22. De namen van munten, als _gulden_, _dukaat_, (_Spaansche_) _mat_,
behalve _pistool_, _guinje_ en _mijt_, die V. zijn.
Vrouwelijk zijn:
23. De namen van vrouwen, als _Maria_, _min_, _baker_, en van
vrouwelijke dieren, waarnevens eene afzonderlijke benaming voor
het mannetje bestaat, als _duif_, _geit_, _ooi_, nevens _doffer_,
_bok_, _ram_. Ontbreekt deze laatste, dan behoort het woord tot
de zelfslachtige woorden, en moet het geslacht van elders blijken;
vergel. § 17.
24. De stofnamen, die niet O. zijn, als _kant_, _wol_, _kammeling_,
_franje_, _kruim_, _aarde_, _klei_.
Bij namen van zaken is aan het manlijk geslacht het begrip
van individualiteit, d. i. van eenheid en ondeelbaarheid,
verbonden. Stofnamen, waaraan het begrip van begrensdheid
en ondeelbaarheid vreemd is, zijn in onze taal V. of O. Zelfs
ontegenzeglijk manl. woorden worden O. of V., wanneer zij als stofnamen
gebezigd worden.
Ten aanzien van het onz. geslacht blijkt zulks overtuigend uit het
onderscheid tusschen _den diamant_ (steen) en _het diamant_ (stof),
_den doek_ en _het doek_, _den draad_ en _het draad_, enz.
De overgang van het M. in het V. is even ontwijfelbaar, ofschoon nog
altijd verkeerd opgevat en ten onrechte verklaard als eene "verkorting
van het meervoud". Ieder gevoelt, dat de uitdrukking _den visch koken_
op éénen visch ziet, en dat _de visch koken_ niet slechts gezegd
wordt van meer dan éénen visch, maar ook van gedeelten of mooten,
met andere woorden, van visch als stof gedacht, in welk geval het
geen meervoud heeft; vergel. § 15. Hetzelfde onderscheid van geslacht
bestaat bij _aal_, _baars_, _paling_, _snoek_, _zalm_ enz. (mv. _alen_,
_baarzen_ enz.), M., en _aal_, _baars_ enz. (hoeveelheid _aal_,
_baars_), V. zonder meerv. Zoo spreekt men b. v. van _een zeezalm_,
M. en van _krimpzalm_, V.; van _eenen buitengewoon harden turf_,
M. en van _harde, zwavelige turf_, V., als collectief voor _turven_.
25. Ten gevolge van deze waarneming hebben wij gemeend alle stofnamen,
die niet O. zijn en wier geslacht voor het overige onzeker is, als
V. te moeten beschouwen. Uitgezonderd zijn natuurlijk die woorden
(als _de wijn_, _nectar_, _honing_), die door onze dichters en
prozaschrijvers altijd voor M. erkend zijn, en welke thans nog steeds
als zoodanig gebezigd worden.
26. De eigenlijke namen van bloemen, als _aster_, _hyacint_, _lelie_,
_pioen_, _roos_, _tijloos_ enz. Doch de namen, die eigenlijk een ander
voorwerp aanduiden en slechts bij overdracht op bloemen toegepast
worden, behouden het geslacht dat hun in de eigenlijke opvatting
toekomt; b. v. _aronskelk_, _leeuwenbek_, _gouden regen_ zijn M.,
_berenoor_ is O. Wanneer zulke overdrachtelijke benamingen van bloemen
of planten als collectieve stofnamen (zie § 16) gebezigd worden,
dan zijn zij, gelijk andere stofnamen, V. of O.; b. v. _wolfsklauw_
en _slangenwortel_ zijn V., ofschoon _klauw_ en _wortel_ als
voorwerpsnamen M. zijn. Onzijdige woorden, als _brood_, _bloed_,
blijven O., b. v. _duivelsbrood_, _drakenbloed_.
