1. De onderscheiding van de geslachten der zelfstandige naamwoorden
openbaart zich door de verschillende vormen, die deze woorden
zelve en de bepalende woorden (lidwoorden en bijvoeglijke naam-
en voornaamwoorden), waarvan zij vergezeld gaan, in de verbuiging
aannemen.
2. Van een aantal woorden is het geslacht en dus ook de verbuiging door
hunne beteekenis of door hun vorm bepaald. Zoo zijn manlijk _man_ en
_baas_ om de beteekenis, _loop_, _snuiter_ en _blafferd_ (register)
om den vorm, te weten _loop_ als stam (wortel) van het werkwoord
_loopen_, _snuiter_ en _blafferd_ om de achtervoegsels -_er_ en -_erd_.
3. Bij andere echter, wier geslacht niet uit de beteekenis noch uit
den vorm blijken kan, hebben verschillende oorzaken samengewerkt om
de verbuiging en daarmede ook het geslacht onzeker te maken. In het
gewone gesprek zijn de 2de en 3de naamvallen (_des mans_, _den manne_,
_der vrouw_, _der vrouw_, _des kinds_, _den kinde_) buiten gebruik
geraakt, zoodat slechts de 1ste en 4de in de gesprokene taal gebezigd
worden. In het manlijke en vrouwelijke geslacht zijn de 1ste naamvallen
(_de man_, _de vrouw_) uit hunnen aard eensluidend, terwijl de 4de
(_den man_, _de vrouw_) door de gewone onderdrukking der _n_ achter
eene toonlooze _e_ eensluidend worden. Sommige woorden, b. v. _heug_,
_meug_ en _luid_, in de uitdrukkingen _tegen heug en meug_ en _naar
luid van_, hebben nooit eenig bepalend woord bij zich, waaruit hun
geslacht zou kunnen blijken. Uit een en ander vloeit voort, dat er
woorden zijn, aangaande wier geslacht volstrekt niets bekend is,
en andere, waarvan men slechts weet dat zij niet onzijdig zijn,
zoodat men tusschen manlijk en vrouwelijk te beslissen heeft.
4. Slechts van de woorden, die aangetroffen worden in geschriften
uit den tijd, toen zij nog in het gesprek verbogen werden, kent men
het geslacht met zekerheid. Aan vele, die niet tot deze categorie
behooren, hebben woordenboekschrijvers, niet zelden geheel willekeurig
en vandaar soms uiteenloopend, een geslacht toegekend. Zulke opgaven
missen natuurlijk alle gezag en waarde, wanneer zij niet door de
analogie worden gesteund; en de grammaticus kan noch mag ze als geldig
erkennen, indien hij ze met ons taaleigen in strijd vindt. In zulke
gevallen hebben wij niet geaarzeld van de bestaande woordenboeken af
te wijken en dat geslacht op te geven, dat met onbetwistbare regels
of met de hedendaagsche richting in de taal overeenstemt. Evenzoo
hebben wij gehandeld ten aanzien van die woorden, wier geslacht nog
door niemand was vermeld.
5. Bij de woorden, uit wier beteekenis en vorm niets aangaande het
geslacht is op te maken, en waarvan men alleen weet dat zij niet
onzijdig zijn, doordien zij nooit _het_, _dit_ of _dat_ vóór zich
nemen, hebben wij om de volgende bedenkingen aan het vrouwelijke
geslacht de voorkeur gegeven:
Het verwerpen der verbogen vormen (_honds_, _honde_, _schaaps_,
_schape_ enz.) en het onderdrukken der _n_ achter de toonlooze _e_
der bepalende woorden (_den_, _dezen_, _zijnen_, _goeden_ enz.) staat
bij woorden, wier geslacht niet van elders blijkt, gelijk met
het overbrengen in het vrouwelijke. Het lijdt dus geen twijfel,
dat de hedendaagsche taal het vrouwelijke geslacht voortrekt. De
woordenboekschrijver, die haar geen geweld aandoen en aan den stijl
niet noodeloos een voorkomen van stijfheid geven wil, volgt dien
wenk, wanneer er geene redenen bestaan die zulks verbieden. Daarom
noemen wij b. v. het ter kwader ure uit den vreemde ontleende _halt_
vrouwelijk, niettegenstaande het in de oorspronkelijke taal manlijk is.
