En daar, onder de cathedralen-pracht van de pralende bladen-bogen, staan

op palen, van den grond op, wat simpele bamboe-huisjes, luchtig en

primitief, als in een sprookje van "Daar woonde eens in het woud....”

Wat naakte kinderen dartelen over den grond, vlug als katten. Een jonge

vrouw staat voor de hut, de prachtige, volle borsten bloot, zoogend haar

kind. Als zij ons naderen ziet trekt zij haastig haar slendang er voor,

wetend de schending der westersche oogen, die in naakt het vuile zien,

die het heilige moederschap zouden ontwijden. En ik voel een vage

schaamte in mijn ziel, dat die vrouw voor mij bedekt, wat zij iederen

inlander zou durven toonen, wiens blik het heilige niet besmet....

Wij vragen zeer beleefd naar Oessin, wij roepen "djangan takoet!”[30]

naar de kinderen, die ijlings weg vluchten, schuw als welpen van dieren.

En de jonge moeder roept haar vader, met een hooge, melodieuze stem....

[30] Niet bang zijn.

Dáár gaat een rieten voorhang open, en Oessin komt te voorschijn, een

oud, grijs mannetje in roode lompen, een prachtfiguur eigenlijk, met die

wijze rimpels in zijn voorhoofd, en het vage droomen van zijn donkere

dieren-oogen.

Hij kwam geregeld venten in ’t hôtel, met arèn-stokken, met gesneden

goden-koppen van buffelhoorn, met krissen, met waaiers van vlechtwerk en

bamboe-doozen. Die zwarte koppen waren het vooral, die mijn aandacht

trokken, en mij iets verrieden van zijn innerlijke ziel. Het zijn de

goden-koppen van de wájang, van Råmå en Ardjoenå, en Petroek, die koppen

met hun fijn, ijl profiel, die als schaduwen te zien zijn op het scherm,

alsof zij bevende op de grens zijn waar materie in geest vervloeit, en

waarvan hij het teêre gebaar bewaart, de vage droom-expressie, in den

harden, glanzenden hoorn van den karbouw, besneden met een simpel, grof

mesje als éénig materiaal. Voor veertig, voor vijftig centen verkoopt

hij ze aan den blanda[31], die er het mooie niet van ziet, ’t werk van

dágen achtereen hard prutsen in de harde, weerbarstige stof. Zóó knutst

dat oude mannetje daar in zijn bamboe-huisje, uren en uren achtereen,

met een pieterig mesje in de zwarte buffelhoornen, en snijdt er het

fijne, gevoelige profiel in van Ardjoenå, dat zijn ziel in de wájang

heeft gevoeld, en lijnt er het gracieuze gebaar om, dat vaag is als een

schaduwencontour, en ritselt met de mespunt langs de teêre omtrekken van

neus en wangen, en schaaft en vijzelt en polijst, tot uit de harde,

hoornen stof het zachte, geestelijke gezicht te voorschijn komt van den

wijzen, volschoonen god, waarvan hij het beeld draagt in zijn ziel, in

ongeweten pracht. Hij heeft geen voorbeelden, hij heeft geen platen of

model, de schoone goden-beelden staan diep in zijn ziel, als in een

stillen tempel, dien hij zelf niet weet. Dat oude, rimpelige mannetje,

in schamele lappen gehuld, hij heeft de schoonheid onbewust in zijn

gemoed, met lijnen ijl als van vèr-droomende bergen, met gracelijke

gebaren, gevoelig als van een bloem, met het vaag bevende van

geestelijke teêrheid, als ’t weifelen van een schaduw.

[31] Hollander.

