_a._ Bij de woorden op eene toonlooze _e_, welke die _e_ ook buiten de
samenstelling kunnen missen; b. v. in _aardbewoner_, _eindbesluit_ enz.
_b._ Bij de woorden, die in het mv. op -_eren_ of -_ers_ uitgaan. Deze
werpen in de samenstelling -_en_ of -_s_ af, als: _kalvermarkt_,
_raderwerk_ enz., niet _kalversmarkt_, _raderenwerk_.
_c._ Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs
is. Deze werpen de _n_ weg, b. v. in _spelevaren_, voor _spelen varen_.
_d._ Bij de stammen op _d_, voorafgegaan door een helderen klinker of
tweeklank, waarin eene _i_ of _u_ voorkomt, t. w. _ij_, _ei_, _ui_,
_ie_ en _ou_. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af,
als in _rijkunst_, _leiboom_, _luiklok_, _verspiejacht_, _houpaardje_,
van _rijd_(_en_), _leid_(_en_), _luid_(_en_), _verspied_(_en_)
en _houd_(_en_).
53. De _verbindingsklanken_ zijn -_e_-, -_n_-, -_el_-, -_en_-, -_er_-
en -_s_-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een
woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee
gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eener _n_
achter eene toonlooze _e_, b. v. in _paardemarkt_ of _paardenmarkt_;
en ten aanzien eener _s_, wanneer het tweede lid met _s_ of _z_
begint, b. v. in _dorpschool_ of _dorpsschool_, _varkenziekte_ of
_varkensziekte_. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik
der verbindings-_n_ en der verbindings-_s_, vermits de _n_ achter
de toonlooze _e_ veelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel
onderdrukt wordt, en eene _s_ in eene volgende _s_ of _z_ wegsmelt.
Regels voor het gebruik der verbindings-_n_.
54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of
eene _h_ aanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (_hiatus_)
eene _n_ achter de toonlooze _e_; b. v. in _galgenaas_, _ganzenei_,
_brillenhuisje_, _vossenhol_ enz.
Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbare _mede_, en
met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonlooze
_e_ eindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v. _medearbeider_,
_bedehuis_, _bodeambt_, _vredehandel_ enz. Hiertoe behoort ook
_minnehandel_, van het oude _minne_, dat thans _min_ luidt, maar in
samenstellingen den ouden vorm behoudt, als _minnebrief_, _minnedicht_
enz.
55. In woorden als _'s-Gravendeel_, _'s-Gravenhage_, _'s-Gravenland_,
_'s-Heerenberg_, _'s-Hertogenbosch_, _Mijns-Heerenland_, _Prinsenhage_,
behoort eene _n_ als teeken van den 2den nv.
56. Wanneer het eerste lid _noodwendig_ de voorstelling van een
meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonlooze _e_ eene
_n_ gevoegd als teeken van het meervoud; b. v. in _boekenkast_,
_brievenbesteller_, _brillenslijper_, _dievenbende_, _hoedenmaker_,
_kaarsenmakerij_, _stoelendraaier_ enz.
57. Wanneer het eerste lid _noodwendig_ een enkelvoud voorstelt,
schrijft men het woord zonder _n_, behalve in die gevallen, waarin
deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd
wordt. Zoo b. v. _brilleglas_, _bruggegeld_, _eendevleugel_,
_galgebrok_, _mollevel_, _paardevijg_, _speldeknop_ enz.
Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -_boom_,
wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd
wordt: b. v. _berkeboom_, _beukeboom_, _eikeboom_ enz.
In _galgenaas_, _eendenei_, _duivenoog_, _brillenhuisje_,
_bruggenhoofd_ enz., kan de _n_, wegens de volgende klinkers of _h's_
niet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin
dus ook in _berkenhout_, _eikenhout_ enz.
58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geene _n_
ingevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar
eenigszins toelaat; dus niet in _flesschebakje_, _hondeketting_,
_pennemes_, _pijpedop_, _hoededoos_ enz.--Wanneer echter het
enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook
in zulke woorden de meervoudsvorm met _n_ onvermijdelijk, b. v. in
_flesschenrek_, _hondenkoopman_, _pennenkoker_, _speldenkussen_,
_speldenwerk_, _takkenbos_ enz.
59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren
stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -_en_
vormt, als _boer_ (_boeren_), _heer_, _slaaf_, _vrouw_ enz., eischen
den meervoudsvorm op _n_; b. v. _boerendochter_, _heerenknecht_,
_slavendienst_, _vorstentelg_, _vrouwenkleed_ enz.
60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene
samenstellingen met _s_ vormt, nemen eene _n_ als teeken van
het meerv. aan, wanneer zij _gewoonlijk_ gebezigd worden in
eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt;
b. v. _apengezicht_, _berenjong_, _drakenbloed_, _hazenlip_,
_leeuwenwelp_ enz.