6. Een anderen algemeenen wenk hebben wij gemeend te zien in de
volgende opmerking:
Woorden, die zeer verschillende beteekenissen hebben, die b. v. nu
eens als voorwerpsnamen, dan als stofnamen, nu in abstracten, dan
in concreten zin genomen worden, hebben niet zelden naar gelang
der opvatting een verschillend geslacht. Zoo zijn b. v. _diamant_
en _doek_ als voorwerpsnamen M. (_een kostbare diamant_, _een dure
doek_), maar als stofnamen O. (_het kostbare diamant_, _het fijnste
doek_);--_val_, voor _het vallen_ genomen, is M. (_een zwaren val
doen_), voor _werktuig om te vangen_ V. (_in de val loopen_);--_pekel_
en _sneeuw_ zijn, in eigenlijken zin gebezigd, V. (_in de pekel
zetten_, _in de sneeuw rollen_), in overdrachtelijken (_voor de zee_
en _blankheid_) O. (_het schuimende pekel bevaren_, _het sneeuw van
den hals eener schoone_). Ook de stijlsoort bepaalt soms het geslacht
van een woord. Zoo is b. v. _oogenblik_ in het dagelijksch gesprek
en in gewonen stijl O. (_van dat oogenblik af_); maar in verheven
stijl M. ("_die oogenblik zal haast verschijnen_").
Het aantal dergelijke onloochenbare en algemeen erkende
onderscheidingen is allengs toegenomen, hetgeen bewijst, dat de taal
ook het verschillend gebruik der geslachten aan de duidelijkheid
tracht bevorderlijk te maken. Zoo verstaat men thans door _het
eigendom_ de _bezitting_, de zaak die men bezit, door _den eigendom_
het _recht om te bezitten_; ofschoon Kluit, Siegenbeek noch Weiland
die onderscheiding schijnen gekend te hebben. _Kant_ werd voorheen
onverschillig M. en V. gebezigd; thans bezigt men het woord in den
zin van _zijde_ steeds M., in dien van _speldenwerk_ altijd V. Een
en ander geeft den grammaticus het recht, bij woorden die in meer dan
één geslacht gebezigd worden, al heeft het gebruik nog niet beslist,
dergelijke onderscheidingen aan te nemen, mits hij daarbij niet
willekeurig, maar naar de analogie van algemeen geldige regels te
werk ga.
7. De regels, die ons bij de geslachtsbepaling bestuurd hebben,
zijn van tweeërlei aard: zij steunen òf op de beteekenis der woorden,
òf op hun vorm; vergel. § 2. Veelal stemmen de beteekenis en de vorm
overeen, b. v. bij het manl. _leugenaar_, dat een _man_ beteekent en
met het manl. achtervoegsel -_aar_ gevormd is. Soms echter bestaat er
strijd tusschen de beteekenis en den vorm, b. v. bij _kamenier_, dat
eene benaming van eene _vrouw_ is, maar op het achtervoegsel -_ier_
eindigt, hetwelk in persoonsnamen anders altijd een _man_ aanduidt.
8. Wanneer er strijd is tusschen den vorm van een woord en zijne
beteekenis, dan doet zich de vraag voor, welke van beide den boventoon
moet hebben. Ten opzichte van persoonsnamen is deze vraag gemakkelijk
te beantwoorden. Uit het voorbeeld van _kamenier_, dat in weerwil
van den uitgang V. is, blijkt, dat de beteekenis--hier de kunne--meer
geldt dan de vorm. Hetzelfde ziet men o. a. bij de woorden op -_ling_
en de verkleinwoorden op -_je_. Het achtervoegsel -_ling_, eigenlijk
_l-ing_ (niet te verwarren met -_ing_, oorspronkelijk -_ung_, dat
van werkwoorden abstracte zelfst. nw. als _vermaning_ enz. vormt),
is manlijk, blijkens _hoveling_, _kamerling_ enz. Dit verhindert
echter niet, dat men _doopeling_, _leerling_ enz., van meisjes
gebezigd, vrouwelijk maakt en er dan duidelijkheidshalve veelal eene e
achtervoegt: _eene leerling_ of _leerlinge_.--Het achtervoegsel -_je_
(-_tje_, -_pje_) vormt verkleinwoorden, die onzijdig zijn (_het baasje
dat_ enz., van het manlijke _baas_), en moet dus tot de onzijdige
uitgangen gerekend worden. Intusschen nemen de woorden _Jantje_,
_Klaasje_, _Mietje_, _Naatje_ enz. hunne bepalingen in het manlijk
of vrouwelijk geslacht bij zich, wanneer zij als gewone eigennamen
gebezigd worden, waarbij men niet aan de verkleinende kracht van het
achtervoegsel denkt (_Jantje, die daar loopt te spelen_; _Mietje,
die zit te breien_). Wanneer echter eene der beteekenissen, die
aan het verkleinende achtervoegsel verbonden zijn, het begrip van
kleinheid, bevalligheid, nietigheid enz., te voorschijn treedt,
dan herneemt het achtervoegsel zijne volle kracht en het woord laat
slechts bepalingen in het onzijdige geslacht toe, onverschillig,
of een manl. of vrouwel. persoon bedoeld wordt (_Het kleine Jantje,
dat zoo zoet speelt_; _het lieve Mietje, dat zoo vlug breit_).