Dit alles had ik vermoed in de zéér gebrekkige poppen en figuren, die ik

van hem gekocht had, dingen voor den verkoop aan europeanen gemaakt,

maar waar tóch iets van de groote schoonheid in doorbreekt, omdat de

schoone ziel het mes nu eenmaal heeft gestuwd. Één ronding van een wang,

één fijn gebaar van arm, één krul omhoog van ’t ópgolvende kapsel, dáár

voelde ik de ziel in van dien man, die zich niet ganschelijk uiten kon,

in ’t prutsen van verkoop-goed voor den onverschilligen blanda. Zóó had

ik ook veel dingen gezien in de toko van "Oost-en-West” in Batavia,

artikelen, in der haast geknutseld, om het brood te verdienen voor den

dag, maar waar tóch altijd schoonheid weifelend in beeft, omdat het

bewegen van de hand gestuwd is door een schoon-gevormde ziel, die

schrikken zou van grofheid en geweld.

Nú vroegen wij hem, ons al zijn schatten eens te laten zien, waaraan hij

bezig was te werken. Hij lachte genoeglijkjes, ik méénde ook lichtelijk

geringschattend, zooals een oosterling altijd lacht voor europeanen. En

hij haalde een hoopje materiaal te voorschijn, wat harde buffelhoornen,

wat scherpe mesjes, en onafgewerkte koppen van goden, voor knoppen op

een stok, en beeldjes, grof van afwerking, zooals wij al meer hadden

gezien. Heel het godenvolk van de wájang had hij gereproduceerd in den

harden hoorn, knutselend met zijn mesje, in onuitputtelijk geduld. Die

beeldjes en koppen lagen daar verward dooreen, als uit een

speelgoeddoos, prachtig glanzend als glimmend zwart ebbenhout, en hij

bood ze ons glimlachend te koop aan, zooals hij al zoo véél malen had

gedaan in de voorgalerij van het Hôtel.

Maar ik vroeg hem dadelijk, of hij niet wat mooiers had. Ik wist wel dat

die gewone dingen goed genoeg waren voor de toewans blanda, zeide ik. Nu

wilde ik eens wat beters zien, wat fijners, dat "aloes sekali”[32] was.

Ik zag het oude, rimpelige gezicht bedenkelijk, ongeloovig kijken. Toén

glimlachte hij weer even stilletjes. O ja, hij hàd wel mooier, maar dan

moest het ook méér geld kosten. Toewan was altijd zoo aan ’t

tawarren[33] in ’t Hôtel, en moest alles zoo goedkoop hebben, dan kon

hij ook niet zoo iets heel bizonders geven. Hij hád wel beter werk,

Oessin, maar dat zou ook méér kosten.

[32] Zeer fijn.

[33] Pingelen.

