Granietrots, V., -rotsen.
Grap, V., grappen. Grapje, O., -jes.
Graphiet, O.
Grappenmaker, M., -makers.
Grappig, grappiger, grappigst.
Grappigheid, V.
Gras, O., grassen en grazen. Grasje, O., -jes.
Grasachtig.
Grasboter, V.
Grasduinen (mv.), V. (In - gaan).
Grasduinen, grasduinde, heeft gegrasduind.
Grasetting, V.
Grasgewas, O., -gewassen.
Grasgroen.
Grashalm, M., -halmen.
Graskaas, V., -kazen.
Grasland, O., -landen.
Graslinnen, O.
Grasmaaier, M., -maaiers.
Grasmaand, V.
Grasperk, O., -perken.
Grasplein, O., -pleinen.
Grasscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes.
Grasspriet, M., -sprieten; -sprietje, O., -jes.
Grasveld, O., -velden.
Grasvellig.
Grasvilt, V.
Graszaad, O.
Graszode, V., -zoden.
Gratias, V., gratiassen.
Gratie (bevalligheid en genade), V.
Gratie (godin), V., Gratiën.
Gratificatie, V., gratificatiën en gratificaties.
Gratig, gratiger, gratigst.
Gratigheid, V.
Gratis.
Grauw (snauw), M., grauwen.
Grauw (gemeen volk), O.
Grauw, grauwer, grauwst.
Grauwen, grauwde, heeft gegrauwd.
Grauwgors, V., -gorzen.
Grauwheid, V.
Grauwtje, O., grauwtjes.
Graveel, O.
Graveelig, graveeliger, graveeligst.
Graveeligheid, V.
Graveeren, graveerde, heeft gegraveerd.
Graveerijzer, O., -ijzers.
Graveering, V.
Graveerkunst, V.
Graveernaald, V., -naalden.
Graveerstift, V., -stiften.
Graven, groef, groeven, heeft gegraven.
Gravenkroon, V., -kronen; -kroontje, O., -jes.
Graver, M., gravers.
Graveur, M., graveurs.
Gravin, V., gravinnen. Gravinnetje, O., -jes.
Graving, V., gravingen.
Gravinnentooi, M.
Gravure, V., gravures.
Grazen, graasde, heeft gegraasd.
Grazig, graziger, grazigst.
Greb, V., grebben.
Greel (voor Gareel), O., greelen.
Greep (het grijpen), M. en V., grepen. Greepje, O., -jes.
Greep (handvol, handvatsel en mestvork), V., grepen. Greepje, O., -jes.
Greid, V., greiden.
Greidboer, M., -boeren.
Greidhoek, M.
Grein (korrel, gewicht en geweven stof), O., greinen. Greintje,
O., -jes.
Greinen (bnw.).
Greling, M., grelingen.
Grenadier, M., grenadiers.
Grenadiersmuts, V., -mutsen.
Grenadine, V.
Grendel, M., grendels en grendelen. Grendeltje, O., -jes.
Grendelen, grendelde, heeft gegrendeld.
Grendelslot, O., -sloten.
Grendelsteen, M., -steenen.
Grenen (bnw.).
Grenenhout, O.
Grenenhouten (bnw.).
Grens, V., grenzen.
Grensbewoner, M., -bewoners.
Grensgebied, O.
Grenskantoor, O., -kantoren.
Grenslijn, V., -lijnen.
Grensmuur, M., -muren.
Grenspaal, M., -palen.
Grensplaats, V., -plaatsen.
Grensregeling, V., -regelingen.
Grensscheiding, V., -scheidingen.
Grensverandering, V., -veranderingen.
Grensvesting, V., -vestingen.
Grenzen, grensde, heeft gegrensd.
Grenzenloos, -looze.
Greppel, V., greppels. Greppeltje, O., -jes.
Gretig, gretiger, gretigst.
Gretigheid, V.
Grief en Grieve, V., grieven. Griefje, O., -jes.
Griek, M., Grieken. Griekje, O., -jes.
