hij mij een paar rijkssieraden liet zien, zwaarden en krissen van goud,
met kostbare edelsteenen van onschatbare waarde. Het waren zwaarden als
uit de Duizend en een Nacht, fonkelend en schitterend, met het vuur van
roode robijnen vlammend óp uit het goud, en het stralend gesterrel van
brillanten, maar die hij zóó maar liet aandragen door gewone bedienden,
om ze in mijn onreine christenhanden te leggen. Hij, de vorstelijke
muzelman, bewees daardoor, dat hij niet eens de veneratie meer in zich
voelde voor de "poesáka’s”[40] zijner voorvaderen.
[40] Heilige familie erfstukken.
Hij stond zelfs toe dat ik, ofschoon zelf aarzelend toen ik het deed,
bang voor zijn eindelijk uit te barsten toorn, een heilige kris uit de
scheede trok, en met mijn handen van christenhond streek langs het
gevlamde lemmet.
Welk een verschil met de vorsten op Java! De sultan van Djocjacarta,
wien een mijner kennissen, een controleur, eens een zeer oude kris ter
bezichtiging stuurde, zond dit heilige wapen terug met een
hoogwaardigheidsbekleeder, die haar droeg op een zijden kussen, onder de
gele "songsong”. De kris was hem namelijk gebleken een zeer oud wapen te
zijn, dat eens aan de vorstelijke familie had toebehoord, en was hem
heilig, van een goddelijke wijding omgeven. Nooit zal een javaansche
prins een heilige kris uit de scheede trekken zonder er een "sembah”
voor gemaakt te hebben, met een teeken van aanbidding der handen boven
het hoofd. Maar zonder éénig gebaar van eerbied liet de sultan van Linga
de heilige rijks-zwaarden en krissen door zijne handen gaan, en
onverschillig stond hij toe, dat ik ze betastte en bekeek.
Toen ik afscheid nam van den sultan, trachtte ik nog ééns zijn gelaat
te doorgronden, maar het stereotype glimlachje hield onverbiddelijk
verborgen wat er misschien toch wel mocht omgaan in de ziel van den
would-be westerschen dandy, die tóch iets van den mystieken gloed van
het Oosten had in zijn donkere oogen.
Ik wist, achter dit moderne, europeesche galanterie-paleis was nog een
andere, inlandsche woning, een half dorp van huizen en hutten. Op weg
naar de "bangsáwan” waren wij door eene vóórplaats er van gegaan, waarop
aan weêrszijden de deuren uitkwamen van vrouwen-vertrekken. Éven had ik
geruisch gehoord van zijde, geritsel van armbanden en oorbellen, hier en
daar hadden donkere oogen mij bespied toen ik voorbij ging, en had ik
pailletten zien schitteren van bayadère-gewaden....
Ik wist óók, dat in dit oostersche dorp nog het mysterie broeide van
middeneeuwsche tyrannie en willekeur, hoe hier een menschenleven was als
niets, en hoe, ondanks de nabijheid van het westersche bestuur op
Tadjong-Pinang, hier op Penjingat nog tragedies werden afgespeeld
bloedig als die van Blauwbaard uit de sprookjes van Grimm. Het wàs er
dus wel, het verschrikkelijke oostersche geheim, en achter het geruite
colbertje en ’t hooge boordje loerden de vlammende, ongebreidelde
passies van den vurigen, somberen Aziaat....
En toen ik weer wègvoer over de zee, terug naar mijn veilige huis aan
anderen oever, gewiegd op den rustigen maatslag der bruine,
zacht-neuriënde roeiers, ging áldoor de gedachte in mij om: "Is dit
westersche, would-be europeesche nu wel het eigenlijke, innige wezen van
dezen vreemden sultan van Linga, òf dient dit alles slechts om te
verbergen voor den verachten "blanda”[41] het mysterie van zijn diepste,
oostersche ziel? En zwijmelt hij nu op het oogenblik misschien niet weg,
in dat andere, oostersche paleis, in de armen van de allerschoonste,
donkergebronsde, goud-oogige favoriete--die mijne onheilige blikken niet
mochten aanschouwen,--de ééne, allergoddelijkste uit den heiligen harem
van liefde, door géén westersch oog ontheiligd, waar altijd door zijn
ziel van droomt, terwijl zijn lippen leegjes lachen tegen den bleeken
Europeër, wiens enkele adem al ontwijdt?...