En uit een grauwen zak haalde hij een glanzend zwart beeldje van

Ardjoenå, waar mijn ziel van werd bewogen als van een vreemde, vage

muziek. Ik kan het niet goed zeggen wat het was, ik weet het nú nog

niet. Het is een buste van Ardjoenå, een goden-kop met hals en borst, in

harden buffel-hoorn gesneden, ebbenzwart als diepe nacht, en tóch zacht

glanzend, als van innerlijk licht; het hoofd is even fijn en ijl omlijnd

als de schaduw, die een wájang-figuur afdroomt op ’t scherm; de schedel

is wonder gaaf gerond, of wijsheid van binnen uit hem vormde; de borst

is spiegelglad als ijs, dat schittert in nacht; de schuin gewelfde, half

geloken oogen bewaren een blinden blik, die naar binnen, in de ziel is

gericht, de superbe haarwrong krult met een grandiozen boog hoog naar

boven op, als een óprijzende golf uit de zee. Het is een tot glanzende,

ebbenzwarte materie verstoffelijkte schaduw, die in allerfijnste

expressie, op ’t punt van in ’t ijle te vervloeien, is verstard. Maar

dit alles is ’t innige niet er van; het vage wonder van dit

schaduwachtig beeldje is de vreemde glimlach, die om den halfgeopenden

mond weifelt, waar fijne tandjes in zijn te zien, en die een mysterieuze

expressie geeft aan ’t gansche donkere goden-gezicht. Het is niet de

glimlach van een sterfelijk wezen, maar de glimlach van een ziel, die in

teerdere, etherischer sferen heeft gezien dan het reëele. Die glimlach

lacht zoo héél zachtekens, weifelend weg in een vèr mysterie, over

ongeweten dingen, die ik niet begrijp en toch soms even twijfelend

voorgevoel, als ik lang dat wondere beeld aanzie. Het is een glimlach,

die door bovenzinnelijke geheimen is geplooid, alsof ’t nu eindelijk is

opengegaan, ’t groote mysterie van ’t leven, en alles zóó eenvoudig

lijkt als een duister-diep raadsel, waarvan de simpele oplossing opeens

in één woord is gevonden, zoodat de rader om de nuchtere vondste lacht.

Het is niet somber-mystisch, als ’t starre lachen van een sfinx, ’t is

een wereldwijs glimlachje, als van een, die de nietigheden der aardsche

dingen heeft erkend, en er nu op neerziet, als een vader op een jokkend

kind.

En ik voelde die óp-stormende begeerigheid in mij branden, om dit

wondere ding van schoon te bezitten, met schrijnenden, scherpen angst

van binnen, dat het mij ontgaan zou, zooals ik, jaren geleden, in China

had gebrand van verlangen naar een maanlicht-blanke godin Kwan Yin.

Ik stotterde den ouden inlander wat tegen van hoeveel? en of ik dit zoo

fijne beeldje nu ook koopen kon. En schrikte, kón ’t niet gelooven, toen

hij slechts enkele guldens vroeg. Hoe kon die vreemde, bruine man dit

kostbaar ding nu willen afstáán, dat dágen werk gekost had, in een stage

spanning van zijn ziel? Of gaf hij er zooveel niet om, dit schoone beeld

te missen, omdat hij tóch de essentieele schoonheid, waaruit hij het

weerkaatst had, zéér veilig omdroeg in zijn ziel?

Ik zag hem aan in spanning, wilde dóórdringen in zijn vreemde innerlijk

van mysterieuzen Aziaat, dat ergens achter zijn verbergend lachje moest

geheimen. Maar ik kwam niet verder dan zijn oude, rimpelige gelaat, en

den uiterlijken glans van zijn donkere, Javaansche oogen.

Ik haalde enkele rijksdaalders te voorschijn, ik kreeg het beeldje in

mijn handen, in een stuk donker gevlamd doek. Het leek zoo heel gewoon

maar, een blanda, die van een ouden inlander iets koopt. Hij zeide

"banjak trimakassi”[34], en streek de blinkende ringits naar zich toe,

met zijn bruine knokkige vingers, en scheen ’t ganschelijk niet te

beseffen, wat een kostelijk geschenk mijn leven van hem kreeg.

[34] Wèl bedankt!

Toen zijn wij later heel gewoon weer heengegaan, na wat centen

rondgedeeld te hebben aan een troepje naakte kinderen, dat nieuwsgierig

om ons heen gekomen was. En toen wij een eind weg waren, en ik nog eens

omkeek, zag ik dat de jonge vrouw den doek weer had genomen van haar

moederborst.

In de hotsende sadó, waar wij terugreden langs de van roode bloemen

pralende spatodea-boomen, dacht ik om den simpelen kunstenaar, die daar

zoo gansch eenvoudig woonde in een bamboe-hut onder de palmen, en de

grootheid van zijn eigen kunst niet weet. Zóó als in ’t wondere land van

China leeft in ’t eeuwig groene Indië de kunstenaar ongeweten, zonder

glorie, als een gansch gewone werkman, in wien Schoonheid woont

onbewust. Hij maakte de mooie dingen argeloos en vanzelve, en voelt zijn

eigen begenadigd groot-zijn niet.

Is dan alles in ’t Oosten zuiverder en reiner dan ’t Westersche leven,

waar ik, bleeke blanda, mij ééns superieur in dacht?