27. De namen van vruchten, als _bes_, _noot_, _peer_, _vijg_ enz.;
uitgezonderd die, welke op -_ling_ en -_oen_ uitgaan, als _guldeling_,
_kruiling_, _pippeling_, _citroen_, _meloen_ enz., alsmede de
inheemsche namen op -_el_ en -_er_, als _appel_, _eikel_, _aker_
enz. Vreemde namen met deze beide uitgangen worden meest V. genomen,
als _amandel_, _dadel_, _kapper_, _komkommer_ enz.
De vrouwelijke namen van vruchten worden M., als zij de boomen
aanduiden, welke de vruchten voortbrengen; vergel. § 18.
28. De namen van vaartuigen, als _aak_, _bark_, _boot_, _kof_ enz.;
behalve die, welke op de achtervoegsels -_er_ en -_aar_ eindigen, als
_driemaster_, _lichter_, _groenlandsvaarder_, _uitlegger_, _rinkelaar_
enz., die M. zijn, en de onzijdige _fregat_, _galjoen_ en _jacht_.
Dat de taal hier het vrouwelijke geslacht wil, blijkt hieruit, dat
manl. en onz. eigennamen, op schepen toegepast, als vrouwel. worden
gebezigd: _Hij commandeert de Tromp_; _de Friesland zal heden niet
varen_.
29. De namen der letters en cijfers, als: eene _a_, eene _twee_,
eene 6.
Onzijdig zijn:
30. De namen van dieren, die de geheele soort aanduiden en waarvan
beide het mannetje en het wijfje afzonderlijke namen hebben, als
_hoen_, _rund_, _schaap_ enz., waarnevens _haan_ en _hen_, _stier_
en _koe_, _ram_ en _ooi_. Uitgezonderd is het manl. _hond_.
31. De namen van jongen van dieren, als _kalf_, _lam_, _veulen_,
_welp_; uitgezonderd _big_, V.--Het woord _kind_ (en evenzoo het
Friesche _bern_) kan ook onder dezen regel gebracht worden.
32. De namen van stoffen, waaruit voorwerpen vervaardigd worden: _het
diamant_ en _agaat_, de stoffen waarvan men door slijping _diamanten_
en _agaten_ (M.) maakt. Zoo ook _lei_, _goud_, _platina_, _nikkel_,
_barnsteen_, _schildpad_, _kurk_, _draad_, _doek_ enz. Uitgezonderd
zijn die, welke op eene toonlooze _e_ eindigen, als _aarde_, _serge_,
_zijde_ enz., alsmede _baai_, _kant_, _langet_ en _wol_, die V. zijn;
_saai_ wordt V. en O. gebruikt.
Een aantal der hier bedoelde woorden hebben eigenlijk uit zich
zelve een ander geslacht, hetwelk zij behouden, wanneer zij niet als
stofnamen worden gebezigd; b. v. _band_, _doek_, _draad_, _bever_,
_hermelijn_, _sabel_ (dier) M.; _kurk_, _pleister_, _schildpad_,
_tijk_ V.
33. De namen van landen, steden en dorpen enz., als _het machtige
Engeland_, _het oude Rome_. Uitgezonderd zijn die namen van
landstreken, welke steeds van het lidwoord _de_ vergezeld gaan,
als _de Betuwe_, _de Lijmers_, _de Krim_, _de Sahara_ enz.
34. De meeste verzamelwoorden, als _bosch_, _duin_ (aaneenschakeling
van duinen), _heir_, _loof_, _ooft_, _slag_ (soort), _stel_
(porselein), _volk_, _want_ enz.; inzonderheid die, welke eene
vereeniging van een bepaald aantal individuen aanduiden, als _het
honderd_, _het paar_, _het dozijn_, _het gros_, _het snees_.
