1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken
dichtregel.
2. Alle eigennamen van personen, als _Albert_, _Arend_, _Rubens_,
_Wolf_ enz.
Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt
ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v. _Jan Steen_,
_De Witt_, _Ter Horst_, _Van Erp_ enz.
Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een
voorzetsel en het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de
kleine letter, als _Van den Berg_, _Van der Horst_, _Van de Wall_,
_Op den Heuvel_ enz.
Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene
hoofdletter; b. v. _Alexander de Groote_, _Karel de Vijfde._
3. Alle geographische eigennamen, als _Italië_, _Alkmaar_, _de Rijn_,
_de Vesuvius_ enz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder
hoofddeel eene kapitale letter; als _Nieuw-Holland_, _Noord-Brabant_,
_de Middellandsche Zee_, _de Kust van Guinea_ enz.
4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, als _Januari_,
_Maandag_, _Kerstmis_, _Paschen_, _Allerheiligen_, _St.-Pieter_ enz.
5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd
worden. Dit heeft plaats:
_a._ Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de
omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt;
b. v. in uitdrukkingen als: _de Koning_ (namelijk der Nederlanden);
_de Burgemeester_ (der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.
Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die
als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren;
b. v. _de Booze_, _de overzetting der Zeventigen_.
_b._ Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in
de rhetorische _apostrophe_ aangesproken en dus als een persoon
voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als: _U roep ik geenszins
aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan
tot zingen._
6. Ieder hoofdwoord in titels, als: _de Heer A_, _Mijnheer_, _Mevrouw_,
_Mijne Heeren_, _Dames_, _Weledelgestrenge Heer_, _de Staten-Generaal_,
_de Hooge Raad_, _het Hof van Cassatie_ enz.
7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, als _Amsterdamsch_,
_Groningsch_, _Engelsch_, _Russisch_ enz.; evenzoo wanneer zulke
woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen:
_het Engelsch_, _het Groningsch_.
Het sedert eenigen tijd--in navolging van andere talen--opkomende
gebruik om bijv. nw. als _Engelsch_, _Fransch_, _Duitsch_ enz. met
kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel
der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een
gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke
verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even
noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.
8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het
oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing
vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als
b. v. _Hij_, _Hem_, _Zijn_, van God gezegd; _de Almacht_; _de Hemel_;
_de Kroon_; _de Regeering_; _het Ik_; _in 't Voorleden ligt het
Heden_, enz.
Het gebruik van het samentrekkingsteeken.
90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene
lettergreep, ten gevolge van de uitlating eener _d_ tusschen twee
klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is;
als in _daân_, _gebeên_, _gebiên_, _geboôn_, _spoên_, _reên_, uit
_daden_, _gebeden_, _gebieden_, _geboden_, _spoeden_, _redenen_. De
woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn
vrij talrijk, en--althans voor het groote publiek--niet altijd
gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de
woorden _graag_, _kwee_, _kweelen_, _kiel_ (kleedingstuk), _door_
(van een ei), samentrekkingen zijn van _gradig_, _kwede_, _kwedelen_,
_kedel_ of _kidel_ en _doder_. Zelfs wanneer het woord nog onveranderd
in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bij
_weerlichten_ uit _wederlichten_ (hd. _wetterleuchten_), bij _builen_
(bakkerw.) van _buidel_, en andere. Daar derhalve het aanduiden van
_alle_ samentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen
volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken
alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die
in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met
bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid,
als b. v. _daân_, _leên_, _liên_, _doôn_, _voên_, _verneêren_ en
dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der
samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen
echter als _la_ voor _lade_, _mee_ voor _mede_, _slee_ voor _slede_,
_leer_ voor _leder_, _neer_ voor _neder_, _veer_ voor _veder_, _weer_
voor _weder_ enz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden
uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.
A
A, V., a's.
A (voorz.).
Aagt, V., aagten. Aagtje, O., -jes.
Aai, M., aaien. Aaitje, O., -jes.
Aaien, aait, aaide, heeft geaaid.
Aaiing, V., aaiingen.
Aak (vaartuig), V., aken.
Aak (boom), M., aken.
Aaks, ook Aks, V., aaksen.
Aakster. Zie Ekster.
Aal (priem), V., alen.
Aal (meststof), V.
Aal (bier), O., alen.
Aal (visch). Als voorwerpsnaam M., alen. Aaltje, O., -jes. Als
stofnaam V.
Aalbes, V., -bessen.
Aalbesseblad, O., -bladeren.
Aalbesseboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Aalbessengelei, V.
Aalbessen-jam, V.
Aalbessenjenever, V.
Aalbessennat, O.
Aalbessenrist, V., -risten.
Aalbessensap, O.
Aalbessensaus, V., -sausen.
Aalbessentros, M., -trossen.
Aalbessenvla, V., -vlaas.
Aalbessenwijn, M.
Aalbessestruik, M., -struiken.
Aalbezie, V., -beziën.
Aalbezieboom, Aalbeziënjenever enz. Zie bij Aalbesseboom enz.
Aalelger, M., -elgers.
Aalfuik, V., -fuiken; -fuikje, O., -jes.
Aalgeer, M., -geeren.
Aalkaar, V., -karen; -kaartje, O., -jes.
Aalkast, V., -kasten; -kastje, O., -jes.
Aalkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes.
Aalkubbe of Aalkub, V., -kubben.
Aalkwabbe of Aalkwab, V., -kwabben.
Aalmoes, V., aalmoezen. Aalmoesje, O., -jes.
Aalmoezenier, M., -nieren en -niers.
Aalmoezeniershuis, O., -huizen.
Aalmoezenierskamer, V., -kamers.
Aalreep, M., -reepen.
Aalschaar, V., -scharen.
Aalscholver, M., -scholvers.
Aalsgeweer, O., -geweren.
Aalshuid, V., -huiden.
Aalskruik, V., -kruiken.
Aalst. Zie Alst.
Aalstal, M., -stallen.
Aalsteek (recht), M.; (plaats), V., -steken.
Aalsteker, M., -stekers.
Aalsvel, O., -vellen.
Aalt (hetzelfde als Aal, meststof), V.
Aalvormig.
Aam, O., amen.
Aambeeld. Zie Aanbeeld.
Aambei, V., -beien.
Aambeienkruid, O.
Aamborstig, -borstiger, -borstigst.
Aamborstigheid, V.
Aamt, V.
Aamtig.
Aan.
Aanaarden, aardde aan, heeft aangeaard.
Aanaarding, V., -aardingen.
Aanaardploeg, M., -ploegen.
Aanademen, ademde aan, heeft aangeademd.
Aanbakken, bakte aan, is en heeft aangebakken.
Aanbakking, V.
Aanbaksel, O., -baksels.
Aanbassen, baste aan, heeft aangebast.
Aanbedeelen, bedeelde aan, heeft aanbedeeld.
Aanbeeld, O., -beelden. Aanbeeldje, O., -jes.
Aanbeeldsblok, O., -blokken.
Aanbeenen, beende aan, heeft aangebeend.
Aanbehooren, behoorde aan, heeft aanbehoord.
Aanbei. Zie Aambei.
Aanbelanden, belandde aan, is aanbeland.
Aanbelang, O.
Aanbelangen (wat aanbelangt).
Aanbellen, belde aan, heeft aangebeld.
Aanbermen, bermde aan, heeft aangebermd.
Aanberming, V., -bermingen.
Aanbesteden, besteedde aan, heeft aanbesteed.
Aanbesteding, V., -bestedingen.
Aanbesterven, bestierf aan, bestierven aan, is aanbestorven.
Aanbestoelen, bestoelde aan, heeft aanbestoeld.
Aanbeteren, beterde aan, is aangebeterd.
Aanbetreffen, betrof aan, heeft aanbetroffen.
Aanbetrouwen, betrouwde aan, heeft aanbetrouwd.
Aanbevelen, beval aan, bevalen aan, heeft aanbevolen.
Aanbevelenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Aanbeveler, M., -bevelers.
Aanbeveling, V., -bevelingen.
Aanbevelingsbrief, M., -brieven.
Aanbidbaar, -bare.
Aanbiddelijk, -lijker, -lijkst.
Aanbiddelijkheid, V.
Aanbidden, bad aan, baden aan; ook aanbad, aanbaden; heeft aangebeden.
Aanbiddenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Aanbidder, M., -bidders.
Aanbidding, V., -biddingen.
Aanbidster, V., -bidsters.
Aanbieden, bood aan, boden aan, heeft aangeboden.
Aanbieding, V., -biedingen.
Aanbijten, beet aan, beten aan, heeft aangebeten.
Aanbinden, bond aan, heeft aangebonden.
Aanblaffen, blafte aan, heeft aangeblaft.
Aanblaten, blaatte aan, heeft aangeblaat.
Aanblazen, blies aan, bliezen aan, heeft aangeblazen.
Aanblazing, V.
Aanblijven, bleef aan, bleven aan, is aangebleven.
Aanblik, M.
Aanblikken, blikte aan, heeft aangeblikt.
Aanbod, O.
Aanboeken, boekte aan, heeft aangeboekt.
Aanboord, V.
Aanboorden, boordde aan, heeft aangeboord.
Aanboorder, M., -boorders.
Aanboording, V., -boordingen.
Aanboren, boorde aan, heeft aangeboord.
Aanbotsen, botste aan, is aangebotst.
Aanbouw, M.
Aanbouwen, bouwde aan, heeft aangebouwd.
Aanbouwing, V., -bouwingen.
Aanbouwsel, O., -bouwsels.
Aanbranden, brandde aan, is en heeft aangebrand.
Aanbranding, V.
Aanbrassen, braste aan, heeft aangebrast.
Aanbreien, breide aan, heeft aangebreid.
Aanbreisel, O., -breisels.
Aanbreken, brak aan, braken aan, heeft en is aangebroken.
Aanbrengen, bracht aan, heeft aangebracht.
Aanbrenger, M., -brengers.
Aanbrenging, V.
Aanbrengpremie, V., -premiën.
Aanbrengsel, O., -brengsels.
Aanbrengst, V., -brengsten.
Aanbrieven, briefde aan, heeft aangebriefd.
Aanbruisen, bruiste aan, is en heeft aangebruist.
Aanbrullen, brulde aan, heeft aangebruld.
Aanbuigen, boog aan, bogen aan, heeft aangebogen.
Aanbulderen, bulderde aan, is aangebulderd.
Aandacht, V.
Aandachtig, -dachtiger, -dachtigst.
Aandachtigheid, V., -heden.
Aandak, O., -daken.
Aandammen, damde aan, heeft aangedamd.
Aandamming, V., -dammingen.
Aandansen, danste aan, is aangedanst.
Aandeel, O., -deelen. Aandeeltje, O., -jes.
Aandeelbewijs, O., -bewijzen.
Aandeelhebber, M., -hebbers.
Aandeelhouder, M., -houders.
Aandekken, dekte aan, heeft aangedekt.
Aandenken, O.
Aandichten, dichtte aan, heeft aangedicht.
Aandichting, V., -dichtingen.
Aandienen, diende aan, heeft aangediend.
Aandiepen, diepte aan, heeft en is aangediept.
Aandieping, V., -diepingen.
Aandijken, dijkte aan, heeft aangedijkt.
Aandijking, V., -dijkingen.
Aandikken, dikte aan, heeft en is aangedikt.
Aandoen, deed aan, deden aan, heeft aangedaan.
Aandoening, V., -doeningen.
Aandoenlijk, -lijker, -lijkst.
Aandoenlijkheid, V.
Aandossen, doste aan, heeft aangedost.
Aandraagster, V., -draagsters.
Aandraaien, draaide aan, is en heeft aangedraaid.
Aandragen, droeg aan, heeft aangedragen.
Aandrager, M., -dragers.
Aandrang, M.
Aandraven, draafde aan, is en heeft aangedraafd.
Aandrentelen, drentelde aan, is aangedrenteld.
Aandrift, V.
Aandrijven, dreef aan, dreven aan, is en heeft aangedreven.
Aandrijver, M., -drijvers.
Aandrijving, V., -drijvingen.
Aandringen, drong aan, is en heeft aangedrongen.
Aandrinken, dronk aan, heeft aangedronken.
Aandruischen, druischte aan, heeft aangedruischt.
Aandrukken, drukte aan, heeft aangedrukt.
Aandrukking, V., -drukkingen.
Aanduiden, duidde aan, heeft aangeduid.
Aanduiding, V., -duidingen.
Aandurven, durfde aan en dorst aan, heeft aangedurfd.
Aanduwen, duwde aan, heeft aangeduwd.
Aandweilen, dweilde aan, heeft aangedweild.
Aandwingen, dwong aan, heeft aangedwongen.
Aaneen.
Aaneenbehooren, behoorde aaneen, heeft aaneenbehoord.
Aaneenbinden, bond aaneen, heeft aaneengebonden.
Aaneenbinding, V., -bindingen.
Aaneenblijven, bleef aaneen, bleven aaneen, is aaneengebleven.
Aaneenbreien, breide aaneen, heeft aaneengebreid.
Aaneenbrengen. bracht aaneen, heeft aaneengebracht.
Aaneenflansen, flanste aaneen, heeft aaneengeflanst.
Aaneengeschakeld.
Aaneengesloten.
Aaneengroeien, groeide aaneen, is aaneengegroeid.
Aaneengroeiing, V.
Aaneenhaken, haakte aaneen, heeft aaneengehaakt.
Aaneenhangen, hing aaneen, heeft aaneengehangen.
Aaneenhechten, hechtte aaneen, heeft aaneengehecht.
Aaneenhechting, V., -hechtingen.
Aaneenhouden, hield aaneen, heeft aaneengehouden.
Aaneenketenen, ketende aaneen, heeft aaneengeketend.
Aaneenklampen, klampte aaneen, heeft aaneengeklampt.
Aaneenkleven, kleefde aaneen, heeft aaneengekleefd.
Aaneenklinken, klonk aaneen, heeft aaneengeklonken.
Aaneenkluisteren, kluisterde aaneen, heeft aaneengekluisterd.
Aaneenknoopen, knoopte aaneen, heeft aaneengeknoopt.
Aaneenkoppelen, koppelde aaneen, heeft aaneengekoppeld.
Aaneenkoppeling, V., -koppelingen.
Aaneenlasschen, laschte aaneen, heeft aaneengelascht.
Aaneenleggen, legde en leide aaneen, heeft aaneengelegd en
aaneengeleid.
Aaneenliggen, lag aaneen, lagen aaneen, heeft aaneengelegen.
Aaneenlijmen, lijmde aaneen, heeft aaneengelijmd.
Aaneennaaien, naaide aaneen, heeft aaneengenaaid.
Aaneennagelen, nagelde aaneen, heeft aaneengenageld.
Aaneenpassen, pasten aaneen, hebben aaneengepast.
Aaneenplaatsen, plaatste aaneen, heeft aaneengeplaatst.
Aaneenplaatsing, V., -plaatsingen.
Aaneenplakken, plakte aaneen, heeft aaneengeplakt.
Aaneenrijgen, reeg aaneen, regen aaneen, heeft aaneengeregen.
Aaneenschakelen, schakelde aaneen, heeft aaneengeschakeld.
Aaneenschakeling, V., -schakelingen.
Aaneenschuiven, schoof aaneen, schoven aaneen, heeft en is (zijn)
aaneengeschoven.
Aaneensluiten, sloot aaneen, sloten aaneen, heeft aaneengesloten.
Aaneensluiting, V., -sluitingen.
Aaneensmeden, smeedde aaneen, heeft aaneengesmeed.
Aaneensnoeren, snoerde aaneen, heeft aaneengesnoerd.
Aaneensoldeeren, soldeerde aaneen, heeft aaneengesoldeerd.
Aaneenspijkeren, spijkerde aaneen, heeft aaneengespijkerd.
Aaneenstaan, stond aaneen, heeft aaneengestaan.
Aaneenstrikken, strikte aaneen, heeft aaneengestrikt.
Aaneenvlechten, vlocht aaneen, heeft aaneengevlochten.
Aaneenvoegen, voegde aaneen, heeft aaneengevoegd.
Aaneenvoeging, V., -voegingen.
Aaneenwellen, welde aaneen, heeft aaneengeweld.
Aaneenzetten, zette aaneen, heeft aaneengezet.
Aaneenzitten, zat aaneen, zaten aaneen, heeft aaneengezeten.
Aanerven, erfde aan, is en heeft aangeërfd.
Aanerving, V., -ervingen.
Aanfluiten, floot aan, floten aan, heeft aangefloten.
Aanfluiting, V., -fluitingen.
Aanfokken, fokte aan, heeft aangefokt.
Aanfokker, M., -fokkers.
Aanfokking, V., -fokkingen.
Aangaan, gaat aan, ging aan, is en heeft aangegaan.
Aangaande.
Aangang, M., -gangen.
Aangapen, gaapte aan, heeft aangegaapt.
Aangebedene, M. en V., -gebedenen.
Aangeboren.
Aangedaan, sterker, heviger aangedaan, het sterkst, hevigst aangedaan.
Aangeefster, V., -geefsters.
Aangeërfd.
Aangehuwd.
Aangeklaagde, M. en V., -geklaagden.
Aangelande, M. en V., -gelanden.
Aangelegen, -gelegener, -gelegenst.
Aangelegenheid, V., -heden.
Aangemerkt.
Aangenaam, -genamer, -genaamst.
Aangenaamheid, V., -heden.
Aangenomen.
Aangespen, gespte aan, heeft aangegespt.
Aangetogen.
Aangetrouwd.
Aangeven, gaf aan, gaven aan, heeft aangegeven.
Aangever, M., -gevers.
Aangeving, V., -gevingen.
Aangezicht, O., -gezichten. Aangezichtje, O., -jes.
Aangezichtspijn, V., -pijnen.
Aangezien.
Aangieren, gierde aan, is aangegierd.
Aangieten, goot aan, goten aan, heeft aangegoten.
Aangifte en aangift, V., -giften.
Aanglimmen, glom aan, glommen aan, is en heeft aangeglommen.
Aanglinsteren, glinsterde aan, heeft aangeglinsterd.
Aangloeien, gloeide aan, is en heeft aangegloeid.
Aangluipen, gluipte aan, heeft aangegluipt.
Aangluren, gluurde aan, heeft aangegluurd.
Aangolven, golfde aan, is aangegolfd.
Aangonzen, gonsde aan, is aangegonsd.
Aangorden, gordde aan, heeft aangegord.
Aangording, V., -gordingen.
Aangrauwen, grauwde aan, heeft aangegrauwd.
Aangraven, groef aan, groeven aan, heeft aangegraven.
Aangraving, V., -gravingen.
Aangrenzend.
Aangrijnzen, grijnsde aan, heeft aangegrijnsd.
Aangrijpen, greep aan, grepen aan, heeft aangegrepen.
Aangrijper, M., -grijpers.
Aangrijping, V., -grijpingen.
Aangrinniken, grinnikte aan, heeft aangegrinnikt.
Aangroei, M.
Aangroeien, groeide aan, is aangegroeid.