En met een vage schaamte groette ik de kleurige, gracieuze menschen,

die lichtelijk het hoofd bogen waar wij kwamen, die donkere, bronzen

Soendaneezen, wier zachte, rhythmische gang gaat als op wiegingen van

melodische muziek....

[Illustratie]

EEN BEZOEK BIJ DEN SULTAN VAN LINGA.

Op de receptie van den resident van Riouw had ik hem voor ’t eerst

gezien.

Een klein, mager mannetje, spichtig, van over de veertig jaar, met een

pseudo-westersch air, in smoking, met verlakte schoenen. Alleen de

zilveren bloemhouder in zijn knoopsgat, schitterend van diamanten, met

een veel te groote, witte orchidee er in, was iets bizonders aan hem, en

een lage, kleine kolbak, als van onze artillerieofficieren, waarop een

ster stralende van brillanten, met een kolossalen steen in ’t midden,

die een fortuin waard was. Behalve deze twee ornamenten, een beetje

parvenu-achtig doende op het zwart lakensche europeesche costuum, was er

niets aan hem, dat aan een oosterschen vorst deed denken, en zonder deze

had hij ook een welgestelde indo kunnen zijn.

"De sultan van Linga!” zeide een controleur tegen mij, "die op Penjingat

woont, het eiland hier over Tandjong-Pinang.”

En ik dacht opeens aan al de wondere pracht, vroeger op Java gezien bij

regenten, ik, die de laatste vijf jaren door Europa gezworven had met

telkens dat hongerende heimwee naar het oostersche mooi, ik dacht aan

melancholieke gamӗlans, droomerig in den nacht, aan fonkel-oogige

ronggèngs[35], zacht tandakkend op wiegenden cadans, zwevende als

bevende zielen, aan vage wájang-schaduwen met weifelende contoeren in

het manelicht. Een groot verlangen welde in mij op om die pracht weêr te

zien....

[35] Dansmeisjes.

Ik liet mij aan den sultan voorstellen en raakte al gauw met Zijne

Hoogheid in gesprek. In mijn enthoesiasme van eindelijk weer met een

oostersch vorst te spreken, met het vooruitzicht, weer eens echt mooie,

oostersche dingen te zien, vertelde ik hem van mijn bewondering voor de

gamӗlan, voor de wájang, voor den dans der ronggèngs. Zijn bruin,

indolent gezicht lachte ietwat slapjes, alsof hij er niet veel van

geloofde, van een Westerling, die mooi zou vinden de pracht van het

Oosten. Hij had geen gamӗlan, zeide hij, en ook geen wájang, daar moest

je voor op Java zijn, en hij was een volbloed Maleier, maar als ik zijn

paleis wilde zien, en zijn "bangsáwan”[36], en zijn ballet, dan zou ik

hem welkom zijn, wánneer ik maar komen wilde. Morgenavond bijvoorbeeld,

dan was hij vrij. En ik ging van de stijve residents-receptie naar huis

met het idee van iets heel superieurs, een evenement voor den volgenden

dag....

[36] Maleische komedie.

Om half zeven, toen het donker al dóór kwam duisteren, was ik aan de

pier van Tandjong-Pinang, waar de groote zeilsloep van den sultan mij

wachtte. En de overtocht naar ’t eiland Penjingat, over een kalme,

vlakke zee, met weifelende berg-lijnen in de verte, en altijd donkerder

wordende schaduwen, met den hemel in ’t Westen in rossen gloed van

aangestoken branden in gambir-tuinen, was als de inleiding tot de pracht

van een oostersch sprookje.

Wat was alles stil en plechtig op zee! Achter in de sloep speelde een

matroos op een "soeling”[37] een droomerige, mineure melodie....

[37] Inlandsche fluit.

Toen ik de pier opklom bij Penjingat dacht ik: "nu gaat het komen....”

Nog een klein eind wandelen en wij stonden voor den ingang van het

paleis. Een buigen, wat beleefdheidsfrasen tegen den ontvangenden sultan

en een paar rijksgrooten, en ik sloeg de oogen op, pracht-verwachtend.