35. Aan het onzijdige geslacht is niet zelden het begrip van
onvolkomenheid verbonden. Dit blijkt uit de namen der vormlooze
grondstoffen (§ 32), waaraan door bewerking eene bepaalde gedaante
moet gegeven worden; uit de namen van jonge, d. i. onvolwassen dieren
(§ 31); uit de namen in § 30 vermeld, die de dieren als geslachteloos
en zonder kunne voorstellen; ook verzamelingen (§ 16 en 34) worden
als zaken zonder vorm of gedaante gedacht. Aan het begrip van
onvolkomenheid grenst dat van kleinheid. Daarom zijn de zoogenaamde
verkleinwoorden op -_je_ (-_tje_ en -_pje_) en -_ken_, als _huisje_,
_jongsken_, O. Reeds boven, § 8, is aangetoond, dat het de beteekenis
is, welke die woorden onzijdig maakt, niet het achtervoegsel. Dit
verklaart, waarom de verkleinwoorden op -_el_, wier verkleinende
kracht thans niemand meer gevoelt, niet onzijdig zijn. Deze volgen in
den regel het geslacht van het grondwoord, waarvan zij gevormd zijn;
zoo zijn b. v. _eikel_ en _beukel_ (als het ware jongen van eenen _eik_
of _beuk_), _hoepel_, _kneukel_, _knobbel_, _druppel_, _tepel_ enz. M.,
evenals _eik_, _beuk_, _hoep_, _knok_, _knop_, _drup_ of _drop_, _tip_;
daarentegen zijn _greppel_, _kruimel_, _mazel_, _peukel_ en _pukkel_,
_trommel_ V., gelijk _greb_, _kruim_, _maas_, _pok_, _trom_.
36. Het begrip van onvolkomenheid of kleinheid, dat aan zoovele
onzijdige woorden eigen is, gaat niet zelden met geringschatting
gepaard. Dit verklaart, waarom sommige woorden tot het onzijdige
geslacht overgaan, wanneer men er het bijdenkbeeld van minachting
aan verbindt. Daarom zegt men soms _dat heer_, _dat mensch_,
en altijd _dat vrouwmensch_; ofschoon _heer_ en _mensch_ M. zijn:
daarom wordt _persoon_ onzijdig in de samenstellingen _manspersoon_
en _vrouwspersoon_, die nooit gebezigd worden, wanneer men met achting
van iemand spreekt. Daarom hebben wij gemeend aan _onmensch_, dat
in sommige woordenboeken M. genoemd wordt, het onzijdige geslacht te
moeten toekennen.
37. Het M. en V. is, in tegenstelling van het O., edeler en
deftiger. Daarom zegt men nooit _het hoogeschool_, noch in
overdrachtelijken zin _het school van dien wijsgeer_ of _dien
godgeleerde_, voor _de hoogeschool_, of _de school van A of B
verwerpt die leer_. Daarom zegt men, met minachting sprekende,
bij voorkeur _dat soort_, niet _die soort_, en is _bocht_ (slechte
waar, eigenlijk _uitvaagsel_) O. Daarom hebben de woorden op -_sel_,
waarnevens andere op -_ing_ bestaan, als _aanslibsel_ en _aanspoelsel_
nevens _aanslibbing_ en _aanspoeling_, een stellig minachtenden
zin. De _uur_ of _ure_ (V.) en de _oogenblik_ (M.) zijn slechts
in deftigen stijl gepast; _het uur_ en _het oogenblik_ zijn de
dagelijksche uitdrukkingen.
Regels, geheel of gedeeltelijk op den vorm der woorden gegrond.
38. Samengestelde woorden volgen het geslacht van het laatste lid,
indien zij eene _soort_ beteekenen, waarvan het geheele _geslacht_ door
het achterste lid wordt aangeduid; is dit het geval niet, dan kan het
woord een ander geslacht hebben. Zoo zijn _gebedenboek_, _handboek_,
_kerkboek_, _leerboek_, _leesboek_, _schoolboek_ O., omdat die woorden
voorwerpen aanduiden, die behooren tot het _geslacht_ van dingen,
die _boek_ heeten, welk woord op zich zelf staande O. is. Daarentegen
is _roodvonk_, eene ziekte, maar geen bijzondere soort van _vonk_,
onzijdig, niettegenstaande _vonk_ V. is. _Maankop_ volgt dan alleen
het manl. geslacht van _kop_, als het op een _kop_ of zaadhuisje van
eene papaver ziet; moet het de geheele plant of eene menigte planten
aanduiden, of wel het slaapmiddel dat uit het sap getrokken wordt,
dan verliest _kop_ zijne beteekenis en verandert het geslacht van
het woord; in het eerste geval wordt het V., in het laatste O. genomen.