[41] Hollander.
_Riouw, Januari 1904._
[Illustratie]
EEN INDISCHE FAUST.
In een jinrickisha, een japansch wagentje op twee wielen, getrokken door
een naakten, kaneel-gelen, zweetenden chinees, rennende door de
eindeloos lange North-Bridge Road, met overal aanschietend en weer
wèg-duizelend de lantaarnlichtjes van andere wagentjes, over den
donker-rooden zandgrond, met aan weerszijden kobaltblauwe chineesche
huizen vol rood en goud, in een oostersch geschreeuw van stemmen, door
een roezemoezende herrie van chineezen, klinganeezen, tamils,
hindoestanners en arabieren, zóó ging ik, verbijsterd en het zélf niet
geloovend, naar eene opvoering van "Faust” in Singapore.
Ik moest dat toch absoluut eens gaan zien, hadden ze gezegd, dien
maleischen en soendaneeschen komedie- en operatroep, de "Indra-Zanzibar
Royal Theatrical Company of Singapore”. De laatste dagen was ’t succes
al aan het tanen, maar nog kort te voren was deze komedie de rage
geweest van Singapore, waar de jeunesse dorée elkaar rendez-vouz gaf
als in de parijsche opera, en waar zelfs de gouverneur was heen geweest
met den russischen admiraal Alexeïew, op zijn doortocht naar
Port-Arthur. Het was een even groote sensatie als in Parijs de eerste
Cake-Walk, dat maleische acteurs en actrices hun inlandsche coupletten
zongen op de wijsjes van Daisy Bell en the Honeysuckle and the Bee, en
elken avond was het komedie-gebouw stikvol ontaarde westerlingen, die
van dit mélange van indisch en europeesch tooneel kwamen genieten.
Maar het was niet bij liedjes gebleven en bij stukken uit de Duizend en
één Nacht. Na "Aladdin en de Wonderlamp” werden "Othello”, en "Hamlet”,
en zelfs "Faust” gespeeld door maleische en soendaneesche
tooneelsterren. En ik vond dit enkele feit al zóó oostersch-fabelachtig,
dat ik er expres met de chineesche boot van Riouw voor overkwam om mij
te overtuigen, dat ik het niet enkel in een droom gehoord had.
Een oogenblik, vóórtvliegende over den rooden weg met de blauwe huizen,
aarzelde ik nog. Ik vóórgevoelde pijn en akeligheid. Waarom niet liever
den avond dóór blijven rennen in dit lichte, veerende wagentje, door die
oostersche pracht hier, waar het rood en het goud úitschitteren van
chineesche winkels, dán straks door de chineesche wijken van Sago-street
en Tringannu-street en Banda-street, waar de thee-huizen zijn met hun
open galerijen vol feestende lichten, met vrouwen in blauwe en roze
zijden gewaden, die gitaren tokkelen en luiten, en dan eindigen in een
chineesche wájang, en mij dronken kijken aan sublieme kleuren?
Maar vóór ik het wist zette de hijgende jinrickishapuller mij neer voor
het komediegebouw. In Godsnaam dan maar!
Eerst een wijde, vieze gang door, toén een kaartje nemen aan een
loketje, waar een gluiperige tronie achter loerde, en door een houten
deurtje kwam ik in een theatertent, lijkende op de kermisspellen van
Spriet of Basch, vroeger op de kermis.
