liggen slanke lichamen te slapen, in sluimer gewiegd door de
zacht-bedwelmende muziek van gongs en tokkelende luiten. Één jonge
moeder zag ik liggen met het hoofd op een bordes, gehuld in tintelend
groen, een knaapje in gloeiend wijnrood tegen de borst. Een arm lag
onder het donkere, zachte vrouwen-gezicht, met een gebaar als van een
bloemenstengel gebogen.
Ik voel mij vreemd, zoo onder al die superbe oostersche gewade-kleuren,
in mijn zwarten, Europeeschen rok, ik weet mij leelijk in dat midden van
prachtige natuurmenschen, die bewegen als bloemen, maar mijn ziel is
toch zéér verheugd, dat zij de ziel dier menschen en dingen heeft
gevoeld, en zich niet vreemd hieronder weet, als mijn bleeke lichaam
onder die bronzen. En ik voel tegelijk dat dit rustige Preanger-volk mij
zéér lief is, voor altijd, en Indië mij eindelijk intiem en verwant is
geworden.
Zóó, tot laat in den avond-nacht loop ik droomend door de straten, en
over de wijde aloen-aloen, stil genietende van die superbe kleuren, die
langzaam langs mij heen en weder gaan, bewegende als de rhythmen van
melodieuze muziek, en overal gaan die menschen, kalm en zacht, als
woonde wondere wijsheid in hun zielen, die hen tot dat harmonieus
bewegen stuwt.
Mijn blanke rasgenooten, zij drinken nu whiskey-soda en champagne in de
kaboepáten van den regent, er zijn er onder die rood zien, en dronken
schreeuwen schor geluid. Grof zijn hun gebaren, en er is een wilde gloed
op hun gezicht. Ik heb zoo even grove taal gehoord, en heb schaamte
gevoeld, een blanke te zijn als zij.
Maar het zachte volk van de Preanger viert feest in wijze, voorname
kalmte, en als een volk van kleurige bloemen is hun langzaam-wuivende
beweeg....
_Soekaboemi, Augustus 1904._
[Illustratie]
WARINGIN.
Als een heel groot ding in mijn leven, innig als een vriend of een
heilig boek of een berg, staat de statige waringin op het voor-erf van
mijn huis in Indië. Hoe zoo’n boom machtig in je wezen kan komen te
staan! Hij praalt daar in zijn pracht als een cathedraal, en in de
breede spreiding van zijn takken gebaart hij heilige devotie en liefde.
Hij geeft zijn zachte schaduw als een groote wijsgeer zijn zachte
wijsheid, en leeft zoo stil en zonder beweeg een eigen, mystiek leven.
Zijn neerhangende wortels zijn als de majestueuze baard van een grijzen
patriarch, en in het donker van zijn dichte bladerkroon broeit een
geheim als in het hoofd van een ouden wijze. Het lijkt zoo maar een
boom, een groote reuzen-boom, met een perk in zijn schaduw, waar een
paar herten loopen, maar het is een wondere creatie, waar geen
menschen-ziel het innigste wezen van vermoedt. Welk machtig wezen leeft
daar in de stilte van zijn bladeren-woud, wát is de transcendente
heiligheid, die mij ontzet en vol van vreemden eerbied doet staren naar
de majesteit van zijn statuur? Het moet hetzelfde zijn, wat mij zoo
plechtig beven deed bij den aanblik van den somberen Bromo en den
machtig rijzenden Gedeh, wat mijn ziel deed luisteren naar het ademend
deinen van de zee, en wat zij hoorde in de stilte van zacht in ’t
maanlicht wachtende palmen, het moet hetzelfde zijn wat leeft in mijne
ziel en wat van ééne essence is met dat alles.
O! Die wondere waringin in den nacht, als ik laat thuis kwam, en vóór
mijn kamer zittend, nog even staren bleef naar zijn donkere macht! Mijn
ziel was stil en die heilige boom stond zoo roerloos mij aan te zien, en
tóch praatten zij samen zacht, en waren in gemeenschap van pracht.