Welk een ontgoocheling!

Ik stond in een groote, ruime voorhal, een soort galerij, aan drie

kanten open, waarin opeen was gehoopt al de affreuze luxe van modern

Europeeschen wansmaak, zonder één schijntje van kunst. Het

"furniture-department” van John Little en Robinson in Singapore had dit

alles geleverd, in roekeloozen overdaad, zonder éénigen stijl. Moderne

fantazie-stoeltjes, met fluweel en trijp, portières, tafelkleedjes,

afschuwelijke imitatie-moorsche beelden op voetstukken, terra-cotta,

schrikkelijk leelijke vazen, mora-standaardjes, muurborden met engeltjes

en feeën, portretten in pluche-lijsten, hoorns van overvloed met

bloemen. Affreus, heidensch, een nachtmerrie voor een fijnvoelenden

kunstenaar, zóó was mijn eerste indruk van dit "paleis”. De sultan dien

ik nu, in zijn eigen huis, in schilderachtige oostersche dracht had

verwacht, was in een geruit engelsch colbertje met gele schoenen, hoogen

boord en rood dasje, tiré à quatre épingles, maar géénszins orientaal.

Hij had bovendien, om te ontvangen, een indische nonna bij zich, die "de

honneurs waarnam”. De inlandsche bedienden, die hier en daar stonden,

waren óók al op zijn Europeesch uitgedost, met korte kniebroek, zwarte

kuit-kousen en lage schoentjes, in liverei met goudgalon.

En nu begon iets pijnlijks, dat ik niet licht zal vergeten. De sultan

scheen trotsch te zijn op zijn Europeesche inrichting. Ik moest het toch

vooral héélemaal zien, zijn paleis. En nu ging het van de eene groote

zaal naar de andere, als door een magazijn van Hoynck of Fortmann, maar

nóg erger, want hier en daar waren meubelen Empire, en Louis Quinze, en

zelfs midden-eeuwsche, die apart misschien mooi zouden gedaan hebben, in

wanorde door elkaar gezet. Aan de muren monsterachtige platen en

schilderijen, rekjes met leelijke snuisterijen, hondjes, poesjes,

kaboutertjes van steen, in alle denkbare nuances. Uit beleefdheid moest

ik tusschenbeide wel uitroepen: "bagoes! bagoes sekali!”[38], maar ik

voelde dat het mij slecht afging, en telkens antwoordde de sultan met

een glimlach, die mij totnutoe een raadsel is gebleven. Was het

genoegdoening en trots over al zijn moois? Of was het fijn gesavoureerde

minachting voor den smaak van den dommen Westerling? Alle Oosterlingen

hebben zoo’n glimlach, die voor de oningewijde Europeanen een

ondoordringbaar mysterie blijft.

[38] Mooi! héél mooi!

In een receptie-zaal prijkten twee groote portretten in lijst van de

Koningin en Prins Hendrik, met eigenhandig-geschreven opdracht, die de

sultan ons, alweer vreemd glimlachend, toonde.

Later vertelde de nonna van de "honneurs” mij er de geschiedenis van. De

sultan had als huwelijks-geschenk een prachtig cadeau aan Hare Majesteit

gezonden, een te Penjingat geheel van inlandsch werk vervaardigd

rozenstruikje, de stam van goud, de blâren van zilver, vol edelsteenen

schitterend daartusschen, een vorstelijk geschenk, dat duizenden en

duizenden had gekost.--In plaats van de verwachte en gehoopte

Bintang[39] kwamen deze portretten als tegen-geschenk, die meer een

cadeau leken voor een stationschef of trouwen kamerdienaar, dan voor een

oosterschen sultan.

[39] Ridderorde.