Aangroeiing, V., -groeiingen.
Aangroenen, groende aan, is aangegroend.
Aangrommen, gromde aan, heeft aangegromd.
Aanhaken, haakte aan, heeft aangehaakt.
Aanhalen, haalde aan, heeft aangehaald.
Aanhalig, -haliger, -haligst.
Aanhaligheid, V.
Aanhaling, V., -halingen.
Aanhalingsteeken, O., -teekens.
Aanhang, M.
Aanhangeling, M. en V., -hangelingen. V. ook aanhangelinge.
Aanhangen, hing aan, heeft aangehangen.
Aanhanger, M., -hangers en -hangeren.
Aanhangig.
Aanhangsel, O., -hangsels en -hangselen.
Aanhankelijk, -lijker, -lijkst.
Aanhankelijkheid, V.
Aanharden, hardde aan, heeft en is aangehard.
Aanharding, V., -hardingen.
Aanharken, harkte aan, heeft aangeharkt.
Aanhebben, heeft aan, had aan, hadden aan, heeft aangehad.
Aanhechten, hechtte aan, heeft aangehecht.
Aanhechter, M., -hechters.
Aanhechting, V., -hechtingen.
Aanhechtingspunt, O., -punten; -puntje, O., -jes.
Aanhechtsel, O., -hechtsels.
Aanheelen, heelde aan, is aangeheeld.
Aanhef, M.
Aanheffen, hief aan, hieven aan, heeft aangeheven.
Aanheffer, M., -heffers.
Aanheffing, V., -heffingen.
Aanheften. Zie Aanhechten.
Aanhelpen, hielp aan, heeft aangeholpen.
Aanhijgen, heeg aan, hegen aan, is en heeft aangehegen; ook hijgde aan,
is en heeft aangehijgd.
Aanhinken, hinkte aan, is aangehinkt.
Aanhitsen, hitste aan, heeft aangehitst.
Aanhitser, M., -hitsers.
Aanhitsing, V., -hitsingen.
Aanhoepelen, hoepelde aan, is aangehoepeld.
Aanhoeven, hoefde aan, heeft aangehoefd.
Aanhollen, holde aan, is aangehold.
Aanhoogen, hoogde aan, heeft aangehoogd.
Aanhooging, V., -hoogingen.
Aanhoopen, hoopte aan, heeft en is aangehoopt.
Aanhooping, V., -hoopingen.
Aanhoorder, M., -hoorders en -hoorderen.
Aanhooren, hoorde aan, heeft aangehoord.
Aanhoorig.
Aanhoorigheid, V., -heden.
Aanhoorster, V., -hoorsters.
Aanhoud, M., -houden.
Aanhouden, hield aan, heeft aangehouden.
Aanhoudend.
Aanhoudendheid, V.
Aanhouder, M., -houders.
Aanhouding, V., -houdingen.
Aanhuilen, huilde aan, heeft aangehuild.
Aanhuppelen, huppelde aan, is aangehuppeld.
Aanhuwelijken, huwelijkte aan, heeft aangehuwelijkt.
Aanhuwelijking, V.
Aanhuwen, huwde aan, heeft aangehuwd.
Aanhuwing, V.
Aanijlen, ijlde aan, is aangeijld.
Aanjagen, jaagde aan, heeft en is aangejaagd; ook joeg aan.
Aanjager, M., -jagers.
Aanjuichen, juichte aan, is en heeft aangejuicht.
Aanjuiching, V., -juichingen.
Aankalken, kalkte aan, heeft aangekalkt.
Aankalking, V., -kalkingen.
Aankanten (zich -), kantte zich aan, heeft zich aangekant.
Aankanting, V.
Aankap, M.
Aankappen, kapte aan, heeft aangekapt.
Aankarren, karde aan, heeft aangekard.
Aankeffen, kefte aan, is en heeft aangekeft.
Aankermen, kermde aan, is en heeft aangekermd.
Aankerven, korf aan, korven aan, heeft aangekorven; ook kerfde aan.
Aankerving, V., -kervingen.
Aankijken, keek aan, keken aan, heeft aangekeken.
Aanklaagster, V., -klaagsters en -klaagsteren.
Aanklacht, V., -klachten.
Aanklagen, klaagde aan, heeft aangeklaagd.
Aanklager, M., -klagers en -klageren.
Aanklampen, klampte aan, heeft aangeklampt.
Aanklamper, M., -klampers.
Aanklamping, V., -klampingen.
Aanklauteren, klauterde aan, is aangeklauterd.
Aanklauwen, klauwde aan, heeft aangeklauwd.
Aankleeden, kleedde aan, heeft aangekleed.
Aankleef, M. (met den aankleve van).
Aanklemmen, klemde aan, heeft aangeklemd.
Aanklemming, V., -klemmingen.
Aankleven, kleefde aan, heeft aangekleefd.
Aanklever, M., -klevers en -kleveren.
Aankleving, V.
Aanklimmen, klom aan, klommen aan, is aangeklommen.
Aanklinken, klonk aan, heeft aangeklonken.
Aankloppen, klopte aan, heeft aangeklopt.
Aanklossen, kloste aan, is aangeklost.
Aanklotsen, klotste aan, is aangeklotst.
Aanknijpen, kneep aan, knepen aan, heeft aangeknepen.
Aanknoopen, knoopte aan, heeft aangeknoopt.
Aanknooping, V., -knoopingen.
Aanknoopingspunt, O., -punten.
Aankomeling, M. en V., -komelingen. V. ook aankomelinge.
Aankomelingschap, O.
Aankomen, komt aan, kwam aan, kwamen aan, is aangekomen.
Aankomend.
Aankomer, M., -komers.
Aankomst, V.
Aankondigen, kondigde aan, heeft aangekondigd.
Aankondiger, M., -kondigers.
Aankondiging, V., -kondigingen.
Aankondigster, V., -kondigsters.
Aankooien, kooide aan, heeft aangekooid.
Aankoop, M., -koopen.
Aankoopen, kocht aan, heeft aangekocht.
Aankooping, V., -koopingen.
Aankoppelen, koppelde aan, heeft aangekoppeld.
Aankoppeling, V., -koppelingen.
Aankoppen, kopte aan, heeft aangekopt.
Aankorsten, korstte aan, is aangekorst.
Aankorsting, V., -korstingen.
Aankrammen, kramde aan, heeft aangekramd.
Aankrijgen, kreeg aan, kregen aan, heeft aangekregen.
Aankrijten, kreet aan, kreten aan, heeft aangekreten.
Aankruien, krooi aan, krooien aan, heeft en is aangekrooien; ook
kruide aan, heeft en is aangekruid.
Aankruiing, V., -kruiingen.
Aankruipen, kroop aan, kropen aan, is en heeft aangekropen.
Aankuieren, kuierde aan, is aangekuierd.
Aankunnen, kan aan, kunnen aan, konde en kon aan, konden aan, heeft
aangekund.
Aankwakken, kwakte aan, heeft aangekwakt.
Aankweek, M.
Aankweekeling, M. en V., -kweekelingen. V. ook aankweekelinge.
Aankweeken, kweekte aan, heeft aangekweekt.
Aankweeker, M., -kweekers.
Aankweeking, V.
Aankweekster, V., -kweeksters.
Aanlachen, lachte aan, heeft aangelachen; ook loeg aan, loegen aan.
Aanlanden, landde aan, is aangeland.
Aanlanding, V., -landingen.
Aanlangen, langde aan, heeft aangelangd.
Aanlappen, lapte aan, heeft aangelapt.
Aanlasschen, laschte aan, heeft aangelascht.
Aanlassching, V., -lasschingen.
Aanlaten, liet aan, heeft aangelaten.
Aanleeren, leerde aan, heeft en is aangeleerd.
Aanleg, M.
Aanleggen, legde aan en leide aan, heeft aangelegd en aangeleid.
Aanlegger, M., -leggers.
Aanlegging, V., -leggingen.
Aanlegplaats, V., -plaatsen.
Aanlegster, V., -legsters en -legsteren.
Aanleiden, leidde aan, heeft aangeleid.
Aanleider, M., -leiders.
Aanleiding, V., -leidingen.
Aanlenen. Zie Aanleunen.
Aanlengen, lengde aan, heeft en is aangelengd.
Aanleunen, leunde aan, heeft aangeleund.
Aanleuning, V., -leuningen.
Aanleuningspunt, O., -punten.
Aanlichten (licht geven), lichtte aan, is aangelicht.
Aanlichten (oplichten), lichtte aan, heeft aangelicht.
Aanliggen, lag aan, lagen aan, heeft aangelegen.
Aanliggend.
Aanlijmen, lijmde aan, heeft aangelijmd.
Aanloeien, loeide aan, is en heeft aangeloeid.
Aanloeren, loerde aan, heeft aangeloerd.
Aanloeven, loefde aan, heeft en is aangeloefd.
Aanlokkelijk, -lijker, -lijkst.
Aanlokkelijkheid, V., -heden.
Aanlokken, lokte aan, heeft aangelokt.
Aanlokking, V., -lokkingen.
Aanloksel, O., -loksels en -lokselen.
Aanlonken, lonkte aan, heeft aangelonkt.
Aanlooden, loodde aan, heeft aangelood.
Aanloop, M., -loopen. Aanloopje, O., -jes.
Aanloopen, liep aan, is en heeft aangeloopen.
Aanloopkleur, V., -kleuren.
Aanloten, lootte aan, is aangeloot.
Aanmaak, M.
Aanmaanster, V., -maansters.
Aanmaken, maakte aan, heeft aangemaakt.
Aanmanen, maande aan, heeft aangemaand.
Aanmaning, V., -maningen.
Aanmarcheeren, marcheerde aan, heeft en is aangemarcheerd.
Aanmarsch, M.
Aanmatigen (zich -), matigde zich aan, heeft zich aangematigd.
Aanmatigend, -matigender, -matigendst.
Aanmatiging, V., -matigingen.
Aanmelden, meldde aan, heeft aangemeld.
Aanmelding, V., -meldingen.
Aanmengen, mengde aan, heeft aangemengd.
Aanmenging, V., -mengingen.
Aanmeren, meerde aan, heeft aangemeerd.
Aanmerkelijk, -lijker, -lijkst.
Aanmerken, merkte aan, heeft aangemerkt.
Aanmerkenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Aanmerking, V., aanmerkingen.
Aanmeten, mat aan, maten aan, heeft aangemeten.
Aanmetselen, metselde aan, heeft aangemetseld.
Aanminnig, -minniger, -minnigst.
Aanminnigheid, V., -heden.
Aanmoedigen, moedigde aan, heeft aangemoedigd.
Aanmoediging, V., -moedigingen.
Aanmoeren, moerde aan, heeft aangemoerd.
Aanmoeten, moet aan, moest aan, heeft aangemoeten.
Aanmogen, mag aan, mogen aan, mocht aan.
Aanmonding, V., -mondingen.
Aanmonsteren, monsterde aan, heeft aangemonsterd.
Aanmonstering, V., -monsteringen.
Aanmunten, muntte aan, heeft aangemunt.
Aanmunting, V., -muntingen.
Aannaaien, naaide aan, heeft aangenaaid.
Aannaaiing, V., -naaiingen.
Aannaderen, naderde aan, is aangenaderd.
Aannadering, V.
Aannagelen, nagelde aan, heeft aangenageld.
Aannageling, V., -nagelingen.
Aanneemster, V., -neemsters.
Aannemelijk, -lijker, -lijkst.
Aannemelijkheid, V.
Aannemeling, M. en V., aannemelingen. V. ook aannemelinge.
Aannemen, nam aan, namen aan, heeft aangenomen.
Aannemer, M., -nemers.
Aannemersfirma, V., -firma's.
Aanneming, V., -nemingen.
Aannemingsbiljet, O., -biljetten.
Aannemingssom, V., -sommen.
Aanopperen, opperde aan, heeft aangeopperd.
Aanpakken, pakte aan, heeft aangepakt.
Aanpalend.
Aanpassen, paste aan, heeft aangepast.
Aanpeil, M.
Aanpeiling, V., -peilingen.
Aanpennen, pende aan, heeft aangepend.
Aanpersen, perste aan, heeft en is aangeperst.
Aanpersing, V.
Aanpijpen, pijpte aan, heeft aangepijpt.
Aanplakbiljet, O., -biljetten.
Aanplakbord, O., -borden.
Aanplakken, plakte aan, heeft aangeplakt.
Aanplakker, M., -plakkers.
Aanplakking, V., -plakkingen.
Aanplant, M.
Aanplanten, plantte aan, heeft aangeplant.
Aanplanting, V., -plantingen.
Aanpleisteren, pleisterde aan, heeft aangepleisterd.
Aanplempen, plempte aan, heeft aangeplempt.
Aanplemping, V., -plempingen.
Aanploegen, ploegde aan, heeft aangeploegd.
Aanploeging, V., -ploegingen.
Aanpooten (voortgang maken), pootte aan, heeft aangepoot.
Aanporder, M., -porders.
Aanporren, porde aan, heeft aangepord.
Aanporring, V., -porringen.
Aanporster, V., -porsters.
Aanpoten (aanplanten), pootte aan, heeft aangepoot.
Aanpoting, V., -potingen.
Aanpraaien, praaide aan, heeft aangepraaid.
Aanpraten, praatte aan, heeft aangepraat.
Aanpreeken, preekte aan, heeft aangepreekt.
Aanpressen, preste aan, heeft aangeprest.
Aanprijzen, prees aan, prezen aan, heeft aangeprezen.
Aanprijzer, M., -prijzers.
Aanprijzing, V., -prijzingen.
Aanprikkelaar, M., -prikkelaars en -prikkelaren.
Aanprikkelen, prikkelde aan, heeft aangeprikkeld.
Aanprikkeling, V., -prikkelingen.
Aanprikken, prikte aan, heeft aangeprikt.
Aanpunten, puntte aan, heeft aangepunt.
Aanpunter, M., -punters.
Aanpunting, V., -puntingen.
Aanpuntring, M., -ringen.
Aanpuntschijf, V., -schijven.
Aanraden, ried aan, heeft aangeraden; ook raadde aan.
Aanrader, M., -raders.
Aanraken, raakte aan, heeft aangeraakt.
Aanraking, V., -rakingen.
Aanrakingspunt, O., -punten.
Aanrakken, rakte aan, heeft aangerakt.
Aanrammelen, rammelde aan, is aangerammeld.
Aanranden, randde aan, heeft aangerand.
Aanrander, M., -randers en -randeren.
Aanranding, V., -randingen.
Aanratelen, ratelde aan, is aangerateld.
Aanrazeeren, razeerde aan, heeft aangerazeerd.
Aanrazen, raasde aan, is en heeft aangeraasd.
Aanrecht, O., -rechten.
Aanrechtbank, V., -banken; -bankje, O., -jes.
Aanrechten (opdisschen), rechtte aan, heeft aangerecht.
Aanrechter. Zie Aanrichter.
Aanrechting, V., -rechtingen.
Aanrechtkeuken, V., -keukens.
Aanrechttafel, V., -tafels.
Aanreiken, reikte aan, heeft aangereikt.
Aanreiking, V., -reikingen.
Aanrekenen, rekende aan, heeft aangerekend.
Aanrennen, rende aan, is en heeft aangerend; ook ron aan, is en
heeft aangeronnen.
Aanrichten (veroorzaken), richtte aan, heeft aangericht.
Aanrichting, V.
Aanrijden, reed aan, reden aan, is en heeft aangereden.
Aanrijgen, reeg aan, regen aan, heeft aangeregen.
Aanristen, ristte aan, heeft aangerist.
Aanristing, V., -ristingen.
Aanrit, M.
Aanritselen, ritselde aan, heeft aangeritseld.
Aanroeien, roeide aan, is en heeft aangeroeid.
Aanroepen, riep aan, heeft aangeroepen.
Aanroeper, M., -roepers.
Aanroeping, V., -roepingen.
Aanroeren, roerde aan, heeft aangeroerd.
Aanroering, V., -roeringen.
Aanroesten, roestte aan, is aangeroest.
Aanrollen, rolde aan, heeft en is aangerold.
Aanrooken, rookte aan, heeft aangerookt.
Aanruischen, ruischte aan, is en heeft aangeruischt.
Aanrukken, rukte aan, heeft en is aangerukt.
Aanschaffen, schafte aan, heeft aangeschaft.
Aanschaffing, V., -schaffingen.
Aanschakelen, schakelde aan, heeft aangeschakeld.
Aanscharrelen, scharrelde aan, is aangescharreld.
Aanschellen, schelde aan, heeft aangescheld.
Aanscherpen, scherpte aan, heeft aangescherpt.
Aanscherping, V., -scherpingen.
Aanschieten, schoot aan, schoten aan, heeft en is aangeschoten.
Aanschijn, O.
Aanschikken, schikte aan, is aangeschikt.
Aanschoffelen (langzaam gaan), schoffelde aan, is aangeschoffeld.
Aanschoffelen (losmaken), schoffelde aan, heeft aangeschoffeld.
Aanschommelen, schommelde aan, is aangeschommeld.
Aanschouw, M.
Aanschouwbaar, -baarder, -baarst.
Aanschouwelijk of aanschouwlijk, -lijker, -lijkst.
Aanschouwelijkheid, V.
Aanschouwen, aanschouwde, heeft aanschouwd.
Aanschouwer, M., -schouwers en -schouweren.
Aanschouwing, V., -schouwingen.
Aanschouwingsvermogen, O.
Aanschrapen, schraapte aan, heeft aangeschraapt.
Aanschrappen, schrapte aan, heeft aangeschrapt.
Aanschreeuwen, schreeuwde aan, heeft aangeschreeuwd.
Aanschrijden, schreed aan, schreden aan, is aangeschreden.
Aanschrijven, schreef aan, schreven aan, heeft aangeschreven.
Aanschrijving, V., -schrijvingen.
Aanschrijvingsbiljet, O., -biljetten.
Aanschroeven, schroefde aan, heeft aangeschroefd.
Aanschuifelen, schuifelde aan, is aangeschuifeld.
Aanschuinen, schuinde aan, heeft aangeschuind.
Aanschuiven, schoof aan, schoven aan, heeft en is aangeschoven.
Aanschuiving, V., -schuivingen.
Aansjokken, sjokte aan, is aangesjokt.
Aansjorren, sjorde aan, heeft aangesjord.
Aansjorring, V., -sjorringen.
Aansjouwen, sjouwde aan, heeft en is aangesjouwd.
Aanslaan, slaat aan, sloeg aan, heeft en is aangeslagen.
Aanslag, M., -slagen.
Aanslagbeitel, M., -beitels.
Aanslagbiljet, O., -biljetten.
Aanslagkom, V., -kommen.
Aanslagraam, O., -ramen.
Aanslagrooster, M., -roosters.
Aanslagsteen, M., -steenen.
Aanslagstoel, M., -stoelen.
Aansleepen (voorttrekken), sleepte aan, heeft aangesleept.
Aansleeping, V., -sleepingen.
Aanslenteren, slenterde aan, is aangeslenterd.
Aanslepen (voortgaan), sleepte aan, is aangesleept.