En o! ’s ochtends, heel vroeg, als ik op was gestaan in ’t eerste
schemeren van den dag, voelend de zon, die al geheimde door de lucht!
Langzaam, langzaam begon dan het eerste zonnelicht te goudelen door de
donkere kroon van blâren. Gouden flitsen schoten dan door de takken, als
pijlen van vuur. Ergens hing al een tros groen af, gedoopt in goud, al
gouder en gouder, tot hij druipend was van goud licht. En uit ’t dichte
binnenste, waar bladeren en takken het innigste zijn, begon een zacht
kleurengegloei, als een orgel van licht, dat heel zacht aanvangt te
spelen, schoon als de gedempte gloed in een oude, gothieke
kathedraal....
Dan was mijn ziel zéér verheugd, en onuitsprekelijk lief had ik het
schoone Oosten.
En zóó als het heerlijk is, ergens vèr een goeden, wijzen vriend te
weten, van wien het innigste verwant is aan het beste in mijn ziel, zóó
is het een zéér gewichtig ding voor mij te weten, dat vèr, over wijde
oceanen, die wijze waringin leeft, die zoo ontzaglijk sterk is van trots
en kracht, en zoo’n zachte-machtige is van schaduw.
De dingen zijn ook ganschelijk niet enkel boomen en bergen en bloemen,
zooals de menschen ze wel zien, want de ziel dier dingen is van een zéér
subtiel en wonder wezen, en verwant aan ’t allerinnigste in ons als een
goede broeder, een zachte vriend.
O! Wijze, wondere waringin van het Oosten, ik heb de taal van uw
machtige pracht verstaan, en in het zachte gebaar van de uit uw sterkte
neêr-schaduwende takken heb ik het gebaar gevoeld van Één, die leeft in
bergen en boomen, en in bloemen en in deinende zee....
_Walden, Mei 1905._
[Illustratie]
BIDDENDE HADJI.
Op het paviljoen van de lange pier in zee zat ik heimwee-droomerig voor
mij uit te staren over het water. Dit is de gewone avond-wandeling van
het Riouwsche publiek, de pier op, om wat lucht te krijgen van de zee,
en dàn weer terug, de chineesche passar over, en naar huis, altijd in
een kringetje rond, als op een ballingsoord. Dáár, op de pier zie je
wijd uit over de zee, met eilandjes als boeketten in het water, en
onbewust is ’t het verlangen naar dat ruime, verre, dat de menschen
drijft naar dat paviljoen in ’t water. Het is of je dan je ziel wat
voelt uitdeinen over dat verre en opene heen. Hier en daar glijdt een
wit zeiltje over het water, heel zacht, heel langzaam, deint wat,
wiegelt wat, kalm in den avond-vrede, die valt over de dingen. De zon
zinkt weg in ’t Westen, en rustig goud drijft daar over de zee.
Hoe klein en nietig dat stadje Riouw daar achter je, met de witte
residents-woning, waar hooge tjemara’s zachtjes voor staan te wuiven,
en hoe wijd en ver dat eindelooze van lucht en horizonnen en zee....
Daar zit je stil over de leuning van de pier-balustrade te droomen, en
voelt het zoete heimwee in je opkomen naar Holland, naar heiden en
weiden en duinen, en staart naar de langzaam voortglijdende witte
zeiltjes van visschersscheepjes en naar de sampans met inlanders, die
van ’t Lingasche Penjingat komen, de roeier een prachtige figuur
ópstaand uit de boot, bewegend de riemen met gelijkmatigen slag,
rhythmisch, met klagelijk piepend geluid in de lucht. Zacht glijdt het
vlakke zeeëwater onder je door, zacht drijven wat wolken aan den hemel,
en ’t is of er langzaam iets uit je gaat zweven, in ’t wijde, ruime,
opene van horizonnen en verschieten. En dit is het echte, oostersche
genot, je oogen nu dicht te doen en je zacht te voelen zweven, langzaam
te voelen weg-wemelen in ’t wijde, zonder bewustzijn, in een droomerig
vergaan met de dingen òm je, die weg-wemeren tot niets.
