerd.

Inbakeren, bakerde in, heeft ingebakerd.

Inbeelden (zich -), beeldde (zich) in, heeft (zich) ingebeeld.

Inbeelding, V., -beeldingen.

Inbegrip, O.

Inbeslagneming. V., -nemingen.

Inbewaringhouding, V.

Inbewaringneming, V.

Inbezitneming, V., -nemingen.

Inbezitstelling, V.

Inbijten, beet in, beten in, heeft ingebeten.

Inbijten (bijt hakken), bijtte in, heeft ingebijt.

Inbinden, bond in, heeft ingebonden.

Inblazen, blies in, bliezen in, heeft ingeblazen.

Inblazer, M., -blazers.

Inblazing, V., -blazingen.

Inblijven, bleef in, bleven in, is ingebleven.

Inboedel en Inboel, M., -boedels en -boelen. Inboedeltje (inboeltje),

O., -jes.

Inboeken, boekte in, heeft ingeboekt.

Inboezemen, boezemde in, heeft ingeboezemd.

Inboezeming, V., -boezemingen.

Inboorling, M. en V., -boorlingen. V. ook inboorlinge.

Inborst, V.

Inbraak, V.

Inbranden, brandde in, heeft en is ingebrand.

Inbreien, breide in, heeft ingebreid.

Inbreken, brak in, braken in, heeft ingebroken.

Inbreker, M., -brekers.

Inbreng, M.

Inbrengen, bracht in, heeft ingebracht.

Inbrenger, M., -brengers.

Inbrengst, V., -brengsten.

Inbreuk, V.

Inbrokkelen, brokkelde in, heeft ingebrokkeld.

Inbuigen, boog in, bogen in, heeft en is ingebogen.

Inbuiging, V.

Incarnatie, V.

Incasseeren, incasseerde, heeft geïncasseerd.

Incasseering, V., incasseeringen.

Incident, O., incidenten.

Incidenteel.

Inclinatie, V., inclinatiën en inclinaties.

Inclineeren, inclineerde, heeft geïnclineerd.

Incluis.

Incognito, O.

Incommodeeren, incommodeerde, heeft geïncommodeerd.

Incompatibel.

Incompatibiliteit, V., incompatibiliteiten.

Incompetent.

Incompetentie, V., incompetentiën en incompetenties.

Incompleet, incompleter, incompleetst.

Inconsequent, inconsequenter, inconsequentst.

Inconsequentie, V., inconsequentiën en inconsequenties.

Inconstitutioneel, inconstitutioneele.

Inconveniënt, O., inconveniënten.

Incunabel, M., incunabelen.

Indachtig.

Indagen, daagde in, heeft ingedaagd.

Indaging, V., -dagingen.

Indammen, damde in, heeft ingedamd.

Indamming, V., -dammingen.

Indecent, indecenter, indecentst.

Indecentie, V., indecentiën en indecenties.

Indeelen, deelde in, heeft ingedeeld.

Indelven, dolf in, dolven in, heeft ingedolven.

Indemniteit, V., indemniteiten.

Indenken, dacht in, heeft ingedacht.

Inderdaad.

Inderhaast.

Indertijd.

Indeuken, deukte in, is ingedeukt.

Index, M., indices.

Indiaan, M., Indianen.

Indiaansch.

Indicatief en Indicativus, M., indicatieven.

Indictie, V., indictiën.

Indië, O., Indiën.

Indien.

Indienen, diende in, heeft ingediend.

Indiening, V.

Indiër, M., Indiërs.

Indigestie, V.

Indigo, V.

Indijken, dijkte in, heeft ingedijkt.

Indijking, V., -dijkingen.

Indirect.

Indisch.

Indiscreet, indiscreter, indiscreetst.

Indiscretie, V., indiscreties.

Individu, O., individuen en individu's.

Individualisme, O.

Individualiteit, V.

Individueel, individueele.

Indo, M., Indo's.

Indo-germaansch.

Indolent, indolenter, indolentst.

Indolentie, V.

Indoloog, M., Indologen.

Indommelen, dommelde in, is ingedommeld.

Indompeling, V., -dompelingen.

Indoopen, doopte in, heeft ingedoopt.

Indooping, V., -doopingen.

Indraaien, draaide in, heeft en is ingedraaid.

Indragen, droeg in, heeft ingedragen.

Indraven, draafde in, is ingedraafd.

Indrijven, dreef in, dreven in, heeft en is ingedreven.

Indringen, drong in, heeft en is ingedrongen.

Indringend, -dringender, -dringendst.