9. Daar nu bij persoonsnamen de vorm onderdoet voor het natuurlijke
geslacht, hebben wij niet geaarzeld dit beginsel ook op diernamen
toe te passen, die in de taal nu eens als persoons- dan als
zaaknamen beschouwd worden. Daarom hebben wij b. v. gemeend aan
_kuiter_, wijfjesvisch, het vrouwel. geslacht te moeten toekennen, in
tegenstelling van _hommer_ en _milter_, benamingen voor mannetjesvisch,
ofschoon die woorden denzelfden vorm hebben en -er doorgaans
manl. woorden vormt.
10. Bij zaaknamen gaat de taal minder regelmatig te werk, en laat
zij somtijds de achtervoegsels meer gelden dan de beteekenis
der woorden. Zoo worden b. v. _linde_ en _tamarinde_ algemeen,
kennelijk om de toonlooze _e_, V. genomen, niettegenstaande de
overige namen van boomen M. zijn; daarentegen zijn de benamingen
van schepen, op -_er_ uitgaande, als _hoeker_, _kaper_, _lichter_,
M., in weerwil dat de overige V. of O. genomen worden. In de meeste
gevallen echter, waarin de vorm minder duidelijk spreekt, wordt aan
de onderscheiding der beteekenissen de voorkeur gegeven boven het
geslacht, dat de vorm zou vereischen. Zoo zijn b. v. de stammen (de
zoogenaamde wortels) der werkwoorden vanouds M., en behouden ook nu
dit geslacht, zoolang zij in abstracten zin worden gebezigd; doch zij
worden als V. gebruikt, wanneer zij eene concrete beteekenis hebben
aangenomen. B. v. _val_ en _greep_, voor het _vallen_ en _grijpen_,
zijn M., maar als voorwerpsnamen, voor (_muizen_)_val_ en _handvatsel_,
worden zij tegenwoordig als V. aangemerkt. Aan het achtervoegsel -_sel_
wordt algemeen het onzijd. geslacht toegekend, en toch zegt iedereen
_de stijfsel_.
Uit een en ander ziet men, dat de taal bij zaaknamen niet naar
een algemeen beginsel te werk gaat, en dat de grammaticus derhalve
verplicht is daarbij de omstandigheden in aanmerking te nemen en soms,
althans schijnbaar, inconsequent te handelen.
11. De geslachtsregels, die wij hier laten volgen, zijn in de
twijfelachtige gevallen door ons als geldig beschouwd. Wij hebben
gemeend geene uitzonderingen te moeten erkennen, dan die ons voorkwamen
boven bedenking verheven te wezen. Die uitzonderingen hebben wij
alleen dan opgegeven, wanneer zij zoo weinig in getal zijn, dat zij
zich gemakkelijk in het geheugen laten prenten.
Ten einde misverstand te voorkomen, geven wij vooraf de verklaring
van eenige kunsttermen, waarvan wij ons bediend hebben.