Toen hoorde ik een zachten stap naast mij, en ik zag een ouden, grijzen
hadji naderen, in paars zijden kaftan, een gelen hoofddoek om het hoofd.
Hij droeg een mantel over den arm, dien hij zachtjes uitspreidde op den
grond. Hij stond éven stil en staarde over de zee, naar de ondergaande
zon, die goud reflecteerde op zijn donkerbrons gezicht. Toen viel hij op
de knieën op den uitgespreiden mantel, bracht de handen éven devoot
voor het voorhoofd, en begon zacht te bidden tegen het rossig-gloeiende
Westen, alsof hij daar iets zéér eerbiedwaardigs had gezien.
Dit gebeurde vlak bij mij, maar de hadji scheen mij niet te zien, zoo
ganschelijk geabsorbeerd als hij was in zijn vroom gebed. Zijn bidden
was eerst een zacht geklaag, maar werd al luider en luider, steeg op tot
een melancholiek gezang, al sneller en sneller, en een vreemde gloed
blonk over zijn donker gezicht. Nú boog hij het hoofd diep voorover, tot
laag op den grond en lag daar geprosterneerd voor de eindelooze zee, een
kleine, devote figuur, prachtig van paarse kleur, tot hij langzaam weer
oprees, de handen eerbiedig voor het voorhoofd geheven.
Een sampan ging vlak onder hem voorbij. De gele chineesche roeier er in
deed de wrikriemen piepen, spotte wat hardop tegen den vreemden
mohamedaanschen barbaar, die zoo raar deed tegen de ondergaande zon. Er
kwamen nu ook een paar europeesche soldaten aanwandelen, hard lachende,
met zware stappen van logge schoenen, gingen luidruchtig zitten op de
bank.
"Nu zal de hadji bang zijn voor een gek figuur,” dacht ik, "nu zal hij
opstaan, en ergens ver, in een veilig hoekje van het eiland, voortzetten
zijn heilig avond-gebed.”
Maar de prachtige paarse figuur bleef even devotelijk gebogen, en zóó
ganschelijk was die biddende oosterling verdiept in zijn innerlijke
contemplatie, dat hij van alles om zich heen niets had gezien. De blik
van zijn gloedvolle oogen scheen onverstoorbaar naar binnen gekeerd, en
in de sfeer, waarin hij uitzegde zijn gebed, kon geen enkel geluid
doordringen van buiten.
Klagelijk, melancholiek klonk zijn neuriënd gezang, met een oneindig,
heimweeënd verlangen. Zóó, diep deemoedig, lag hij in zijn superbe kleur
op den grond, en neeg somtijds met het hoofd laag bonzend tegen den
vloer van het paviljoen. De zon was nu bijna geheel in de zee gezonken,
en het was als een laatste onherroepelijk afscheid van het licht, waar
de ziel van den biddenden hadji om weende.
De ruwe soldaten lachten grof, trappelden met hun zware schoenen op den
grond, om den biddende af te leiden van zijn gebed. Maar de hadji hoorde
het niet. Hartstochtelijker klonk zijn gezang, met een smeekend
"Allah”-geroep er tusschen, als een kind, dat schreit om zijn vader, en
veelvuldiger prosterneerde hij zich diep tegen den grond, met de gebogen
lijn van zijn rug als een ander, zwijgend gebed. Zóó lag hij daar, niet
als een lichaam meer, als een ziel, die devotelijk neigt naar het groote
Licht....
Toen ben ik heengegaan, eerbiedig bevangen, en voelende het groot
mysterie van het Oosten, dat in die donkere, bruine menschen leeft, die
onderworpen zijn aan ons geweldig gezag van wapenen, maar aan wier
innerlijke ziel wij tóch nooit hebben geraakt. Ze gaan ons voorbij, ons
bleeke, nuchtere westerlingen, zij neigen, en maken "sembah” voor de
gouden pet en de pajong van staatsie, maar het vuur, dat in hun zielen
brandt, is een heilig vuur, waar zij ons geen vonk van geven, en dat
nooit wordt uitgebluscht. Het blinkt in de gloedvolle oogen van den
biddenden hadji, in het gelaat van den simpelen koelie, als hij even van
den arbeid rust, en ik weet het achter den schijnbaar onderdanigen blik
van mijn baboe, die in slaap zingt mijn kind. Mijn heel eenvoudige,
gewillige bedienden, zij bewaren het diep in zich, het heilige vuur, en
hun ziel is verder van de mijne dan de aarde van de zon.