Indringendheid, V.

Indringer, M., -dringers.

Indrinken, dronk in, heeft ingedronken.

Indrogen, droogde in, is ingedroogd.

Indroging, V.

Indroog, -droge.

Indruischen, druischte in, heeft en is ingedruischt.

Indruk, M., -drukken.

Indrukken, drukte in, heeft ingedrukt.

Indruksel, O., -druksels en -drukselen. Indrukseltje, O., -jes.

Indruppelen, druppelde in, is ingedruppeld.

Inductie, V., inducties en inductiën.

Inductiestroom, M., -stroomen.

Induiken, dook in, doken in, heeft en is ingedoken.

Indulgentie, V., indulgentiën.

Industrie, V., industrieën.

Industrieel, industrieele.

Industrieel, M., industrieelen.

Industrieschool, V., -scholen.

Indutten, dutte in, is ingedut.

Induwen, duwde in, heeft ingeduwd.

Ineen.

Ineendraaien, draaide ineen, heeft ineengedraaid.

Ineenfrommelen, frommelde ineen, heeft ineengefrommeld.

Ineenkrimpen, kromp ineen, is ineengekrompen.

Ineenkrimping, V.

Ineenloopen, liep ineen, is ineengeloopen.

Ineenrollen, rolde ineen, heeft ineengerold.

Ineenschakelen, schakelde ineen, heeft ineengeschakeld.

Ineenschakeling, V.

Ineenschakelingscommissie, V.

Ineenschuiven, schoof ineen, schoven ineen, heeft ineengeschoven.

Ineenslaan, sloeg ineen, heeft ineengeslagen.

Ineensluiten, sloot ineen, sloten ineen, heeft ineengesloten.

Ineensmelten, smolt ineen, heeft ineengesmolten.

Ineenstorten, stortte ineen, is ineengestort.

Ineenstorting, V.

Ineenvloeien, vloeide ineen, is ineengevloeid.

Ineenvoegen, voegde ineen, heeft ineengevoegd.

Ineenvoeging, V., -voegingen.

Ineenzetten, zette ineen, heeft ineengezet.

Ineenzetting, V.

Ineenzinken, zonk ineen, is ineengezonken.

Inenten, entte in, heeft ingeënt.

Inenting, V., -entingen.

Infaam, infamer, infaamst.

Infamie, V.

Infanterie, V.

Infanteriekazerne, V., -kazernen.

Infanterist, M., infanteristen.

Inferieur.

Inferieur, M., inferieuren.

Infirmerie, V., infirmerieën.

Influenza, V.

Influenzalijder, M., -lijders.

Influisteren, fluisterde in, heeft ingefluisterd.

Informatie, V., informatiën en informaties.

Informatiebureau, O., -bureau's.

Informeeren, informeerde, heeft geïnformeerd.

Infusiediertje, O., -jes.

Ingaan, gaat in, ging in, is en heeft ingegaan.

Ingang, M., -gangen.

Ingebeeld, -gebeelder, -gebeeldst.

Ingeboren.

Ingeërfde, M. en V., -geërfden.

Ingeland en Ingelande, M., -gelanden.

Ingelande, V., -gelanden.

Ingenieur, M., ingenieurs.

Ingenieursplaats, V., -plaatsen.

Ingenieus, ingenieuzer.

Ingenomen, -genomener, -genomenst.

Ingenomenheid, V.

Ingeschapen.

Ingesloten.

Ingetogen, -getogener, -getogenst.

Ingetogenheid, V.

Ingeval (voegw.).

Ingeven, gaf in, gaven in, heeft ingegeven.

Ingeving, V., -gevingen.

Ingevolge.

Ingewand, O., -gewanden.

Ingewandskwaal, V., -kwalen.

Ingewandsworm, M., -wormen.

Ingewandsziekte, V., -ziekten.

Ingewikkeld, -gewikkelder, -gewikkeldst.

Ingewikkeldheid, V.

Ingeworteld.

Ingezetene, M. en V., -gezetenen.

Ingieten, goot in, goten in, heeft ingegoten.

Inglijden, gleed in, gleden in, is ingegleden.

Inglippen, glipte in, is ingeglipt.

Ingoed.

Ingooien, gooide in, heeft ingegooid.

Ingraven, groef in, groeven in, heeft ingegraven.

Ingrediënt, O., ingrediënten.

Ingrijpen, greep in, grepen in, heeft ingegrepen.

Ingrijping, V., -grijpingen.

Ingroeien, groeide in, is ingegroeid.