Donker, druilerig licht van gebrekkig brandende gasballons en een walm
van slechte tabak, met weeë, niet te definieeren oostersche geuren
vermengd. De achterste rijen banken en de galerij waren geheel bezet,
door een mengelmoes van alle aziatische rassen, vooral klingaleezen en
arabieren, met donkerbruine gezichten, tot op zwart af. De voorste
rijen, de dure, waarvan de banken met rood katoen waren overtrokken,
waren leeg. Ik was de eenige Europeaan in deze "stalles” dien avond.
Zoo om me heen kijkende leek het een benauwde droom. Faust!.... daarbij
denk je aan roode loges met blanke, juweel-omfonkelde vrouwen en
gerokte heeren, een zaal, schitterend van licht, van slepende,
liefde-zware muziek, van klinkende koren en wiege-wuivend ballet. En nu,
hier, dat schunnige, kermisachtige zaaltje met vuile, houten banken, en
dat smerig-gekleede, inlandsche schorriemorrie, sirih-kauwend,
tabak-spuwend, katjang-etend, wachtend op dat wondere, altijd nieuwe
mysterie van de Liefde, in "Faust” verklankt!
Maar toen het scherm was opgegaan werd de benauwing nog drukkender, en
het plat-leelijke werd tot een ontzetting.
Stel u voor: Faust als een gevaarlijken, gluiperigen Indo--de "held” van
den troep--bruin, op zwart af, in een paardrijderspakje, met een moderne
sabel om, "Felantain” (Valentijn) gekleed als een slangenmensch en een
musketier door elkaar, Mefisto als een pikzwarten schoorsteenveger, een
boeman, en "Siti Merhaji” (Margaretha), als een dikke, logge,
Soendaneesche meid met rooden sirihmond en een scherp, krijschend
blêr-geluid, dat de fijnste vezeltjes van binnen in je van pijn doet
trillen. En dat alles, niet als parodie of klucht bedoeld, maar als
heilige ernst, te goeder trouw, als opera, met pathos en gejammer!
Maar het comble was de muziek. De maleische woorden werden gezongen op
bekende europeesche wijsjes, van de "Cake-Walk”, van "Daisy-Bell”, van
"Fischerin du kleine” en "En revenant de la Revue”.
En dán, opeens, totaal "er uit”, en nog steeds niets met Faust gemeen
hebbend, maar héél apart, en mooi, om van te wéénen, een paar oude
javaansche liedjes, roerend van eenvoud en innig sentiment. Liedjes van
vóór eeuwen en eeuwen, gezongen in de kampongs en dessa’s, door minnaars
voor hun lief, door moeders voor hun kinderen, liedjes, waarin de
droomerige javaansche volksziel lacht en schreit.
En ’t was merkwaardig, hoe dan tegelijk het orchestje veranderde, een
armzalig zoodje van een stuk of vijf, zes verongelukte Indo’s, een piano
bespelend, een paar violen, een bas en een valsche clarinet. Díe muziek
kenden zij, díe muziek voelden zij verwant aan hun eigen omnachte,
altijd maar heel vaag bewuste ziel. De violen klaagden wonderlijk, en er
was er één bij die, ongeweten, nu en dan sublieme dingen streek,
trillende van gevoel. O! Hier wás dan toch het mooie, wel niet van
"Faust”, maar tóch het mooie, en de avond was dus niet verloren.
Als je nu de oogen dicht deed en niet zag, enkel luisterde, was je in de
sfeer van het heel echte mooi.