12. _Gemeenslachtige woorden_ (_nomina communis generis_) zijn
namen van menschen en dieren, die voor individuen van beiderlei
kunne gebezigd worden, en, naar gelang daarvan, nu M. dan V. zijn;
anders gezegd, woorden, wier geslacht afhangt van de kunne van
het wezen, dat zij op het oogenblik aanduiden. Hiertoe behooren de
meeste woorden op -_ling_, als _doopeling_, _drenkeling_, _hokkeling_
(jong rund) enz., en een aantal woorden van allerlei vorm, als _bode_,
_dienstbode_, _getuige_, _wees_, _erfgenaam_ enz.--In den laatsten
tijd is men begonnen aan de meeste dezer woorden, ter onderscheiding,
eene toonlooze _e_ toe te voegen, wanneer zij vrouwelijke wezens
aanduiden: _eene leerlinge_, _eene erfgename_ enz., een gebruik dat,
als bevordelijk aan de duidelijkheid, alle aanbeveling verdient. Bij
de woorden op _genoot_, die mede oorspronkelijk gemeenslachtig waren,
als _deelgenoot_, _echtgenoot_, _lotgenoot_, is dat gebruik thans
zoo algemeen aangenomen, dat het als de regel mag beschouwd worden:
men schrijft thans veelal in 't V. _deelgenoote_, _echtgenoote_,
_lotgenoote_.--Nevens _eene bode_, dat alleen in deftigen stijl
gebezigd wordt, staat _bodin_ voor eene vrouw wier beroep het is
boodschappen te doen.
In uitgebreider zin noemt men ook wel andere woorden _gemeenslachtig_,
wanneer zij, bij verschil van opvatting, van geslacht veranderen,
b. v. _schildpad_, dat V. is, wanneer men het dier zelf bedoelt,
maar O., wanneer men denkt aan de schaal, beschouwd als eene stof
waaruit voorwerpen vervaardigd worden. Voor zulke woorden zouden wij
aan de benaming _meerslachtig_ de voorkeur geven.
13. _Zelfslachtige woorden_ (_nomina epicoena_) zijn namen van menschen
en dieren, die niet op de kunne zien, maar onverschillig of zij een
manlijk dan wel een vrouwelijk wezen aanduiden, hetzelfde geslacht
behouden. Hiertoe behooren _mensch_, dat in de gewone opvatting
M., maar, wanneer men met verachting spreekt, O. is, en in beide
gevallen zoowel eene vrouw als een man kan beteekenen; het M. _hond_,
waardoor men evenzeer eene teef als een rekel verstaan kan; _kameel_
(M.), _olifant_ (M.), _muis_ (V.), _rat_ (V.), _fret_ (O.), _konijn_
(O.), enz.
14. Door _voorwerpsnamen_ verstaan wij benamingen van _voorwerpen_,
d. i. van stoffelijke dingen, die afgeronde, aan alle zijden begrensde
geheelen uitmaken, of althans als zoodanig beschouwd worden. Hiertoe
behooren niet alleen woorden als _huis_, _stoel_, _tafel_, _stad_,
_staat_, _gewest_, enz., waardoor, streng genomen, geheelen worden
voorgesteld, maar ook benamingen van zulke deelen, die kennelijk van
de geheelen onderscheiden zijn, als _arm_, _been_, _kop_, _staart_.
Een kenmerk, dat de taal een zelfst. nw. als een voorwerpsnaam
beschouwt, is vooreerst de mogelijkheid van het woord in het meerv. te
bezigen; ten andere de mogelijkheid van er het lidwoord _een_, _eene_
voor te plaatsen. Het is juist de bestemming van dit lidwoord, aan te
kondigen dat het volgende woord eene eenheid (of geheel) beteekent;
daarom noemen wij dit het _lidwoord van eenheid_ in plaats van _niet
bepalend lidwoord_, eene benaming die aanleiding heeft gegeven,
dat men den aard en de bestemming van dit woord geheel miskend heeft.
15. Door _stofnamen_ verstaan wij benamingen van _stoffen_, d. i. van
dingen, die niet als afgeronde en begrensde geheelen worden beschouwd;
b. v. _goud_, _hout_, _ijzer_, _vleesch_, _wijn_, _zand_ enz. Eene
zelfde zaak kan èn als voorwerp èn als stof worden aangemerkt,
b. v. een gouden gesp. Noemt men het ding _een gesp_, dan beschouwt
men het als een voorwerp; noemt men het _goud_, dan merkt men het aan
als eene _stof_, zonder aan de gedaante te denken. _Stofnamen_ hebben
geen meerv., en nemen het lidwoord van eenheid niet aan. Spreekt men
van _wijnen_ of van een _wijn_, dan bedoelt men bijzondere soorten,
dus begrensde hoeveelheden wijn; _houten_, _ijzers_, _looden_, zijn
stukken hout, ijzer of lood van eene bepaalde gedaante. Stofnamen,
in het meervoud genomen of van het lidwoord van eenheid vergezeld,
houden op _stofnamen_ te zijn, maar zijn _voorwerpsnamen_ geworden.