Ingroeven, groefde in, heeft ingegroefd.

Inhaerent.

Inhakken, hakte in, heeft ingehakt.

Inhalatie, V., inhalatiën en inhalaties.

Inhalatietoestel, O., -toestellen; -toestelletje, O., -jes.

Inhaleeren, inhaleerde, heeft geïnhaleerd.

Inhalen, haalde in, heeft ingehaald.

Inhalig, -haliger, -haligst.

Inhaligheid, V.

Inhaling, V., -halingen.

Inham, M., -hammen.

Inhebben, heeft in, had in, hadden in, heeft ingehad.

Inhechtenisneming, V., -nemingen.

Inheemsch.

Inheien, heide in, heeft ingeheid.

Inhijschen, heesch in, heschen in, heeft ingeheschen.

Inhoud, M., -houden.

Inhouden, hield in, heeft ingehouden.

Inhoudsmaat, V., -maten.

Inhoudsopgave, V., -opgaven.

Inhout, O., -houten.

Inhouwen, hieuw in, heeft ingehouwen.

Inhuldigen, huldigde in, heeft ingehuldigd.

Inhuldiging, V., -huldigingen.

Inhuldigingsfeest, O., -feesten.

Inhumaan, inhumaner, inhumaanst.

Inhuren, huurde in, heeft ingehuurd.

Inhuring, V., -huringen.

Initiale, V., initialen.

Initiatief, O., initiatieven.

Injagen, jaagde in, heeft ingejaagd; ook joeg in.

Injectie, V., injecties.

Ink, M., inken.

Inkalven, kalfde in, is ingekalfd.

Inkankeren, kankerde in, is ingekankerd.

Inkankering, V.

Inkarnaat, O.

Inkarnaten (bnw.).

Inkeep, V., -kepen.

Inkeer, M.

Inkeeren, keerde in, is ingekeerd.

Inkelderen, kelderde in, heeft ingekelderd.

Inkepen, keepte in, heeft ingekeept.

Inkeping, V., -kepingen.

Inkerven, korf in, korven in, heeft en is ingekorven.

Inkerving, V., -kervingen.

Inkiezen, koos in, kozen in, heeft ingekozen.

Inkijk, M. Inkijkje, O., -jes.

Inkijken, keek in, keken in, heeft ingekeken.

Inklaren, klaarde in, heeft ingeklaard.

Inklaring, V., -klaringen.

Inklauteren, klauterde in, is ingeklauterd.

Inkleeden, kleedde in, heeft ingekleed.

Inkleeding, V., -kleedingen.

Inklemmen, klemde in, heeft ingeklemd.

Inklimmen, klom in, klommen in, is ingeklommen.

Inklinken (inslaan), klonk in, heeft ingeklonken.

Inklinken (inkrimpen), klonk in, is ingeklonken.

Inkloppen, klopte in, heeft en is ingeklopt.

Inkoken, kookte in, heeft en is ingekookt.

Inkomeling, M. en V., -komelingen. V. ook inkomelinge.

Inkomen, komt in, kwam in, kwamen in, is ingekomen.

Inkomen, O.

Inkomst, V., -komsten. Inkomstje, O., -jes.

Inkomstenbelasting, V., -belastingen.

Inkoop, M., -koopen.

Inkoopboek, O., -boeken.

Inkoopen, kocht in, heeft ingekocht.

Inkooprekening, V., -rekeningen.

Inkoopsprijs, M., -prijzen.

Inkorten, kortte in, heeft ingekort.

Inkorting, V., -kortingen.

Inkoud.

Inkrijgen, kreeg in, kregen in, heeft ingekregen.

Inkrimpen, kromp in, heeft en is ingekrompen.

Inkrimping, V., inkrimpingen.

Inkruipen, kroop in, kropen in, is ingekropen.

Inkruipsel, O., inkruipsels.

Inkt, M., inkten.

Inkten, inkte, heeft geïnkt.

Inktflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes.

Inktkoker, M., -kokers; -kokertje, O., -jes.

Inktlap, M., -lappen; -lapje, O., -jes.

Inktpotlood, O., -potlooden.

Inktrol, V., -rollen.

Inktstel, O., -stellen.

Inkttafel, V., -tafels.

Inktvat, O., -vaten.

Inktvisch, M., -visschen.

Inktvlek, V., -vlekken.

Inktwrijver, M., -wrijvers.

Inkuipen, kuipte in, heeft ingekuipt.

Inkwartieren, kwartierde in, heeft ingekwartierd.

Inkwartiering, V., inkwartieringen.