Maar het prachtigste van alles moest nog komen. Na de europeesche
liedjes en de javaansche wijzen, begon een instrument achter de schermen
te spelen, met een geluid als van harmonium. Die muziek zal ik niet
licht vergeten. Zij was van oer-oude tijden, van de hindoes, vertelde
een der violisten mij; hoe zij precies heette wist niemand, maar
iedereen kende ze en alle acteurs wisten de liederen, die zij
begeleidde. En onder het weeklagen van de leelijke, zwarte Margaretha
klonk de muziek, langzaam voortzwevend, in allerlei vreemde figuren, als
een trage, mineure fuga van een hindoeschen Bach, zoo tragisch als ik in
den werkelijken "Faust” van Gounod nooit iets heb gehoord. Het leek mij
muziek van meer dan duizend jaar geleden, toen de volksziel zélf nog
bijna muziek was, in haar primitieven eenvoud, en daar in dat miserabele
zaaltje, met dat schunnige zoodje komedianten in acrobaten- en
carnavalspakjes, ruischte het geluid op van de hooge, gruwzaam naakte
tragiek van leven en dood en eeuwigheid. De man aan het orgel, achter de
schermen, was niet te zien, maar ik voelde zijn ziel in die mystieke
muziek.
Maar dán opeens, midden in dien toover, onverwacht weer een dolle
ópsprong van de piano, en de valsche fausset van Siti Merhaji begon weer
een mop te zingen uit de "Country Girl” en "San Toy”.
De toeschouwers vonden het allemaal prachtig, en luisterden in gespannen
aandacht. Ze hadden vreeselijk te doen met Margaretha, die onder al
haar emoties den sirihpruim nog vast achter de kiezen hield, en
tusschenbeide behoorlijk op den grond spuwde. Faust, mager en knokig in
zijn circuspakje met veel pailletten en glimmende knoopen, die
erbarmelijk door zijn neus zong, vonden zij een ontzagwekkenden
indischen Don Juan, en de opkomende vrouwen en meisjes van de koren
waren Hoeri’s uit het paradijs. De meeste waren dan ook werkelijk
"bagoes”[42] en "manis”[43] en er waren er bij, die de fijne huidskleur
hadden, welke de inlander "itam manis” noemt. Een dikke chinees, zijn
vingers vol brillantringen, zat knipoogjes te geven aan een der
soldaten-vrouwen uit het koor, en een jonge arabier, in een geel-zijden
kaftan, keek met zijn zwarte, fonkelende oogen ál maar naar Siti
Merhaji, als een wild beest naar zijn prooi.
[42] Mooi.
[43] Zoet, lief.
Alles eigenlijk hetzelfde als bij een opera in Holland, maar de blanke
sopraan is nu een zwarte Preangermeid, en de gerokte gentleman een
chinees of een arabier.
Aardig was het, eens goed rond te zien naar de gezichten in de zaal.
Over de balustrade van de galerij boven hingen twee kleine chineesche
meisjes, prachttypen die de vermenging van een chineeschen vader geeft
met een maleische moeder, met transparante, ivoorgele gezichtjes, als
van heel oud porselein, en een heel zacht, rood blosje er over, zoo teêr
als wel op herfstvruchten ligt. Haar zwarte oogjes, klein en scheef,
schitterden daarin als muisjesoogen doen. Papa-chinees had een
sequah-hoed op voor deze gelegenheid, en mama had een kostbare sarong
aan. Zóó was dit oostersche huishoudentje óók eens "uit”, om de "Faust”
te zien.
Ik was blij toen Siti Merhaji eindelijk ten hemel was gevaren en Faust,
zooals dit hier gebeurde, door Mefisto in het vuur was gesmeten, want de
geheele uitvoering, met al die donkere menschen op het tooneel, die
weenende javaansche volkswijzen en die grandioze oude hindoe-muziek, met
die banale, westersche tingel-tangel-deunen daartusschen, was eigenlijk
één lange pijniging. En door een wonderlijk toeval was ’t precies een
jaar geleden dat ik voor ’t laatst in Europa "Faust” hoorde, in Nizza,
met Sigrid Arnoldson als Marguérite. Ik kon ’t niet helpen, maar zelfs
in ’t grandioze rood-blauw-en-gouden Singapore, met al zijn oostersche
grandeur, kwam weer het schrijnende heimwee in mij op naar Europa, waar
zooveel minder pracht is en zooveel minder wijsheid, maar waar een
westerling nu eenmaal thuishoort, omdat hij er geboren is.
