OVER DE SPELLING.

Overzicht van de regels, in zooverre zij de tot hiertoe gebruikelijke

spelling wijzigen of aanvullen.

1. Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in

den beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor

de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen

invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een

groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de

schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in

zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is

zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen;

en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen

eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen

wordt. Is men eenmaal aan zulk eene nieuwe spelling gewend, dan is de

verhouding omgekeerd; dan schijnen alle _vroegere_ geschriften in eene

vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene

geheele omwenteling in de spelling graaft aldus tusschen het verledene

en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden

wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de

kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan

voor de meesten opgehouden te bestaan.

2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene

veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons

geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk

het geval zou geweest zijn, indien wij b. v. besloten hadden alle

_e_'s en _o_'s in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met

één hetzij met twee letterteekens, te schrijven. Daarom hebben wij

ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt

niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige

weinige op zich zelve staande woorden, als _Dinsdag_, _litteeken_

en nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel

wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de

onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens

alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. Wij achtten ons

integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand

berustende uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel

doenlijk, consequent toe te passen.--Verder bestond voor ons de

onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke

schrijfwijzen ééne te kiezen en--wat ongetwijfeld het gewichtigste

gedeelte van onze taak was--een aantal nog onbeantwoorde vragen,

waaronder uiterst belangrijke die nog nooit of slechts ten deele

behandeld waren, voor ons zelven te beantwoorden, en de regels, die

ons doelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de

grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met

noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij

de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de afbeelding

der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (Zie

_Grondbeginselen_ § 1-72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende

beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zelven hebben vastgesteld,

kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig

in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de

beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere

opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid

hebben beoogd, d.i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming

van misverstand.

In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze

beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing

naar de § § van de _Grondbeginselen der Nederlandsche spelling_,

waar zij breeder ontvouwd zijn.

Klinkers en tweeklanken.

De verdubbeling der klinkletters.

3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door

verdubbeling van het letterteeken aangeduid: _aa_, _ee_, _oo_,

_uu_; behalve bij de _i_, wier heldere klank met den vollen of halven

klemtoon steeds door _ie_ voorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet

alleen _baar_, _beer_, _boor_, _buur_, enz., maar ook _eegaas_, _raas_

en _vlaas_, mv. van de echt Nederl. woorden _eega_ (_gade_), _ra_ en

_vla_, met eene dubbele _a_.--Daarentegen zijn de meeste schrijvers

gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen,

als _Maria_, _Hebe_, _Nero_, _acacia_, _echo_, niet te verdubbelen,

maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (_apostrophe_)

te vervangen: _Maria's_, _Hebe's_ enz. Daar het verkieslijk is den

vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel

mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de

voorkeur boven die van _Mariaas_, _Hebees_, _Neroos_, _echoos_ enz.,

te eer omdat men bij de woorden op _i_, als _Garibaldi_, _Rubini_, toch

zoo te werk gaat, en nooit _Garibaldiis_, _Rubiniis_ schrijft. Wij

spellen daarom den 2den nv. van het enkelv. en alle nv. van het

meerv. der hier bedoelde woorden met _'s_: _Maria's_, _Hebe's_,

_Garibaldi's_, _Nero's_, _acacia's_, _echo's_ enz. (_Grondbeg._ § 90).

4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben

op woorden als _pendule_, _Elize_, _Philippine_ enz., die op eene

toonlooze, niet op eene heldere _e_ uitgaan. De ' zou daar overtollig

zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wij _Elizes_,

_Philippines_, _pendules_ enz.