Aansleuren, sleurde aan, heeft en is aangesleurd.
Aanslibben, slibde aan, is aangeslibd.
Aanslibbing, V., -slibbingen.
Aanslibsel, O., -slibsels.
Aanslijken, slijkte aan, is aangeslijkt.
Aanslijking, V., -slijkingen.
Aanslijmen, slijmde aan, is aangeslijmd.
Aanslijpen, sleep aan, slepen aan, heeft aangeslepen.
Aanslingeren, slingerde aan, heeft en is aangeslingerd.
Aansloffen, slofte aan, is aangesloft.
Aansluiken, slook aan, sloken aan, heeft aangesloken.
Aansluipen, sloop aan, slopen aan, is aangeslopen.
Aansluiten, sloot aan, sloten aan, heeft en is aangesloten.
Aansluiting, V., -sluitingen.
Aansluitingsplaats, V., -plaatsen.
Aansluitingspunt, O., -punten.
Aansmeden, smeedde aan, heeft aangesmeed.
Aansmelten, smolt aan, heeft aangesmolten.
Aansmelting, V.
Aansmeren, smeerde aan, heeft aangesmeerd.
Aansmering, V., -smeringen.
Aansmijten, smeet aan, smeten aan, heeft aangesmeten.
Aansnauwen, snauwde aan, heeft aangesnauwd.
Aansnede en Aansnee, V., -sneden.
Aansnellen, snelde aan, is aangesneld.
Aansnijden, sneed aan, sneden aan, heeft aangesneden.
Aansnijding, V.
Aansnoeren, snoerde aan, heeft aangesnoerd.
Aansnorren, snorde aan, is aangesnord.
Aansnuiven, snoof aan, snoven aan, is aangesnoven.
Aansoldeeren, soldeerde aan, heeft aangesoldeerd.
Aanspannen, spande aan, heeft en is aangespannen.
Aanspanner, M., -spanners.
Aanspanning, V., -spanningen.
Aanspatten, spatte aan, is aangespat.
Aanspelden, speldde aan, heeft aangespeld.
Aanspeten, speette aan, heeft aangespeet.
Aanspieën en aanspijen, spiede en spijde aan, heeft aangespied en
aangespijd.
Aanspijkeren, spijkerde aan, heeft aangespijkerd.
Aanspijlen, spijlde aan, heeft aangespijld.
Aanspinnen, spon aan, sponnen aan, heeft aangesponnen.
Aansplitsen, splitste aan, heeft aangesplitst.
Aansplitsing, V., -splitsingen.
Aanspoeden, spoedde aan, is aangespoed.
Aanspoelen, spoelde aan, heeft en is aangespoeld.
Aanspoeling, V., -spoelingen.
Aanspoelsel, O., -spoelsels.
Aansporen (opwekken), spoorde aan, heeft aangespoord.
Aansporen (met den spoorwagen), spoorde aan, is en heeft aangespoord.
Aansporing, V., -sporingen.
Aanspraak, V., -spraken. Aanspraakje, O., -jes.
Aansprakelijk en aanspraaklijk.
Aansprakelijkheid, V.
Aanspreken, sprak aan, spraken aan, heeft aangesproken.
Aanspreker, M., -sprekers.
Aanspringen, sprong aan, is en heeft aangesprongen.
Aanstaan, staat aan, stond aan, heeft aangestaan.
Aanstaand.
Aanstaande, M. en V., -staanden.
Aanstaarten, staartte aan, heeft aangestaart.
Aanstalte, V., -stalten.
Aanstampen, stampte aan, heeft en is aangestampt.
Aanstamper, M., -stampers.
Aanstamping, V., -stampingen.
Aanstappen, stapte aan, is en heeft aangestapt.
Aanstaren, staarde aan, heeft aangestaard.
Aansteekkast, V., -kasten.
Aansteigeren, steigerde aan, is aangesteigerd.
Aanstekelijk, -lijker, -lijkst.
Aanstekelijkheid, V.
Aansteken, stak aan, staken aan, heeft en is aangestoken.
Aanstekend, -stekender, -stekendst.
Aansteker, M., -stekers.
Aansteking, V., -stekingen.
Aanstellen, stelde aan, heeft aangesteld.
Aansteller, M., -stellers.
Aanstellerig.
Aanstelling, V., -stellingen.
Aanstemmen, stemde aan, heeft aangestemd.
Aanstempelen, stempelde aan, heeft aangestempeld.
Aanstempeling, V.
Aansterken, sterkte aan, is aangesterkt.
Aansterven, stierf aan, stierven aan, is aangestorven.
Aanstevenen, stevende aan, is en heeft aangestevend.
Aanstijven (stijver worden), stijfde aan, is aangestijfd.
Aanstijven (stijver maken, t. w. linnen), steef aan, steven aan,
heeft aangesteven.
Aanstikken, stikte aan, heeft aangestikt.
Aanstippen, stipte aan, heeft aangestipt.
Aanstipping, V., -stippingen.
Aanstoffen, stofte aan, heeft aangestoft.
Aanstoken, stookte aan, heeft aangestookt.
Aanstonds.
Aanstookster, V., -stooksters.
Aanstoomen, stoomde aan, is en heeft aangestoomd.
Aanstoot, M.
Aanstootelijk, -lijker, -lijkst.
Aanstootelijkheid, V., -heden.
Aanstooten, stiet aan, heeft aangestooten; ook stootte aan.
Aanstootend.
Aanstooting, V., -stootingen.
Aanstoppen, stopte aan, heeft aangestopt.
Aanstormen, stormde aan, is en heeft aangestormd.
Aanstort, O., -storten:
Aanstorten, stortte aan, heeft en is aangestort.
Aanstorting, V., -stortingen.
Aanstouwen (samenpakken), stouwde aan, heeft aangestouwd.
Aanstralen, straalde aan, heeft aangestraald.
Aanstranden, strandde aan, is aangestrand.
Aanstranding, V.
Aanstrepen, streepte aan, heeft aangestreept.
Aanstreping, V., -strepingen.
Aanstrijden, streed aan, streden aan, heeft aangestreden.
Aanstrijken, streek aan, streken aan, is en heeft aangestreken.
Aanstrikken, strikte aan, heeft aangestrikt.
Aanstrompelen, strompelde aan, is aangestrompeld.
Aanstroomen, stroomde aan, is en heeft aangestroomd.
Aanstudeeren, studeerde aan, heeft aangestudeerd.
Aanstuiven, stoof aan, stoven aan, is aangestoven.
Aanstuiving, V., -stuivingen.
Aansturen, stuurde aan, heeft aangestuurd.
Aanstuwen (aanduwen), stuwde aan, heeft aangestuwd.
Aansukkelen, sukkelde aan, is aangesukkeld.
Aantal, O.
Aantasten, tastte aan, heeft aangetast.
Aantasting, V., -tastingen.
Aanteekenaar, M., -teekenaars en -teekenaren.
Aanteekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Aanteekenen, teekende aan, heeft aangeteekend.
Aanteekengeld, O., -gelden.
Aanteekening, V., -teekeningen. Aanteekeningetje, O., -jes.
Aanteekeningspartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Aanteekenkantoor, O., -kantoren.
Aantelen, teelde aan, heeft aangeteeld.
Aanteling, V., -telingen.
Aantellen, telde aan, heeft aangeteld.
Aanteren, teerde aan, heeft aangeteerd.
Aantijgen, teeg aan, tegen aan, heeft aangetegen; ook tijgde aan,
heeft aangetijgd.
Aantijger, M., -tijgers.
Aantijging, V., -tijgingen.
Aantikken, tikte aan, heeft aangetikt.
Aantillen, tilde aan, heeft aangetild.
Aantimmeren, timmerde aan, heeft aangetimmerd.
Aantimmering, V., -timmeringen.
Aantocht, M.
Aantoonen, toonde aan, heeft aangetoond.
Aantoonend.
Aantooner, M., -tooners.
Aantooning, V.
Aantooveren, tooverde aan, heeft aangetooverd.
Aantorsen, torste aan, heeft aangetorst.
Aantrappen, trapte aan, heeft aangetrapt.
Aantrede en aantree, V., -treden.
Aantreden, trad aan, traden aan, is en heeft aangetreden.
Aantreffen, trof aan, troffen aan, heeft aangetroffen.
Aantrekkelijk, -lijker, -lijkst.
Aantrekkelijkheid, V., -heden.
Aantrekken, trok aan, trokken aan, heeft en is aangetrokken.
Aantrekker, M., -trekkers.
Aantrekking, V.
Aantrekkingskracht, V.
Aantrekkingsvermogen, O.
Aantrippelen, trippelde aan, is aangetrippeld.
Aantrouwen, trouwde aan, heeft aangetrouwd.
Aantrouwing, V.
Aantuigen, tuigde aan, heeft aangetuigd.
Aanvaarden, aanvaardde, heeft aanvaard.
Aanvaarder, M., -vaarders.
Aanvaarding, V., -vaardingen.
Aanvaardster, V., -vaardsters.
Aanvaart, V.
Aanval, M., -vallen.
Aanvallen, viel aan, is en heeft aangevallen.
Aanvallend.
Aanvallenderwijze en -wijs.
Aanvaller, M., -vallers.
Aanvallig, -valliger, -valligst.
Aanvalligheid, V., -heden.
Aanvalsfront, O., -fronten.
Aanvalskolonne, V., -kolonnen en -kolonnes.
Aanvalskreet, M., -kreten.
Aanvalsmijn, V., -mijnen.
Aanvalsplan, O., -plannen.
Aanvalspunt, O., -punten.
Aanvalssein, O., -seinen.
Aanvalsteeken, O., -teekens.
Aanvalsvertooning, V., -vertooningen.
Aanvalswapen, O., -wapenen en -wapens.
Aanvalswerk, O., -werken.
Aanvalswijze en -wijs, V., -wijzen.
Aanvang, M.
Aanvangen, ving aan, heeft en is aangevangen.
Aanvanger, M., -vangers.
Aanvangspunt, O., -punten.
Aanvankelijk.
Aanvaren, voer aan, is en heeft aangevaren.
Aanvaring, V., -varingen.
Aanvatten, vatte aan, heeft aangevat.
Aanvatter, M., -vatters.
Aanvatting, V., -vattingen.
Aanvechten, vocht aan, heeft aangevochten.
Aanvechter, M., -vechters.
Aanvechting, V., -vechtingen.
Aanvegen, veegde aan, heeft aangeveegd.
Aanverdienen, verdiende aan, heeft aanverdiend.
Aanversterven, verstierf aan, verstierven aan, is aanverstorven.
Aanversterving, V.
Aanvertrouwen, vertrouwde aan, heeft aanvertrouwd.
Aanverwant.
Aanverwant, M., -verwanten.
Aanverwante, V., -verwanten.
Aanverwantschap, V.
Aanvetten, vette aan, heeft en is aangevet.
Aanvijlen, vijlde aan, heeft aangevijld.
Aanvlakken, vlakte aan, heeft aangevlakt.
Aanvlakking, V., -vlakkingen.
Aanvlammen, vlamde aan, is en heeft aangevlamd.
Aanvlechten, vlocht aan, heeft aangevlochten.
Aanvliegen, vloog aan, vlogen aan, is en heeft aangevlogen.
Aanvlieten, vloot aan, vloten aan, is aangevloten.
Aanvloeien, vloeide aan, is aangevloeid.
Aanvlotten (aandrijven), vlotte aan, is aangevlot.
Aanvlotten (in vlotten aanvoeren), vlotte aan, heeft aangevlot.
Aanvoegen, voegde aan, heeft aangevoegd.
Aanvoegend.
Aanvoeging, V., -voegingen.
Aanvoegsel, O., -voegsels en -voegselen.
Aanvoelen, voelde aan, heeft aangevoeld.
Aanvoer, M., -voeren.
Aanvoerbuis, V., -buizen.
Aanvoerder, M., -voerders.
Aanvoerdoek, O.
Aanvoeren, voerde aan, heeft aangevoerd.
Aanvoering, V.
Aanvoerpijp, V., -pijpen.
Aanvoerrol, V., -rollen.
Aanvonken, vonkte aan, is aangevonkt.
Aanvraag en aanvrage, V., -vragen.
Aanvragen, vraagde aan, heeft aangevraagd; ook vroeg aan.
Aanvriezen, vroor aan, vroren aan, heeft en is aangevroren en
aangevrozen.
Aanvriezing, V.
Aanvullen, vulde aan, heeft aangevuld.
Aanvulling, V., -vullingen.
Aanvullingsexamen, O., -examens.
Aanvullingskohier, O., -kohieren.
Aanvullingsmanschap, V., -manschappen.
Aanvullingsspant, O., -spanten.
Aanvullingstroepen (mv.), M.
Aanvulsel, O., -vulsels.
Aanvuren, vuurde aan, heeft aangevuurd.
Aanvuring, V., -vuringen.
Aanwaaien, waaide aan, is en heeft aangewaaid; ook woei aan,
woeien aan.
Aanwachten, wachtte aan, heeft aangewacht.
Aanwaggelen, waggelde aan, is aangewaggeld.
Aanwakkeren, wakkerde aan, heeft en is aangewakkerd.
Aanwandelen, wandelde aan, is en heeft aangewandeld.
Aanwas, M., -wassen.
Aanwassen, wies aan, wiesen aan, is aangewassen.
Aanwassing, V., -wassingen.
Aanwellen, welde aan, heeft aangeweld.
Aanwendbaar, -bare.
Aanwenden, wendde aan, heeft aangewend.
Aanwending, V.
Aanwenken, wenkte aan, heeft aangewenkt.
Aanwennen (zich -), wende (zich) aan, heeft (zich) aangewend.
Aanwenning, V., -wenningen.
Aanwensel, O., -wensels en -wenselen.
Aanwenst, V., -wensten.
Aanwentelen, wentelde aan, heeft en is aangewenteld.
Aanwenteling, V., -wentelingen.
Aanwerken, werkte aan, heeft aangewerkt.
Aanwerpen, wierp aan, heeft aangeworpen.
Aanwerven, wierf aan, wierven aan, heeft aangeworven.
Aanwerver, M., -wervers.
Aanwerving, V., -wervingen.
Aanwetten, wette aan, heeft aangewet.
Aanweven, weefde aan, heeft aangeweven.
Aanwezen, O.
Aanwezend.
Aanwezig.
Aanwezigheid, V.
Aanwijeren, wijerde aan, heeft aangewijerd.
Aanwijsbaar, -bare.
Aanwijsster, V., -wijssters.
Aanwijzen, wees aan, wezen aan, heeft aangewezen.
Aanwijzend.
Aanwijzer, M., -wijzers.
Aanwijzing, V., -wijzingen.
Aanwinnen, won aan, wonnen aan, heeft aangewonnen.
Aanwinning, V., -winningen.
Aanwinst, V., -winsten.
Aanwippen, wipte aan, is aangewipt.
Aanwitten, witte aan, heeft aangewit.
Aanwoekeren, woekerde aan, heeft en is aangewoekerd.
Aanwortelen, wortelde aan, is aangeworteld.
Aanwrijven, wreef aan, wreven aan, heeft aangewreven.
Aanzaaien, zaaide aan, heeft aangezaaid.
Aanzagen, zaagde aan, heeft aangezaagd.
Aanzakken, zakte aan, is aangezakt.
Aanzanden, zandde aan, heeft aangezand.
Aanzeg, M.
Aanzeggen, zeide aan, heeft aangezegd en aangezeid.
Aanzegger, M., -zeggers.
Aanzegging, V., -zeggingen.
Aanzeghuis, O., -huizen.
Aanzeilen, zeilde aan, is en heeft aangezeild.
Aanzeiling, V., -zeilingen.
Aanzenden, zond aan, heeft aangezonden.
Aanzetbuis, V., -buizen.
Aanzethamer, M., -hamers.
Aanzethout, O., -houten.
Aanzetklos, M., -klossen.
Aanzetrasp, V., -raspen.
Aanzetriem, M., -riemen.
Aanzetschroef, V., -schroeven.
Aanzetsel, O., -zetsels.
Aanzetstaal, O., -stalen.
Aanzetster, V., -zetsters.
Aanzetstuk, O., -stukken.
Aanzetten, zette aan, heeft en is aangezet.
Aanzetter, M., -zetters.
Aanzetting, V., -zettingen.
Aanzetvijl, V., -vijlen.
Aanzeulen, zeulde aan, heeft en is aangezeuld.
Aanzicht, O., -zichten.
Aanzichten, aanzichtte.
Aanzien, zag aan, zagen aan, heeft aangezien.
Aanzien, O.
Aanziend.
Aanzienlijk, -lijker, -lijkst.
Aanzienlijkheid, V.
Aanzijn, O.
Aanzitten, zat aan, zaten aan, heeft aangezeten.
Aanzitting, V.
Aanzoek, O., -zoeken.
Aanzoeken, zocht aan, heeft aangezocht.
Aanzoeten, zoette aan, heeft en is aangezoet.
Aanzoeting, V., -zoetingen.
Aanzuigen (zich -), zoog zich aan, zogen zich aan, heeft zich
aangezogen.
Aanzuiging, V.
Aanzuiveren, zuiverde aan, heeft aangezuiverd.
Aanzuivering, V., -zuiveringen.
Aanzweepen, zweepte aan, heeft aangezweept.
Aanzwellen, zwol aan, zwollen aan, is aangezwollen.
Aanzwemmen, zwom aan, zwommen aan, is en heeft aangezwommen.
Aanzweven, zweefde aan, is aangezweefd.
Aanzwoegen, zwoegde aan, is aangezwoegd.
Aap, M., apen. Aapje, O., -jes.
Aapachtig.
Aapjessnuif, V.
Aapjeszeep, V.
Aar (korenaar), V., aren. Aartje, O., -jes.
Aar (ader), V., aren. Aartje, O., -jes.
Aard, M., Aardje, O.
Aardachtig.
Aardachtigheid, V.
Aardaker, M., -akers; -akertje, O., -jes.
Aardamandel, V., -amandels.
Aardangel, V.
Aardappel, M., -appelen en -appels; -appeltje, O., -jes.
Aardappelboer, M., -boeren; -boertje, O., -jes.
Aardappel-croquette, V., -croquettes.
Aardappeldeeg, O.
Aardappelmeel, O.
Aardappelplant, V., -planten.
Aardappelsoep, V.
Aardappelstijfsel, V.
Aardappelstroop, V.
Aardappeltaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Aardappelziekte, V.
Aardbei, V., -beien. Ook Aardbezie. Aardbeitje, O., -jes.
Aardbeienbed, O., -bedden.
Aardbeiengelei, V.
Aardbeien-jam, V.
Aardbeienteelt, V.
Aardbeientijd, M.
Aardberging, V., -bergingen.
Aardbeschrijver, M., -beschrijvers en -beschrijveren.
Aardbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Aardbeving, V., -bevingen.
Aardbevingsmeter, M., -meters.
Aardbewoner, M., -bewoners en -bewoneren.
Aardbezie (aardbei), V., aardbeziën (aardbeien).