De regel lijdt geene uitzonderingen, dan alleen bij _kerkhof_
dat O. genomen wordt, niettegenstaande _hof_ in de hier bedoelde
beteekenis M. is.
_Oogenblik_, O., wordt gewoonlijk, maar ten onrechte, als uitzondering
opgegeven; het behoort tot dezelfde soort van woorden als _roodvonk_
en _maankop_. _Een oogenblik_ beteekent niet meer een _blik_ (M.) der
oogen, maar de kleine tijdruimte, die voor zulk _eenen oogenblik_
gevorderd wordt. Vergel. § 37.
39. Het geslacht van vele afgeleide woorden hangt óf geheel óf ten
deele af van het achtervoegsel, waarmede zij gevormd zijn; daarom
kan het achtervoegsel in vele gevallen een hulpmiddel wezen om het
geslacht te herkennen. Zoo zijn alle woorden met -_heid_ en -_ij_,
als _waarheid_, _kleedij_, _dieverij_, V. In de meeste gevallen
echter moet de beteekenis of de aard van het grondwoord, of wel
beide, tevens in rekening worden gebracht. Zoo is -_uw_ in _schaduw_
enz. een vrouwel. achtervoegsel; doch _baljuw_ is om de beteekenis
natuurlijk M. Het geslacht der vroegere verkleinwoorden op -_el_ hangt
af van het geslacht van het grondwoord, zie § 35. De woorden op -_er_
zijn M., wanneer zij van werkwoorden zijn gevormd en een werktuig
aanduiden. Ontbreekt eene dezer beide voorwaarden, dan kan het woord
een ander geslacht hebben. _Kaper_ (muts) b. v., van het znw. _kap_
afgeleid, is V., _kaper_ (roofschip) daarentegen, van het ww. _kapen_
gevormd, is M.; _leger_, ofschoon van _liggen_, _gelegen_, is geen
werktuig, maar ook O. Het achtervoegsel -_dom_, oudtijds -_doem_, is
eigenlijk een M., -_schap_ eigenlijk een V. zelfst. nw.; desniettemin
zijn de meeste woorden op -_dom_, als _heiligdom_, _hertogdom_, en
sommige op -_schap_, als _gereedschap_, _gezelschap_, enz., onzijdig.
Uit een en ander blijkt, dat er slechts weinige achtervoegsels zijn,
waaraan onder alle omstandigheden een bepaald geslacht eigen is. Men
kan echter de volgende regels stellen:
40. -_aar_, dat doorgaans manl. persoonsnamen vormt, behoudt ook
bij levenlooze voorwerpen het M. geslacht, b. v. in _beukelaar_,
_boezelaar_, _hazelaar_, _makelaar_ (soort van balk). Het
vrouwel. _bakelaar_ (_baccae lauri_) eindigt niet op het achtervoegsel
-_aar_, en is dus geene uitzondering.
41. -_aard_ vormt bijna uitsluitend manlijke persoonsnamen; daarom
is ook _mutsaard_ (takkebos) M.
42. -_age_ vormt vrouwelijke woorden, als _kijvage_, _stoffage_. Alleen
_bosschage_ en _dierage_ worden onzijdig gebruikt, omdat men daarbij
aan _bosch_ en _dier_ denkt.
43. -_dom_ vormt abstracte en concrete naamwoorden. De abstracte,
als _adeldom_, _eigendom_ (in den zin van _recht om te bezitten_),
_maagdom_, _wasdom_, zijn manlijk; de concrete, als _eigendom_
(in den zin van _bezitting_), _heiligdom_, _hertogdom_, _prinsdom_,
_priesterdom_, zijn onzijdig. Van de woorden, bij welke de abstracte
en concrete opvattingen in elkander vloeien, is _rijkdom_ M., en
zijn _christendom_, _jodendom_, _pausdom_ en dergelijke benamingen
van godsdienstige gezindheden O.