5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange

en scherplange _e's_ en _o's_, met andere woorden, de verdubbeling

der scherpe _e's_ en _o's_ in opene lettergrepen, b. v. in _beenen_

en _boomen_, nevens _geven_ en _boven_, is, o. a. om de redenen

in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die

gedeeltelijk wijzigingen zijn:

1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen

klemtoon hebben, dus niet alleen -_eel_, en -_loos_, maar ook

-_ees_, -_eesch_ en -_eeren_ worden steeds met den dubbelen

klinker geschreven. Wij spellen derhalve _houweelen_, _penseelen_,

_personeele_, _Chineezen_, _Japanneezen_, _Chineesche_, _Siameesche_,

_waardeeren_, _regeeren_, _waardeering_, _regeering_, _goddelooze_,

_redeloozen_ enz. (_Grondbeg._ § 77-79).

2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden de _e's_ en _o's_,

behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uit _ai_ en _au_

ontstaan zijn, met eene enkele _e_ en _o_ geschreven worden, b. v. in

_lelie_, _menie_, _olie_, _rozen_ enz., wordt door ons consequent

toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering van _kroon_,

_troon_ en _toon_ (in de muziek), en schrijven regelmatig ook _kronen_,

_tronen_, _tonen_.

Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de

uitzondering der _o's_ uit _au_, en schrijven niet alleen _mooren_,

_poozen_ enz., maar ook _koozen_, _liefkoozen_ (lat. _causari_)

met _oo_.

3. Met de _e's_ en _o's_ in samengetrokken lettergrepen handelt

men veelal niet consequent. Zoo schrijft men _leeman_ (_ledeman_),

_leeren_ (_lederen_), _streelen_ (_stregelen_), _gedwee_ (_gedwede_),

_slee_ (_slede_), _oolijk_ (_oodelijk_); maar daarentegen _preken_

(_prediken_), _kwelen_ (_kwedelen_), _veren_ (_vederen_), _kwe_

(_kwede_), _doren_ (_doderen_); terwijl men ten opzichte van

andere woorden, als _ceelen_ (van _cedel_), het ww. _onweeren_ (van

_onweder_) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene

aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke

samentrekkingen met _ee_ en _oo_ te schrijven, dewijl de dubbele

letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die

door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleen _leeman_,

_leeren_ (_lederen_), _streelen_, _gedwee_, _slee_ (_slede_), _oolijk_,

maar ook _preeken_, _preeker_, _kweelen_, _veeren_, _kwee_, _dooren_,

_ceelen_, _onweeren_ enz.

4. Doordien de zachte en scherpe _e's_ en _o's_ in het Hollandsche

dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk

onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op

overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van

enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de

afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring

soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar

nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is,

hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van

zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleen _weken_

en _weeken_, _lenen_ en _leenen_, _kolen_ en _koolen_, _roven_ en

_rooven_ enz., maar om dezelfde redenen ook

_beren_ (verscheurende dieren) van _beeren_ (varkens, waterkeeringen,

muurstutten en heiblokken); _delen_ (planken en dorschvloeren) van

_deelen_ (gedeelten); _sleepen_ (voorttrekken) van _slepen_ (gesleept

worden); _klooven_ (doen splijten) van _kloven_ (mv. van _kloof_

en verl. tijd van _kluiven_); _slooven_ (voorschooten) van _sloven_

(sukkels en als ww. sukkelen); _tonen_ (in de muziek) van _toonen_

(werkw. en mv. van _toon_ = _teen_); _zoogen_ (laten zuigen) van

_zogen_ (verl. tijd van _zuigen_).

Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook

is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de

afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men

de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid

erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschen

_keelen_ (in de bouwkunde) en _kelen_ (halzen), tusschen _meeren_

(een schip vastleggen) en _meren_ (mv. van _meer_). De taal eischt in

beide gevallen _meren_ met ééne _e_, terwijl _keel_ in de bouwkunde,

en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander

woord is dan _keel_ (hals), zoodat men zonder onderscheid _kelen_

te schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww. _meren_ met het

mv. van (_een_) _meer_, en van _keel_ als bouwkundig ornament met

_keel_ als lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder

aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.

Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijke

spelling, de volgende woorden aldus te schrijven: _deemoedig_,

_deesem_, _eega_, _hoonen_ en _vroolijk_; maar _dwepen_, _hepen_

(handbijlen), _keren_ (vegen), _droge_, _drogen_. Die spelling wordt

door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.