Ik voelde mij benauwd worden in al dien parvenu-rijkdom van

wanstaltigheden. Ik zag nu, tot overmaat van ramp, óók nog veel vergulde

spiegels aan de muren, met dikke lustres voor kaarsen. De recipieerende

indische dame vertelde mij, hoe de sultan geregeld bezocht werd door

agenten van groote firma’s in Singapore, die hem overhaalden weêr nieuwe

meubels te koopen, waarmede het paleis dan werd opgevuld, dat op een

groot meubelmagazijn begint te lijken. Zijne Hoogheid kocht maar aldoor

op nieuw, als een groot kind, dat alles hebben wil wat het maar ziet.

Hij heeft automobielen zonder wegen om op te rijden, tientallen fietsen

die staan te roesten, enorme speeldoozen, waar het mechaniek van

stilstaat en die honderden hebben gekost. Hij heeft een half millioen

per jaar te verteren en steekt, naar men mij vertelde althans, zóó diep

in de schulden, dat in een Singapore-blad presenties op hem te koop

zijn geboden. Hij wordt bestolen in zijne huishouding op een

fabelachtige manier en laat zich dit doen met vorstelijke, oostersche

onverschilligheid, omdat het immers véél te veel "soesah” zijn zou, er

een eind aan te maken.

Van de groote wereld heeft hij niets gezien dan Singapore en Java,

hoewel zijn fortuin voldoende is om hem, evenals zijn neef den sultan

van Johore, Europa te doen bezoeken. Wat zou hij, met zijn westersche

neigingen en zijn penchant voor vrouwen, niet een Eldorado hebben

gevonden in Parijs! De wijze, waarop zulk een oostersche vorst reist,

doet aan de oostersche sprookjes denken.

Toen de sultan een bezoek had gebracht aan den Soesoehoenan van

Djocjacarta, liet deze hooghartige potentaat weten, dat hij wèl een

tegenbezoek wilde brengen, maar dat dit slecht gaan zou, omdat het

Hôtel, waar de Linga-vorst logeerde, niet prinselijk genoeg was

ingericht. De sultan van Linga liet toen voor dat ééne bezoek het deel

van ’t hôtel, waar de gasten zouden komen, op zijn kosten opnieuw

meubileeren. In de ontvangzaal kwamen nieuwe stoelen en sofa’s met gele

zijde,--de officieele galakleur,--en alles werd weelderig ingericht,

voor meer dan drie duizend gulden, enkel voor die ééne visite. Toen den

volgenden dag, na het bezoek, de sultan eenige beeldjes en andere

dingen wilde medenemen die hem waren opgevallen, bleek al het nieuws,

dat hij zelf betaald had, al door de hôtel-houdster geplunderd te zijn.

Een Oostersch vorst, die zijn waardigheid bewust is, maakt zich hier

niet zenuwachtig over, en met een "soedah!” zag de sultan er verder maar

van af.

Een vreemden indruk moet het gemaakt hebben aan het Djocjasche hof, waar

de Soesoehoenan en al de rijksgrooten in hun superbe inlandsche gewaden

waren gezeten, toen daar die hypermoderne, fin-de-siècle sultan van

Linga binnenkwam.... in een rok, met hoogen boord, en witte das!....

Ook de "bangsáwan” was een teleurstelling, zonder een schijn van mooi.

Het tooneel was buiten opgesteld en ik kwam, met den sultan, te zitten

onder een "atap” afdak. Het was niet beter, eerder slechter dan de

gewone "komedie Stamboel” die ik op Java had gezien, en een onbeduidend

stuk werd door slecht geoefende, zesderangs maleische acteurs en

actrices gespeeld. Het éénige waarlijk mooie van deze voorstelling,

buiten in het maanlicht, was het doodstille, eerbiedige publiek.

Honderden stille, zwaargesluierde vrouwen in ’t wit kwamen zwijgend, als

in droom aangeschreden, en hurkten neder, bleven roerloos als beelden.

Die vrouwen zaten heel vooraan, want de plaats der mannen was áchter,

en overal òm mij zag ik die witte gedaanten, zwijgend, plechtig, het

gelaat geheel bedekt. Alleen nu en dan, tersluiks, werd een tipje

weggeschoven van den sluier, en zag ik een paar schitterende, fonkelende

oogen, als van een loerende kat....