Aardbezieboom, M., -boomen.
Aardbeziënbed, O., -bedden.
Aardbezieplant, V., -planten.
Aardbeziestruik, M., -struiken.
Aardbodem, M.
Aardbol, M.
Aardboog, M., -bogen.
Aardboor, V., -boren.
Aardbrand, M., -branden.
Aardbrood, O.
Aardbuil, V., -builen.
Aardduivel, M., -duivels.
Aarde, V.
Aardebaan, V., -banen.
Aardegoed, O.
Aarden, aardde, heeft geaard.
Aarden (bijv. nw.).
Aardewerk, O.
Aardewerkschuit, V., -schuiten.
Aardewerkswinkel, M., -winkels.
Aardgeest, M., -geesten.
Aardgewas, O., -gewassen.
Aardglobe, V., -globes.
Aardgoed, O.
Aardgordel, M., -gordels.
Aardhaling, V. -halingen.
Aardhars, V. en O., -harsen.
Aardhommel, M., -hommels.
Aardhoop, M., -hoopen.
Aardig, aardiger, aardigst.
Aardigheid, V., -heden; -heidje, O., -jes.
Aardigjes.
Aardklomp, M., -klompen.
Aardklont, V., -klonten.
Aardkloot, M., -klooten.
Aardkluit, V., -kluiten.
Aardkorst, V.
Aardkrekel, M., -krekels.
Aardkuil, M., -kuilen.
Aardkunde, V.
Aardkundig.
Aardkundige, M. en V., -kundigen.
Aardlaag, V., -lagen.
Aardlevering, V., -leveringen.
Aardmand, V., -manden.
Aardmannetje, O., -mannetjes.
Aardmeetkunst, V.
Aardmeter, M., -meters.
Aardmeting, V., -metingen.
Aardmier, V., -mieren; -miertje, O., -jes.
Aardmijt, V., -mijten.
Aardmolm en -mulm, O.
Aardmos, O., -mossen.
Aardmuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.
Aardnoot, V., -noten; -nootje, O., -jes.
Aardolie, V., -oliën.
Aardparkiet, M., -parkieten.
Aardpeer, V., -peren.
Aardpek, O.
Aardpimpernoot, V., -noten; -nootje, O., -jes.
Aardplakker, M., -plakkers.
Aardrijk, O.
Aardrijksbeschrijver, M., -beschrijvers en -beschrijveren.
Aardrijksbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Aardrijkskunde, V.
Aardrijkskundige, M. en V., -kundigen.
Aardroering, V., -roeringen.
Aardrol, V., -rollen.
Aardrolling, V.
Aardrook, M.
Aardsch.
Aardschgezind, -gezinder, -gezindst.
Aardschgezindheid, V.
Aardschheid, V.
Aardschok, M., -schokken.
Aardschors, V.
Aardschudding, V., -schuddingen.
Aardschuit, V., -schuiten.
Aardslak, V., -slakken.
Aardslang, V., -slangen.
Aardspin, V., -spinnen.
Aardstamper, M., -stampers.
Aardster, V., -sterren.
Aardstrik, M., -strikken.
Aardtor, V., -torren.
Aardtrapper, M., -trappers.
Aardvarken, O., -varkens.
Aardvast.
Aardveil, O.
Aardverf, V., -verven.
Aardverschuiving, V., -verschuivingen.
Aardvloo, V., -vlooien.
Aardvork, V., -vorken.
Aardvrucht, V., -vruchten.
Aardwas, O.
Aardwerk, O., -werken.
Aardwerker, M., -werkers.
Aardwind, V., -winden.
Aardwolf, M., -wolven.
Aardworm en -wurm, M., -wormen en -wurmen; -wormpje en -wurmpje,
O., -jes.
Aardzak, M., -zakken.
Aars, M., aarzen. Aarsje, O., -jes.
Aarsvin, V., -vinnen.
Aartsbedrieger, M., -bedriegers.
Aartsbedriegster, V., -bedriegsters.
Aartsbisdom, O., -bisdommen.
Aartsbisschop, M., -bisschoppen.
Aartsbisschoppelijk.
Aartsdeugniet, M., -deugnieten.
Aartsdiaken, M., -diakenen en -diakens.
Aartsdiakenschap, O., -schappen.
Aartsdiocese, V., ook -diocees, O., -diocesen.
Aartsdomkop, M., -domkoppen.
Aartsengel, M., -engelen.
Aartshertog, M., -hertogen.
Aartshertogdom, O., -dommen.
Aartshertogelijk.
Aartshertogin, V., -hertoginnen.
Aartskanselier, M., -kanseliers en -kanselieren.
Aartsketter, M., -ketters.
Aartsleugenaar, M., -leugenaars en -leugenaren.
Aartsliefhebber, M., -liefhebbers.
Aartspriester, M., -priesters.
Aartspriesterschap, O., -schappen.
Aartsschelm, M., -schelmen.
Aartsvader, M., -vaders en -vaderen.
Aartsvaderlijk.
Aartsvijand, M., -vijanden.
Aartsvijandin, V., -vijandinnen.
Aarzelen, aarzelde, heeft geaarzeld.
Aarzeling, V., aarzelingen.
Aas (spijs), O.
Aas (gewicht en eenheid in 't spel), O., azen. Aasje, O., -jes.
Aasdomsrecht, O.
Aasjager, M., -jagers.
Aasklauw, M., -klauwen.
Aasraaf, M., -raven.
Aastor, V., -torren.
Aasvlieg, V., -vliegen.
Ab of abc, O., AB's of ABC's.
Abandonneeren, abandonneerde, heeft geabandonneerd.
Ab-bank, V., -banken; -bankje, O., -jes.
Abberdaan. Zie Labberdaan.
Ab-boek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Ab-bord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Abdij, V., abdijen.
Abdis, V., abdissen.
Abeel, M., abeelen. Abeeltje, O., -jes.
Abel, abeler, abelst.
Abelheid, V., -heden; -heidje, O., -jes.
Abelmosch, V.
Ab-kind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes.
Ablatief en ablativus, M., ablatieven.
Abolitie, V.
Abonneeren, abonneerde, heeft en is geabonneerd.
Abonnement, O., abonnementen.
Abonnementsconcert, O., -concerten.
Abonnementskaart, V., -kaarten.
Abonnementsvoorstelling, V., -voorstellingen.
Ab-plank, V., -planken; -plankje, O., -jes.
Abracadabra, O.
Abrikoos (naam van den boom), M.; (naam van de vrucht), V.,
abrikozen. Abrikoosje, O., -jes.
Abrikozeboom, M., -boomen.
Abrikozengelei, V.
Abrikozentaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Abrikozepit, V., -pitten; -pitje, O., -jes.
Ab-school, V., -scholen; -schooltje, O., -jes.
Absint, O. en V.
Absolutie, V.
Absolutisme, O.
Absoluut, absoluter, absoluutst.
Absolveeren, absolveerde, heeft geabsolveerd.
Abstract, abstracter, abstractst.
Abstractie, V., abstractiën en abstracties.
Abstraheeren, abstraheerde, heeft geabstraheerd.
Abt, M., abten.
Abuis, O., abuizen. Abuisje, O., -jes.
Abuseeren, abuseerde, heeft geabuseerd.
Abusief, abusieve.
Abusievelijk.
Acacia, M., acacia's.
Academie, V., academiën en academies.
Academiefeest, O., -feesten.
Academiegebouw, O., -gebouwen.
Academiejaar, O., -jaren.
Academiestad, V., -steden.
Academievergadering, V., -vergaderingen.
Academievriend, M., -vrienden.
Academisch.
Accent, O., accenten. Accentje, O., -jes.
Accentueeren, accentueerde, heeft geaccentueerd.
Acceptant, M., acceptanten.
Acceptatie, V., acceptatiën en acceptaties.
Accepteeren, accepteerde, heeft geaccepteerd.
Accijns, M., accijnzen.
Accountant, M., accountants.
Accumulator, M., accumulatoren.
Accuraat, accurater, accuraatst.
Accuratesse, V.
Accusatief en accusativus, M., accusatieven.
Acetyleengas, O.
Acetyleenlantaren, -lantaarn, V., -lantarens, -lantaarns.
Ach.
Acht (ban), V.
Acht (toezicht), V.
Acht (telwoord). Als znw., V., achten. Achtje, O., -jes.
Achtbaar, -baarder, -baarst.
Achtbaarheid, V., -heden.
Achtehalf, -halve.
Achtel, O., achtels.
Achteling, M., achtelingen.
Achteloos, achteloozer, achteloost.
Achteloosheid, V., -heden.
Achten, achtte, heeft geacht.
Achtendeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.
Achtenswaard, -waarder, -waardst.
Achtenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Achtenswaardigheid, V.
Achtentwintiger, M., -twintigers.
Achter.
Achteraan.
Achteraanblijven, bleef achteraan, bleven achteraan, is
achteraangebleven.
Achteraankomen, komt achteraan, kwam achteraan, kwamen achteraan,
is achteraangekomen.
Achteraanloopen, liep achteraan, heeft en is achteraangeloopen.
Achteraanzeilen, zeilde achteraan, heeft achteraangezeild.
Achteraf.
Achteraf, O., -affen.
Achterafbrengen, bracht achteraf, heeft achterafgebracht.
Achterbaks (bijw.).
Achterbaksch (bnw.).
Achterband, M., -banden.
Achterbank, V., -banken.
Achterbeen, O., -beenen.
Achterbeslag, O., -beslagen.
Achterblijfster, V., -blijfsters.
Achterblijven, bleef achter, bleven achter, is achtergebleven.
Achterblijver, M., -blijvers.
Achterboelijn, V., -boelijns.
Achterboom, M., -boomen.
Achterbout, M., -bouten.
Achterbuur, M. en V., -buren.
Achterbuurt, V., -buurten.
Achterdeel (plank), V., -delen.
Achterdeel (gedeelte), O., -deelen.
Achterdeur, V., -deuren.
Achterdocht, V.
Achterdochtig, -dochtiger, -dochtigst.
Achterdochtigheid, V.
Achterdoek, O., -doeken.
Achterdwarstouw, O., -touwen.
Achtereen.
Achtereenvolgend.
Achtereenvolgens.
Achtereinde, O., -einden.
Achterelkander.
Achteren. (Naar -, ten -, van -).
Achtergaan, gaat achter, ging achter, heeft achtergegaan.
Achtergang, V., -gangen.
Achtergrond, M., -gronden.
Achterhalen, achterhaalde, heeft achterhaald.
Achterhaling, V., -halingen.
Achterhande (van acht soorten).
Achterhandsbeentje, O., -beentjes.
Achterheen.
Achterhoede, V., -hoeden.
Achterhoek, M., -hoeken.
Achterhoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Achterhouden, hield achter, heeft achtergehouden.
Achterhoudend, -houdender, -houdendst.
Achterhoudendheid, V.
Achterhoudend, V.
Achterhuis, O., -huizen.
Achterin.
Achterkabel, M., -kabels.
Achterkamer, V., -kamers.
Achterkant, M., -kanten.
Achterkasteel, O., -kasteelen.
Achterklap, M.
Achterklappen.
Achterklapper, M., -klappers.
Achterklapster, V., -klapsters.
Achterkleinzoon, M., -zonen en -zoons.
Achterkousig, -kousiger, -kousigst.
Achterkousigheid, V.
Achterlader, M., -laders.
Achterlap, M., -lappen.
Achterlast, M., -lasten.
Achterlaten, liet achter, heeft achtergelaten.
Achterlating, V.
Achterleen, O., -leenen.
Achterlei (van acht soorten).
Achterliggen, lag achter, lagen achter, heeft achtergelegen.
Achterlijk, -lijker, -lijkst.
Achterlijkheid, V., -heden.
Achterloopen, liep achter, heeft achtergeloopen.
Achterloopsch.
Achterloopschheid, V.
Achterluik, O., -luiken.
Achtermiddag, M., -middagen.
Achterna.
Achternaad, M., -naden.
Achternagaan, gaat achterna, ging achterna, is en heeft achternagegaan.
Achternaloopen, liep achterna, is en heeft achternageloopen.
Achternarijden, reed achterna, reden achterna, is en heeft
achternagereden.
Achternasturen, stuurde achterna, heeft achternagestuurd.
Achternazenden, zond achterna, heeft achternagezonden.
Achternazetten, zette achterna, heeft achternagezet.
Achternazitten, zat achterna, zaten achterna, heeft achternagezeten.
Achterneef, M., -neven.
Achterom.
Achterom, O.
Achteromloopen, liep achterom, is achteromgeloopen.
Achteronder, O.
Achterop.
Achteropkomen, komt achterop, kwam achterop, kwamen achterop,
is achteropgekomen.
Achteroploopen, liep achterop, is achteropgeloopen.
Achterover.
Achteroverliggen, lag achterover, lagen achterover, heeft
achterovergelegen.
Achterovervallen, viel achterover, is achterovergevallen.
Achterplecht, V., -plechten.
Achterpoort, V., -poorten.
Achterpoot, M., -pooten.
Achterruim, O.
Achterschip, O., -schepen.
Achterspil, O., -spillen.
Achterst.
Achterstaan, stond achter, heeft achtergestaan.
Achterstaand.
Achterstal, M., -stallen.
Achterstallig.
Achterstand, M., -standen.
Achterste, O.
Achterstel, O., -stellen.
Achterstellen, stelde achter, heeft achtergesteld.
Achterstelling, V.
Achtersteven, M., -stevens.
Achterstijl, M., -stijlen.
Achterstraat, V., -straten.
Achterstreng, V., -strengen.
Achterstuk, O., -stukken.
Achtertalie, V., -talies.
Achtertrap, V., -trappen.
Achteruit.
Achteruit, O. Achteruitje, O., -jes.
Achteruitboeren, boerde achteruit, is en heeft achteruitgeboerd.
Achteruitdeinzen, deinsde achteruit, is achteruitgedeinsd.
Achteruitgaan, gaat achteruit, ging achteruit, is achteruitgegaan.
Achteruitgang, M.
Achteruitkrabbelen, krabbelde achteruit, is achteruitgekrabbeld.
Achteruitkrabben, krabde achteruit, is achteruitgekrabd.
Achteruitleeren, leerde achteruit, is en heeft achteruitgeleerd.
Achteruitloopen, liep achteruit, is achteruitgeloopen.
Achteruitraken, raakte achteruit, is achteruitgeraakt.
Achteruitrijden, reed achteruit, reden achteruit, is en heeft
achteruitgereden.
Achteruitschoppen, schopte achteruit, heeft achteruitgeschopt.
Achteruitschuiven, schoof achteruit, schoven achteruit, heeft
achteruitgeschoven.
Achteruitslaan, slaat achteruit, sloeg achteruit, heeft
achteruitgeslagen.
Achteruitvallen, viel achteruit, is achteruitgevallen.
Achteruitwerken, werkte achteruit, heeft achteruitgewerkt.
Achteruitwijken, week achteruit, weken achteruit, is achteruitgeweken.
Achteruitzeilen, zeilde achteruit, is achteruitgezeild.
Achteruitzetten, zette achteruit, heeft achteruitgezet.
Achteruitzitten, zat achteruit, zaten achteruit, heeft
achteruitgezeten.
Achtervak, O., -vakken.
Achtervertrek, O., -vertrekken.
Achtervoegen, voegde achter, heeft achtergevoegd.
Achtervoeging, V.
Achtervoegsel, O., -voegsels; -voegseltje, O., -jes.
Achtervolgen, achtervolgde, is en heeft achtervolgd.
Achtervolgens.
Achtervolging, V., -volgingen.
Achterwaarts (bijw.).
Achterwaartsch (bnw.).
Achterweg, M., -wegen.
Achterwege.
Achterwerk, O., -werken.
Achterwiel, O., -wielen.
Achterzak, M., -zakken.
Achterzeilen, zeilde achter, is en heeft achtergezeild.
Achtgeving, V.
Achthelmig.
Achthoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes.
Achthoekig.
Achthonderd.
Achting, V.
Achtjarig.
Achtkant (bnw.).
Achtkant, O., -kanten; -kantje, O., -jes.
Achtkantig.
Achtlettergrepig.
Achtmaal.
Achtmaandsch.
Achtmannig.
Achtponder, M., -ponders.
Achtpootig.
Achtpuntig.
Achtregelig.
Achtste.
Achtste, O., achtsten. Achtstetje, O., -jes.
Achtstijlig.
Achttal, O., -tallen.
Achttien.
Achttiende.
Achtvlak, O., -vlakken.
Achtvlakkig.
Achtvoetig.
Achtvoud, O., -vouden.
Achtvoudig.
Achtwerf.
Achtzaam, achtzamer, achtzaamst.
Achtzijdig.
Acrobaat, M., -baten.
Acrobatentoer, M., -toeren.
Acteeren, acteerde, heeft geacteerd.
Acteur, M., acteurs.
Acteursloopbaan, V.
Actie, V., actiën en acties.
Actief, actiever, actiefst.
Actief, O.
Activiteit, V.
Actrice, V., actrices.
Actualiteit, V.
Actueel, actueele.
Acustiek, V.
Adagio, O., adagio's.
Adamsappel, M., -appels en -appelen.
Adamskostuum, O.
Adamsvork, V.
Adat, V.
Adatrecht, O.
Adder, V., adders en adderen. Addertje, O., -jes.
Adderengebroed, O.
Adderengebroedsel, O.
Addertong, V., -tongen.
Addervaren, V., -varens.
Additioneel, additioneele.
Adel, M.
Adelaar, M., adelaren en adelaars.
Adelaarsblik, M., -blikken.
Adelaarshout, O.
Adelaarsnest, O., -nesten.
Adelaarsoog, O., -oogen.
Adelaarssteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Adelaarsveer, V., -veren.
Adelaarsvleugel, M., -vleugels en -vleugelen.
Adelaarsvlucht, V., -vluchten.
Adelborst, M., -borsten; -borstje, O., -jes.
Adelbrief, M., -brieven.
Adeldom, M.
Adelen, adelde, heeft geadeld.
Adellijk.
Adelstand, M.
Adeltrots, M.
Adem, M.
Ademen, ademde, heeft geademd.
Ademhalen, haalde adem, heeft ademgehaald.
Ademhaling, V., -halingen.
Ademhalingsproces, O.
Ademhalingswerktuig, O., -werktuigen.
Ademloos, -looze.
Ademtocht, M.
Ader (aar), V., aderen. Adertje, O., -jes.
Aderbreuk, V., -breuken.
Aderig, aderiger, aderigst.
Aderlaten, heeft adergelaten.
Aderlater, M., -laters.
Aderlating, V., -latingen; -latinkje, O., -jes.
Aderlijk.
Aderspat, V., -spatten.
Adhaesie, V.
Adieu.
Adjectief, O., adjectieven.
Adjudant, M., adjudanten.
Adjudant-onderofficier, M., -officieren.
Adjunct, M., adjuncten.
Adjunct-administrateur, M., adjunct-administrateuren en -teurs.
Adjunct-commies, M., adjunct-commiezen.
Adjunct-houtvester, M., adjunct-houtvesters.