6. Bij het bepalen van de natuur der _e's_ en _o's_ in gevallen,

waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding

laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat

en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering,

waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig

nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke

spelling berust op het verschil in de uitspraak der _e'_s en _o's_;

en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden,

moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden

als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de

afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet

beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is,

of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den

taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote

publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke

spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.

Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.

7. _Aau_ of _au_.--De spelling _flaauw_, _gaauw_ enz. vertegenwoordigt

eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het

oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest

algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschen _aau_ en _ou_

in ligt, en die in de woorden _dauw_, _kauw_, _heraut_, reeds in de

spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling

ook in de andere woorden te volgen, en _aau_ voorgoed door _au_ te

vervangen. Wij schrijven daarom _blauw_, _flauw_, _gauw_, _nauw_,

_nauwelijks_ enz. (_Grondbeg._ § 74).

8. _Ie_ en _i_.--De lange of gerekte _i_-klank wordt steeds door _ie_

voorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men

schrijft zoowel _die-nen_, _die-ren_, _kie-zen_ met _ie_, als _dien_,

_dier_, _kies_. Daarom verwerpen wij de spelling _substanti-ven_,

_anti-ke_, _Israëli-ten_ enz., als niet overeenstemmende met

_substantief_, _antiek_, _Israëliet_ enz., noch met de algemeen

gebruikelijke schrijfwijze _mortieren_, _officieren_, _kommiezen_,

_valiezen_, en schrijven regelmatig _motieven_, _substantieven_,

_antieken_, _republieken_, _Israëlieten_, _Mennonieten_

enz. (_Grondbeg._ § 82).

9. Daarentegen is de klank, die door _ie_ voorgesteld wordt, te lang

en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de

gebruikelijke spelling de enkele _i_ in _afgodisch_, _Israëlitisch_,

_predikant_, _muzikant_, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig

ook _historisch_, _geographisch_, _fabrikant_, _republikein_,

_Jezuïtisme_, _motiveeren_ enz. met de enkele _i_, met verwerping van

de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijze _historiesch_, _fabriekant_,

_fabriekaat_, _Jezuietisme_ enz. (_Grondbeg._ § 82 en 84).

10. Slechts in den uitgang ie, van woorden als _balie_, _linie_,

_malie_, _olie_, _tralie_ enz., komt ie in eene toonlooze lettergreep

voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld: _baliën_, _liniën_,

_maliën_ enz. (of _balies_, _linies_, _malies_). Deze spelling

dagteekent uit den tijd toen _ie_ nog algemeen als een tweeklank _ië_

werd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch

niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervouden

_harmoniën_, _melodiën_, _reliquiën_, die geheel anders klinken dan

_baliën_ enz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden op _ie_

op twee wijzen, naar gelang ie toonloos is of den klemtoon heeft,

en schrijven: _baliën_, _traliën_, _oliën_, enz.; maar _harmonieën_,

_reliquieën_ enz., in overeenstemming met _drieën_, _knieën_, _tweeën_,

_zeeën_. Zoo dan ook _genieën_, van _genie_, in onderscheiding van

_geniën_, mv. van _genius_. (_Grondbeg._ § 83).

11. _Ie_ en _ij_.--De _ij_ was oorspronkelijk eene lange _i_ en

luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, als _ii_

of _ie_. Toen zij den _ei_-klank aannam, had dit ook plaats bij

vreemde woorden als _bijbel_, _mijter_, _pijl_, _tijger_, _praktijk_,

_fabrijk_, _kolijk_, _muzijk_ enz. Sommige dezer woorden hebben

later hun vroegeren _i_-klank hernomen, ofschoon men desniettemin

voortging ze met _ij_ te schrijven. Die spelling is thans verkeerd,

nu de uitspraak der _ij_ veranderd is. Daarom vervangen wij in al

de laatstgenoemde woorden de _ij_ door _ie_, en schrijven _fabriek_,

_katholiek_, _koliek_, _muziek_. (_Grondbeg._ § 86).