Griekenland, O.
Grieksch.
Grieksch, O.
Griel, V., grielen.
Griend, V., grienden.
Griendbaas, M., -bazen.
Griendgewas, O.
Griendkade, V., -kaden.
Griendwaard, V., -waarden.
Griep, V.
Griesmeel, O.
Griet, V., grieten. Grietje, O., -jes.
Grietenij, V., grietenijen.
Grietjesbras, M., -brassen.
Grietman, M., -mannen.
Grieve. Zie Grief.
Grieven, griefde, heeft gegriefd.
Grievend, grievender, grievendst.
Griezelen, Griezelig. Zie Grijzelen, Grijzelig.
Griezeltje, O., -jes.
Grif, griffer, grifst.
Grif (bijw.).
Griffel, V., griffels. Griffeltje, O., -jes.
Griffelen, griffelde, heeft gegriffeld.
Griffen, grifte, heeft gegrift.
Griffie, V., griffiën en griffies.
Griffier, M., griffiers.
Griffierschap, O.
Griffiersplaats, V., -plaatsen.
Griffioen en Griffoen, M., griffioenen en griffoenen.
Grifheid, V.
Grift, V., griften. Griftje. O., -jes.
Griftenkoker, M., -kokers.
Grifweg.
Grijn (knorrepot), M., grijnen.
Grijnen, green, grenen, heeft gegrenen; ook grijnde, heeft gegrijnd.
Grijnig, grijniger, grijnigst.
Grijns, V., grijnzen.
Grijnslach, M.; -lachje, O., -jes.
Grijnslachen, grijnslachte, heeft gegrijnslacht.
Grijnzaard, M., grijnzaards.
Grijnzen, grijnsde, heeft gegrijnsd.
Grijp, M., grijpen.
Grijpen, greep, grepen, heeft gegrepen.
Grijpvogel, M., -vogels.
Grijs, grijzer.
Grijsaard, M., grijsaards.
Grijsachtig, -achtiger, -achtigst.
Grijsbaard, M., -baarden.
Grijsblauw.
Grijsharig.
Grijsheid, V.
Grijskop, M., -koppen.
Grijzelen (griezelen), grijzelde (griezelde), heeft gegrijzeld
(gegriezeld).
Grijzelig en Griezelig, -iger, -igst.
Grijzen, grijsde, is gegrijsd.
Grijzigheid, V.
Gril, V., grillen. Grilletje, O., -jes.
Grillen, grilde, heeft gegrild.
Grillig, grilliger, grilligst.
Grilligheid, V., -heden.
Grilling, V., grillingen.
Grim, V.
Grimas, V., grimassen.
Grimassen, grimaste, heeft gegrimast.
Grimassenmaker, M., -makers.
Grimlach, M.; -lachje, O., -jes.
Grimlachen, grimlachte, heeft gegrimlacht.
Grimmelen, grimmelde, heeft gegrimmeld.
Grimmen, grimde, heeft gegrimd.
Grimmig, grimmiger, grimmigst.
Grimmigheid, V.
Grind, O.
Grindbank, V., -banken.
Grind-depot, O., -depot's.
Grinden, grindde, heeft gegrind.
Grindschipper, M., -schippers.
Grindweg, M., -wegen.
Grindzand, O.
Grinniken, grinnikte, heeft gegrinnikt.
Grissen, griste, heeft gegrist.
Groef, V., groeven. Groefje, O., -jes.
Groefbeitel, M., -beitels.
Groefschaaf, V., -schaven.
Groefverband, O., -verbanden.
Groei, M.
Groeien, groeide, is gegroeid.
Groeiing, V.
Groeikracht, V.
Groeisel, O.
Groeistuip, V., -stuipen; -stuipje, O., -jes.
Groeizaam, -zamer, -zaamst.
Groeizaamheid, V.
Groen, groener, groenst.
Groen (nieuweling), M., groenen. Groentje, O., -jes.
Groen (kleur), O.
Groenachtig, -achtiger, -achtigst.
Groenboer, M., -boeren.