Inkwartieringsbiljet, O., -biljetten.

Inlaag, V., -lagen.

Inladen, laadde in, heeft ingeladen.

Inlander, M., -landers.

Inlandsch.

Inlasch, M., -lasschen.

Inlasschen, laschte in, heeft ingelascht.

Inlassching, V., -lasschingen.

Inlaten, liet in, heeft ingelaten.

Inlating, V.

Inlaveeren, laveerde in, is ingelaveerd.

Inleg, M.

Inlegblad, O., -bladen.

Inlegeren, legerde in, heeft ingelegerd.

Inlegering, V., -legeringen.

Inleggeld, O., -gelden.

Inleggen, legde en leide in, heeft ingelegd en ingeleid.

Inlegger, M., -leggers.

Inlegkas, V., -kassen.

Inleiden, leidde in, heeft ingeleid.

Inleider, M., -leiders.

Inleiding, V., -leidingen.

Inlekken, lekte in, is ingelekt.

Inleveren, leverde in, heeft ingeleverd.

Inlevering, V.

Inlichten, lichtte in, heeft ingelicht.

Inlichting, V., -lichtingen.

Inliggen, lag in, lagen in, heeft ingelegen.

Inliggend.

Inlijmen, lijmde in, heeft ingelijmd.

Inlijsten, lijstte in, heeft ingelijst.

Inlijven, lijfde in, heeft ingelijfd.

Inlijving, V., inlijvingen.

Inlijvingsdecreet, O., -decreten.

Inloodsen, loodste in, heeft ingeloodst.

Inloop, M.

Inloopen, liep in, heeft en is ingeloopen.

Inlossen, loste in, heeft ingelost.

Inlossing, V., inlossingen.

Inluiden en Inluien, luidde en luide in, heeft ingeluid.

Inluiding, V.

Inmaak, V. en M.

Inmaakbus, V., -bussen.

Inmaakgroente, V., -groenten.

Inmaakkruiden (mv.), O.

Inmaaktijd, M.

Inmaken, maakte in, heeft ingemaakt.

Inmaker, M., -makers.

Inmaking, V.

Inmengen, mengde in, heeft ingemengd.

Inmenging, V., inmengingen.

Inmeten, mat in, maten in, heeft ingemeten.

Inmetselen, metselde in, heeft ingemetseld.

Inmiddels.

Innaaien, naaide in, heeft ingenaaid.

Innagelen, nagelde in, heeft ingenageld.

Innemen, nam in, namen in, heeft ingenomen.

Innemend, -nemender, -nemendst.

Innemendheid, V.

Innemer, M., -nemers.

Inneming, V.

Innen, inde, heeft geïnd.

Innerlijk.

Innig, inniger, innigst.

Innigheid, V.

Inning, V., inningen.

Innovatie, V., innovaties.

Inoogsten, oogstte in, heeft ingeoogst.

Inoogsting, V., inoogstingen.

Inpakken, pakte in, heeft ingepakt.

Inpalmen, palmde in, heeft ingepalmd.

Inpandgeving, V., inpandgevingen.

Inpennen, pende in, heeft ingepend.

Inpeperen, peperde in, heeft ingepeperd.

Inpersen, perste in, heeft ingeperst.

Inpikken, pikte in, heeft ingepikt.

Inplanten, plantte in, heeft ingeplant.

Inplanting, V., -plantingen.

Inploegen, ploegde in, heeft ingeploegd.

Inploffen, plofte in, is ingeploft.

Inplukken, plukte in, heeft ingeplukt.

Inpolderen, polderde in, heeft ingepolderd.

Inpoldering, V., inpolderingen.

Inpompen, pompte in, heeft ingepompt.

Inpreeken, preekte in, heeft ingepreekt.

Inprenten, prentte in, heeft ingeprent.

Inprenting, V., -prentingen.

Inprikken, prikte in, heeft ingeprikt.

Inproppen, propte in, heeft ingepropt.

Inquisiteur, M., inquisiteurs.

Inquisitie, V.

Inregenen, regende in, heeft ingeregend.

Inrekenen, rekende in, heeft ingerekend.

Inrekening, V.

Inrennen, rende in, heeft en is ingerend.

Inrichten, richtte in, heeft ingericht.

Inrichter, M., -richters.

Inrichting, V., -richtingen.

Inrijden, reed in, reden in, heeft en is ingereden.

Inrijgen, reeg in, regen in, heeft ingeregen.

Inrijging, V., -rijgingen.

Inrit, M.

Inroeien, roeide in, heeft en is ingeroeid.