En menigmaal zie ik hem nog voor mij, den biddenden, paarsen hadji, zoo
soeverein onverschillig voor wat hij de barbaren dacht om zich heen,
aandachtig geknield voor het rossige Westen, waar de zon verdween,
zingend zijn klagelijk bidgezang van heimwee en Godsverlangen, zonder
vreeze voor het lachen en hoonen om hem heen.
Hoe ontzaglijk sterk moet het sentiment zijn in de ziel van zoo’n
oosterschen, geloovigen mensch, dat hij de wereld om zich vergeet, en
zijn innigste gedachten geconcentreerd houdt op één goddelijk doel van
devotie!
De wijde, wijde zee, de rossige hemel in ’t Westen, de superbe paarse
geloovige, in diepen deemoed geknield, voor altijd is het bewaard in
mijn ziel, dit ontzaglijke beeld uit het Oosten, dat geen tijd ooit
vervaagt, daar het is afgedrukt in de sfeer van het tijdelooze....
[Illustratie]
KOELIES.
Als beesten hebben ze gezwoegd en gesjouwd, hun bruin-gele lichamen
druipend van zweet, kreunend onder zware kisten en pakken, de arme
koelie-beesten, met wangkangs[26] uit China aangevoerd als ladingen vee,
in Tandjong Pinang op een menschen-markt verkocht[27] aan wien het
meeste bood, als ossen of schapen. Het zijn maar koelies, ’t zijn maar
vuile, bruine werkdieren, waar makelaars in Singapore in handelen,
koelies die opgesloten worden in Singapore in "koelie-depôts”, zooals er
rijst-depôts zijn en depôts van paarden, het zijn maar koelies, die ge
trapt en slaat, als ze te lui zijn, beesten, die ge enkel te eten geeft,
omdat ze anders niet meer werken. Den ganschen dag door hebben ze
gekruid en gegraven en geroeid en gedragen tot hun knoken kraakten, het
glimmende lijf in de zon, dat hun huiden brandden. Zóó zwoegen ze en
zeulen ze de dagen door, en lijken niet te leven ’t leven van menschen,
schijnen dieren enkel, die hun werk doen, zonder denken, zonder ziel....
[26] Chineesche zeilschepen.
[27] In Riouw heb ik met eigen oogen gezien hoe koelies, uit China
weg geronseld, openbaar voor 20 tot 36 dollars aan den
meestbiedende werden verkocht onder toezicht van den
kapitein-chinees.
Maar tóch leven die donkere beest-menschen een eigen leven, een leven
van droom en heerlijkheid, dat zelden een blanda[28] vermoedt. Ziet ze
liggen, ellendig, als versuft in doffen roes, op de houten banken van de
opiumkit, het hoofd hard op een houten blok, het lichaam uitgestrekt op
houten planken! Ze lijken nu als dood, als wèggeteerde dieren in misère,
en wat daar van hun lichaam over is schijnt nu een miserabel hoopje
vleesch maar, afschuwelijk om te zien....
[28] Hollander.
Maar weet ge, dat hun ziel nu zweeft in wondere, heerlijke sferen, dat
zij wèg zijn, vèr boven de ellende van hun jammerlijke aardsche leven,
dat hun lichaam achterbleef in vuil en jammer, maar hun geest nu vrij
is, en in schoone droomen woont?
