Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:
1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. in _dagen_,
_leven_, _blijven_, _huizen_ enz.
2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. in _engelen_, _perziken_,
_kieviten_ enz.; behalve de _s_ in _kennissen_, _vonnissen_ en in
_notarissen_ enz.
3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de
schijnbare uitzondering bij de _sch_ in _wasschen_, _tusschen_ enz.
4. niet wanneer de tusschenletter eene _ch_ is; b. v. in _lachen_,
_lichaam_ enz.
21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van
toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen
onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht twee _d's_,
_g's_ enz. in _hoofddee_l, _waaggeld_, uit _hoofd_ en _deel_, _waag_
en _geld_; en zoo ook twee _l's_ in _adellijk_ en _middellijk_
van _adel_ en _middel_, door aanhechting van het achtervoegsel
-_lijk_. (_Grondbeg._ § 113).
De halfklinkers _j_ en _w_.
22. De _j_, welke de gebruikelijke spelling in woorden als _baaijen_,
_breijen_, _boeijen_, _buijen_ enz. invoegt, is geheel overtollig,
nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is
overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf
ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor
de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den
bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. in _hooijer_, _leijen_,
_strooijen_ ten onrechte even sterk als in (_een goed_) _hooijaar_,
_leijonker_, _strooijonker_. Zij strijdt met de analogie, omdat de
spelling _baaijen_, _reijen_, _boeijen_, _luije_, _mooije_ enz.,
om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eene _j_ in _bijjen_,
_rijjen_, _pijjen_ enz., maar ook _baaij_, _reij_, _luij_, _mooij_
zou eischen, evenzeer als uit _looden_, _boegen_, _bloote_, _vroege_,
de spelling _lood_, _boeg_, _bloot_, _vroeg_ volgt. Wij mochten dus
niet aarzelen, door het weglaten der overtollige _j_ de spelling der
woorden, waarin tweeklanken op _i_ voorkomen, in overeenstemming
te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van
de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene
nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij
schrijven uit dien hoofde: _baaien_, _zaaien_, _breien_, _leien_,
_gooien_, _hooien_, _buien_, _kruien_, _zaaier_, _hooier_, _kruier_,
_bemoeiing_, _voltooiing_ enz., in overeenstemming met _reeën_,
_zeeën_, _tweeën_, _theeën_, _drieën_, _knieën_, _spieën_, waarin
evenzeer eene flauwe _j_ gehoord wordt. (_Grondbeg._ § 92).
23. De spelling _verw_, _verwpot_, _verwen_ enz. is thans strijdig
met de uitspraak, waarin de _w_ door _f_ en _v_ vervangen is. Wij
schrijven daarom _verf_, _verfpot_, _verfwaren_, _verven_, _verver_,
_ververij_. (_Grondbeg._ § 126).
De vloeiende letters _l_ en _n_.
24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen met
_middel_, als _middelpunt_, _middellinie_ enz. In den laatsten
tijd is men begonnen ook met _midden_ samen te stellen, en naast
_middeleeuwen_ en _middelpunt_ ook _middeneeuwen_, _middenpunt_
enz. te schrijven. Daar nu de beteekenis van _middel_ en _midden_
in al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet
welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus
dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent: _middeleeuwen_,
_middelevenredig_, _middelpunt_, _Middelnederlandsch_ enz., in
overeenstemming met _middeldeur_, _middellandsch_, _middellijf_,
_middellijn_, _middelmaat_, _middelmatig_, _middelmuur_, _middelpad_,
_middelschot_, _middelsoort_, _middelstand_ enz., waarin men nooit
_midden_ aantreft. (_Grondbeg._ § 114).
25. Het manl. achtervoegsel -_ing_ (zie _Gesl._ § 54) wisselde
oudtijds af met den uitgang -_ig_, die nog in _honig_ voorkomt. De
vorm _honing_, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft
dus evenveel recht van bestaan als _honig_. Daarom achten wij ons
verplicht beide vormen, zoowel _honing_, _honingraten_ enz., als
_honig_, _honigraten_ enz., te erkennen.