12. Toen de tweeklank _ië_ in den hedendaagschen klinker _ie_ (_i_)

en de lange _i_ in _ij_ (_ei_) overging, hadden er verschillende

verwarringen plaats, en begon men ook aan _gerief_, _harmonie_,

_poëzie_, _koffie_ enz., den _ij_-klank te geven en dus te spellen:

_gerijf_, _harmonij_, _poëzij_, _koffij_ enz. Nu men van die uitspraak

teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen,

en overeenkomstig de ware uitspraak _gerief_, _harmonie_, _poëzie_ en

_koffie_ (evenals _balie_ en _tralie_) te spellen. (_Grondbeg._ § 86).

13. In de namen der maanden _Januarij_, _Februarij_, _Junij_, _Julij_,

bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken;

wij schrijven daarom _Januari_, _Februari_, _Juni_, _Juli_, in

overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spelling

_Januari_ voor _Januarii_ enz. (_Grondbeg._ § 87).

14. _Ei_ en _ij_.--Eene dergelijke verwarring als tusschen _ie_ en _ij_

heeft bij _ei_ en _ij_ plaats gegrepen in de woorden _sacristijn_,

_karwei_ (zaad) en _malvezei_. Wij schrijven overeenkomstig de

afleiding _malvezij_, _sacristein_, nevens _sacristij_, en _karwij_

(zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt van

_karwei_ (werk). (_Grondbeg._ § 88).

15. _Ee_ en _ei_, _oo_ en _oi_.--Men is gewoon aan de _e_ in het woord

_heer_ (leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklank _ei_

komt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling van

_heer_ als persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak:

_heir_, _heiren_, _heirscharen_.--Ofschoon de vocaalklank in _oir_

(erfgenaam, Fr. _hoir_) niet van die in _oor_ (lichaamsdeel) verschilt,

en de spelling met _oi_ derhalve in strijd is met de uitspraak, zoo

hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid,

de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een

zoo zeldzaam voorkomend woord als _oir_, dat onder den vorm _oor_

niet terstond zou herkend worden. (_Grondbeg._ § 91).

16. De toonlooze _e_ voor de achtervoegsels -_ling_, -_lijk_ en

-_loos_.--Wanneer een der achtervoegsels -_ling_, -_lijk_ en -_loos_

achter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of

op eene der vloeiende letters _l_, _n_ en _r_, of op eene toonlooze

lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en

het achtervoegsel vanzelf eene toonlooze _e_, die gewoonlijk ook

in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. in _doopeling_, _goddelijk_,

_goddeloos_. Dichters--en ook prozaschrijvers--onderdrukken die _e_

echter niet zelden, en schrijven _godlijk_, _godloos_, en zelfs

_zeedlijk_ en _eindloos_, van _zede_ en _einde_. Het is evenwel niet

raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan,

dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen

hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:

De toonlooze _e_ blijft achterwege:

1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank;

b. v. in _tweeling_, _drieling_, _vrijling_, _kruiling_, _kwalijk_,

_leelijk_, _oolijk_ en _vroolijk_. In _vrijelijk_ echter kan de _e_

niet worden gemist, die in de uitspraak altijd gehoord wordt; en nevens

de regelmatige vormen _moeilijk_ en _verfoeilijk_ zijn ook _moeielijk_

en _verfoeielijk_ in gebruik.

2. Wanneer het grondwoord eindigt op eene _l_ of _r_, of wel op

eene _n_, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een

tweeklank; b. v. in _groenling_, _billijk_, _begeerlijk_, _bekoorlijk_,

_persoonlijk_, _aanzienlijk_, _pijnlijk_, _doelloos_, _verwaarloozen_

enz. Wordt de _n_ door een korten klinker voorafgegaan, dan zijn

de beide vormen, met en zonder _e_, even goed, b. v. _manlijk_

en _mannelijk_, _beminlijk_ en _beminnelijk_. Het gebruik maakt

echter onderscheid tusschen _zinloos_ (zonder zin) en _zinneloos_

(buiten zijne zinnen).