Wie weet welke zaligheden zij aanschouwen, die ons oog niet ziet, wie
weet de glorierijke schoonheid waar hun ziel in zweeft, wie weet de
wondere horizonnen en vage verten, waar hun geest in weggezworven is,
van dat ellendig lichaam weg, dat daar in doffen sluimer ligt, en achter
is gebleven? Die koelie leeft een dubbel leven, waar wij enkel één van
weten, het leven van een moeizaam zwoegend beest, maar op de wolken van
de geurige opium stijgt de ziel in dat laag verdierlijkt lichaam op tot
lichter, teêrder sferen, die wij blanda’s niet vermoeden, en wie weet in
welke weelderige prachten de geest niet straalt, in welke zoete
zaligheden de ziel van dat koelie-beest niet zweeft, waar zijn miserabel
lichaam als een lijk daar achterblijft, op de vuile planken van een kit?
Maar ook ánders nog zien die donkere werkbeesten in schoone droomen,
waar een nuchtere westerling niets van vermoedt.
Kom ’s avonds, op de markt in Tandjong Pinang, waar de dobbel-matjes
liggen op den grond, en het chineesche theater speelt. ’t Is een
armzalige houten stellage, en ’t tooneel is zonder décor. Maar keizers
en helden en toovenaars bewegen daar in superbe, van goud schitterende
gewaden, maar feeën en prinsessen zweven daar over dat zoo poovere
tooneel, als bloemen zoo broos en teer. De chineesche wájang staat daar
als een licht paleis van rood en goud en zilver te vlammeren, te
laaieren in den nacht, al is ’t maar van ruwe planken, al staat het zóó
maar open in de lucht, voor iedereen te zien. En honderden naakte, of in
vuile lompen gehulde koelies staan er doodstil naar te kijken, met open
monden, en door de schittering van al dat goud, door het subliem
bewegen van die gracieus gebarende tooneelfiguren, breekt de
werkelijkheid om hen heen, en zien hun oogen in een droom. Het lijkt zoo
maar een vuile passar-markt, waar warongs staan met stinkende visschen
en vruchten, het schijnt zoo maar een poover, hout tooneel, overal staan
vieze, zweeterige koelie-lijven, en de lucht riekt kwalijk om hen heen,
maar boven ál die misère uit licht de schoone droom, waar hun bevrijde
geesten in zweven, de almachtige oostersche fantazie omtoovert alles in
een hooger, lichter sfeer, en de zielen van die arme koelie-dieren zien
in pralende apothéozen van pracht, waarin de gouden helden van ’t
chineesche tooneel stralend schrijden, waarin hun toelachen de
droome-zachte bloeme-gezichten der feeën en princessen, waarin alles
glorie is en grootheid en gouden glans. De nuchtere blanda, hij ziet
niet verder dan de werkelijkheid van vuil en poover décoratief en houten
stellages, de gloeiende oosterling, al is ’t de gewoonste koelie maar,
hij droomt zich door den waan van ’t reëele heen, en zweeft in pracht
van teêrder, ijler sferen, waar zijn lichaam vèr van achter blijft, als
van een, die schoone droomen ziet in slaap. Zóó heb ik die arme duivels
menigmaal zien staan, met hun bezweete lijven, voor ’t armzalige
chineesche tooneel van planken en stellage. Maar hun geest wist ik vèr
weg gezworven, zwevende in pracht van droomen, waar ’t gebaren der
acteurs in hun superbe gouden gewaden hen wenkend heen wees....
Maar ’t kan nóg simpeler, in nóg grooter eenvoud van décor. ’s Avonds,
in een hoek van een straat, op een rieten stoeltje, met een walmend
lichtje naast zich, zit de chineesche verteller "kóng kó”, gebogen over
een boek, waaruit hij oude legenden en verhalen vertelt. Om hem heen
staan.... geen kinderen.... maar groote menschen, koelies en andere
chineezen, die in spanning naar hem luisteren, met de grootste aandacht.