Administrateur, M., administrateuren en administrateurs.
Administratie, V., administratiën en administraties.
Administratief, administratieve.
Admiraal, M., admiraals en admiralen.
Admiraal-generaal, M., admiraals- en admiralen-generaal.
Admiraalschap (ambt van admiraal), O.
Admiraalsschip, O., -schepen.
Admiraalsuniform, V., -uniformen.
Admiraalsvlag, V., -vlaggen.
Admiraalzeilen, O.
Admiraliteit, V., admiraliteiten.
Admiraliteitscollege, O., -colleges.
Admiraliteitshof, O.
Admiraliteitskamer, V., -kamers.
Admissie, V.
Admissie-examen, O., -examens.
Admitteeren, admitteerde, heeft geadmitteerd.
Adonis, M., Adonissen. Adonisje, O., -jes.
Adoniseeren (zich -), adoniseerde zich, heeft zich en is geadoniseerd.
Adres, O., adressen. Adresje, O., -jes.
Adresbeweging, V., -bewegingen.
Adresboek, O., -boeken.
Adreskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Adressant, M., adressanten.
Adressante, V., adressanten.
Adresseeren, adresseerde, heeft geadresseerd.
Adspirant en aspirant, M., adspiranten en aspiranten.
Adspirant-ingenieur, M., adspirant-ingenieurs.
Advenant (Naar -).
Advent, M.
Adverteeren, adverteerde, heeft geadverteerd.
Advertentie, V., advertentiën en advertenties.
Advertentieblad, O., -bladen.
Advertentiebureau, O., -bureau's.
Advertentiekosten (mv.), M.
Advies, O., adviezen. Adviesje, O., -jes.
Adviesjacht, O., -jachten.
Adviseeren, adviseerde, heeft geadviseerd.
Adviseur, M., adviseurs.
Advocaat, M., advocaten. Advocaatje, O., -jes.
Advocaat-generaal, M., advocaten-generaal.
Advocatenborrel, V.
Advocatenkamer, V., -kamers.
Advocatenkantoor, V., -kantoren.
Advocatenstreek, M., -streken; -streekje, O., -jes.
Advocaterij, V.
Aequator, M.
Aëroliet, M., aërolieten.
Aëronaut, M., aëronauten.
Aëroplaan, V., aëroplanen.
Aesculaap, M., aesculapen.
Aesthetica, V.
Aesthetisch.
Aether, M.
Af.
Afbaarden, baardde af, heeft afgebaard.
Afbaarder, M., -baarders.
Afbaarzen, baarsde af, heeft afgebaarsd.
Afbabbelen, babbelde af, heeft afgebabbeld.
Afbakenen, bakende af, heeft afgebakend.
Afbakening, V., -bakeningen.
Afbakken, bakte af, heeft afgebakken.
Afbarsten, barstte af, is afgebarsten; ook borst af, is afgeborsten.
Afbasten, bastte af, heeft en is afgebast.
Afbedelen, bedelde af, heeft afgebedeld.
Afbeelden, beeldde af, heeft afgebeeld.
Afbeelding, V., -beeldingen. Afbeeldinkje, O., -jes.
Afbeeldsel, O., -beeldsels en -beeldselen.
Afbeitelen, beitelde af, heeft afgebeiteld.
Afbersten. Zie Afbarsten.
Afbestellen, bestelde af, heeft afbesteld.
Afbetalen, betaalde af, heeft afbetaald.
Afbetaling, V., -betalingen.
Afbetten, bette af, heeft afgebet.
Afbeulen, beulde af, heeft afgebeuld.
Afbidden, bad af, baden af, heeft afgebeden.
Afbidding, V.
Afbijten, beet af, beten af, heeft afgebeten.
Afbikken, bikte af, heeft afgebikt.
Afbiljoenen, biljoende af, heeft afgebiljoend.
Afbinden, bond af, heeft afgebonden.
Afbinder, M., -binders.
Afbinding, V., -bindingen.
Afblaaspijp, V., -pijpen.
Afbladderen, bladderde af, is afgebladderd.
Afbladen, blaadde af, heeft afgeblaad.
Afblakeren, blakerde af, heeft afgeblakerd.
Afblaren, blaarde af, is afgeblaard.
Afblazen, blies af, bliezen af, heeft afgeblazen.
Afblijven, bleef af, bleven af, is afgebleven.
Afbliksemen, bliksemde af, heeft afgebliksemd.
Afblokken (zich -), blokte zich af, heeft zich en is afgeblokt.
Afboeken, boekte af, heeft afgeboekt.
Afboenen, boende af, heeft afgeboend.
Afbonken, bonkte af, heeft afgebonkt.
Afbonzen, bonsde af, heeft en is afgebonsd.
Afboomen, boomde af, heeft en is afgeboomd.
Afborstelen, borstelde af, heeft afgeborsteld.
Afborsteling, V., -borstelingen.
Afbottelen, bottelde af, heeft afgebotteld.
Afbouwen, bouwde af, heeft afgebouwd.
Afbraak, V.
Afbranden, brandde af, is en heeft afgebrand.
Afbranding, V., -brandingen.
Afbrandsel, O.
Afbrassen, braste af, is afgebrast.
Afbreien, breide af, heeft afgebreid.
Afbreken, brak af, braken af, heeft en is afgebroken.
Afbreker, M., -brekers.
Afbreking, V., -brekingen.
Afbrengen, bracht af, heeft afgebracht.
Afbrenger, M., -brengers.
Afbrenging, V.
Afbreuk, V.
Afbroddelen, broddelde af, heeft afgebroddeld.
Afbrokkelen, brokkelde af, heeft en is afgebrokkeld.
Afbrokkeling, V.
Afbruien, bruide af, heeft en is afgebruid.
Afbruisen, bruiste af, is afgebruist.
Afbuien, buide af, is afgebuid.
Afbuigen, boog af, bogen af, heeft en is afgebogen.
Afbuitelen, buitelde af, is en heeft afgebuiteld.
Afdak, O., -daken. Afdakje, O., -jes.
Afdakking, V., -dakkingen.
Afdalen, daalde af, is afgedaald.
Afdaling, V., -dalingen.
Afdammen, damde af, heeft afgedamd.
Afdamming, V., -dammingen. Afdamminkje, O., -jes.
Afdanken, dankte af, heeft afgedankt.
Afdanken, V., -dankingen.
Afdansen, danste af, heeft en is afgedanst.
Afdeelen, deelde af, heeft afgedeeld.
Afdeeling, V., -deelingen. Afdeelinkje, O., -jes.
Afdeelings-chef, M., -chefs.
Afdeinzen, deinsde af, is afgedeinsd.
Afdeinzing, V.
Afdekken, dekte af, heeft afgedekt.
Afdekker, M., -dekkers.
Afdekkerij, V., -dekkerijen.
Afdekking, V., -dekkingen.
Afdienen, diende af, heeft afgediend.
Afdieven, diefde af, heeft afgediefd.
Afdijken, dijkte af, heeft afgedijkt.
Afdijking, V., -dijkingen.
Afdingen, dong af, heeft afgedongen.
Afdinger, M., -dingers.
Afdingster, V., -dingsters.
Afdoen, deed af, deden af, heeft afgedaan.
Afdoend.
Afdoener, M., -doeners.
Afdoening, V., -doeningen.
Afdokken, dokte af, heeft afgedokt.
Afdolen, doolde af, is afgedoold.
Afdoling, V., -dolingen.
Afdonderen, donderde af, is en heeft afgedonderd.
Afdoppen, dopte af, heeft en is afgedopt.
Afdorschen, dorschte af, heeft afgedorscht.
Afdraaien, draaide af, is en heeft afgedraaid.
Afdraaier, M., -draaiers.
Afdraaiing, V., -draaiingen.
Afdragen, droeg af, heeft afgedragen.
Afdrager, M., -dragers.
Afdraven, draafde af, is en heeft afgedraafd.
Afdreigen, dreigde af, heeft afgedreigd.
Afdreiging, V., -dreigingen.
Afdrentelen, drentelde af, is afgedrenteld.
Afdribbelen, dribbelde af, is afgedribbeld.
Afdrift, V.
Afdrijven, dreef af, dreven af, is en heeft afgedreven.
Afdrijvend.
Afdrijver, M., -drijvers.
Afdrijving, V., -drijvingen.
Afdringen, drong af, heeft afgedrongen.
Afdrinken, dronk af, heeft afgedronken.
Afdrogen, droogde af, heeft afgedroogd.
Afdroging, V., -drogingen.
Afdruipbak, M., -bakken.
Afdruipen, droop af, dropen af, is afgedropen.
Afdruiping, V., -druipingen.
Afdruk, M., -drukken. Afdrukje, O., -jes.
Afdrukken, drukte af, heeft afgedrukt.
Afdruksel, O., -druksels en -drukselen. Afdrukseltje, O., -jes.
Afdruppelen, druppelde af, is afgedruppeld.
Afdruppeling, V.
Afdruppen, drupte af, is afgedrupt.
Afduikelen, duikelde af, heeft en is afgeduikeld.
Afduwen, duwde af, heeft afgeduwd.
Afdwalen, dwaalde af, is afgedwaald.
Afdwaling, V., -dwalingen.
Afdweilen, dweilde af, heeft afgedweild.
Afdweiling, V., -dweilingen.
Afdwingen, dwong af, heeft afgedwongen.
Afeischen, eischte af, heeft afgeëischt.
Afeten, at af, aten af, heeft afgegeten.
Afexerceeren, exerceerde af, heeft afgeëxerceerd.
Affaire, V., affaires.
Affeilen, feilde af, heeft afgefeild.
Affiche, O., affiches.
Affietsen, fietste af, heeft afgefietst.
Affodil en Affodille, V., affodillen.
Affront, O., affronten.
Affronteeren, affronteerde, heeft geaffronteerd.
Affuit, V., affuiten.
Affutselen, futselde af, heeft afgefutseld.
Afgaan, gaat af, ging af, is en heeft afgegaan.
Afgang, M., -gangen.
Afgebliksemd.
Afgebroken.
Afgebruiken, gebruikte af, heeft afgebruikt.
Afgedokterd.
Afgedonderd.
Afgedraaid.
Afgeduiveld.
Afgeknot, -geknotte.
Afgelasten, gelastte af, heeft afgelast.
Afgeleefd.
Afgeleefdheid, V.
Afgelegen, -gelegener, -gelegenst.
Afgelegenheid, V.
Afgemat, -gematte.
Afgematheid, V.
Afgemeten, -gemetener, -gemetenst.
Afgemetenheid, V.
Afgepast, -gepaster, meest afgepast.
Afgepastheid, V.
Afgerazend.
Afgericht, -gerichter, -gerichtst.
Afgerichtheid, V.
Afgerukt.
Afgescheidene, M. en V., -gescheidenen.
Afgescheidenheid, V.
Afgesloofd.
Afgesloofdheid, V.
Afgesloten.
Afgeslotenheid, V.
Afgesneden.
Afgestampt.
Afgestompt.
Afgestorvene, M. en V., -gestorvenen.
Afgetobd.
Afgetrokken, -getrokkener, -getrokkenst.
Afgetrokkenheid, V.
Afgevaardigde, M. en V., -gevaardigden.
Afgevast.
Afgeven, gaf af, gaven af, heeft afgegeven.
Afgever, M., -gevers.
Afgeving, V.
Afgewend.
Afgezaagd, -gezaagder, -gezaagdst.
Afgezant, M., -gezanten.
Afgezante, V., -gezanten.
Afgezien.
Afgezonderd.
Afgieren, gierde af, is afgegierd.
Afgieten, goot af, goten af, heeft afgegoten.
Afgieter, M., -gieters.
Afgieting, V., -gietingen.
Afgietsels, O., -gietsels.
Afgietseldiertje, O., -diertjes.
Afgifte en Afgift, V.
Afglijden, gleed af, gleden af, is afgegleden.
Afglijding, V., -glijdingen.
Afglippen, glipte af, is afgeglipt.
Afgod, M., -goden. Afgodje, O., -jes.
Afgodeeren, afgodeerde, heeft geafgodeerd.
Afgodendienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Afgodendienst, M.
Afgodentempel (van twee of meer afgoden), M., -tempels en -tempelen.
Afgoderij, V., -goderijen.
Afgodes, V., -godessen.
Afgodisch.
Afgodist, M., -godisten.
Afgodsbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Afgodstempel (van éénen afgod), M., -tempels en -tempelen.
Afgolven, golfde af, heeft en is afgegolfd.
Afgooien, gooide af, heeft afgegooid.
Afgrauw, M.
Afgrauwen, grauwde af, heeft afgegrauwd.
Afgraven, groef af, groeven af, heeft afgegraven.
Afgraving, V., -gravingen.
Afgrazen, graasde af, heeft afgegraasd.
Afgrazing, V.
Afgreppelen, greppelde af, heeft afgegreppeld.
Afgrijpen, greep af, grepen af, heeft afgegrepen.
Afgrijselijk en afgrijslijk, -lijker, -lijkst.
Afgrijselijkheid en Afgrijslijkheid, V., -heden.
Afgrijzen, O.
Afgrijzing, V.
Afgrissen, griste af, heeft afgegrist.
Afgrommen, gromde af, heeft afgegromd.
Afgrond, M., -gronden.
Afgronden, grondde af, heeft afgegrond.
Afgunst, V.
Afgunstig, -gunstiger, -gunstigst.
Afgunstigheid, V., -heden.
Afgutsen, gutste af, is en heeft afgegutst.
Afhaken, haakte af, heeft afgehaakt.
Afhaker, M., -hakers.
Afhaking, V., -hakingen.
Afhakken, hakte af, heeft afgehakt.
Afhakker, M., -hakkers.
Afhalen, haalde af, heeft afgehaald.
Afhaler, M., -halers.
Afhaling, V.
Afhameren, hamerde af, heeft afgehamerd.
Afhandelen, handelde af, heeft afgehandeld.
Afhandeling, V.
Afhandig.
Afhangeling, M. en V., -hangelingen. V. ook afhangelinge.
Afhangen, hing af, heeft afgehangen.
Afhangzaag, V., -zagen; -zaagje, O., -jes.
Afhankelijk en Afhanklijk, -lijker, -lijkst.
Afhankelijkheid en Afhanklijkheid, V.
Afhappen, hapte af, heeft afgehapt.
Afharen, haarde af, heeft en is afgehaard.
Afharken, harkte af, heeft afgeharkt.
Afhaspelen, haspelde af, heeft afgehaspeld.
Afhebben, heeft af, had af, hadden af, heeft afgehad.
Afhechten, hechtte af, heeft afgehecht.
Afheffen, hief af, hieven af, heeft afgeheven.
Afheien, heide af, heeft afgeheid.
Afheinen, heinde af, heeft afgeheind.
Afheining, V., -heiningen. Afheininkje, O., -jes.
Afhellen, helde af, heeft afgeheld.
Afhelling, V., -hellingen.
Afhelpen, hielp af, heeft afgeholpen.
Afhengelen, hengelde af, heeft afgehengeld.
Afhielen, hielde af, heeft afgehield.
Afhijschen, heesch af, heschen af, heeft afgeheschen.
Afhoeven, hoefde af, heeft afgehoefd.
Afhollen, holde af, heeft en is afgehold.
Afhoogen, hoogde af, heeft afgehoogd.
Afhouden, hield af, heeft afgehouden.
Afhouding, V.
Afhouwen, hieuw af, heeft afgehouwen.
Afhouwing, V., -houwingen.
Afhuilen, huilde af, heeft afgehuild.
Afhuren, huurde af, heeft afgehuurd.
Afhuring, V., -huringen.
Afhuurder, M., -huurders.
Afhuurster, V., -huursters.
Afijlen, ijlde af, is afgeijld.
Afjacht, V.
Afjachten, jachtte af, heeft afgejacht.
Afjagen, jaagde af, heeft afgejaagd; ook joeg af.
Afjakkeren, jakkerde af, heeft afgejakkerd.
Afjakkering, V., -jakkeringen.
Afjapen, jaapte af, heeft afgejaapt.
Afkaatsen, kaatste af, heeft en is afgekaatst.
Afkaatsing, V., -kaatsingen.
Afkabbelen, kabbelde af, heeft en is afgekabbeld.
Afkabbeling, V.
Afkaden, kaadde af, heeft afgekaad.
Afkading, V., -kadingen.
Afkakelen, kakelde af, heeft afgekakeld.
Afkalken, kalkte af, heeft en is afgekalkt.
Afkalking, V.
Afkalven (van aardwerken), kalfde af, is afgekalfd.
Afkalving, V., -kalvingen.
Afkammen, kamde af, heeft afgekamd.
Afkamming, V., -kammingen.
Afkantelen, kantelde af, heeft en is afgekanteld.
Afkanteling, V.
Afkanten, kantte af, heeft afgekant.
Afkanting, V.
Afkapen, kaapte af, heeft afgekaapt.
Afkappen, kapte af, heeft afgekapt.
Afkapper, M., -kappers.
Afkapping, V., -kappingen.
Afkappingsteeken, O., -teekens.
Afkapsel, O., -kapsels.
Afkauwen, kauwde af, heeft afgekauwd.
Afkeer, M.
Afkeeren, keerde af, heeft en is afgekeerd.
Afkeerig, -keeriger, -keerigst.
Afkeerigheid, V., -heden.
Afkeering, V., -keeringen.
Afkeilen, keilde af, heeft afgekeild.
Afkerven, korf af, korven af, heeft afgekorven; ook kerfde af.
Afketsen, ketste af, heeft en is afgeketst.
Afkeurder, M., -keurders.
Afkeuren, keurde af, heeft afgekeurd.
Afkeurenswaard, -waarder, -waardst.
Afkeurenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Afkeuring, V., -keuringen. Afkeurinkje, O., -jes.
Afkijken, keek af, keken af, heeft afgekeken.
Afkijker, M., -kijkers.
Afkijkster, V., -kijksters.
Afkijven, keef af, keven af, heeft afgekeven.
Afkladden, kladde af, heeft afgeklad.
Afklagen (zich -), klaagde zich af, heeft zich en is afgeklaagd.
Afklappen, klapte af, heeft en is afgeklapt.
Afklaren, klaarde af, heeft en is afgeklaard.
Afklauteren, klauterde af, is en heeft afgeklauterd.
Afklemmen, klemde af, heeft afgeklemd.
Afklemming, V.
Afkleppen, klepte af, heeft afgeklept.
Afkletsen, kletste af, heeft afgekletst.
Afkleuren, kleurde af, heeft afgekleurd.
Afklimmen, klom af, klommen af, is afgeklommen.
Afklimming, V.
Afklinken, klonk af, heeft afgeklonken.
Afklooven, kloofde af, heeft afgekloofd.
Afkloppen, klopte af, heeft afgeklopt.
Afklopper, M., -kloppers.
Afklopping, V., -kloppingen.
Afkluiven, kloof af, kloven af, heeft afgekloven.
Afknabbelen, knabbelde af, heeft afgeknabbeld.
Afknabbeling, V.