44. -_e_, als achtervoegsel, is V., b. v. in _genade_, _koude_,
_ronde_, _zonde_, behalve in _vrede_, M., _einde_, O., in den
manl. persoonsnaam _heere_, en in de gemeenslachtige woorden _bode_
en _getuige_. Daarom zijn ook de woorden, welke nog een vorm op -_e_
nevens zich hebben, V., als _reis_--_reize_, _wijs_--_wijze_.--Dat
de buigingsuitgang -_e_ der bijv. nw., die als zelfst. nw. gebezigd
worden, b. v. in _de blinde_, _het goede_, geheel iets anders is dan
het achtervoegsel -_e_, behoeft nauwelijks vermelding.
45. -_el_ geeft aan de namen van vruchten, als _eikel_, _appel_,
het M. geslacht; ook vormt het van werkw. manl. benamingen van
werktuigen of middelen om de werking te verrichten, b. v. _beitel_
(van _bijten_, _beet_, oudt. _beit_), _gordel_, _griffel_, _hevel_
(van _heffen_), _klepel_ (van _kleppen_), _lepel_ (van _leppen_),
_prikkel_, _stekel_, _sleutel_, _teugel_ (van _tiegen_, _toog_),
_vleugel_.--Over het geslacht der verkleinwoorden op -_el_ zie boven,
§ 35.
46. -_en_, achter een klinker en eene _l_ of _r_ verkort tot _n_, in
sommige woorden door eene _s_ of _z_ versterkt tot -_sem_ of -_zem_,
vormt M. woorden. Daarom kan men den regel stellen, dat de woorden
op -_em_, -_lm_ en -_rm_ M. zijn, b. v. _adem_, _asem_, _bezem_,
_deesem_, _helm_, _darm_, _storm_ enz. _Scherm_ echter is O.--_Palm_
(vlakke hand, lengtemaat en kruid) en _uniform_, die V. zijn, maken
als vreemde woorden geene eigenlijke uitzondering; en evenmin _bloem_
en _kiem_, voorheen _bloeme_ en _kieme_, welke dus met -_me_, niet
met -_em_, gevormd zijn.
47. -_en_ heeft geen bepaald geslacht: _regen_ is M., _haven_ V.,
_bekken_ O., enz.
48. -_er_, achter den praesensstam der werkw. gevoegd, vormt
M. woorden, als _gieter_, _snuiter_, _stamper_ enz. Woorden op eene
andere wijze gevormd kunnen V. en O. zijn, als _de haver_, _het
water_ enz.
49. -_erd_ komt alleen bij M. woorden voor, als _blafferd_ (register),
_mosterd_.
50. -_heid_ vormt louter V. woorden, als _goedheid_, _waarheid_,
_menschheid_, _kindsheid_.
51. -_ie_, als Nederlandsch achtervoegsel, is V., b. v. _balie_,
_bezie_, _merrie_.
52. -_ie_, als vreemd achtervoegsel, zoowel met als zonder den
klemtoon, maakt vrouwelijke woorden; b. v. _harmonie_, _poëzie_,
_lelie_, _menie_. Uitgezonderd zijn _het concilie_, _het evangelie_
en _het genie_, voor vernuft of vernuftig mensch, tegenover _de genie_
als benaming van een wapen in het leger.
53. -_ij_ vormt vrouwelijke woorden, als _dieverij_, _maatschappij_
enz., zonder uitzondering, dan alleen dat _schilderij_ in den
gemeenzamen stijl ook O. gebruikt wordt.
54. -_ing_ is van tweeërlei oorsprong: 1) het oorspronkelijke
achtervoegsel -_ing_, dat met eene voorgevoegde _l_ het
gelijkbeteekenende -_ling_ vormt; en 2) een ander -_ing_, oudtijds
-_ung_. Het eerste diende ter vorming van manl., het laatste van
vrouwel. woorden. Nu beide eensluidend geworden en de geslachten
verloopen zijn, is het bij jongere woorden niet altijd uit te maken,
met welk der beide achtervoegsels men te doen heeft. Thans gelden de
volgende regels:
De persoonsnamen op -_ing_ en -_ling_ zijn M., als _koning_,
_loteling_, _ouderling_; of gemeensl., als _drenkeling_, _leerling_
enz.