Het is maar een heel gewone, sjofele chinees, die verteller, maar een
acteur van den allereersten rang. Die man vertelt niet alleen met zijn
mond, maar met zijn oogen, met zijn geheele gezicht, met zijn lijf, met
zijn handen. Hij heeft gebaren, waar hij de fijnste ziele-dingen mee
zegt, zijn oogen schitteren met al den hartstocht van de personnages uit
zijn verhalen, en met één lichte, bijna onmerkbare beweging van zijn
wijsvinger geeft hij een onverwachte wending aan van zijn sprookje. Die
simpele, eenvoudige verteller heeft de genade van ’t koninklijk gebaar,
die de grootste europeesche acteur hem zou benijden. Wat daar in dien
donkeren straathoek gebeurt is zuivere, ware kunst, die, als zoovéél wat
groot is in ’t Oosten, tot de heel natuurlijke dingen van ’t leven
behoort. En iedere oosterling heeft eigenlijk die gave van ’t gebaar,
die een zwijgende taal is van de ziel....
En òm dien pooveren spreker, wiens gebaren in de droome-sferen wijzen
boven ’t reëele, staan de afgebeulde, ellendige koelie-beesten héél stil
en aandachtig, in groote spanning van hun onbewuste ziel, en hun
oostersche verbeelding voert hen hoog naar verre droome-landen, waar ze
alles in lichte werkelijkheid gebeuren zien, wat de fijn-gebarende
verteller hun verhaalt. Ze zien de helden en de koningen uit de
chineesche middeneeuw-verhalen, de "Tsing See” en de "Saam Kok Tsi”, zij
zien ze in hun gouden en zilveren gewaden, de lange helm-veeren
wijd-trillend boven hun hoofd, de fonkelende zwaarden doorflikkeren de
lucht, de lange lansen lijnen, de draken en feniksen vliegen op gulden
wieken door de lucht, en op een blanke, sneeuwen wolk, wuifwaaiend met
’t witte droom-gewaad, komt reddend aangedreven de zachte genade-godin,
Kwan-Yin....
In de donkere straat staan schamele koelies om een sjofelen verteller,
vuil en ellendig....
Maar bóven die werkelijkheid van misère zien hun verbeeldingsvolle oogen
in de glorie van een droom....
[Illustratie]
ARDJOENÅ.
Met een kennis, een journalist uit Parijs, die een studiereis maakte
door Java, rijd ik in een zwiepende "sado” van Soekaboemi uit den
grooten postweg naar Tjiandjoer op, in den vroegen morgen. Hij is een
gevaarlijk anarchist geweest, die vervolgd en gejaagd is als een hond,
hij haat de europeesche beschaving met een woesten, doodelijken haat,
maar op het simpele, gracieuze Preanger volk is hij gecharmeerd, en hij
spreekt er vroolijk uitbundig over, als een kind. Hij kan uren zitten
praten met oude inlanders, of spelen met kinderen, die hij lokt met
lachjes en lekkernijen. Telkens is hij opnieuw weer verrast door de
superbe kleuren van sarongs en baadjes, en uit zijn vreugde met
schittering van oogen en levendig gebaar.
"Kijk die lui daar nu eens aankomen!” zegt hij, en dan komen een paar
inlanders aanstappen, die naar de passar gaan, vrouwen in prachtige
gele, groene sarongs, mannen met bronzen goden-koppen onder bloedrooden
hoofddoek, naakte koelies met een golf blinkend goud van gesneden padi
op den rug, allen gaande met dien veerenden gang, op dat luchtige
rhythmusje, waar je een zachte muziek door hoort in je ziel.
"Wat een pracht-volk!” roept mijn enthoesiaste kameraad, "kijk ze nu
eens loopen, wat een gratie, hè? en wat een superbe kleuren! Denk nu
eens om al die kerels en juffrouwen bij ons in Europa, die verwaten
snuiten van kantoorpoenen en allerlei sjappen! En wat hebben die bronzen
lui hier een prettige gezichten, wat is dat alles natuur van hen! Wat
gaan ze daar mooi onder die hooge spatodea-boomen en kijk eens al die
vuurroode bloemen daar overal in dat groen! En wat een landschap, hè?