En toen ik in mijn jinrickisha, met een glimmenden Aziaat er voor, weer
door de roode straten rende, door klingaleezen en hindoes en chineezen
heen, vond ik me tòch zielig, als ik dacht aan het thuiskomen in Parijs
b. v., uit de opera, tusschen de raampjes van een fiacre, door de van
heerlijk europeesch leven wriemelende boulevards, waar het toch niet
half zoo mooi is als in die prachtstad van oostersche kleuren, die
Singapore heet. Een wonder-weemoedig wijsje, door Siti-Merhaji gezongen,
toen zij in de gevangenis klaagde over verloren liefde, weende mij dagen
daarná nog door het hoofd, en nu ik dit neêrschrijf treurt het weer
langzaam op, droef mineur, en wil niet wijken voor de gedachte aan het
schoone, onsterfelijke "Parlez encore” dat ik eens de heldere stem van
Miranda hoorde zingen in de Haagsche opera....
_Riouw, Februari 1904._
[Illustratie]
WAJANG-GOLLÈK.
De mail was aan, en een uur lang had ik heimwee-droef zitten treuren en
mokken na het lezen van de hollandsche couranten.
De Lente was er gekomen in heerlijk Holland, de Lente, o! de lichte
Lente!....
Ach, de weeë bitterheid om dáárvan te lezen in de vóórgalerij van een
indisch hôtel, ziek en akelig geworden van de hitte "benéden”, nú
"boven” in Soekaboemi, met verlof, om je wat op te knappen, en je weer
geschikt te maken voor een nieuwe reeks misère-jaren in de brandende
zon, ver van je lieve vaderland, waar het hóóg-ruischende Leven gaat.
Tergend kijken de zwarte letters in die courant je aan. Het is alweer
een maand later nu je dit leest.... in ’t Kurhaus te Scheveningen is ’t
alweêr begonnen.... good old Rebicèk is niet meer, met zijn vriendelijk,
mondain glimlachje en zijn breed stokgebaar.... omruischen hem nu
hemelsche melodieën en klaar Godschoraal?.... maar de nieuw dirigent,
Herr August Scharrer, voert nu de zingende violen en de schetterende
trompetten tot de regionen der hooge harmonie....
Zacht zullen nu droomen de avondlijke luchten over de zee, over de
blonde duinen van lief Holland.... in de boschjes zingen nachtegalen en
merels.... stil zitten lievende paren op een bankje onder de beuken, en
vogeltjes zingen in hun ziel.... de Lente is gekomen over menschen en
boomen, en het jonge leven zingt en muziekt en tiereliert in heerlijk
Holland, dat stad en land er van weêrklinken....
Maar hier, in Indië, hangt de eeuwige zomer altijd zwaar, gelijkvormig
door, eeuwige zon, eeuwig groen, zonder nuance, en in de tergende
gelijkmatigheid van eeuwig dezelfde dingen sluipt het weeë heimwee in je
ziel als een zoet, sloopend gif, dat je ziek maakt, tot stervens toe,
dien eeuwigen gloed zonder innigheid, dat loome, lijzige leven zonder
mooi....
O! het mooi, het mooi, wanneer zal het éindelijk weer eens komen? Is dit
leven, zoo luierig liggen in dien langen leunstoel, starende op de krant
met al die tergende verhalen van het groote Leven, vèr over de zee?....
* * * * *
Buiten is doodstil de avond-nacht. Roerloos staan de boomen in het witte
licht van de maan. Wat een blankheid, wat een wonderreine glans!....
Het is of alles vergeestelijkt is tot een staat van stille verrukking,
te heilig voor geluid.... Geen blad beweegt, en alleen het diepe,
nachtelijke zwijgen suist, bijna onhoorbaar, vol heilig-geheim.
O ja, dít is de mane-nacht van Indië, in zóó lang niet goed gezien....