Inroepen, riep in, heeft ingeroepen.

Inroeping, V.

Inroesten, roestte in, is ingeroest.

Inrollen, rolde in, heeft en is ingerold.

Inruilen, ruilde in, heeft ingeruild.

Inruiling, V., -ruilingen.

Inruimen, ruimde in, heeft ingeruimd.

Inruiming, V., -ruimingen.

Inrukken, rukte in, heeft en is ingerukt.

Inschakelen, schakelde in, heeft ingeschakeld.

Inschenken, schonk in, heeft ingeschonken.

Inschepen, scheepte in, heeft ingescheept.

Inscheping, V.

Inscheppen (van de Godheid), schiep in, heeft ingeschapen.

Inscherpen, scherpte in, heeft ingescherpt.

Inscherping, V.

Inscheuren, scheurde in, heeft en is ingescheurd.

Inscheuring, V., inscheuringen. Inscheurinkje, O., -jes.

Inschieten, schoot in, schoten in, heeft en is ingeschoten.

Inschikkelijk, -lijker, -lijkst.

Inschikkelijkheid, V., -heden.

Inschikken, schikte in, is en heeft ingeschikt.

Inschoppen, schopte in, heeft ingeschopt.

Inschrift, O., inschriften. Inschriftje, O., -jes.

Inschrijven, schreef in, schreven in, heeft ingeschreven.

Inschrijver, M., inschrijvers.

Inschrijving, V., inschrijvingen.

Inschrijvingsbiljet, O., -biljetten.

Inschroeven, schroefde in, heeft ingeschroefd.

Inschrokken, schrokte in, heeft ingeschrokt.

Inschuifsel, O., inschuifsels.

Inschuiftafel, V., -tafels.

Inschuiven, schoof in, schoven in, heeft ingeschoven.

Inschuiving, V., inschuivingen.

Inschuld, V., inschulden.

Inschuldenaar, M., inschuldenaars.

Inscriptie, V., inscripties en inscriptiën.

Insect, O., insecten. Insectje, O., -jes.

Insectendoos, V., -doozen.

Insecteneter, M., -eters.

Insectenpoeder, O.

Insgelijks.

Insigne, O., insignes.

Insinuatie, V., insinuatiën en insinuaties.

Insinueeren, insinueerde, heeft geïnsinueerd.

Insisteeren, insisteerde, heeft geïnsisteerd.

Inslaan, slaat in, sloeg in, heeft en is ingeslagen.

Inslag, M., inslagen.

Inslager, M., inslagers.

Inslapen, sliep in, heeft ingeslapen.

Inslikken, slikte in, heeft ingeslikt.

Inslobberen, slobberde in, heeft ingeslobberd.

Inslokken, slokte in, heeft ingeslokt.

Inslorpen en Inslurpen, slorpte (slurpte) in, heeft ingeslorpt

(ingeslurpt).

Insluimeren, sluimerde in, is ingesluimerd.

Insluipen, sloop in, slopen in, is ingeslopen.

Insluiten, sloot in, sloten in, heeft ingesloten.

Insluiting, V., -sluitingen.

Insluitingsteeken, O., -teekens.

Inslurpen. Zie Inslorpen.

Insmelten, smolt in, heeft en is ingesmolten.

Insmeren, smeerde in, heeft ingesmeerd.

Insmijten, smeet in, smeten in, heeft ingesmeten.

Insnijden, sneed in, sneden in, heeft ingesneden.

Insnijding, V., -snijdingen.

Insnuiven, snoof in, snoven in, heeft ingesnoven.

Insolent, insolenter, insolentst.

Insolentie, V., insolentiën en insolenties.

Insolvent.

Insolventverklaring, V.

Inspannen, spande in, heeft ingespannen.

Inspanning, V., -spanningen.

Inspecteeren, inspecteerde, heeft geïnspecteerd.

Inspecteur, M., inspecteuren en inspecteurs.

Inspectie, V., inspectiën en inspecties.

Inspectiereis, V., -reizen.

Inspijkeren, spijkerde in, heeft ingespijkerd.

Inspiratie, V., inspiraties.

Inspireeren, inspireerde, heeft geïnspireerd.

Inspit, O.

Inspitten, spitte in, heeft ingespit.

Inspraak, V.

Inspreken, sprak in, spraken in, heeft ingesproken.

Inspringen, sprong in, is ingesprongen.

Inspuiten, spoot in, spoten in, heeft ingespoten.

Inspuiting, V., -spuitingen.

Instaan, staat in, stond in, heeft ingestaan.