26. De spelling der verkleinwoorden met eene _n_, als: _boekjen_,
_huisjen_, _kopjen_, _schoteltjen_, _boekjens_, _huisjens_, _kopjens_,
_schoteltjens_, _stilletjens_, _zachtjens_, is strijdig met de
beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij
schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak: _bankje_,
_boekje_, _bloempje_, _huisje_, _kopje_, _stilletjes_, _warmpjes_,
_zachtjes_, _zoetjes_ enz. zonder _n_.
Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -_ken_ of -_ke_. Deze
zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige
dialecten gebezigd, en dan meestal met _n_ uitgesproken. Wij schrijven
om die reden _kindeken_, _jongsken_, _dochterken_ enz., te meer daar
de beschaafde uitspraak de _n_ volstrekt eischt in _allengskens_
en _zachtkens_. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -_ken_ stijf
zou klinken, zien wij geen bezwaar in _boekske_, _penningske_
enz. (_Grondbeg._ § 119).
De keelletters _g, ch_ en _k_.
27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eene _t_, die tot
dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten,
overeenkomstig de uitspraak, met _ch_ geschreven, b. v. in _acht_,
_biecht_, _dracht_, _gewicht_, _gezicht_, _jacht_, _klacht_, _lucht_,
_nacht_, _plecht_, _plechtig_, _plicht_, _recht_, _rechter_, _richten_,
_slecht_, _tocht_, _vlucht_, _zucht_ enz., en zoo ook in _geslacht_
en _licht_, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der
genoemde woorden van stammen met _g_ zijn gevormd, als _dracht_,
_jacht_, _klacht_ enz. van _dragen_, _jagen_, _klagen_.
Daarentegen blijft de _g_ in de regelmatige vervoeging der werkwoorden,
wier stam op _g_ eindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van
-_te_ gevormd van bijvoegl. nw. op _g_; b. v. in _draagt_, _jaagt_,
_klaagt_, _pleegt_, _weegt_, _ligt_ (van _liggen_), _zoogt_, _zuigt_
enz., en in _laagte_, _leegte_, _droogte_, _hoogte_, _vroegte_,
_ruigte_, _menigte_ enz., waarin de _t_ steeds tot de volgende
lettergreep te behoort.
De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw. _brengen_,
_mogen_ en _plegen_ behooren met _ch_ te worden gespeld: _bracht_,
_brachten_, _mocht_, _mochten_, _placht_, _plachten_, en zoo ook
het verl. deelw. _gebracht_; dewijl de _t_ daarin in alle vormen
blijft. Daarentegen behoort men _brengt_, _moogt_, _pleegt_ met _g_
te schrijven, omdat de _t_ niet wordt aangetroffen in de overige
vormen van den tegenw. tijd: _breng_, _brengen_, _mag_, _mogen_,
_pleeg_, _plegen_.
Evenzoo is de spelling _Aagt_ en _aagtappel_ regelmatig, dewijl de
_t_ in deze verkorte vormen slechts toevallig op de _g_ volgt, maar
er in den onverminkten vorm _Agatha_ door eene _a_ van gescheiden is.
Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste
onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en
aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a. _ligt_
en _regt_ voor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig
woord, waarin eene _g_ voorkomt. Daarentegen gaf zij aan _geslacht_,
_tucht_, _tuchtigen_ de _ch_, hoewel deze woorden met _slag_ en _toog_,
_togen_ samenhangen. (_Grondbeg._ § 94).