Als intermezzo in het komediestuk traden de ballet-danseressen op van

den sultan, alle favorieten, die hem gewoonlijk óók aan tafel bedienen.

De danseressen waren ongracieuze, ietwat logge wezens zonder distinctie,

de meeste nog eer kinderen dan vrouwen. Zij leken dom en onschadelijk,

van een bête, dierlijke sensualiteit, maar toch hebben onder die logge

favorieten dikwijls tragedies plaats. De sultan wees mij er eene, die

hij van kinds af aan had opgevoed en gekoesterd, en die hij een week te

voren juist nog bijtijds op de vingers had getikt toen zij, in zijn

eigen "steamlaunch” nog wel, er van door wilde gaan met haar amant en

met voor 20 mille aan juweelen, die zij van hem ter bewaking had! Zijne

Hoogheid praatte over die vrouwen en kinderen van het ballet, die hem

absoluut toebehooren, evenals slaven uit de oudheid, zooals een

westersch vorst over zijn paarden en honden zou spreken.

En het dansen zélf, hoe armzalig, hoe zielig deed het mij aan! Ik voelde

wèl wat die dans had moéten zijn, maar niet wás, een héél zacht

vooruit-zweven van het lichaam, licht voortglijdend op de beenen,

roerloos, statig, met alléén het héél voorzichtig even óp en weer neder

heffen der voeten, waaraan zilveren belletjes rinkelen, die den dans

rhythmisch begeleiden. Zóó schijnt dan dat lichaam, als zonder materie,

vooruit te stuwen op een zachten adem van ziel. In een goed-geoefend,

echt maleisch ballet, als dat in Johore bijvoorbeeld, zal dit

wonder-teêre ook wel te zien zijn. Maar hier was alleen de bedoeling te

zien, en de sultan scheen niet te voelen, welk een indruk het

kunstlooze, leêge gedans op mij moest maken.

Midden onder het ballet werden door de lakeien schotels rondgediend, die

ik wel in een europeesch restaurant, maar niet in een oostersch paleis

had verwacht. De bouillon was uitstekend, de kippen-côteletjes met

doperwtjes ook, en de Rijnwijn die er bij werd geschonken, was

voortreffelijk. Maar hoe vreemd dit leek alles, met al die zwijgend

neergehurkte, gesluierde witte vrouwen in het rond, in dat orientale

décor!

En diep voelde ik de décadence van zoo’n oer-oud, vorstelijk geslacht

als dat van Linga, ééns machtig-heerschend tot zelfs in Celebes toe, en

langzamerhand ontaard onder den druk van den bleeken Westerling, tot de

alleruiterste degeneratie toe, zoodat zijn laatste afstammeling zich

opdirkt met europeesche jasjes en boordjes, en zich omgeeft met de

wanstaltige producten der europeesche galanterie-industrie. O! Dat zoo’n

indisch potentaat het niet voelt, hoe diep hij zinkt, als hij de kunst

van zijn voorvaderen verlaat, en daarmede de ontzaglijke superioriteit,

die hij er altijd door behoudt boven de burgerlijke westerlingen, die

als caricaturen zijn in een omgeving van oostersche pracht! En welk een

vernedering als zoo’n inlandsche prins, wiens afkomst voor het volk iets

goddelijks heeft, zooals ik wel eens heb zien gebeuren, een controleur

of resident neigend moet ontvangen, aan wiens arm een gewone inlandsche

vrouw uit de kampong hangt, met wie hij gehuwd is!

Toen het ballet uit was, zag ik den sultan vragend aan. Maar zijn

vreemde, raadselachtige glimlach lachte mij weer tegen, waarachter hij

zijn ziel ondoorgrondelijk verborg, als achter een lichtend waas.

Wijsheid en schoonheid uit Indië · 第 6 / 8 段