61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam
is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van
lichaamsdeelen, als _ganzetong_; óf zij geven te kennen, dat de plant
tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In
het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. in
_kattestaart_, _slangekop_; in het laatste in het meervoud, b. v. in
_kattendoorn_, _slangenkruid_.
62. De samengestelde namen op -_boom_, wier eerste lid de vrucht
aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt,
hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v. _kerseboom_,
_kastanjeboom_, _rozeboom_, _seringeboom_ enz.
63. De woorden, wier eerste lid _stellig_ nu eens op een enkel- dan op
een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen
met de _n_, naar gelang der omstandigheden; b. v. _ossevleesch_
en _ossenvleesch_, _gemzeleder_ en _gemzenleder_, _paardestal_
en _paardenstal_. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm,
die het meest te pas komt; b. v. _ossevleesch_, maar _paardenstal_.
64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is,
dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, als
_hoogepriester_, _zoutevisch_, _roodekool_, _eenhoorn_, dan wordt het
bijvoegl. woord gedacht in den 1sten nv. te staan en blijft den vorm
van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleen
_de hoogepriester_, _de eenhoorn_, maar ook _des hoogepriesters_,
_den eenhoorn_ enz.
65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw.,
maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele
uitdrukking in den 2den of in den 4den nv., en heeft het eerste lid
den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v. _grootendeels_
(2de nv. onz.), _dewijl_ (4de nv. vrouwel.).
Regels voor het gebruik der verbindings-_s_.
66. De verbindings-_s_ wordt als teeken van den 2den nv. niet alleen
gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. in _bakkersnering_,
_dorpsherberg_, maar ook achter vrouwelijke, als in _stadsbestuur_,
_zielsverdriet_, _vriendschapsbetoon_. In woorden, wier tweede lid
met _s_ of _z_ begint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige
samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eene
_s_ hebben. Zoo leeren b. v. _krijgsmansdeugd_, _krijgsmanseed_,
_krijgsmanseer_, _dorpsherberg_, _dorpshuis_, _dorpsleeraar_,
_stadsmuur_, _stadswal_, _waarheidsliefde_ enz., dat men ook eene _s_
heeft te voegen in _krijgsmansstand_, _dorpsschool_, _stadszegel_,
_waarheidszucht_ enz.
67. De woorden, wier eerste lid op -_ier_ eindigt en de beteekenis van
een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen
de _s_ in als teeken van het meervoud; b. v. _officierssabel_,
_onderofficiersstrepen_ enz.
De bastaardwoorden.
(_Grondbeg._ § 214-256).
68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie
klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die
hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als
in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v. _ark_,
_beest_, _bijbel_, _keten_, _bisschop_, _luipaard_ enz.--De tweede
bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons
juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken;
b. v. _facto_, _incognito_, _cadeau_, _souspied_ enz.--De derde omvat
die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die
niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen;
b. v. _advocaat_, _officier_, _president_, _resolutie_, _sigaar_ enz.,
die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige
behooren als 't ware tot twee talen en heeten daarom _bastaardwoorden_.
69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden
overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn
óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. in _arti-kel_
(_arti-culus_), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden,
maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de
Nederl. spelregels geschreven; b. v. _majesteit_ (_majestat-is_). Door
zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn
de zoogenaamde _bastaarduitgangen_ ontstaan, als -_age_, -_aat_,
-_eeren_, -_ier_, -_ij_, -_ijn_ enz.
70. De uitgang -_age_ werd, overeenkomstig de vroegere uitspraak
_aadzje_, in de gebruikelijke spelling met _dj_ (-_aadje_)
geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt,
hebben wij ons verplicht gerekend de _dj_ te vervangen door de _g_, en
zoodoende de woorden als _bagage_, _kijvage_, _pelgrimage_, _slijtage_,
_stoffage_ enz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling
van _manege_, _logement_, _gelei_, _genie_, _horloge_ enz.
71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze
geschreven; als _groep_, _troep_, _kleur_, _klooster_, _koor_, _sier_,
_singel_, _troon_ enz. Uitgezonderd zijn: _cedel_ (_ceêl_), _ceder_,
_cel_, _cent_, _cijfer_, _cijns_ en _cirkel_, die men steeds met
_c_ heeft geschreven, en die met _s_ gespeld niet terstond zouden
herkend worden.
_Cel_, _cent_ en _cirkel_ blijven hunne vreemde herkomst verraden
door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair, _centesimaal_,
_circulaire_, _circulatie_;--_cijfer_ door zijne _f_, die in _v_
had moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der
Nederl. woorden _drijver_, _ijver_, _kijver_ enz. te geven.