28. Onze _g_ had oudtijds denzelfden klank als de Fransche _g_ in
_grand_, _garde_, en was dus toen eene zachte _k_, gelijk zij thans
eene zachte _ch_ kan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter
door eene _n_ wordt voorafgegaan, b. v. in _tang_, _ring_, dan
heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat
dientengevolge alsdan dikwijls over in _k_, b. v. in _koninklijk_
van _koning_, _aanvankelijk_ van _aanvangen_, _jonkheer_ van _jong_
enz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitende _g_,
door eene _n_ voorafgegaan, den klank eener zachte _ch_ te geven, en
haar in _tang_, _tangen_, _ding_, _dingen_, enz. zóó uit te spreken
als in _aangaan_, _ingetogen_, _ongelukkig_ enz. Daarom vervangen wij
_ng_ door _nk_ in al die gevallen, waarin de spelling met _ng_ meer
bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk
in _koninkrijk_, _jonkheid_, _lankmoedig_, en in de verkleinwoorden op
-_je_, gevormd van woorden op -_ing_, wanneer deze lettergreep toonloos
is, als in _koninkje_, _woninkje_, _rottinkje_, _kettinkje_ enz.
Wanneer -_ing_ door eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan
en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. in _wandeling_,
_teekening_, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -_etje_
gevormd: _wandelingetje_, _teekeningetje_ enz., evenals _tangetje_,
_ringetje_, _tongetje_ enz. (_Grondbeg._ § 98).
29. Sedert de _ch_ achter de _s_ in het midden en aan het einde der
woorden stom geworden is, b. v. in _tusschen_, _menschen_, _disch_,
_visch_ enz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij
door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. als _gansch_,
_heesch_ en andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (_Grondbeg._
§ 123), maar niet bij _torschen_, waarin de _ch_ volstrekt geen
nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daarom _torsen_
zonder _ch_.
30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de
gebruikelijke spelling geschiedt, _nog_ (daarenboven, tot nu toe)
van _noch_ (ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde
woord volgens de afleiding eene _ch_ behoorde te hebben. In _nochtans_
echter, ofschoon uit _nog dan_ samengesteld, geven wij de voorkeur
aan de _ch_, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachte
_g_, den overgang der _d_ van _dan_ in de _t_ van _tans_ heeft kunnen
veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is,
waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat
hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.
31. De gebruikelijke spelling _Dingsdag_ berust op eene bedorven
uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte een
_dag der (rechts)gedingen_. Daar de betere uitspraak _Dinsdag_ op
vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder
verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalve
_Dinsdag_, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den
oorlogsgod _Die_ of _Diu_ gewijd, met ingelaschte _n_, gelijk in
_kinkhoest_ uit _kiekhoest_. (_Grondbeg._ § 128).
De tongletters _d_ en _t_.
32. Wanneer de _s_ door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is
deze de scherpe _t_; uitgezonderd in den 2den nv. der woorden op
_d_, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting van
_sch_ en _s_ van woorden op _d_ gevormd; en eindelijk in _loods_
(in de beide beteekenissen), in _gids_ en _smidse_. Ingevolge dezen
regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij
niet alleen _trots_, _scherts_, _plaats_, _rots_ enz. met _t_, maar
ook _guts_ van _gieten_; _knots_ van _knotten_; _rits_, _ritsig_,
verwant met _wrijten_; _gutsen_, uit het oudere _gussen_ vervormd,
en _ritselen_ van onzekere afleiding. Daarentegen met _d_: _Gods_,
_des kinds_, _des bloeds_, _goedsmoeds_, _steedsch_ en _steeds_,
_gindsch_ en _ginds_ van _gind(er)_. (_Grondbeg._ § 99).
33. De woorden op -_aard_ bestaan eigenlijk uit het bijv. nw. _hard_,
gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v. _bloodaard_,
_grijsaard_, _gulzigaard_, gevormd van de bijv. nw. _blood_, _grijs_,
_gulzig_, en _bankaard_ van het znw. _bank_. Die woorden behooren dus
met de _d_ van _hard_ geschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk
samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord
onveranderd en schrijft _lafaard_, _grijsaard_, niet _laffaard_,
_grijzaard_. _Grijnzaard_ en _veinzaard_ echter zijn tegen den regel
van een werkwoord gevormd en uit _grijnzer_, _veinzer_ verbasterd. Zij
kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren
den regel der afleidingen te volgen en (gelijk _veinzer_, _lezer_
enz.) met de _z_ geschreven te worden. (_Grondbeg._ § 100).