Afknagen, knaagde af, heeft afgeknaagd.
Afknaging, V.
Afknakken, knakte af, is en heeft afgeknakt.
Afknallen, knalde af, is afgeknald.
Afknappen, knapte af, is en heeft afgeknapt.
Afknapping, V.
Afknarpen, knarpte af, heeft afgeknarpt.
Afknauwen, knauwde af, heeft afgeknauwd.
Afknellen, knelde af, heeft afgekneld.
Afknelling, V.
Afknevelen, knevelde af, heeft afgekneveld.
Afkneveling, V., -knevelingen.
Afknibbelen, knibbelde af, heeft afgeknibbeld.
Afknijpen, kneep af, knepen af, heeft en is afgeknepen.
Afknijper, M., -knijpers.
Afknijping, V., -knijpingen.
Afknippen, knipte af, heeft afgeknipt.
Afknipper, M., -knippers.
Afknipsel, O., -knipsels.
Afkniptang, V., -tangen; -tangetje, O., -jes.
Afknoeien, knoeide af, heeft afgeknoeid.
Afknotten, knotte af, heeft afgeknot.
Afknotter, M., -knotters.
Afknotting, V., -knottingen.
Afknutselen, knutselde af, heeft afgeknutseld.
Afkoelen, koelde af, heeft en is afgekoeld.
Afkoeler, M., -koelers.
Afkoeling, V., -koelingen.
Afkoelingswet, V., -wetten.
Afkoken, kookte af, heeft en is afgekookt.
Afkoker (aardappel), M., afkokers.
Afkoking, V., -kokingen.
Afkomen, komt af, kwam af, kwamen af, is afgekomen.
Afkomst, V.
Afkomstig.
Afkondigen, kondigde af, heeft afgekondigd.
Afkondiger, M., -kondigers.
Afkondiging, V., -kondigingen.
Afkondigster, V., -kondigsters.
Afkooksel, O., -kooksels. Afkookseltje, O., -jes.
Afkoop, M., -koopen.
Afkoopbaar, -bare.
Afkoopbaarheid, V.
Afkoopbaarstelling, V., -stellingen.
Afkoopen, kocht af, heeft afgekocht.
Afkooper, M., -koopers.
Afkooping, V., -koopingen.
Afkoopprijs, M., -prijzen.
Afkoopsom, V., -sommen.
Afkoopster, V., -koopsters.
Afkoppelen, koppelde af, heeft afgekoppeld.
Afkoppeling, V.
Afkorsten, korstte af, heeft en is afgekorst.
Afkorsting, V.
Afkorten, kortte af, heeft afgekort.
Afkorting, V.
Afkrabbelen, krabbelde af, heeft afgekrabbeld.
Afkrabben, krabde af, heeft afgekrabd.
Afkrabber, M., -krabbers. Afkrabbertje, O., -jes.
Afkrabsel, O.
Afkrassen, kraste af, heeft en is afgekrast.
Afkrijgen, kreeg af, kregen af, heeft afgekregen.
Afkrimpen, kromp af, is afgekrompen.
Afkronkelen, kronkelde af, is afgekronkeld.
Afkrooien, krooide af, heeft afgekrooid.
Afkrooier, M., -krooiers.
Afkruien, krooi af, krooien af, heeft en is afgekrooien; ook kruide
af, heeft en is afgekruid.
Afkruiing, V.
Afkruimelen, kruimelde af, heeft en is afgekruimeld.
Afkruipen, kroop af, kropen af, is en heeft afgekropen.
Afkuieren, kuierde af, is en heeft afgekuierd.
Afkunnen, kan af, kunnen af, konde en kon af, konden af, heeft
afgekund.
Afkussen, kuste af, heeft afgekust.
Afkwakken, kwakte af, is en heeft afgekwakt.
Aflaat, M., -laten.
Aflaatbrief, M., -brieven.
Aflaathandel, M.
Aflaatster, V., -laatsters.
Aflachen (zich -), lachte zich af, heeft zich en is afgelachen.
Afladen, laadde af, heeft afgeladen.
Aflader, M., -laders.
Aflading, V., -ladingen.
Aflakken, lakte af, heeft afgelakt.
Aflandig.
Aflangen, langde af, heeft afgelangd.
Aflappen, lapte af, heeft afgelapt.
Aflaten, liet af, heeft afgelaten.
Aflater, M., -laters.
Aflating, V.
Aflaveeren, laveerde af, is en heeft afgelaveerd.
Afleenen, leende af, heeft afgeleend.
Afleener, M., -leeners.
Afleening, V.
Afleeren, leerde af, heeft en is afgeleerd.
Afleesklep, V., -kleppen; -klepje, O., -jes.
Aflegboel, M., -boelen; -boeltje, O., -jes.
Afleggen, legde af en leide af, heeft afgelegd en afgeleid.
Aflegger, M., -leggers. Afleggertje, O., -jes.
Afleggerij, V.
Aflegging, V., -leggingen.
Aflegster, V., -legsters.
Afleidbaar, -bare.
Afleiden, leidde af, heeft afgeleid.
Afleider, M., -leiders. Afleidertje, O., -jes.
Afleiding, V., -leidingen. Afleidinkje, O., -jes.
Afleidingsuitgang, M., -uitgangen.
Afleidkunde, V.
Afleidkundig.
Afleidkundige, M. en V., -kundigen.
Afleidsel, O., -leidsels.
Afleken, leekte af, is afgeleekt.
Aflekken, lekte af, is afgelekt.
Aflekking, V.
Aflenzen, lensde af, is afgelensd.
Afletteren, letterde af, heeft afgeletterd.
Afleven, leefde af, heeft afgeleefd.
Afleveraar, M., -leveraars.
Afleveren, leverde af, heeft afgeleverd.
Aflevering, V., -leveringen.
Afleveringsrol, V., -rollen.
Aflezen, las af, lazen af, heeft afgelezen.
Aflezer, M., -lezers.
Aflezing, V., -lezingen.
Aflichten, lichtte af, heeft afgelicht.
Aflichting, V., -lichtingen.
Afliggen, lag (zich) af, lagen (zich) af, heeft (zich) en is afgelegen.
Aflijmen, lijmde af, heeft afgelijmd.
Aflijvig.
Aflijvigheid, V.
Aflikken, likte af, heeft afgelikt.
Afloeren, loerde af, heeft afgeloerd.
Aflokken, lokte af, heeft afgelokt.
Aflokking, V., -lokkingen.
Aflonken, lonkte af, heeft afgelonkt.
Aflooden, loodde af, heeft afgelood.
Aflooding, V.
Afloogen, loogde af, heeft afgeloogd.
Aflooging, V.
Afloop, M., -loopen. Afloopje, O., -jes.
Afloopen, liep af, is en heeft afgeloopen.
Aflosbaar, -bare.
Aflossen, loste af, heeft afgelost.
Aflosser, M., -lossers.
Aflossing, V., -lossingen.
Aflossingstermijn, M., -termijnen.
Afluiden, luidde af, heeft afgeluid.
Afluiding, V.
Afluisteren, luisterde af, heeft afgeluisterd.
Afluizen, luisde af, heeft afgeluisd.
Afmaaien, maaide af, heeft afgemaaid.
Afmaaier, M., -maaiers.
Afmaaiing, V., -maaiingen.
Afmaken, maakte af, heeft afgemaakt.
Afmaker, M., -makers. Afmakertje, O., -jes.
Afmaking, V., -makingen.
Afmalen (geheel malen), maalde af, heeft afgemalen.
Afmalen (afschilderen), maalde af, heeft afgemaald.
Afmaler, M., -malers.
Afmanen, maande af, heeft afgemaand.
Afmarcheeren, marcheerde af, is afgemarcheerd.
Afmarsch, V.
Afmartelen, martelde af, heeft afgemarteld.
Afmarteling, V., -martelingen.
Afmatten, matte af, heeft afgemat.
Afmattend, -mattender, -mattendst.
Afmatting, V., -mattingen.
Afmelken, molk af, heeft afgemolken.
Afmennen, mende af, heeft afgemend.
Afmergelen, mergelde af, heeft afgemergeld.
Afmergeling, V.
Afmesten, mestte af, heeft afgemest.
Afmeten, mat af, maten af, heeft afgemeten.
Afmeter, M., -meters.
Afmeting, V., -metingen.
Afmetselen, metselde af, heeft afgemetseld.
Afmijnen, mijnde af, heeft afgemijnd.
Afmijner, M., -mijners.
Afmijning, V., -mijningen.
Afmoeten, moet af, moest af, heeft afgemoeten.
Afmogen, mag af, mogen af, mocht af.
Afmonsteren, monsterde af, heeft afgemonsterd.
Afmonstering, V., -monsteringen.
Afmunten, muntte af, heeft afgemunt.
Afnaaien, naaide af, heeft afgenaaid.
Afneemdoek, M., -doeken.
Afneemster, V., -neemsters.
Afnemen, nam af, namen af, heeft en is afgenomen.
Afnemer, M., -nemers. Afnemertje, O., -jes.
Afneming, V., -nemingen.
Afneuzen, neusde af, heeft afgeneusd.
Afnijpen, neep af, nepen af, heeft afgenepen.
Afnijping, V., -nijpingen.
Afnommeren en afnummeren, nommerde (nummerde) af, heeft afgenommerd
(afgenummerd).
Afnommering en afnummering, V.
Afoogen, oogde af, heeft afgeoogd.
Afoogsten, oogstte af, heeft afgeoogst.
Afpachten, pachtte af, heeft afgepacht.
Afpadig.
Afpadigheid, V., -heden.
Afpakken, pakte af, heeft afgepakt.
Afpakker, M., -pakkers.
Afpakking, V., -pakkingen.
Afpalen, paalde af, heeft afgepaald.
Afpaling, V., -palingen.
Afpanden, pandde af, heeft afgepand.
Afpanding, V., -pandingen.
Afpassen, paste af, heeft afgepast.
Afpassing, V., -passingen.
Afpeil, M.
Afpeilen, peilde af, heeft afgepeild.
Afpeiling, V., -peilingen.
Afpeinzen, peinsde af, heeft afgepeinsd.
Afpelen, peelde af, heeft afgepeeld.
Afpeling, V., -pelingen.
Afpellen, pelde af, heeft en is afgepeld.
Afpenhamer, M., -hamers; -hamertje, O., -jes.
Afpennen, pende af, heeft afgepend.
Afpenner, M., -penners.
Afpenning, V., -penningen.
Afperken, perkte af, heeft afgeperkt.
Afperking, V., -perkingen.
Afpersen, perste af, heeft afgeperst.
Afperser, M., -persers.
Afpersing, V., -persingen.
Afpeuteren, peuterde af, heeft afgepeuterd.
Afpeuzelen, peuzelde af, heeft afgepeuzeld.
Afpijnen, pijnde af, heeft afgepijnd.
Afpijnigen, pijnigde af, heeft afgepijnigd.
Afpijniging, V.
Afpijning, V.
Afpikken, pikte af, heeft afgepikt.
Afpingelen, pingelde af, heeft afgepingeld.
Afplaggen, plagde af, heeft afgeplagd.
Afplakken, plakte af, heeft afgeplakt.
Afplatten, platte af, heeft afgeplat.
Afplatting, V., -plattingen.
Afpleiten, pleitte af, heeft afgepleit.
Afplekken, plekte af, heeft afgeplekt.
Afpletten, plette af, heeft afgeplet.
Afploegen, ploegde af, heeft afgeploegd.
Afploeging, V., -ploegingen.
Afploffen, plofte af, is en heeft afgeploft.
Afplooien, plooide af, heeft afgeplooid.
Afploten, plootte af, heeft afgeploot.
Afpluizen (bij pluisjes afplukken), ploos af, plozen af, heeft
afgeplozen.
Afpluizen (pluisjes wegnemen of loslaten), pluisde af, heeft en
is afgepluisd.
Afpluizer, M., -pluizers.
Afpluizing, V., -pluizingen.
Afplukken, plukte af, heeft afgeplukt.
Afplukker, M., -plukkers.
Afplukking, V.
Afplukster, V., -pluksters.
Afplunderen, plunderde af, heeft afgeplunderd.
Afplundering, V.
Afpoeieren, poeierde af, heeft en is afgepoeierd.
Afpoeiering, V.
Afpoetsen, poetste af, heeft afgepoetst.
Afpolderen, polderde af, heeft afgepolderd.
Afpoldering, V., -polderingen.
Afpollen, polde af, heeft afgepold.
Afpompen, pompte af, heeft afgepompt.
Afpomping, V.
Afprakkezeeren, prakkezeerde af, heeft afgeprakkezeerd.
Afpraten, praatte af, heeft afgepraat.
Afpreeken, preekte af, heeft afgepreekt.
Afpressen, preste af, heeft afgeprest.
Afpressing, V., -pressingen.
Afprevelen, prevelde af, heeft afgepreveld.
Afproeven, proefde af, heeft afgeproefd.
Afpunten, puntte af, heeft afgepunt.
Afpunter, M., -punters.
Afpunting, V., -puntingen.
Afraadster, V., -raadsters en -raadsteren.
Afrabbelen, rabbelde af, heeft afgerabbeld.
Afraden, ried af, heeft afgeraden; ook raadde af.
Afrader, M., -raders en -raderen.
Afrafelen, rafelde af, heeft en is afgerafeld.
Afrafeling, V.
Afraffelen, raffelde af, heeft afgeraffeld.
Afragen, raagde af, heeft afgeraagd.
Afraken, raakte af, is afgeraakt.
Aframmelen, rammelde af, heeft afgerammeld.
Afranselen, ranselde af, heeft afgeranseld.
Afrapen, raapte af, heeft afgeraapt.
Afraspen, raspte af, heeft afgeraspt.
Afrasping, V., -raspingen.
Afrasterdraad (voorwerp), M., -draden; (stof), O.
Afrasteren, rasterde af, heeft afgerasterd.
Afrastering, V., -rasteringen.
Afreeden, reedde af, heeft afgereed.
Afreeding, V.
Afreehekel, M., -hekels.
Afregenen, regende af, heeft en is afgeregend.
Afreiken, reikte af, heeft afgereikt.
Afreis en Afreize, V.
Afreizen, reisde af, is en heeft afgereisd.
Afrekenen, rekende af, heeft afgerekend.
Afrekening, V., -rekeningen.
Afrennen, rende af, is en heeft afgerend.
Afrepelen, repelde af, heeft afgerepeld.
Afrepeling, V.
Africhten, richtte af, heeft afgericht.
Africhter, M., -richters.
Africhting, V., -richtingen.
Africhtster, V., -richtsters.
Afrij (het afrijden), M.; (helling bij 't afrijden), V.
Afrijden, reed af, reden af, is en heeft afgereden.
Afrijgen, reeg af, regen af, heeft afgeregen.
Afrijten, reet af, reten af, heeft afgereten.
Afrijzen, rees af, rezen af, is afgerezen.
Afrijzing, V.
Afrikaan (persoon), M., Afrikanen. Afrikaantje, O., -jes.
Afrikaan (plant), V., afrikanen. Afrikaantje, O., -jes.
Afrikaander, M., Afrikaanders.
Afrikaansch.
Afrikaansch (taal), O.
Afristen, ristte af, heeft afgerist.
Afrit, M.
Afritsen, ritste af, heeft afgeritst.
Afritsing, V., -ritsingen.
Afroeien, roeide af, is en heeft afgeroeid.
Afroepen, riep af, heeft afgeroepen.
Afroeper, M., -roepers.
Afroeping, V., -roepingen.
Afroepster, V., -roepsters.
Afroesten, roestte af, is afgeroest.
Afroffelen, roffelde af, heeft afgeroffeld.
Afrolbaar, -bare.
Afrolbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Afrollen, rolde af, heeft en is afgerold.
Afrolling, V., -rollingen.
Afronden, rondde af, heeft afgerond.
Afronding, V., -rondingen.
Afrondingsfrees, V., -freezen.
Afrondingsmachine, V., -machines.
Afrondingsvijl, V., -vijlen.
Afronselen, ronselde af, heeft afgeronseld.
Afrooien, rooide af, heeft afgerooid.
Afrooken, rookte af, heeft afgerookt.
Afroomen, roomde af, heeft afgeroomd.
Afrooven (ontrooven), roofde af, heeft afgeroofd.
Afrossen, roste af, heeft afgerost.
Afrossing, V., -rossingen.
Afrotten, rotte af, is afgerot.
Afrotting, V.
Afroven (van 't roofje ontdoen), roofde af, heeft afgeroofd.
Afroving, V.
Afruien, ruide af, heeft afgeruid.
Afruilen, ruilde af, heeft afgeruild.
Afruischen, ruischte af, heeft en is afgeruischt.
Afrukken, rukte af, heeft en is afgerukt.
Afrukker, M., -rukkers.
Afrukking, V., -rukkingen.
Afsabelen, sabelde af, heeft afgesabeld.
Afschaafsel, O., -schaafsels.
Afschaduwen, schaduwde af, heeft afgeschaduwd.
Afschaduwing, V., -schaduwingen.
Afschaffen, schafte af, heeft afgeschaft.
Afschaffer, M., -schaffers en -schafferen.
Afschaffing, V., -schaffingen.
Afschaffingsgenootschap, O., -genootschappen.
Afschaffingsmaatschappij, V., -maatschappijen.
Afschafster, V., -schafsters en -schafsteren.
Afschaken, schaakte af, heeft afgeschaakt.
Afschalen, schaalde af, heeft afgeschaald.
Afschampen, schampte af, is afgeschampt.
Afschamper, M., -schampers. Afschampertje, O., -jes.
Afschamping, V., -schampingen.
Afschansen, schanste af, heeft afgeschanst.
Afschaveelen en afschavielen, schaveelde (schavielde) af, is
afgeschaveeld (afgeschavield).
Afschaveeling en afschavieling, V.
Afschaven, schaafde af, heeft en is afgeschaafd.
Afschavielen. Zie Afschaveelen.
Afschaving, V., -schavingen.
Afscheep, M.
Afscheerder, M., -scheerders.
Afscheid, O. Afscheidje, O., -jes.
Afscheidbaar, -bare.
Afscheidbaarheid, V.
Afscheidelijk.
Afscheidelijkheid, V.
Afscheiden, scheidde af, is en heeft afgescheiden.
Afscheider, M., -scheiders.
Afscheiding, V., -scheidingen. Afscheidinkje, O., -jes.
Afscheidingslijn, V., -lijnen.
Afscheidingsmuur, M., -muren.
Afscheidingssloot, V., -slooten.
Afscheidingsvat, O., -vaten.
Afscheidnemen, O.
Afscheidneming, V.
Afscheidsbezoek, O., -bezoeken.
Afscheidsbrief, M., -brieven; -briefje, O., -jes.
Afscheidsel, O., -scheidsels en -scheidselen. Afscheidseltje, O., -jes.
Afscheidsgroet, M., -groeten; -groetje, O., -jes.
Afscheidskus, M., -kussen; -kusje, O., -jes.
Afscheidspreek, V., -preeken.
Afscheidsrede, V., -redenen.