Instal, M., -stallen.

Installatie, V., installatiën en installaties.

Installeeren, installeerde, heeft geïnstalleerd.

Installig.

Instampen, stampte in, heeft ingestampt.

Instamping, V., -stampingen.

Instandhouding, V.

Instantané, O., instantané's.

Instantelijk.

Instantie, V., instantiën en instanties.

Instappen, stapte in, is ingestapt.

Insteekhaard, M., -haarden.

Insteekkamer, V., -kamers.

Insteken, stak in, staken in, heeft ingestoken.

Insteking, V., -stekingen.

Instellen, stelde in, heeft ingesteld.

Insteller, M., -stellers.

Instelling, V., -stellingen.

Instemmen, stemde in, heeft ingestemd.

Instemming, V.

Instevenen, stevende in, is ingestevend.

Instigatie, V.

Instijgen, steeg in, stegen in, is ingestegen.

Instinct, O.

Instinctmatig.

Instippen, stipte in, heeft ingestipt.

Instituteur, M., instituteuren en instituteurs.

Institutrice, V., institutrices.

Instituut, O., instituten.

Instoomen, stoomde in, is ingestoomd.

Instooten, stiet in, heeft ingestooten; ook stootte in.

Instoppen, stopte in, heeft ingestopt.

Instopping, V., -stoppingen.

Instormen, stormde in, is ingestormd.

Instorten, stortte in, is en heeft ingestort.

Instorting, V.

Instrijken, streek in, streken in, heeft en is ingestreken.

Instrooien, strooide in, heeft ingestrooid.

Instrooiing, V., -strooiingen. Instrooiinkje, O., -jes.

Instroomen, stroomde in, is ingestroomd.

Instrooming, V.

Instructeur, M., instructeurs.

Instructie, V., instructiën en instructies.

Instructie-bataljon, O., -bataljons.

Instructief, instructieve.

Instrueeren, instrueerde, heeft geïnstrueerd.

Instrument, O., instrumenten. Instrumentje, O., -jes.

Instrumentaal, instrumentale.

Instrumentatie, V.

Instrumentmaker, M., -makers.

Instudeeren, studeerde in, heeft ingestudeerd.

Instuif, M.

Instuiven, stoof in, stoven in, is ingestoven.

Insturen, stuurde in, heeft ingestuurd.

Insubordinatie, V.

Insuikeren, suikerde in, heeft ingesuikerd.

Insulair.

Insult, O., insulten.

Insulteeren, insulteerde, heeft geïnsulteerd.

Insurgent, M., insurgenten.

Insurrectie, V., insurrecties.

Intact.

Intanden, tandde in, heeft ingetand.

Intappen, tapte in, heeft ingetapt.

Inteekenaar, M., -teekenaren en -teekenaars.

Inteekenbiljet, O., -biljetten.

Inteekenen, teekende in, heeft ingeteekend.

Inteekening, V., -teekeningen.

Inteekenlijst, V., -lijsten.

Integendeel.

Integraal, V., integralen.

Integraalrekening, V.

Integreerend.

Integriteit, V.

Intellectueel, intellectueele.

Intelligent, intelligenter, intelligentst.

Intelligentie, V.

Intendance, V.

Intendant, M., intendanten.

Intens, intense.

Intensiteit, V.

Intentie, V., intenties en intentiën.

Intercellulair.

Intercommunaal.

Interdict, O.

Interen, teerde in, heeft en is ingeteerd.

Interessant, interessanter, interessantst.

Interesseeren, interesseerde, heeft geïnteresseerd.

Interest, ook Intrest, M., interesten en intresten.

Interestrekening, V.

Interieur, O., interieurs.

Interim, O.

Interim-dividend, O., -dividenden.

Interjectie, V., interjecties.

Interlineair.

Interlinie, V., interlinies.

Intermediair, O.

Intermezzo, O., intermezzo's.

Internationaal, internationale.

Interpellatie, V., interpellatiën en interpellaties.

Interpelleeren, interpelleerde, heeft geïnterpelleerd.

Interpolatie, V., interpolaties.

Interpoleeren, interpoleerde, heeft geïnterpoleerd.

Interpretatie, V., interpretaties.

Interpreteeren, interpreteerde, heeft geïnterpreteerd.

Interpunctie, V.

Interregnum, O.

Interval, O., intervallen.

Intervenieeren, intervenieerde, heeft geïntervenieerd.

Interventie, V., interventies.

Interview, O.

Interviewen, interviewde, heeft geïnterviewd.