3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep,

onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v. _adellijk_,

_eigenlijk_, _geduriglijk_, _koninklijk_, _bodemloos_ enz.

4. Wanneer het grondwoord eindigt op eene _g_, die als _ch_ wordt

uitgesproken; b. v. in _behaaglijk_, _ontzaglijk_, _heuglijk_,

_genoeglijk_, _welvoeglijk_ enz. De uitlating der _e_ strekt hier om

aan de _g_ den verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling

met de uitspraak in overeenstemming te brengen.

In prozastijl is het niet raadzaam de _e_ weg te laten achter de zachte

medeklinkers _b_, _d_ en _g_ (als _g_, niet als _ch_ uitgesproken);

b. v. niet uit _onhebbelijk_, _dadelijk_, _dagelijks_, _degelijk_ enz.,

daar de spelling _onheblijk_, _daadlijk_, _daaglijks_, _deeglijk_,

tot de verkeerde uitspraak _onheplijk_, _daatlijk_, _daachlijks_,

_deechlijk_ aanleiding zou geven. (_Grondbeg._ § 112).

Medeklinkers.

De verdubbeling der medeklinkers.

17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld,

wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen

of halven klemtoon heeft; b. v. in _hebben_, _vlaggen_, _dekbedden_,

_opstellen_. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat de _ch_

werd verdubbeld in _lachchen_, _lichchaam_, _echcho_ enz. Intusschen

heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans

óf _lagchen_, _ligchaam_, enz., óf _lachen_, _lichaam_. Het was dus

noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar

aan het invoeren der dubbele _ch_ (_lachchen_ enz.), die eigenlijk

de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die

beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkele _ch_ nog de

minst onregelmatige. Daarom spellen wij _lachen_, _echo_, _lichaam_,

_richel_, _tichel_, _bochel_ enz. (_Grondbeg._ § 95).

18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den

medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de

uitspraak. Men schrijft _wandelen_, _inboezemen_, _regenen_, _beteren_,

_zondigen_; de spelling _wandellen_, _zondiggen_ enz. zou tot eene

verkeerde uitspraak aanleiding geven.

Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -_ik_, -_erik_

en -_it_, en schrijft b. v. _leeuwerikken_, _kievitten_ nevens

_monniken_ en _diemiten_, ofschoon deze woorden onderling en met

die op -_elen_, -_emen_, -_enen_ en -_eren_ gelijkstaan. Het is

dus raadzaam, consequent te schrijven _leeuweriken_, _perziken_,

_botteriken_, _zwezeriken_, _kieviten_, _diemiten_, en zoo ook

_Dokkumer_, _Gorkumer_ enz. Alleen op twee woorden is deze regel

niet toepasselijk, t. w. op _kennissen_ en _vonnissen_, die algemeen

met _ss_ geschreven worden, naar analogie van _geheimenissen_,

_getuigenissen_ enz., waarin de lettergreep _nis_ niet toonloos is,

maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden,

uitgaande op -_aris_ (Lat. -_arius_), wordt de _s_ verdubbeld:

_archivarissen_, _commissarissen_, _notarissen_ enz.

19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene

verdubbeling plaats; spellingen b. v. als _kannten_, _stellten_,

zooals het Hoogduitsch die in de verbogen vormen der werkwoorden

gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden

als _wasschen_, _flesschen_, _visschen_, enz. eene uitzondering. De

_ch_ is in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodat

_wasschen_, _flesschen_, _visschen_ enz. eigenlijk hetzelfde is als

_wassen_, _flessen_, _vissen_, waarin de _s_ regelmatig verdubbeld

wordt. (_Grondbeg._ § 96).

Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden · 第 9 / 49 题