72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke
spelling; b. v. _bougie_, _cadeau_, _catalogus_, _museum_,
_savoir-vivre_, _vaudeville_ enz. Wanneer zij in de verbuiging een
Nederl. uitgang aannemen, als _cadeau's_ (_cadeaux_), _catalogen_
(_catalogi_), _museën_ (nevens _musea_) enz., dan behooren zulke
vormen tot de bastaardwoorden.
73. De woorden der derde klasse, de _bastaardwoorden_, moeten wederom
in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden,
welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de
tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.
74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van
weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden
gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in
wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke
opleiding vereischen; als _dejeuneeren_, _disputeeren_, _receptie_,
_candelaber_, _lorgnet_, _categorie_, _syllogisme_, _scrupel_,
_lancet_, _tachygraaf_ enz.
75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden
regel gesteld:
Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift
bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze
geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven
is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene
ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel
noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v. _executio_ bij
ons _executie_, _decanus_--_decaan_, _république_--_republiek_,
_souverain_--_souverein_ enz.
76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift
heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken,
en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze
geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige §
gesteld. Wij spellen derhalve: _logica_, _physica_, _hypotenusa_;
doch, met verandering der uitgangen: _synode_ (_synodus_), _categorie_
(_categoria_), _geographie_ (_geographia_) enz.
77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in
allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden,
aan alle standen eigen; b. v. _penseel_, _vermiljoen_, _stukadoor_,
_karkas_, _karakter_, _kapitaal_, _kastelein_, _kwartier_ enz.
78. Op de woorden dezer soort--die meest in de uitspraak eene veel
sterkere verandering hebben ondergaan--is de vorige regel niet
meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk,
op Nederlandsche wijze, b. v. _komfoort_ (schoenmakersterm,
fr. _contrefort_), _penseel_ (_penicillum_), _travalje_ (hoefstal,
fr. _travail_), _biljart_ (_billard_), _biljet_ (_billet_), _kapittel_
(_capitulum_), _kasteel_ (_castellum_), _sigaar_ (_cigarro_), _sjees_
(_chaise_) enz.
79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op
Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niet _horloge_, _diligence_,
_machine_. De spellingen _horlozje_ of _horloozje_, _dilizjanse_,
_masjine_ of _maasjine_ zouden al te wanstaltig zijn en toch de
juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde
spelling--en wel geheel en al--behouden worden: _diligence_, _machine_,
_chocolade_ enz., niet _diligense_, _machiene_, _chokolade_, welke
noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden
smaak zou aandruischen.
80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht
worden, namelijk:
_a._ Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben
aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke
behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de
oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling
geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen: _dokter_
in den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel; _komedie_
(schouwburg) nevens _comedie_ (blijspel); _kommies_ (beambte bij de
belastingen, fr. _douanier_), nevens _commies_ (ambtenaar aan een
ministerie of bij de posterijen, fr. _commis_); _lokaal_ (vertrek,
zaal) nevens het bijv. nw. _locaal_ (plaatselijk) enz.
_b._ De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v. _nimf_,
_porfier_, _saffier_, _zéfir_ of _zefíer_ enz. De poëzie, uit haren
aard afkeerig van vreemde woorden en vormen, heeft de genoemde en
dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van
denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair
gemaakt.
81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onder _a_ bedoeld,
zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op
tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee
vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of
Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De
Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of
deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren
b. v. _praesens_ (tegenwoordige tijd) en _present_ (tegenwoordig),
_subject_ (onderwerp) en _sujet_ (in de uitdrukking _een gemeen
sujet_), _familie_ (Lat. familia) en het gemeenzame _famielje_
(Fr. _famille_), _dioecese_ en _diocese_, _nummer_ en _nommer_,
_oeconomie_ en _economie_, _praeparaten_ en _preparatieven_,
_fundament_ en _fondement_, _secunde_ en _seconde_.
82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en
bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende
richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven
openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te
doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden
kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde
woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling
in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer
gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou
de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het
volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee
vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat
een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen
hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende
stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aan _het koord_, met
zorg vervaardigd touw, _de koord_ der koordedansers, en _de koorde_
in de meetkunst; aan _het uur_ en _de ure_, aan _de ziel_ en _de
ziele_, aan _kleeden_ en _kleederen_, aan _volken_ en _volkeren_ enz.
83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het
meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen,
die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste,
vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke
spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de
Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor
dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste,
dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is
die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden,
waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering;
en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu
deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk: _is
het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen?_
Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in §
75-80 gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin
het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing
niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in
§ 75, de ander volgens den regel in § 78 behandelen, hetgeen dan twee
verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch
niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt,
dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn
toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.