34. De meervouden _ritten_ en _binten_ bewijzen, dat de _d_ van
_rijden_ en _binden_ in de genoemde woorden tot _t_ is verscherpt,
gelijk zulks ten aanzien van de _d_ van _mede_ in het voorzetsel _met_
sinds lang algemeen erkend is. De woorden _rid_, _bind_ en _med_ met
_d_ hebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn door _rit_,
_bint_ en _met_ vervangen. Het is derhalve regelmatig ook _ritmeester_,
_gebinten_ en _metgezel_ te schrijven. (_Grondbeg._ § 102).
35. Dezelfde verscherping heeft de _d_ ondergaan voor het achtervoegsel
-_nis_ in de stammen der werkwoorden, die uitgaan op _d_, voorafgegaan
door eene _l_ of _n_. Ten onrechte heeft men in _beeldtenis_ en
_verbindtenis_ eene _d_ ingevoegd, die aan eene afleiding met _-te_
doet denken. De ware spelling is _beeltenis_ en _verbintenis_, evenals
_ontstentenis_, waarin men nooit eene _d_ heeft geschreven, hoewel
het op gelijke wijze afstamt van _ontstanden_, bijvorm van _ontstaan_
(in den ouden zin van _ontbreken_). (_Grondbeg._ § 102).
36. Ofschoon de stofnaam _kruit_ (poeder), wat den oorsprong betreft,
hetzelfde woord is als _kruid_ (gewas), is het echter thans door de
geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds
hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in
de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den
zin van _poeder_ nu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot
de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe
sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval als
_schroot_, dat ook eigenlijk _schrood_ luidde (van 't ww. _schroden_,
snijden), en waarnevens nog _schroodbeitel_ en _schroodijzer_
bestaan. Wij schrijven daarom _kruit_ (poeder), _buskruit_,
_rattenkruit_, nevens _kruid_ (gewas), _kruiden_, _nieskruid_,
_wormkruid_. (_Grondbeg._ § 127).
37. De woorden op -_lei_ en -_hande_ zijn eigenlijk samenstellingen,
waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2den nv. staat. Regelmatig
gevormd zijn derhalve _allerlei_, _eenerlei_, _velerlei_,
_menigerlei_, _twintigerlei_ en -_hande_ enz. Daarentegen hebben
andere, als _vierderlei_, _vijfderlei_, _zesderlei_ en -_hande_,
eene _d_ ingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten
aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindt
_tweeërlei_, _drieërlei_ (-_hande_), en _tweederlei_, _driederlei_
(-_hande_) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen
te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spelling _tweeërlei_
en _drieërlei_ (-_hande_) de voorkeur te geven. (_Grondbeg._ § 93).
38. De spelling _Kersdag_, _Kersfeest_, _Kersmis_ enz. maakt die
woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze
komt vooral in _kersboom_ belachelijk uit. De herstelling der _t_
van den naam _Kerst_ (_Christus_) doet den zin der woorden begrijpen,
en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij
schrijven daarom _Kerstdag_, Kerstf__eest, _Kerstmis_, _kerstboom_
enz.--Daarentegen is er geene afdoende reden om in _kermis_
en _kerspel_ de _k_ van _kerk_ weder in te voegen. Sedert de
kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen
samenvallen, en _spel_ de beteekenis van _rechtsgebied_ verloren
heeft, zou de spelling _kerkmis_ en _kerkspel_ deze woorden vooral
niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke
spelling _kermis_, _kerspel_.
39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woord _liicteken_
(_lijkteeken_, d. i. _blijkteeken_) verbastering en ging over in
_licteken_ en _litteken_. Het veranderde tevens van beteekenis,
en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men
vatte het op als teeken in het vleesch (_lijk_) en schreef daarom
_likteeken_, hetgeen niet verhinderde dat men voortging _litteeken_
uit te spreken. Daar nu de spelling _likteeken_ zoomin de afleiding
als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de
uitspraak en het eeuwenoude gebruik: _litteeken_. (_Grondbeg._ § 131).