Afschelferen. Zie Afschilferen.
Afschellen, schelde af, heeft afgescheld.
Afschemeren, schemerde af, heeft afgeschemerd.
Afschenken (afgieten), schonk af, heeft afgeschonken.
Afschenken (in de pijpenmakerij), schenkte af, heeft afgeschenkt.
Afschenker, M., -schenkers. Afschenkertje, O., -jes.
Afschenking, V., -schenkingen.
Afschepen, scheepte af, heeft afgescheept.
Afscheper, M., -schepers.
Afscheping, V., -schepingen.
Afscheppen, schepte af, heeft afgeschept.
Afscheren, schoor af, schoren af, heeft afgeschoren.
Afschermen, schermde af, heeft afgeschermd.
Afscherven, scherfde af, heeft en is afgescherfd.
Afschetsen, schetste af, heeft afgeschetst.
Afschetsing, V., -schetsingen.
Afscheuren, scheurde af, heeft en is afgescheurd.
Afscheuring, V., -scheuringen.
Afschieten, schoot af, schoten af, heeft en is afgeschoten.
Afschijn, M.
Afschijnen, scheen af, schenen af, heeft afgeschenen.
Afschijnsel, O., -schijnsels en -schijnselen.
Afschijven, schijfde af, heeft afgeschijfd.
Afschikken, schikte af, is en heeft afgeschikt.
Afschilderen, schilderde af, heeft afgeschilderd.
Afschildering, V., -schilderingen.
Afschilferen en afschelferen, schilferde (schelferde) af, is en heeft
afgeschilferd (afgeschelferd).
Afschilfering en afschelfering, V., -schilferingen (-schelferingen).
Afschillen, schilde af, heeft en is afgeschild.
Afschimpen, schimpte af, heeft afgeschimpt.
Afschitteren, schitterde af, heeft afgeschitterd.
Afschommelen, schommelde af, is afgeschommeld.
Afschooien, schooide af, heeft afgeschooid.
Afschoppen, schopte af, heeft afgeschopt.
Afschot, O.
Afschouw, M.
Afschouwen, schouwde af, heeft afgeschouwd.
Afschouwer, M., -schouwers.
Afschouwing, V.
Afschraapschaar, V., -scharen; -schaartje, O., -jes.
Afschraapsel, O.
Afschrabben, schrabde af, heeft afgeschrabd.
Afschrabber, M., -schrabbers.
Afschrabbing, V., -schrabbingen.
Afschrabsel, O.
Afschrapen, schraapte af, heeft afgeschraapt.
Afschraper, M., -schrapers. Afschrapertje, O., -jes.
Afschraping, V., -schrapingen.
Afschrappen, schrapte af, heeft afgeschrapt.
Afschrapper, M., -schrappers.
Afschrapping, V., -schrappingen.
Afschrapsel, O.
Afschreeuwen, schreeuwde (zich) af, heeft (zich) en is afgeschreeuwd.
Afschrift, O., -schriften. Afschriftje, O., -jes.
Afschriftenboek, O., -boeken.
Afschrijfgeld, O., -gelden.
Afschrijfloon, O., -loonen.
Afschrijfpunt, V., -punten; -puntje, O., -jes.
Afschrijfster, V., -schrijfsters en -schrijfsteren.
Afschrijven, schreef (zich) af, schreven (zich) af, heeft (zich)
en is afgeschreven.
Afschrijver, M., -schrijvers en -schrijveren. Afschrijvertje, O., -jes.
Afschrijving, V., -schrijvingen.
Afschrijvingsbank, V., -banken.
Afschrik, M.
Afschrikken, schrikte af, is en heeft afgeschrikt.
Afschrikking, V.
Afschrikwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Afschrobben, schrobde af, heeft afgeschrobd.
Afschroeien, schroeide af, heeft en is afgeschroeid.
Afschroeven, schroefde af, heeft afgeschroefd.
Afschudden, schudde af, heeft afgeschud.
Afschuieren, schuierde af, heeft afgeschuierd.
Afschuimen, schuimde af, is en heeft afgeschuimd.
Afschuinen, schuinde af, heeft afgeschuind.
Afschuining, V., -schuiningen.
Afschuiven, schoof af, schoven af, heeft en is afgeschoven.
Afschuiving, V., -schuivingen.
Afschuren, schuurde af, heeft en is afgeschuurd.
Afschuring, V., -schuringen.
Afschutsel, O., -schutsels en -schutselen. Afschutseltje, O., -jes.
Afschutten, schutte af, heeft afgeschut.
Afschutting, V., -schuttingen. Afschuttinkje, O., -jes.
Afschuw, M.
Afschuwbaar, -baarder, -baarst.
Afschuwelijk, -lijker, -lijkst.
Afschuwelijkheid, V., -heden.
Afschuwwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Afseinen, seinde af, heeft afgeseind.
Afseining, V., -seiningen.
Afseizen, seisde af, heeft afgeseisd.
Afseizing, V.
Afsijpelen, sijpelde af, is en heeft afgesijpeld.
Afsijpeling, V.
Afsjorren, sjorde af, heeft afgesjord.
Afsjouwen, sjouwde (zich) af, heeft (zich) en is afgesjouwd.
Afslaan, slaat af, sloeg af, heeft en is afgeslagen.
Afslag, M., -slagen. Afslagje, O., -jes.
Afslager, M., -slagers.
Afslaven (zich -), slaafde zich af, heeft zich en is afgeslaafd.
Afslechten, slechtte af, heeft en is afgeslecht.
Afslechthamer, M., -hamers; -hamertje, O., -jes.
Afsleepen (aftrekken), sleepte af, heeft afgesleept.
Afslenteren, slenterde af, is afgeslenterd.
Afslepen (afhangen), sleepte af, heeft afgesleept.
Afsleuren, sleurde af, heeft afgesleurd.
Afslibberen, slibberde af, is afgeslibberd.
Afslieren, slierde af, is afgeslierd.
Afslijpen, sleep af, slepen af, heeft afgeslepen.
Afslijpsel, O.
Afslijten, sleet af, sleten af, heeft en is afgesleten.
Afslijting, V.
Afslingeren, slingerde af, heeft en is afgeslingerd.
Afsloffen, slofte af, heeft en is afgesloft.
Afslonzen, slonsde af, heeft afgeslonsd.
Afsloopen, sloopte af, heeft afgesloopt.
Afslooten, slootte af, heeft afgesloot.
Afslooting, V., -slootingen.
Afslorpen en afslurpen, slorpte (slurpte) af, heeft afgeslorpt
(afgeslurpt).
Afslorping en Afslurping, V.
Afsloven, sloofde (zich) af, heeft (zich) afgesloofd.
Afsloving, V.
Afsluipen, sloop af, slopen af, is afgeslopen.
Afsluitdijk, M., -dijken.
Afsluiten, sloot af, sloten af, heeft afgesloten.
Afsluiter, M., -sluiters.
Afsluiting, V., -sluitingen. Afsluitinkje, O., -jes.
Afsluitingsdeelen (mv.), O.
Afsluitingshek, O., -hekken.
Afsluitingsmuur, M., -muren.
Afsluitingsstelsel, O., -stelsels.
Afsluitingstoestel, M. en O., -toestellen.
Afslurpen. Zie Afslorpen.
Afsmakken, smakte af, heeft afgesmakt.
Afsmallen, smalde af, heeft afgesmald.
Afsmeden, smeedde af, heeft afgesmeed.
Afsmeeken, smeekte af, heeft afgesmeekt.
Afsmeeking, V.
Afsmelten, smolt af, is en heeft afgesmolten.
Afsmeren, smeerde af, heeft afgesmeerd.
Afsmetten, smette af, heeft afgesmet.
Afsmijten, smeet af, smeten af, heeft afgesmeten.
Afsnauw, M.
Afsnauwen, snauwde af, heeft afgesnauwd.
Afsnede en Afsnee, V., -sneden.
Afsnellen, snelde af, is en heeft afgesneld.
Afsnijden, sneed af, sneden af, heeft afgesneden.
Afsnijder, M., -snijders.
Afsnijding, V., -snijdingen.
Afsnijdsel, O., -snijdsels.
Afsnijhout, O., -houten.
Afsnijschaar, V., -scharen; -schaartje, O., -jes.
Afsnipperen, snipperde af, heeft afgesnipperd.
Afsnoeien, snoeide af, heeft afgesnoeid.
Afsnoepen, snoepte af, heeft afgesnoept.
Afsnorren, snorde af, is afgesnord.
Afsnuiten (eene kaars), snoot af, snoten af, heeft afgesnoten.
Afsnuiten (een stuk hout), snuitte af, heeft afgesnuit.
Afsnuiting, V.
Afsnuitsel, O., -snuitsels.
Afsollen, solde (zich) af, heeft (zich) en is afgesold.
Afsoppen, sopte af, heeft afgesopt.
Afspaden, spaadde af, heeft afgespaad.
Afspanen, spaande af, heeft afgespaand.
Afspannen, spande af, heeft afgespannen.
Afspatten, spatte af, is afgespat.
Afspelden, speldde af, heeft afgespeld.
Afspelen, speelde (zich) af, heeft (zich) en is afgespeeld.
Afspeten, speette af, heeft afgespeet.
Afspeuren, speurde af, heeft afgespeurd.
Afspieden, spiedde af, heeft afgespied.
Afspiegelen, spiegelde af, heeft afgespiegeld.
Afspiegeling, V., -spiegelingen.
Afspinnen, spon af, sponnen af, heeft afgesponnen.
Afspitten, spitte af, heeft afgespit.
Afsplijten, spleet af, spleten af, is en heeft afgespleten.
Afsplinteren, splinterde af, is en heeft afgesplinterd.
Afspoelen, spoelde af, heeft en is afgespoeld.
Afspoeling, V., -spoelingen.
Afsponsen, sponste af, heeft afgesponst.
Afsporen, spoorde af, heeft afgespoord.
Afspouwen, spouwde af, heeft afgespouwen.
Afspraak, V., -spraken. Afspraakje, O., -jes.
Afspreken, sprak af, spraken af, heeft en is afgesproken.
Afspringen, sprong af, is en heeft afgesprongen.
Afspruiten, sproot af, sproten af, is afgesproten.
Afspruitsel, O., -spruitsels.
Afspuiten, spoot af, spoten af, heeft afgespoten.
Afstaan, staat af, stond af, heeft afgestaan.
Afstammeling, M. en V., -stammelingen. V. ook afstammelinge.
Afstammen, stamde af, is afgestamd.
Afstamming, V.
Afstammingstheorie, V., -theorieën.
Afstampen, stampte af, heeft afgestampt.
Afstand, M., -standen.
Afstandsmeting, V., -metingen.
Afstandsrit, M., -ritten.
Afstandswijzer, M., -wijzers.
Afstapelen, stapelde af, heeft afgestapeld.
Afstappen, stapte af, is en heeft afgestapt.
Afstaren, staarde af, heeft afgestaard.
Afsteekbeitel, M., -beitels; -beiteltje, O., -jes.
Afsteeksel, M., -steeksels.
Afsteken, stak af, staken af, heeft en is afgestoken.
Afsteker, M., -stekers.
Afsteking, V., -stekingen.
Afstel, O.
Afstelen, stal af, stalen af, heeft afgestolen.
Afstellen, stelde af, heeft afgesteld.
Afstelling, V., -stellingen.
Afstemmen, stemde af, heeft afgestemd.
Afstemmer, M., -stemmers.
Afstemming, V., -stemmingen.
Afstempelen, stempelde af, heeft afgestempeld.
Afstempeling, V.
Afsterven, stierf af, stierven af, is afgestorven.
Afsterving, V.
Afstevenen, stevende af, is afgestevend.
Afstijgen, steeg af, stegen af, is afgestegen.
Afstikken, stikte af, heeft afgestikt.
Afstippen, stipte af, heeft afgestipt.
Afstoffen, stofte af, heeft afgestoft.
Afstoken, stookte af, heeft afgestookt.
Afstommelen, stommelde af, is en heeft afgestommeld.
Afstompen, stompte af, heeft afgestompt.
Afstomping, V.
Afstoomen, stoomde af, is en heeft afgestoomd.
Afstootbank, V., -banken.
Afstootboom, M., -boomen.
Afstooten, stiet af, heeft afgestooten; ook stootte af.
Afstooter, M., -stooters.
Afstootijzer, O., -ijzers.
Afstooting, V., -stootingen.
Afstoppen, stopte af, heeft afgestopt.
Afstormen, stormde af, heeft en is afgestormd.
Afstorten, stortte af, heeft en is afgestort.
Afstorting, V.
Afstoven, stoofde af, heeft afgestoofd.
Afstraffen, strafte af, heeft afgestraft.
Afstraffing, V., -straffingen.
Afstralen, straalde af, heeft en is afgestraald.
Afstraling, V., -stralingen.
Afstraten, straatte af, heeft afgestraat.
Afstrijden, streed af, streden af, heeft afgestreden.
Afstrijken, streek af, streken af, is en heeft afgestreken.
Afstrompelen, strompelde af, is en heeft afgestrompeld.
Afstroomen, stroomde af, is en heeft afgestroomd.
Afstrooming, V., -stroomingen.
Afstroopen, stroopte af, heeft afgestroopt.
Afstroopschaaf, V., -schaven; -schaafje, O., -jes.
Afstudeeren, studeerde af, heeft afgestudeerd.
Afstuiten, stuitte af, is en heeft afgestuit.
Afstuiting, V.
Afstuiven, stoof af, stoven af, is afgestoven.
Afstuiving, V., -stuivingen.
Afsturen, stuurde af, heeft afgestuurd.
Afstuwen, stuwde af, heeft en is afgestuwd.
Afsuffen (zich -), sufte (zich) af, heeft (zich) en is afgesuft.
Afsukkelen, sukkelde af, is en heeft afgesukkeld.
Afsullen, sulde af, is afgesuld.
Aftafelen, tafelde af, heeft afgetafeld.
Aftakelen, takelde af, heeft en is afgetakeld.
Aftakeling, V.
Aftandsch.
Aftap, M.
Aftapkraan, V., -kranen; -kraantje, O., -jes.
Aftappen, tapte af, heeft afgetapt.
Aftapper, M., -tappers.
Aftapping, V., -tappingen.
Aftapplug, V., -pluggen.
Aftarnen, tarnde af, heeft en is afgetarnd.
Aftarren, tarde af, heeft afgetard.
Afteekenaar, M., -teekenaars.
Afteekenen, teekende af, heeft afgeteekend.
Afteekening. V., -teekeningen.
Afteilen, teilde af, heeft afgeteild.
Aftelegrapheeren, telegrapheerde af, heeft afgetelegrapheerd.
Aftelephoneeren, telephoneerde af, heeft afgetelephoneerd.
Aftellen, telde af, heeft afgeteld.
Aftelliedje, O., -jes.
Aftelling, V., -tellingen.
Aftelrijmpje, O., -jes.
Aftikken, tikte af, heeft afgetikt.
Aftillen, tilde af, heeft afgetild.
Aftimmeren, timmerde af, heeft afgetimmerd.
Aftobben, tobde af, heeft afgetobd.
Aftocht, M., -tochten.
Aftonnen, tonde af, heeft afgetond.
Aftoomen, toomde af, heeft afgetoomd.
Aftoonen, toonde af, heeft afgetoond.
Aftooveren, tooverde af, heeft afgetooverd.
Aftoppen, topte af, heeft afgetopt.
Aftornen, tornde af, heeft en is afgetornd.
Aftouwen, touwde af, heeft afgetouwd.
Aftrappen, trapte af, heeft afgetrapt.
Aftred, M.
Aftreden, trad af, traden af, is en heeft afgetreden.
Aftreding, V.
Aftrek, M., -trekken. Aftrekje, O., -jes.
Aftrekhekel, M., -hekels.
Aftrekken, trok af, trokken af, heeft en is afgetrokken.
Aftrekker, M., -trekkers.
Aftrekking, V., -trekkingen.
Aftrekriem, M., -riemen.
Aftrekrol, V., -rollen.
Aftreksel, O., -treksels; -trekseltje, O., -jes.
Aftreksom, V., -sommen.
Aftrektouw, O., -touwen.
Aftrekvijl, V., -vijlen.
Aftreuren, treurde af, heeft afgetreurd.
Aftroetelen, troetelde af, heeft afgetroeteld.
Aftroeven, troefde af, heeft afgetroefd.
Aftroever, M., -troevers.
Aftroffelen, troffelde af, heeft afgetroffeld.
Aftroggelen, troggelde af, heeft afgetroggeld.
Aftrommelen, trommelde af, heeft afgetrommeld.
Aftrompetten, trompette af, heeft afgetrompet.
Aftroonen, troonde af, heeft afgetroond.
Aftuigen, tuigde af, heeft afgetuigd.
Aftuiging, V.
Aftuimelen, tuimelde af, is afgetuimeld.
Afturven, turfde af, heeft afgeturfd.
Aftweernen, tweernde af, heeft afgetweernd.
Aftwijnen, twijnde af, heeft afgetwijnd.
Afvaardigen, vaardigde af, heeft afgevaardigd.
Afvaardiger, M., -vaardigers.
Afvaardiging, V., -vaardigingen.
Afvaart, V., -vaarten.
Afvagen, vaagde af, heeft afgevaagd.
Afval (het afvallen), M.
Afval (het afgevallene), O.
Afvallen, viel af, is afgevallen.
Afvallig, -valliger, -valligst.
Afvallige, M. en V., -valligen.
Afvalligheid, V.
Afvangen, ving af, heeft afgevangen.
Afvaren, voer af, is en heeft afgevaren.
Afvechten, vocht af, heeft afgevochten.
Afveegsel, O.
Afvegen, veegde af, heeft afgeveegd.
Afveger, M., -vegers.
Afveging, V., -vegingen.
Afvenen, veende af, heeft afgeveend.
Afvening, V., -veningen.
Afvergen, vergde af, heeft afgevergd.
Afverven, verfde af, heeft afgeverfd.
Afveteren, veterde af, heeft afgeveterd.
Afvijlen, vijlde af, heeft afgevijld.
Afvijler, M., -vijlers.
Afvijling, V., -vijlingen.
Afvijlrasp, V., -raspen.
Afvijlsel, O.
Afvillen, vilde af, heeft afgevild.
Afvisschen, vischte af, heeft afgevischt.
Afvlakken, vlakte af, heeft afgevlakt.
Afvlechten, vlocht af, heeft afgevlochten.
Afvleien, vleide af, heeft afgevleid.
Afvlekken, vlekte af, heeft afgevlekt.
Afvlieden, vlood af, vloden af, is afgevloden.
Afvliegen, vloog af, vlogen af, is en heeft afgevlogen.
Afvlieten, vloot af, vloten af, is afgevloten.
Afvlijmen, vlijmde af, heeft afgevlijmd.
Afvloeibuis, V., -buizen.
Afvloeien, vloeide af, is en heeft afgevloeid.
Afvloeiing, V., -vloeiingen.
Afvloeipijp, V., -pijpen.
Afvlooien, vlooide af, heeft afgevlooid.