16. _Verzamelwoorden_ (_collectiva_) zijn woorden, die (in het
enkelvoud) eene veelheid van enkele dingen aanduiden, als _troep_,
_menigte_, _soort_ enz. Er zijn twee soorten van verzamelwoorden. Bij
de eene stelt men zich de hoeveelheid als eene eenheid, als
een begrensd geheel voor; b. v. bij _bende_, _leger_, _familie_,
_geslacht_. Deze kunnen van het lidwoord van eenheid vergezeld zijn
en een meervoud hebben; b. v. _een volk_, _eene bende_, _volken_,
_benden_. Bij de andere wordt de veelheid als onbegrensd, als eene stof
gedacht; b. v. bij _rogge_, _gras_, _panvisch_, _brandhout_, _turf_,
d. i. onbepaalde hoeveelheden van roggekorrels, grasplantjes, visschen,
stukken hout of turven. Deze hebben geen meervoud, en nemen het
lidwoord van eenheid niet bij zich. Men zegt niet _roggen_;--_grazen_
is niet het mv. van _gras_ in de gewone opvatting, maar van _gras_
voor grassoort;--_turven_ is het mv. van den voorwerpsnaam (_een_)
_turf_, niet van den verzamelnaam _turf_. De eerstgenoemde soort
van verzamelwoorden behoort tot de voorwerpsnamen, de tweede tot de
stofnamen. Zoo is b. v. _volk_ een _voorwerpsnaam_ in de uitdrukkingen
_een machtig volk_, _beschaafde volken_; maar een _stofnaam_, wanneer
men zegt: _er was veel volk op de been_; _er is volk in den winkel_.
Regels, op de beteekenis der woorden gegrond.
Manlijk zijn:
17. De namen van mannen als _Jan_, _heer_, _kok_, en van manlijke
dieren, waarnevens eene afzonderlijke benaming voor het wijfje
bestaat, als _hengst_, _kater_, _stier_, nevens _merrie_, _kat_,
_koe_. Ontbreekt deze laatste, dan behoort de naam tot de zelfslachtige
woorden (_epicoena_), en moet het geslacht van elders blijken, gelijk
b. v. bij _haai_, _kameel_, _struis_ enz. M., _muis_, _rat_, _slang_ V.
Om het beginsel, in § 8 ontwikkeld, hebben wij gemeend ook het
woord _wacht_ en de daarmede samengestelde, als _nachtwacht_,
_schildwacht_, _torenwacht_, als M. te moeten beschouwen, wanneer zij
manlijke individuen aanduiden, en dus geene collectieve beteekenis
hebben. Wij maken derhalve onderscheid tusschen _den nachtwacht_
(klapperman) M., en _de nachtwacht_ (de gezamenlijke politiebeambten,
die de wacht hebben) V. Wij hebben te minder geaarzeld in dit geval
de hedendaagsche richting in de taal te volgen, omdat de vorm van het
woord _wacht_ niets beslist, daar vele woorden op _cht_ M. of O. zijn,
als _knecht_, _nacht_, _plicht_, _tocht_, _zucht_ (diepe ademhaling)
M., _hecht_, _licht_, _recht_ O. Andere talen zijn ons hier voorgegaan,
als b. v. het Zweedsch, dat _vakt_ en de samenstellingen (_skyltvakt_
enz.) als M. bezigt.--Over het onzijdige _manspersoon_ zie beneden,
§ 36.
18. De namen van boomen, als _berk_, _beuk_, _den_, _eik_; uitgezonderd
_linde_ en _tamarinde_ V. Zelfs de vrouwelijke namen van vruchten
worden M., als zij moeten dienen om de boomen aan te duiden, die de
vruchten voortbrengen: _Hier staat een abrikoos, daar een perzik._
19. De namen van steenen, als individuen beschouwd: _een diamant_,
_een agaat_. Wanneer zij geene bijzondere steenen, maar slechts de
steensoort als stof aanduiden, zijn zij O.: _Het diamant is harder
dan het agaat._
20. De namen van maanden en jaargetijden, als _Mei_, _zomer_, _herfst_;
uitgezonderd _lente_ en de samenstellingen op _maand_ en _jaar_,
als _Meimaand_, _Bloeimaand_, _voorjaar_.