Die sawahs daar, en kijk, daar links in de verte, de Gedeh! Wat
heerlijk, die witte wolken, die daar zoo heel statig en langzaam om zijn
blauwe toppen drijven! Telkens rijst hij er weer even machtig boven uit!
Altijd verandert het om hem, allerlei mooie, prachtige dingen gaan aan
hem voorbij en bedekken hem ook wel eens, maar telkens rijst hij er weer
ongeroerd, onaangetast boven uit! Wat een land, hè, wat een land! Kerel,
kon ik hier maar mijn hééle leven blijven!”
Ik antwoordde hem niet, want ik wil het eigenlijk voor mijzelf nog niet
weten, hoe lief ik Indië begin te krijgen, nu ik in de Preanger woon,
hoe ’n machtig, nooit-meer-te-verliezen ding van schoonheid die
grandioze Gedeh nu weer in mijn leven is geworden, hoe kleurig-diep de
roode bloemen in de spatodea-boomen mij hebben aangedaan, en hoe de
gratie en het bevallige beweeg der simpele Soendaneezen mijn ziel met
zachte muziek vervullen. Ik voel dat Indië nu eindelijk intiem voor mij
geworden is, dat mijn ziel zich thuisvoelt onder al die tintelende
kleuren, bij al dat gratievolle gebaren, en dat het een zoete wonne is,
hier in die pracht te leven. De koele bergwind gaat frisch langs mijn
hoofd, zacht buigen de rijst-halmen op de sawahs langs den weg, en
zeggen iets heel innigs en liefelijks.
"Tabeh! tabeh![29] roept mijn enthoesiaste reisgenoot tegen ieder die
voorbijkomt, en vriendelijk groeten die menschen terug, passeeren ietwat
gebogen, gracelijk, maar niet slaafs, uit eerbied voor den toewan
blanda, die voorbijgaat. Dit is geen serviel gebuig van den loonknecht
voor rijken heer, dit is een voornaam-bevallig gebaar van oerouden,
heiligen hormat. Het wrakke sadótje, waar we in zitten, kraakt en
waggelt op de veeren, en telkens bonzen we onzacht tegen elkaar aan,
maar ’t kleine paardje draaft lustig voort, en vroolijk sjokken wij daar
in dien koelen, indischen morgen, blij met al die kleuren, die ons
voorbijgaan, en die we in de verte zien naderen, telkens weer een andere
schoonheids-pracht, die naar ons toekomt in de natuur. Achter de
golvende sawahs staat de Gedeh hoog en ontzaglijk over het landschap
heen en laat de witte wolkenstoeten gelaten onder zich voorbijdrijven.
Zacht neuriënd zit de bruine sadó-koetsier voor ons, en weet het zelf
niet wat hij zingt....
[29] Goeden dag.
Zóó hotsen wij een uur lang den breeden postweg naar Tjandjoer door, tot
we bij een kampong komen, waar de dessa Ngadiredjo ligt. Hier staan een
paar bamboe-warongs, waar een oude, rimpelige "nènèh” koffie schenkt en
"ajer-djeroek”, en waar op een schamel bankje wat inlanders gehurkt
zitten, genoegelijk en gezellig, in de knusse buiten-intimiteit van het
Oosten.
Wij stappen uit het wagentje, en spreken ’t gezelschap aan, om naar den
weg te vragen. Wij zoeken Oessin, den ouden marskramer, die
wandelstokken vent, en wájang-poppen en krissen. Een naakt, glimmend
godenkindje, prachtig slank van leden, springt van de bank, zijn bronzen
snoetje lachend onder den vuurrooden hoofddoek. Hij is slank als een
jonge palm, zijn lokken zijn zwart als de nacht, en zijn sprong is als
die van een zachten panter. Wah! Oessin! die woont in de kampong, ginds,
tusschen de palmen, hij zal ons wel wijzen, als wij maar mee willen
gaan. En wij loopen links, ter zijde van den weg, het palmbosch in, over
dorre bladen, over bamboe-bruggetjes, waaronder water zacht-pratend
voort haast. De breede palmbladen hangen boven onze hoofden als waaiers.