Intiem, intiemer, intiemst.

Intijds.

Intillen, tilde in, heeft ingetild.

Intimiteit, V., intimiteiten.

Intocht, M., -tochten.

Intonatie, V., intonaties.

Intoomen, toomde in, heeft ingetoomd.

Intrappen, trapte in, heeft ingetrapt.

Intrede en Intree, V.

Intreden, trad in, traden in, heeft en is ingetreden.

Intreebiljet, O., -biljetten.

Intreekaartje, O., -jes.

Intreepreek, V., -preeken.

Intrek, M.

Intrekken, trok in, trokken in, heeft en is ingetrokken.

Intrekking, V.

Intrigant, M., intriganten.

Intrigante, V., intriganten.

Intrige, V., intriges. Ook Intrigue.

Intrigeeren, intrigeerde, heeft geïntrigeerd.

Introduceeren, introduceerde, heeft geïntroduceerd.

Introductie, V., introductiën en introducties.

Intusschen.

Inval, M., -vallen.

Invalide, M., invaliden.

Invalidenhuis, O., -huizen.

Invallen, viel in, is ingevallen.

Invaren, voer in, heeft en is ingevaren.

Invaten, vaatte in, heeft ingevaat.

Inventaris, M., inventarissen.

Inventarisatie, V.

Inventariseeren, inventariseerde, heeft geïnventariseerd.

Inventie, V., inventies.

Inventief, inventiever, inventiefst.

Inversie, V.

Investituur, V., investituren.

Invitatie, V., invitatiën en invitaties.

Invitatie-concert, O., -concerten.

Inviteeren, inviteerde, heeft geïnviteerd.

Invlechten, vlocht in, heeft ingevlochten.

Invliegen, vloog in, vlogen in, is ingevlogen.

Invlijen, vlijde in, heeft ingevlijd.

Invloed, M., -vloeden.

Invloeien, vloeide in, is ingevloeid.

Invloeiing, V.

Invluchten, vluchtte in, is ingevlucht.

Invoege.

Invoegen, voegde in, heeft ingevoegd.

Invoeging, V., -voegingen.

Invoegsel, O., -voegsels en -voegselen.

Invoer, M., -voeren.

Invoerder, M., -voerders.

Invoeren, voerde in, heeft ingevoerd.

Invoering, V.

Invoerrecht, O., -rechten.

Involgen, volgde in, heeft ingevolgd.

Invorderaar, M., -vorderaars.

Invorderbaar, -bare.

Invorderen, vorderde in, heeft ingevorderd.

Invordering, V., -vorderingen.

Invouwen, vouwde in, heeft ingevouwen.

Invreten, vrat in, vraten in, heeft en is ingevreten.

Invrijheidstelling, V.

Invullen, vulde in, heeft ingevuld.

Invulling, V., -vullingen.

Inwaaien, waaide in, heeft en is ingewaaid; ook woei in, woeien in.

Inwaarts (bijw.).

Inwaartsch (bnw.).

Inwachten, wachtte in, heeft ingewacht.

Inwarm.

Inwateren, waterde in, heeft ingewaterd.

Inwatering, V.

Inweefsel, O., -weefsels.

Inwellen, welde in, is ingeweld.

Inwendig.

Inwerken, werkte in, heeft ingewerkt.

Inwerking, V., -werkingen.

Inwerpen, wierp in, heeft ingeworpen.

Inweven, weefde in, heeft ingeweven.

Inwijden, wijdde in, heeft ingewijd.

Inwijding, V., -wijdingen.

Inwijdingsrede, V., -redenen.

Inwijk, V., -wijken.

Inwijken, week in, weken in, is ingeweken.

Inwijking, V., -wijkingen.

Inwikkelen, wikkelde in, heeft ingewikkeld.

Inwikkeling, V., -wikkelingen.

Inwilligen, willigde in, heeft ingewilligd.

Inwinden, wond in, heeft ingewonden.

Inwinnen, won in, wonnen in, heeft ingewonnen.

Inwippen, wipte in, is ingewipt.

Inwonen, woonde in, heeft ingewoond.

Inwoner, M., -woners.

Inwoning, V.

Inwoonster, V., -woonsters.

Inwortelen, wortelde in, is ingeworteld.

Inwrijven, wreef in, wreven in, heeft ingewreven.

Inwrijving, V., -wrijvingen.

Inzaaien, zaaide in, heeft ingezaaid.

Inzage, V.

Inzagen, zaagde in, heeft ingezaagd.

Inzakken, zakte in, is ingezakt.