De woorden op -_ing_ en -_ling_ zijn M., wanneer zij de benamingen
zijn van dieren of van voorwerpen, die een afgerond geheel uitmaken,
als vruchten, munten enz., b. v. _bunzing_, _gieteling_, _haring_,
_paling_, _spiering_, _groenling_, _kruiling_, _pippeling_,
_wildeling_, _penning_, _schelling_, _zilverling_, _beuling_,
_duimeling_, _krakeling_, _teerling_. Hiertoe behooren ook _enteling_
en _zaailing_, als benamingen van planten, elk op zich zelve
genomen. _Ketting_ en _rotting_, die vreemde woorden zijn en dus niet
met het achterv. -_ing_ gevormd, hebben echter door het voorbeeld
der bovenstaande woorden insgelijks het M. geslacht aangenomen.
Doch de woorden op -_ing_ en -_ling_ zijn V., wanneer zij stoffen
aanduiden, als _zuring_ en _scheerling_, benamingen van planten, doch
niet als individuen, maar als stoffen gedacht; _kammeling_, _kibbeling_
(afval van zoutevisch). Uitgezonderd is _honing_ (of _honig_), dat
steeds als M. gebezigd wordt, en _messing_, dat als de naam van een
metaal O. is. Uit § 15 volgt, dat ook de namen van visschen, die op
-_ing_ eindigen, V. worden, wanneer men de visch als stof beschouwt:
_versche haring_, _vette paling eten_ enz.
De woorden op -_ing_, gevormd van werkwoorden en eene werking
aanduidende, zijn V., als _dwaling_, _roeping_, _regeering_, _tering_,
_wandeling_, _verovering_ enz. Zij behouden dit geslacht ook wanneer
zij concreet worden genomen, gelijk b. v. _helling_, _kleeding_,
_lading_, _regeering_ voor de regeerende personen, _wandeling_ voor
de plaats, waar gewandeld wordt.
55. -_nis_ (eigenlijk -_n_-_is_) vormt vrouwelijke znw., als
_bekentenis_, _belijdenis_, _geheimenis_, _vergiffenis_ enz. Zoo ook
_vuilnis_, dat echter in den gemeenzamen vorm _vullis_ als O. gebezigd
wordt.--_Vonnis_ is O.; en zoo ook gewoonlijk _getuigenis_, dat
nochtans in deftigen stijl ook met het vrouwelijke geslacht in
gebruik is.
56. -_schap_ is eigenlijk een vrouwel. znw. en vormt dus in 't algemeen
V. woorden, als _boodschap_, _blijdschap_, _eigenschap_, _gemeenschap_,
_ridderschap_ enz. Uitgezonderd zijn de volgende onzijdige:
1) De namen van waardigheden of betrekkingen, waaraan rechten en
plichten verbonden zijn, als _burgemeesterschap_, _koningschap_ enz.
2) De namen van landstreken, als _heemraadschap_, _landschap_,
_waterschap_. Zoo ook _het graafschap_, in 't algemeen; doch
waar sprake is van het gebied der oude graven van Zutfen, is het
oorspronkelijke geslacht bewaard gebleven en zegt men _de graafschap_,
V.
3) De woorden _genootschap_, _gereedschap_, _gezantschap_ en
_gezelschap_.
57. -_sel_ maakt O. woorden, als _baksel_, _deksel_ enz.; doch
_stijfsel_ wordt thans algemeen V. genomen.
58. -_te_ vormt van bijv. nw. vrouwelijke woorden, als _duurte_,
_gedaante_, _gemeente_, _hoogte_ enz.; van znw., te gelijk met
voorvoeging van _ge_, onzijdige, als _gebergte_, _gedierte_,
_gesternte_.
59. De woorden, door aanhechting van het voorvoegsel _ge_ van stammen
van werkw. gevormd, als _gebed_, _gedraaf_, _geloop_ enz., zijn O.