Wat, domme jongen, zoek jij ’t mooie zoo ver, uit de zwarte letters van
een krant, na maandenlange zeereis tot je gekomen?.... wat mopper je en
mok je van het mooie, nu déze nacht je wacht en het maanlicht droomt
over roerlooze boomen?...
Alles is nu voorzichtigjes uit de duffe dagverdooving gegleden, want het
helle licht van den dag is geweken en in den teêren schijn van de maan
durft nu alles wel zachtjes uit te komen, wat schroeide in de zon.--O!
Hoe teeder, hoe gevoelig doen nu alle bladertjes, hoe fijn staan ze in
de atmosfeer, en die palmen daar, met hun welvende bogen, staan ze niet
klaar te pralen als de doorgang van een kalme kathedraal?
En ik loop zacht naar buiten, niet mokkend meer, gewillig, met het
voorgevoel van iets moois, dat komen gaat, dat eíndelijk, eíndelijk gaat
komen...
En hoor!.... is het werkelijkheid?.... is het droom?.... daar tinkelt in
de verte als getokkel van zilveren luiten.... klaar-kristallen bellen
van geluid opwellend in de stilte van den nacht.... helder als water en
puur als diamant.... hoor!.... wat wàs dat nu, daar over heene?.... is
het een donkere golf die, in duizelige afgrond-diepte tegen sombere
rotsen slaat?.... of is het de donzen-donkere dreuning van de wondere
bronzen gong?
Het is de gamӗlan, ja, zij is het, de gonzende, galmende, de
tinkelende, tokkelende gamӗlan, met de sprinkeling van klare luiten,
en den weemoed van vaag-weenende viool, en de donkere dreuning van
somber-droomenden gong....
O! De gamӗlan, lang vergeten in mijn laatste leven in Europa, de
gamӗlan, die mijn ziel ééns hield bevangen met een wondere charme van
geheim, zooals géén andere muziek ooit heeft gedaan, de gamӗlan, die
muziek uit vreemde, verre sferen, waar géén westersch geluid ooit dóór
kan dringen, de sferen, waarin het hindoeïsme en het boedhisme zweven,
van dood, en vergetelheid, en eeuwigheid, waarin de hóógste vreugde
áltijd weemoed is, om den doem, die er op rust van het vergankelijke,
dat ééns moet sterven....
De gamӗlan, uit de verte, in den nacht, dat is zoet als het lokken
van den dood, maar een dood zonder pijnende smarten, een ganschelijk
vergeten, een wèg-zweving, vèr in vage sferen, waar alles zacht zou zijn
en donzig, heenglijdend op de droomerige rhythmen van die verrukkelijk
melancholieke ziele-muziek....
Heel zacht komt een "sado”[44] aanrijden op den eenzamen weg.... de
koetsier lijkt te slapen, soezerig neêrgedoken in de stilte van den
avond.... het paard loopt langzaam, voetje voor voetje, staat nu en dan
stil....
[44] Sado (dos-à-dos), inlandsche dogcart op twee wielen.
Ik roep den droomer wakker. Ik wil weten, waar die muziek kan wezen, die
uit géén richting schijnt te komen, maar ergens doelloos rondzweeft in
de lucht....
Er is een "slámetan”[45], zegt de "koésir”[46], ginds boven, achter
Selabatoe.
[45] Inlandsch feest.
[46] Koetsier.
Daar wordt getandakt en gefeest, en daar wordt de "wajang-gollèk”
vertoond.
De "wajang-gollèk!”.
Ik herinner mij al de wajang-poppen in ’t Bataviasch Museum in "Oost en
West”, die schijnbaar grillige, "enge” figuren voor den oningewijden
Westerling, die daar ergens dood neerliggen in een hoek, of lijzig
neerhangen aan een spijker, als lijken. Maar ééns haalde een kennis van
mij er een van den muur, en wees mij het sublieme, gevoelige profiel, en
trok éven aan het touwtje, waardoor de lange, dunne arm een gebaar
maakte, statig als het gebaar van een god, en ik schrikte van dat mooi,
alsof een doode levend was geworden en zijn ziel uitte in dat ééne,
grandioze gebaar.....