De lipletters _v_ en _f_.
40. De gebruikelijke spelling _diefegge_ doet denken aan eene
samenstelling van _dief_ met zeker onbekend woord _egge_. Deze
uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door
samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op
de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen,
de _f_ moet in _v_ veranderen: dus _dievegge_, gelijk in _dieverij_,
_lieverd_ enz. (_Grondbeg._ § 107).
41. De beschaafde uitspraak heeft de _v_ van _vonk_ in het afgeleide
_fonkelen_, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat,
tot _f_ verscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan
nevens _vonkelen_, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij
schrijven daarom in den oneigenlijken zin _fonkelen_, en dus ook
_fonkelnieuw_. (_Grondbeg._ § 111).
De sisletters _s_ en _z_.
42. Uit de bijwoordelijke uitdrukking _te zamen_ ontstond eerst
het bijw. _tsamen_, en hieruit, door het wegvallen der _t_, nadat
zij de _z_ tot _s_ verscherpt had, _samen_. Dit is dus inderdaad in
oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog
altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven
daarom _samen_ met _s_ aan het begin van alle samenstellingen, en zoo
ook, wanneer het woord alleen staat: _samenkomen_, _samenwerken_,
_samenspraak_, _samenhang_ enz. _Te samen_ zou echter niet te
verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dan _te te
zamen_, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij: _Zij zullen
er te zamen_ (of _er samen_) _heengaan_. Ook blijft de _z_ in het
midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een
voorvoegsel van _zamen_ gevormd zijn, als in _opzamelen_, _inzamelen_,
_verzameling_. (_Grondbeg._ § 108).
43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en
uitspraak _geenszins_, maar strijdig met beide _allezins_, _anderzins_,
_eenigzins_, _veelzins_. Naar analogie van het geheel onberispelijke
_geenszins_, behoort men ook _alleszins_, _anderszins_, _eenigszins_,
_veelszins_ te schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der
spraakkunst beantwoordt. (_Grondbeg._ § 125).
44. Het schrijven van _wijsst_, _boosst_, _loosst_, als overtreffende
trappen van _wijs_, _boos_, _loos_, zou met de Nederl. begrippen
aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede
vervalt dan ook de spelling _wijsste_, _boosste_, _loosste_,
en, naar analogie hiervan, ook _valschst_, _verschst_ enz. Wij
schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet
te vermijden mochten zijn: _wijst_--_wijste_, _loost_--_looste_,
_malscht_--_malschte_ enz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling
van _Friesch_ (niet _Friessch_), _trotsch_ (niet _trotssch_), van
_Fries_ en _trots_, die zelve op _s_ eindigen.
Het achtervoegsel -_ster_, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt,
maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus
daarin van -_s_ en -_sch_. Het behoudt daarom zijne _s_, b. v. in
_ziekenoppasster_, _mutsenwaschster_ enz. (_Grondbeg._ § 124).
De samenstellingen.
45. _Samengestelde woorden_ zijn verbindingen van woorden, die tot één
geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken,
verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke
deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v. _grootschrift_ en
_kleinkind_ iets anders dan _groot schrift_ en _klein kind_.
46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen, _leden_ genoemd,
die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v. _huis-knecht_,
_op-stellen_, _horloge-maker_, _werk-tuig_, _horlogemakers-werktuig_.
47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of
door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van
het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de
middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen
van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door
koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den
aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre
deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.
Regels voor het onderkennen der samenstellingen.
(Grondbeg. § 134-153).
48. Samengestelde woorden--en dus aaneen te schrijven--zijn alle
opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden
zin zouden opleveren.
I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die,
wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden
opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door
omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde;
b. v. _ijzerdraad_, _ijzeren draad_; _tweehonderd_, tweemaal honderd;
_godmensch_, goddelijk mensen; _zeshoek_, figuur met zes hoeken;
_badkuip_, kuip om te baden, enz.
Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:
1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich
zelve staande woorden gevormd; t. w.:
_a._ Vele zelfst. nw. op -_er_, -_ster_ en -_ing_, als _houthakker_,
van _hout hakken_; _droogscheerder_, van _droog scheren_;
_invrijheidstelling_, _tekortkoming_, van _in vrijheid stellen_,
_te kort komen_.
_b._ Vele bijvoegl. nw. op -_ig_ en -_sch_, als _vierhoekig_, van
_vier hoeken_; _alledaagsch_, van _alle dagen_, enz.
_c._ Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde
bijwoordelijke _s_, als _veeltijds_, _buitendijks_, _terloops_.
2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de
rede geene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden
vorm behoudt; b. v. _grootmeester_, _oudoom_, _kleinzoon_ enz. Men
zegt: _des grootmeesters_, _uwen oudoom_, _zijne kleinzoons_, niet
_des grooten meesters_, _uwen ouden oom_, _zijne kleine zoons_,
dan met verandering der beteekenissen.
3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige
vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik
zijn. Hiertoe behooren:
_a._ De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of
onz. 2den nv., als _goedsmoeds_, _blootshoofds_ enz., dewijl men niet
meer zegt: _des goeds moeds_, _des bloots hoofds_ enz.
_b._ De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken
2den nv. op -_er_, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen;
als _allerwegen_, _langzamerhand_, _toevalligerwijze_ enz.
_c._ De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een
2den nv.; als _binnensmonds_, _buitenshuis_ enz.
_d._ De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoord _de_ _in ter_
is veranderd; als _metterdaad_, _mettertijd_ enz.
_e._ De uitdrukkingen, beginnende met _dèr_, _dès_ en _wès_,
verouderde 2de nvll. van _die_ en _wie_; als _derhalve_, _desgelijks_,
_deskundige_, _weshalve_ enz.
II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee
woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis
hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere
is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.
Als zoodanig worden aaneen geschreven:
1. De werkwoorden met de voorzetsels _aan_, _achter_, _bij_,
_door_, _om_, _onder_, _op_, _over_, _tegen_, _uit_ en _voor_,
welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met
de bijwoorden _af_, _mede_ en _toe_, als: _aanbinden_, _doorsteken_,
_uithalen_, _afgaan_, _medeloopen_, _toestemmen_ enz.
2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met
een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die
van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v. _gadeslaan_, _rechtspreken_,
_gevangennemen_, _goeddoen_, _vrijlaten_, _voortgaan_, _aaneenbinden_,
_ondereenmengen_ enz.
Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der
trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene
samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v. _staat maken_ en _fraai
schrijven_ geene samenstellingen, omdat men kan zeggen _geen staat
op iets maken_, _fraaier schrijven_ enz.
3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw. _wel_, _vol_ en _al_,
wanneer deze woorden den zin hebben van _zeer_, als _welbespraakt_,
_volzalig_, _aloud_ enz.; alsmede de titels, beginnende met _edel_,
_hoog_, _wel_ en _zeer_, als _Edelgeboren_, _Hooggeleerd_, _Weledel_,
_Zeergeleerd_ enz.
4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande,
als _hooggeel_, _lichtblauw_, _donkerbruin_, _zwartbont_ enz.
5. De voornaamw. _degene_, _diegene_, _hetwelk_, _dezulke_ en
_dezelfde_.
6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden,
als _veeleer_, _zoozeer_, _zoolang_, _evengoed_ enz. (verschillende
van _veel eer_ of _eerder_, _zoo zeer_, _zoo lang_, _even goed_);
of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is,
als _kortom_, _voluit_ enz.
7. De bijwoorden _hier_, _daar_ en _waar_, gevolgd door een voorzetsel,
dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo
b. v. _hierdoor_, _daaruit_, _waaronder_ enz.
8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel
gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een
voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft;
b. v. _achterwege_, _overeind_, _overlang_, _voorzeker_, _voorgoed_,
_vanhier_, _vandaar_, _overal_, _ondereen_ enz., verschillende van
_voor zeker_, _voor goed_, _van hier_, _van daar_.