Inzakking, V., -zakkingen.

Inzamelen, zamelde in, heeft ingezameld.

Inzameling, V., -zamelingen.

Inzeepen, zeepte in, heeft ingezeept.

Inzegenen, zegende in, heeft ingezegend.

Inzegening, V., -zegeningen.

Inzeilen, zeilde in, heeft en is ingezeild.

Inzenden, zond in, heeft ingezonden.

Inzender, M., -zenders.

Inzending, V., -zendingen.

Inzet, M., -zetten.

Inzetsel, O., -zetsels.

Inzetten, zette in, heeft ingezet.

Inzetting, V., -zettingen.

Inzicht, O., -zichten.

Inzieden, zood in, zoden in, is ingezoden.

Inzien, zag in, zagen in, heeft ingezien.

Inzinken, zonk in, is ingezonken.

Inzitten, zat in, zaten in, heeft ingezeten.

Inzonderheid.

Inzouten, zoutte in, heeft ingezouten.

Inzuigen, zoog in, zogen in, heeft ingezogen.

Inzulten, zultte in, heeft ingezult.

Inzwachtelen, zwachtelde in, heeft ingezwachteld.

Inzwachteling, V., -zwachtelingen.

Inzwart.

Inzwelgen, zwolg in, heeft ingezwolgen.

Inzwelging, V., -zwelgingen.

Inzwemmen, zwom in, zwommen in, is ingezwommen.

Ioon, O., ionen.

Irenisch.

Irias, V., iriassen.

Iris (regenboogvlies en plantnaam), V., irissen.

Ironie, V.

Ironiek.

Ironisch.

Islam, M.

Islamisme, O.

Isochroon, -chrone.

Isoleerbuis, V., -buizen.

Isothermen (mv.), V.

Israëliet, M., Israëlieten.

Israëlietisch.

Isthmus, M.

Italiaan, M., Italianen.

Italiaansch.

Italiaansch, O.

Italië, O.

Item, O., items. Itempje, O., -jes.

Iteratief, O., iteratieven.

Ivoor, O.

Ivoordraaier, M., -draaiers.

Ivoorzwart, O.

Ivoren (bnw.).

Izabel (bnw.).

Izabel (geelachtig paard), M., izabellen.

J

J, V., j's.

Ja.

Jaaghout, O.

Jaagloon, O., -loonen.

Jaagpaard, O., -paarden.

Jaagpad, O., -paden.

Jaagschuit, V., -schuiten.

Jaap, M., japen. Jaapje, O., -jes.

Jaar, O., jaren. Jaartje, O., -jes.

Jaarboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.

Jaardag, M., -dagen.

Jaargang, M., -gangen.

Jaargeld, O., -gelden.

Jaargetijde en Jaargetij, O., -getijden en -getijen.

Jaarkring, M., -kringen.

Jaarlijks (bijw.).

Jaarlijksch (bnw.).

Jaarling, M., -lingen.

Jaarmarkt, V., -markten.

Jaartal, O., -tallen.

Jaartelling, V., -tellingen.

Jaarwedde, V., -wedden.

Jabroer, M., -broers.

Jacht (het jagen), V., jachten.

Jacht (vaartuig), O., jachten. Jachtje, O., -jes.

Jachtakte, V., -akten.

Jachtbedrijf, O.

Jachten, jachtte, heeft gejacht.

Jachthond, M., -honden.

Jachtig, jachtiger, jachtigst.

Jachtslot, O., -sloten.

Jachtsneeuw, V.

Jachtstoet, M.

Jachttijd, M.

Jachtvermaak, O., -vermaken.

Jachtwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.

Jacobakannetje, O., -kannetjes.

Jacobijn, M., Jacobijnen.

Jacobijnenmuts, V., -mutsen.

Jagen, jaagde, heeft gejaagd; ook joeg.

Jager, M., jagers. Jagertje, O., -jes.

Jagersleven, O.

Jagersmuts, V., -mutsen.

Jagerspet, V., -petten.

Jagerstaal, V.

Jagerstasch, V., -tasschen.

Jagersterm, M., -termen.

Jak, O., jakken. Jakje, O., -jes.

Jakhals, M., jakhalzen.

Jakhalzen, jakhalsde, heeft gejakhalsd.

Jakken, jakte, heeft gejakt.

Jakkeren, jakkerde, heeft gejakkerd.

Jakobsladder, V.

Jalappe, V., jalappen.

Jaloersch, jaloerscher, meest jaloersch.

Jaloerschheid, V.

Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden · 第 32 / 49 题