Ik wist toen wel, dat die poppen daar niet hóórden, evenmin als de
statige Hindoe-beelden, weggerukt uit hun grandioze natuuromgeving, nú
op de belachelijke, westersche pleister-voetstukken in de kille
vestibule van het Bataviasch Museum.
Dat ééne gebaar was mij altijd bijgebleven, zooals de lijn van een
verren, nooit meer teruggezienen berg, zooals een vage, innige melodie,
ééns maar gehoord....
En nu ging het, onder de maanlicht-beschenen cathedraal van statige
palmen door, naar de muziek toe, die ergens, vèr, kristallijn-fijn, door
den nacht klonk, zacht en liefelijk, als van zingende zielen.....
* * * * *
Onder de droomende boomen, in het zilveren weemoedlicht van de maan, met
de avondlucht koel om zijn bloote hoofd, dáár is het Tooneel van den
simpelen Javaan.
Onder een atap-bedekking, waar óók nog een lange tafel stond, met een
inlandsch feestbanket, zat de dálang, de eenvoudige, sjofel gekleede
inlander met zijn houten beschilderde poppen, smerig grotesk voor
westerlingen, in den walm van olielampen en slechte tabak en
bedorven-geurtjes,--maar zat er met die poppen als een koning met zijn
volk van prinsen en edellieden en prinsessen.
Om den dálang heen, gehurkt op den grond, en staande, strootjes rookend
en sirih-kauwend, waren de schamele inlanders, vuil en onaanzienlijk
voor den Europeaan, een smoezelig, plebejisch zoodje van spáda’s[47] en
kebóns[48] en koelies, maar in hun oogen blonk de verrukking van de
hooge tragiek, maar zij allen bezaten het kostbare weten van het
koninklijke gebaar, en in hunne zielen te zamen woonde onbewust de ziel
van een oer-oud volk, dat de diepste geheimen had doorgrond van
onvergankelijke wijsheid.
[47] Bedienden.
[48] Tuinjongens.
De wondere sagen en legenden van dat allergrootste wereld-epos, de
Mahābhārata, zij leven nog in den geest van dat goedkoope publiek,
de helden en heldinnen van hun tooneel, zij kennen ze allen, als hun
vader en moeder, en in die donkere, slecht gekamde, glimmende hoofden
gloeit de brandende fantazie, die bíjvult wat de wajang-pop even
aangeeft met een subliem gebaar, en de geheele tragedie-omgeving van
wouden en meren en paleizen vóór zich ziet, zonder een enkel décor. Wat
in dit schamele troepje inlanders onbewust leeft bij de voorstelling van
de wájang, dat is de allerhoogste kunst, de hooge tragedie en het hooge
epos, en de adem van het goddelijke gaat over dit schijnbaar zoo
onaanzienlijke tooneel onder de maanlicht-omdroomde gothieke bogen der
pralende palmen.
De inlanders, beleefd als altijd, gingen voor mijne nadering op zijde,
en ik kreeg een plaats op een matten stoel vooraan, vlak bij den dálang.
Een héél gewone, plebejische Soendanees, en zóó als hij daar neergehurkt
zit, zou hij ook om een aalmoes kunnen bedelen. Wat schooierig en vies
voor een’ nuchteren, wèlgekleeden Europeaan. Maar de glans van een
wereld-epos licht over zijn bruin, bezweet gezicht, en in zijn oogen
blinkt de hartstocht van de hooge tragiek.
Als doode dingen liggen de wájang-poppen ter zijde van hem op een hoop.
Ik herinnerde ze mij, iets er van tenminste, van op wandelstokken als
knop, op kurken, als galanterie-ornament zoowat op alles, in de
permanente tentoonstelling van "Oost en West”. Zóó, in een toko, lijkt
zoo’n pop wat gek, de uitdrukking bizar en grotesk.