10. De voorzetsels _tegenover_, _rondom_, _niettegenstaande_ en
_ingevolge_.
Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, als _uit
hoofde_, _in geval_, _door toedoen_, _met betrekking_ enz., blijven
gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is,
steeds zelf eene bepaling vereischt; als _uit hoofde van_, _in geval
van_, _met betrekking tot_ enz.
11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de
beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v. _alhoewel_,
_zoodat_, _doordien_, _dientengevolge_ enz.