Afvlotten, vlotte af, is en heeft afgevlot.
Afvluchten, vluchtte af, is afgevlucht.
Afvoederen, voederde af, heeft afgevoederd.
Afvoedering, V.
Afvoegen, voegde af, heeft afgevoegd.
Afvoer, M.
Afvoerbank, V., -banken.
Afvoerbuis, V., -buizen.
Afvoerder, M., -voerders.
Afvoeren, voerde af, heeft afgevoerd.
Afvoergeul, V., -geulen.
Afvoering, V.
Afvoerkanaal, O., -kanalen.
Afvoerpijp, V., -pijpen.
Afvoerrol, V., -rollen.
Afvorderen, vorderde af, heeft afgevorderd.
Afvordering, V., -vorderingen.
Afvormen, vormde af, heeft afgevormd.
Afvouwen, vouwde af, heeft afgevouwen.
Afvragen, vraagde af, heeft afgevraagd; ook vroeg af.
Afvraging, V.
Afvreten, vrat af, vraten af, heeft afgevreten.
Afvreting, V.
Afvriezen, vroor af, vroren af, heeft en is afgevroren en afgevrozen.
Afvriezing, V.
Afvrijen, vrijde af, heeft afgevrijd; ook vree af, vreeën af, heeft
afgevreeën.
Afvuren, vuurde af, heeft afgevuurd.
Afwaaien, waaide af, heeft en is afgewaaid; ook woei af, woeien af.
Afwaarts (bijw.).
Afwaartsch (bnw.).
Afwachten, wachtte af, heeft afgewacht.
Afwachting, V.
Afwaggelen, waggelde af, is afgewaggeld.
Afwaken (zich -), waakte zich af, heeft zich en is afgewaakt.
Afwallen, walde af, heeft afgewald.
Afwalling, V., -wallingen.
Afwandelen, wandelde af, is en heeft afgewandeld.
Afwasschen, wiesch af, wieschen af, heeft afgewasschen; ook waschte af.
Afwassching, V., -wasschingen.
Afwateren, waterde af, heeft afgewaterd.
Afwatering, V., -wateringen.
Afweeken, weekte af, heeft en is afgeweekt.
Afweeking, V., -weekingen.
Afweenen, weende af, heeft afgeweend.
Afweer, M.
Afweerbaar, -bare.
Afweerder, M., -weerders.
Afweerster, V., -weersters.
Afwegen, woog af, wogen af, heeft afgewogen.
Afweger, M., -wegers.
Afweging, V., -wegingen.
Afweiden, weidde af, heeft afgeweid.
Afweiding, V., -weidingen.
Afwenden, wendde af, heeft en is afgewend.
Afwending, V., -wendingen; -wendinkje, O., -jes.
Afwenken, wenkte af, heeft afgewenkt.
Afwennen, wende af, heeft en is afgewend.
Afwenning, V.
Afwentelen, wentelde af, heeft en is afgewenteld.
Afwenteling, V.
Afweren, weerde af, heeft afgeweerd.
Afwering, V., -weringen.
Afwerken, werkte (zich) af, heeft (zich) en is afgewerkt.
Afwerker, M., -werkers.
Afwerking, V.
Afwerkschaaf, V., -schaven.
Afwerkster, V., -werksters.
Afwerpen, wierp af, heeft afgeworpen.
Afwerping, V.
Afweten (laten -).
Afweven, weefde af, heeft afgeweven.
Afwezen, O.
Afwezend.
Afwezendheid, V.
Afwezig.
Afwezigheid, V.
Afwieden, wiedde af, heeft afgewied.
Afwiegelen, wiegelde af, heeft en is afgewiegeld.
Afwijken, week af, weken af, is afgeweken.
Afwijking, V., -wijkingen.
Afwijzen, wees af, wezen af, heeft afgewezen.
Afwijzig, afwijziger, afwijzigst.
Afwijzing, V., -wijzingen.
Afwillen, wil af, wilde (wou) af, heeft afgewild.
Afwimpelen, wimpelde af, heeft afgewimpeld.
Afwimpeling, V.
Afwinden, wond af, heeft afgewonden.
Afwinder, M., -winders.
Afwinding, V., -windingen.
Afwinnen, won af, wonnen af, heeft afgewonnen.
Afwippen, wipte af, is en heeft afgewipt.
Afwisschen, wischte af, heeft afgewischt.
Afwisselen, wisselde af, heeft afgewisseld.
Afwisselend.
Afwisseling, V., -wisselingen.
Afwitten, witte af, heeft afgewit.
Afwoelen, woelde af, heeft afgewoeld.
Afwrijven, wreef af, wreven af, heeft afgewreven.
Afwrijving, V., -wrijvingen.
Afwringen, wrong af, heeft afgewrongen.
Afwroeten, wroette af, heeft afgewroet.
Afwuiven, wuifde af, heeft afgewuifd.
Afzaaien, zaaide af, heeft afgezaaid.
Afzaat, M., -zaten.
Afzaatsgewijze.
Afzabbelen, zabbelde af, heeft afgezabbeld.
Afzabberen, zabberde af, heeft afgezabberd.
Afzadelen, zadelde af, heeft afgezadeld.
Afzadeling, V.
Afzagen, zaagde af, heeft afgezaagd.
Afzaging, V., -zagingen.
Afzakken (dalen), zakte af, is afgezakt.
Afzakken (in zakken doen), zakte af, heeft afgezakt.
Afzakker, M., -zakkers.
Afzakkertje, O., -jes.
Afzakking, V., -zakkingen.
Afzanden, zandde af, heeft afgezand.
Afzanderij, V., -zanderijen.
Afzanding, V., -zandingen.
Afzeepen, zeepte af, heeft afgezeept.
Afzegelen, zegelde af, heeft afgezegeld.
Afzeggen, zeide af, heeft afgezegd en afgezeid.
Afzegging, V., -zeggingen.
Afzeilen, zeilde af, is en heeft afgezeild.
Afzeiling, V.
Afzenden, zond af, heeft afgezonden.
Afzender, M., -zenders.
Afzending, V., -zendingen.
Afzendster, V., -zendsters.
Afzengen, zengde af, heeft afgezengd.
Afzenging, V.
Afzet, M.
Afzetbaar, -bare.
Afzetbaarheid, V.
Afzetgebied, O.
Afzetnet, O., -netten.
Afzetplank, V., -planken.
Afzetsel, O., -zetsels en -zetselen. Afzetseltje, O., -jes.
Afzetster, V., -zetsters.
Afzetten, zette af, heeft en is afgezet.
Afzettend.
Afzetter, M., -zetters.
Afzetterij, V., -zetterijen.
Afzettertje, O., -jes.
Afzetting, V., -zettingen.
Afzetzaag, V., -zagen; -zaagje, O., -jes.
Afzeulen, zeulde af, heeft afgezeuld.
Afzeven, zeefde af, heeft afgezeefd.
Afzichtelijk, -lijker, -lijkst.
Afzichtelijkheid, V., -heden.
Afzichten (met de zicht afmaaien), zichtte af, heeft afgezicht.
Afzien, zag af, zagen af, heeft afgezien.
Afzienbaar, -bare.
Afzienbaarheid, V.
Afziften, zifte af, heeft afgezift.
Afzifting, V.
Afzijgen (afzakken), zeeg af, zegen af, is afgezegen.
Afzijgen (doen afvloeien), zeeg af, zegen af, heeft afgezegen.
Afzijn.
Afzijn, O.
Afzingen, zong af, heeft afgezongen.
Afzitten, zat af, zaten af, is en heeft afgezeten.
Afzoden, zoodde af, heeft afgezood.
Afzoeken, zocht af, heeft afgezocht.
Afzoeking, V.
Afzoenen, zoende af, heeft afgezoend.
Afzoeten, zoette af, heeft afgezoet.
Afzoetwater, O.
Afzonderen, zonderde af, heeft afgezonderd.
Afzondering, V., -zonderingen.
Afzonderingskuur, V., -kuren.
Afzonderlijk.
Afzoomen, zoomde af, heeft afgezoomd.
Afzouten (zouten), zoutte af, heeft afgezouten.
Afzouten (afschepen), zoutte af, heeft afgezout.
Afzouting, V.
Afzuchten, zuchtte (zich) af, heeft (zich) en is afgezucht.
Afzuigen, zoog af, zogen af, heeft afgezogen.
Afzuiging, V., -zuigingen.
Afzwaaien, zwaaide af, heeft en is afgezwaaid.
Afzwalpen, zwalpte af, heeft en is afgezwalpt.
Afzweepen, zweepte af, heeft afgezweept.
Afzweerder, M., -zweerders.
Afzwemmen, zwom af, zwommen af, heeft en is afgezwommen.
Afzweren (met een eed verwerpen), zwoer af, heeft afgezworen.
Afzweren (door verzwering afvallen), zwoor af, zworen af, is
afgezworen.
Afzwering, V., -zweringen.
Afzwerven, zwierf af, zwierven af, is afgezworven.
Afzwerving, V., -zwervingen.
Afzwetsen, zwetste af, heeft afgezwetst.
Afzweven, zweefde af, is afgezweefd.
Afzwoegen, zwoegde (zich) af, heeft (zich) en is afgezwoegd.
Agaat (stofnaam), O.; (steen), M., agaten. Agaatje, O., -jes.
Agaten (bnw.).
Ageeren, ageerde, heeft geageerd.
Agent, M., agenten. Agentje, O., -jes.
Agentschap, O., -schappen; -schapje, O., -jes.
Agentuur, V., agenturen. Agentuurtje, O., -jes.
Agger, M.
Agio, M.
Agitatie, V., agitatiën en agitaties.
Agiteeren, agiteerde, heeft geagiteerd.
Agurk. Zie Augurk.
Ah.
Aha.
Ahorn, M., ahornen. Ahorntje, O., -jes.
Ahornen (bnw.).
Ai (tusschenw.).
Ai (dier), M., ai's.
Ajakkes.
Ajasses.
Ajuin (vrucht), M., ajuinen. Als stofnaam, V. Ajuintje, O., -jes.
Ajuinachtig.
Akant, M., akanten.
Akefietje, O., -jes.
Akelei, V., akeleien.
Akelig, akeliger, akeligst.
Akeligheid, V., -heden.
Aker (eikel en emmer), M., akers. Akertje, O., -jes.
Akerspek, O.
Akervarken, O., -varkens.
Akker, M., akkers. Akkertje, O., -jes.
Akkeraarde, V.
Akkerbouw, M.
Akkeren, akkerde, heeft geakkerd.
Akkerland, O., -landen.
Akkermaal, O.
Akkermaalsbosch, O., -bosschen.
Akkermaalshout, O.
Akkerman, M., -lieden en -lui.
Akkermannetje (kwikstaart), O.
Akkoord, O., akkoorden. Akkoordje, O., -jes.
Akolei. Zie Akelei.
Akoniet (plant), V., akonieten; (vergif), O.
Aks en Akst, V., aksen en aksten.
Akte, V., akten.
Akte-examen, O., -examens.
Al, als zelfst. nw., O.
Al (bijw. en voegw.).
Alaan (bijw.).
Alant, M.
Alantswijn, M.
Alantswortel, M., -wortels.
Alarm, O.
Alarmeeren, alarmeerde, heeft gealarmeerd.
Alarmklok, V., -klokken.
Alarmkreet, M., -kreten.
Alarmpeil, O.
Alarmsein, O., -seinen.
Alarmtrom, V., -trommen.
Albast, O.
Albasten (bnw.).
Albatros, M., albatrossen.
Albe, V., alben.
Albedil, M. en V., -bedillen.
Albehoeder, M.
Albeschik, M. en V., -beschikken.
Albestuur, O.
Albestuurder, M.
Albino, M. en V., albino's.
Album, O., albums.
Albumblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Albumine, V.
Albumvers, O., -verzen; -versje, O., -jes.
Alchimie, V.
Alchimist, M., alchimisten.
Alchimisterij, V.
Alcohol, M.
Alcoholisch.
Alcoholisme, O.
Alcoholvrij.
Aldaar.
Aldra.
Aldus.
Aleer.
Alexandrijn, M., alexandrijnen.
Alft, M., alften.
Alge, V., algen.
Algebra, V.
Algebraisch.
Algeheel, -geheele.
Algemeen, -gemeener, -gemeenst.
Algemeen, O.
Algemeenheid, V., -heden.
Algenoegzaam, -zame.
Algenoegzaamheid, V.
Algoede, M.
Algoedheid, V.
Alhier.
Alhoewel.
Alias, M., aliassen.
Alibi, O., alibi's.
Alikas, M., alikassen.
Alikruik, V., alikruiken.
Alinea, V., alinea's.
Alk, V., alken. Alkje, O., -jes.
Alkoof, V., alkoven. Alkoofje, O., -jes.
Alkoran, M.
Allebeide en allebei.
Alledaagsch.
Alledaagschheid, V.
Alleen.
Alleenblijven, bleef alleen, bleven alleen, is alleengebleven.
Alleenhandel, V.
Alleenheerschappij, V.
Alleenheerscher, M., -heerschers.
Alleenig.
Alleenlaten, liet alleen, heeft alleengelaten.
Alleenlijk.
Alleenspraak, V., -spraken.
Alleenstaan, stond alleen, heeft alleengestaan.
Alleenzaligmakend.
Allegaar.
Allegaartje, O., -jes.
Allegorie, V., allegorieën.
Allegorisch.
Allegro, O., allegro's.
Allemaal.
Alleman.
Allemansgading, V.
Allemansgek, M., -gekken.
Allemansvriend, M., -vrienden.
Allengs.
Allengskens.
Allenthalve.
Allerbest.
Allerchristelijkst.
Allerhande.
Allerhande (koekjes), O.
Allerheiligen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten).
Allerhoogst.
Allerhoogste, M.
Allerlei.
Allerliefst.
Allermeest.
Allernaast.
Allerwegen.
Allerzielen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten).
Alles.
Allesbehalve.
Alleszins.
Alliage, V., alliages.
Alliantie, V., alliantiën en allianties.
Allicht.
Alliteratie, V.
Allo (tusschenwerpsel).
Allocutie, V., allocutiën en allocuties.
Allodiaal, allodiale.
Allodium, O.
Allonge-pruik, V., -pruiken.
Allooi, O.
Alluviaal, alluviale.
Alluvium, O.
Almacht, V.
Almachtig.
Almachtige, M.
Almachtigheid, V.
Almanak, M., almanakken. Almanakje, O., -jes.
Almede.
Almogend.
Almogende, M.
Almogendheid, V.
Aloë, V., aloë's.
Alom.
Alomtegenwoordig.
Alomtegenwoordigheid, V.
Alomvattend.
Aloud.
Aloudheid, V.
Alp (berg), M., Alpen.
Alpenclub, V.
Alpenroos, V., -rozen.
Alpenstok, M., -stokken.
Alpha, V., alpha's.
Alphabet, O., alphabetten.
Alphabetisch.
Alphabetiseeren, alphabetiseerde, heeft gealphabetiseerd.
Alpinisme, O.
Alpinist, M., en Alpiniste, V.; alpinisten.
Alras.
Alreede en alree.
Alreeds.
Alruin, V.
Als.
Alsdan.
Alsem, M.
Alsembeker, M.
Alsjeblieft en asjeblieft.
Alsmede.
Alsnog.
Alsnu.
Alsof.
Alst en aalst (alsem), V.
Alstoen.
Alt, V.
Altaar, O. en M., altaren. Altaartje, O., -jes.
Altaarkaars, V., -kaarsen.
Altaarstuk, O., -stukken.
Altaartafel, V., -tafels en- -tafelen.
Altegader.
Altemaal.
Altemet.
Alternatief, O., alternatieven.
Althans.
Altijd.
Altijddurend.
Altoos.
Altoosdurend.
Altpartij, V., -partijen.
Altsleutel, M., -sleutels.
Altstem, V., -stemmen.
Aluin, V.
Aluinaarde, V.
Aluinen, aluinde, heeft gealuind.
Aluinoplossing, V., -oplossingen.
Aluinsteen, M.
Alvast (bijw.).
Alvermogen, O.
Alvermogend.
Alvermogendheid, V.
Alvleeschklier, V., -klieren.
Alvleeschsap, O.
Alvorens.
Alwaar.
Alweder en alweer.
Alwetend.
Alwetende, M.
Alwetendheid, V.
Alwijs.
Alwijze, M.
Alwillensdwaas, M., -dwazen.
Alziend.
Alziende, M.
Alzijdig.
Alzoo.
Alzulk.
Amalgaam, O., amalgamen.
Amalgama, O., amalgama's en amalgamen.
Amandel (boom), M., amandels; (vrucht), V., amandelen en
amandels. Amandeltje, O., -jes.
Amandelbroodje, O., -broodjes.
Amandelmelk, V.
Amandelpas, ook -pars, -pers, O.
Amandelzeep, V.
Amarant, V., amaranten.
Amaril, V. Amarilletje, O., -jes.
Amarilmolen, M., -molens.
Amarilpapier, O.
Amateur-photograaf, M., -photografen.
Amazone, V., Amazonen.
Amazonenkleed, O., -kleederen.
Amazonenrivier, V.
Ambacht, O., ambachten.
Ambachtsbaas, M., -bazen.
Ambachtsheer, M., -heeren.
Ambachtsheerlijkheid, V., -heden.
Ambachtsman, M., -lieden en -lui.
Ambachtsschool, V., -scholen.
Ambachtsvrouw, V., -vrouwen.
Ambassade, V., ambassades.
Ambassadeur, M., ambassadeuren en ambassadeurs.
Amber, M.
Ambergeur, M., -geuren.
Ambergrijs, O.
Ambitie, V.
Ambitieus, ambitieuzer, ambitieust.
Ambrozijn, O.
Ambt, O., ambten. Ambtje, O., -jes.
Ambtelijk.
Ambteloos, -looze.
Ambtenaar, M., ambtenaars en ambtenaren. Ambtenaartje, O., -jes.
Ambtenaarsleven, O.
Ambtenaarsloopbaan, V.
Ambtenaarsstand, M.
Ambtenaarstraktement, O., -traktementen.
Ambtenaarswoning, V., -woningen.
Ambtgenoot, M., -genooten.
Ambtman, M., -lieden.
Ambtsbediening, V., -bedieningen.
Ambtsbezigheid, V., -heden.
Ambtsbroeder, M., -broeders.
Ambtseed, M., -eeden.
Ambtsgeheim, O., -geheimen.
Ambtsgewaad, O., -gewaden.
Ambtshalve.
Ambtskleed, O., -kleederen.
Ambtspenning, M., -penningen.
Ambtsplicht, M., -plichten.
Ambtsteeken, O., -teekenen.
Ambtsverrichting, V., -verrichtingen.
Ambtsvervulling, V.
Ambtsvoorganger, M., -voorgangers.
Ambtswoning, V., -woningen.
Ambulance, V., ambulances.
Ambulance-dienst, M.
Ambulance-dokter, M., -dokters.
Ambulance-trein, M.
Ambulance-wagen, M., -wagens.