84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van
woorden der eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal
het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen
gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen,
drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op
Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v. _fyzika_, _kritikus_,
_katheder_, _kataloog_ enz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de
vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten,
dat--volgens hun stelsel--_fyzika_ eene _y_, maar _kritikus_ gewone
_i's_, dat _katheder_ eene _th_, maar _kataloog_ eene _t_ hebben moet.
85. Is het bedoelde stelsel [1] niet in staat om de moeilijkheid
weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is
uitgedacht, het bezwaar in § 83 vermeld is daarin veel grooter dan
bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op
bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde
woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist
kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent
te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel
toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te
kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche
beginnen moet. Zoo schrijft men _botanikus_, _kritikus_, _logika_,
_kreion_, _portefeulië_, _kompanion_, maar, geheel op Fransche wijze:
_bouillon_, _bouilli_, _eau de Cologne_, _entrepot_, _coup d'état_,
_bordeaux_ (wijn), terwijl het stelsel volstrekt _odekolonje_,
_antrepo_, _koedeta_ of _koedeeta_, _bordo_ eischt: spellingen, die de
uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dan _konsinië_,
_sinialement_, _viniët_, _broeliëeren_, _akkeuliëeren_, gelijk sommigen
willen, die van _consigne_, _signalement_, _vignet_, _brouilleeren_,
_accueilleeren_. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere
reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden,
op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden
hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor
zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt,
en dat, consequent gevolgd, tot spellingen als _soepjee_ (souspied),
_swarree_ (soirée), _koeduilj_ (coup d'oeil) enz. brengt, gelijk het
reeds het niet zeer fraai klinkende _ekwipaadje_ heeft doen ontstaan.
86. Daar men--en onzes inziens te recht--alle noodelooze
inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles,
wat--gelijk de spelling eener taal--op den naam van _stelsel_ aanspraak
moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren als _fyzika_
(_physica_), waarin de Nederl. _f_ en _z_ plaats nemen naast de
Gr. _y_, of als _katalogus_ (_catalogus_), waar de Lat. uitgang _us_
in strijd is met de Gr. of Nederl. _k_. Schrijfwijzen, die twee
of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig
nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en
regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr. _th_ en _y_,
maar ook de _c_, _s_ en _ph_, waar de Latijnsch-Grieksche spelling
die letterteekens medebrengt. Dat de _ph_ aanleiding kan geven tot
eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet
om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent
zal handelen. Een onkundige moge _bedelen_ of _legeren_ uitspreken
alsof er _bedeelen_ en _legeeren_ geschreven stond, of _bévingen_
met _bevìngen_ verwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden,
wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om
haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden
heeft aangenomen.
Het verdeelen der woorden in lettergrepen.
(_Grondbeg._ § 257-270).
87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot
welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters
moeten gerekend worden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien
aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:
1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe
zij behoort; men breekt derhalve dus af: _kwab-aal_, _eer-ambt_,
_mein-eedig_, _door-een_, _elk-ander_ enz.
Woorden met voorvoegsels, als _be_-, _ge_-, _her_- enz., en die met de
achtervoegsels -_aard_ en -_achtig_, welke eigenlijk samenstellingen
zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af:
_be-kleeden_, _her-overen_, _blauw-achtig_, _wreed-aard_ enz., met
uitzondering van _grijn-zaard_ en _vein-zaard_: vergel. § 33.
2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer
medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden;
b. v. _lief-de_, _hoog-ste_, _gedwee-ste_, _mee-ste_, _bak-ster_,
_vlee-schelijk_ enz. Ter wille van de uitspraak moeten _naas-te_
en _bes-te_ worden uitgezonderd.
Ook de _t_ en _p_, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -_je_
gevoegd worden, en evenzoo de _s_ voor -_ken_ of -_ke_, behooren
bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af:
_stoel-tje_, _boon-tje_, _boom-pje_, _penning-ske_, _jong-ske_ enz.
3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn,
gaat men naar de volgende voorschriften te werk:
_a._ Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende
lettergreep; b. v. in _dee-len_, _ne-men_, _la-chen_, _li-chaam_.
_b._ Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de
tweede tot de volgende lettergreep; b. v. in _ber-gen_, _lan-den_,
_gan-zen_ enz., en zoo ook bij _ng_ in _lan-ger_, _bren-gen_,
_zin-gen_.
_c._ Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de
volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord
gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af:
_vor-sten_, _kor-stig_, _ven-ster_ enz.; maar _amb-ten_, _erw-ten_,
_art-sen_, _koort-sen_ enz.
_d._ In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te
werk, b. v. in _le-proos_, _A-driaan_ enz.
Het gebruik der hoofdletters.
88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van
andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot
eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een
woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande,
of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder
nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende
bijzondere regels voort: