waast hier en daar over den grond, en schijnt zachtjes te bewegen. Dán,
ineens, zóó als ook een ziel uit den slaap wel bewust wordt en zweeft
tusschen waken en droomen, begint een weifelend vervagen van schemerend
duister tot licht. Het eerst begint de diepe, donkere lucht al lichter
te blauwen, en ook de toppen van hooge damar-boomen worden licht. Een
streep lichtblauw hier en daar, hoog, en nóg een, en nóg een.... Hier en
daar ook een boom al wakker, een palm, een spatodea, en andere beginnen
weifelend te ontwaken. De groote verreining van den morgen gaat
gebeuren. Beneden, in dalen, beginnen sluieren te drijven, witte
mistwolken, voortschuivend tegen wanden, al hooger rijzend en wuivend in
wind. De vormen van heuvels en bergen beginnen uit te komen. In ’t
Oosten drijven nevelwolken tegen langzaam goudelende lucht, als zwarte
kanten waduwen zoo fijn. En dan, opeens, is het wonder gebeurd. In een
open lichtblauwe sfeer verrijst de grandioze Gedeh, zijn omtrekken
bevende van gevoeligheid in de lucht, en staat hoog over het gansche
landschap van bergen en sawahs en ravijnen, ontzaglijk en zacht.
Links in de verte wijken weg de golvende heuvelen van de
Djampang-bergen....
De trein rijdt nu langs glinsterende, groene rijstvelden, met wuivende
halmen, breede terrassen boven elkaar, en als zachte muziek klinkt door
mijn open portierraam van ’t afklaterend water, dat rusteloos valt. Dán
weer een kampong met hooge klapper-palmen en pisangs, dán een rij
statige damar-boomen, als reuzen-cypressen, langs heuvelrand. In ’t
oosten wordt de hemel goud en een gloed begint bevend te branden in de
lucht. Hier en daar, langs hoogten, over boschjes en struiken, vluchten
nog nevelen weg, verpoeiërend in ’t licht, blijven nog even hangen om
boomen.
De trein heeft al opgehouden aan kleine stations, Tjisaät en
Karangtengah. Inlanders staan er te wachten, met manden vol vruchten en
groenten. Zij loopen zacht, zonder gerucht, en om hun slanke lijven
hangen lappen en slendangs van lichte kleuren. Hun lichamen bewegen als
boomen en bloemen, ze zijn één met de natuur. Hun huid is donker en in
hun oog is gloed.
De golvende sawahs op klimmende terrassen nemen geen einde. De
padi-oogst wordt gesneden en rijk blinken de saamgebonden schoven gouden
rijst als schatten op het veld. In dat gele goud staan bruine, bronzen
vrouwen in rood, fel van kleur. Zij zien soms, met een hand voor oogen,
naar den trein, en staan daar roerloos, als donkere, oostersche beelden.
Nu staat de lucht ruim en open boven den Gedeh, die ligt te blinken in
de zon, lichtblauw, met nog wat héél ijle, transparante wolkensluieren,
als gewaden, nu gaat hij zich ganschelijk geven en ziet mij aan in al
zijn zachte, trotsche pracht, die groote, roerlooze vriend van mijn
ziel....
Ik zie nu overal, in ’t verre, andere heuvelen en bergen rijzen, die ik
nooit kon aanzien van nabij, maar ik voel zéér innig het gebaar van
hunne lijven, hun zachte, gracelijke golvingen, en dit is mij genoeg,
voor héél mijn leven, zoo als dichters, van wien ik het innigste wel
weet, al mocht ik nooit hun aangezicht aanschouwen van nabij.
Nóg méér stations nu, met hun mooie, melodieuze namen, Tjibadak,
Parangkoeda, waar overal die donker-bronzen menschen staan te wachten,
de manden met roode vruchten en frissche, dauwbeparelde groente op ’t
hoofd. Er komen nu andere passagiers in mijn wagon, donkere indo’s, die
wel gaarne Europeanen willen zijn, maar zon-doorgloeid hun bruine huid,
en oostersche schittering in de zwarte oogen. Zij leven innerlijk op den
grens van ’t Oosten en ’t Westen, maar in hun ziel gloeit pracht van
oostersche zon en de heete hartstochten van Maleier en Javaan zijn
broeiend in hun warme bloed.
Zacht remmend daalt de trein nu naar de vlakte af, en met haar valt aan
alle zijden ’t bruisende, geel-schuimende water, dat van de bergen rolt,
klaterend en ruischend. Het raast door diepe ravijnen, het worstelt
sissend dóór langs klompen steen en rots, en vervult de lucht van een
wilde, rhythmische muziek.
Nu zie ik, uit het venster kijkend, ver aan westelijken horizon een
nieuw, ontzaglijk bergenwonder rijzen. Een chaos is het nog, een
stapeling van sneeuwen, blanke wolken, van zonlicht goudelend
doorstraald, waar groote vlekken blauw uit openkomen. Het lijken
wijd-verwoeste ruïnen van sneeuw-paleizen in de lucht, waar blauwe
torenen uit stijgen, en wallen van blauw marmer en turkooizen. De
sneeuwen nevelen wuiven af en aan, de blauwe muren komen open en
verdwijnen met die witte wuiving. Dit is de grandioze Goenoeng Salak,
die met zijn grooten broeder, den Gedeh, de machtige lucht-keizer is van
het landschap om Buitenzorg en Soekaboemi. Zij staan daar in
onwankelbare grootheid, als goden in de lucht, zoodat van vèrre uit de
Java-zeeën hun rijzenis is te zien, waar zij heerschend opstaan over het
lage land. Mijn ziel voelt een schok van vreugde, telkens als ik die
wondere bergengoden terugzie, de Sálak en de Gedeh, die mijn machtige,
grandioze vrienden zijn van Java....
Nu daalt de trein langs dijken, aan weerszijden ópgedamd. Een groote,
grijze karbouw loopt langzaam over een dijkrand, een kleine, naakte
jongen op den rug. Donker is die silhouet tegen de lichte lucht, en het
is als een oud bronzen beeld, dat ik uit China meebracht, zóó gevoelig
en fijn.
Nu weêr een ander station; ik kan den naam niet lezen. Een klein houten
gebouwtje, met een huis er naast, gewoon, als alle andere. Maar, wat
zie ik nu, daarnaast? Een kleine vijver, omringd van pisang-palmen. Die
palmen staan daar met hun breede waaierbladen als wachters om het water,
als bewaakten zij iets heiligs, van een tempel. En dáár, zie, op dat
vlakke, stille water, waar gouden zonnelicht op gloeit, die witte,
vlekkeloos blanke bloemen, die daar drijven, in roerelooze rust,
tusschen de groote, groene hartvormige bladen.... Dit zijn de lotussen,
de heilige lotussen van het Oosten, die daar bloeien in sneeuwen pracht.
Hoe kalm en kuisch ontplooien zij de blanke bladen, ziet haar gouden
harten houden zij open naar het licht, roerloos rustig drijven ze op ’t
stille water, en zoeken zóó in zacht vertrouwen de heiliging van de zon!
Die blanke lotusbloemen zijn in ’t donkere geworteld, maar ontstegen
liefelijk het diepe duister, zoekend de zon. Zóó rijst de stille ziel
uit donker, droevig leven, en boven ’t duister van materie ontplooit zij
zich kuischelijk tot het licht....
Ik zag die witte bloemen aan, en een wondere vreugde ging over mijn
ziel. Ik wist de trein niet meer, ik wist niet meer van reizen en van
ruimte en van tijden, ik zag alléén die blanke lotussen, zoo
rustig-drijvend op het vlakke, goudlicht-spiegelende water, de sneeuwen
bladen wijdgespreid in ganschelijk zich geven om het fonkelende, gouden
hart. De kalme palmen stonden roerloos om den heiligen vijver, als wijze
wachters, die bewaken den mystieken, goddelijken schat. En dit wondere
tafereel werd opeens van zulk een hevige intensiteit, dat ik mijn ziel
er van voelde trillen en beven, als wou zij breken door de werkelijkheid
heen, en ópgaan tot dit schoone beeld-symbool, dat scheen te stralen uit
een hooger sfeer.
En zóó heb ik dit meêgenomen, schijnbaar maar een voorbijgaand tafereel
uit een treinreis in den vroegen morgen door de Preanger, met
pisang-palmen om een vijvertje met lotussen, dat niets bizonders
lijkt.... maar door dit heel gewoon reëele brak het hoogere bestaande
dóór in ijl symbool, dat enkel ziel kan voelen en begrijpen, en zóó is
dit geworden een zéér zeldzaam, heilig ding voor héél mijn leven, een
wenk uit verre, reiner sferen, door ’t gewone van tijd en materie heen,
een goddelijk Teeken van schoonheid, dat mijn ziel verstond....
_Soekaboemi, September 1904._
[Illustratie]
EEN FEEST IN DE PREANGER.[25]
_Aan Otto Knaap._
_De "sembah”._
[25] Ter gelegenheid van ’t jubileum van den regent van Tjiandjoer
waarop hij de ster (bintang) van den Nederlandschen Leeuw kreeg.
Genadig is hij op een stoel gezeten, in ’t midden der pendoppo van de
kaboepaten, hij, de aartsvader, de regent, heilig door den ouden adel
van zijn geslacht, verheerlijkt door de blinkende "bintang” van de
geweldige Majesteit vèr over de zeeën, gehuldigd door de "toewans-besar”
van àlom op de bergen, die nu zijn afgedwaald, uit alle streken, mèt
zich dragende geschenken van zilver en goud, om hèm hoogelijk te eeren,
hèm, den Raden adipati, Ario Prawiro di Redja, den Vader van al dat volk
dat daar ademloos toeziet, samengestroomd in de breede allée van
koningspalmen vóór de kraton, in hun feestgewaden gehuld van zijden
weefselen, in rijke kleuren. Vóór hem, in eerbied gebogen, een schaar
van hooge hoofden, van patihs en wedono’s en assistent-wedono’s, zèlf
vèr verheven boven het volk, maar nú diep genegen, voelend over hun
gekromde ruggen de álmachtigheid van den regent, de geweldigheid van
zijn strengen goden-blik.
En na de strakke deftigheid van te voren, van het officieele vertoon der
Europeesche ambtenaren, stijf-gewichtig, zonder emotie, zonder gratie
van lijn en gebaren, breekt als een wonder door uit oude, oude tijden.
Ziet, hoe die machtige patriarch daar is gezeten, in een houding van
grootheid en genade! Zijn linkerhand laat hij geduldig neerhangen ten
kus voor zijne kinderen, en één voor één, kruipend over den grond, met
nobel gebaren van nederigheid en tóch omhoog golven van liefde, in
lenige lijning van gratie en geluk, naderen de huldigende hoofden,
brengen éven de lippen aan die hand, in reverentie als bezwijmend,
glijden dan geruischloos weg, na dat ééne machtige moment van
aanbidding.
Hoe zij daar hurken en glijden, die knielende wezens, als zonder
zwaarte, luchtig vooruitbewogen door den drang van hooge huldiging in
hun ziel! Het lijken geen stoffelijke menschen meer, het is een levende,
bewegende eerbied, die langzaam voortdroomt, het voorwerp van adoratie
tegemoet, in een gebed van neigende, golvende lijnen, als het bewegen
van heel zachte muziek uit een mis.
Hij, de patriarch, zit daar genadig als een god, in zijn eigen hoogheid
onbewogen, éven glimlachend maar tot de knielende schare, zooals een
vader lacht tot gehoorzame kinderen, die hem eerbied brengen en
groetenis.
En ik droomde van oude, oude tijden, en van patriarchen en kinderen en
kindskinderen, zooals in dat wondere Boek staat te lezen, dat de Bijbel
heet, en met weemoed herdacht ik de schoonheid van ééns, de goddelijke
gratie van lijn en gebaar, die nú voor ons, bleeke menschen uit het
Westen, voor goed te loore is....
_Tandakken._
Zacht-klingelend klepel-geklank, tinkelen en tokkelen van luiten,
droef-mineur, neuriën van vage rebab-viool, donker-donzen gonzingen van
gongen, zóó klonk de gamӗlan zingend en galmend voor de pendóppo van
de kaboepáten, met die melodieuze melancholie, die om ieder inlandsch
feest den weemoed weeft van droom en schijn, van vergetelheid en dood.
Het is of in die oude, oude hindoe-muziek iets van de eeuwige
vergankelijkheid weent der dingen....
Roerloos zit voor de gamӗlan het volk, dicht samengehurkt in de
pralende palmen-allée vóór de kaboepáten, waar feeërieke illuminatie
schijnt van duizenden flikkerende lichtjes. Het feesten van dit wondere
Soendaneesche volk gebeurt in rust en kalmte; zóó ging het straks rond
op de volle, groote Aloen-Aloen, waar het rond liep in tienduizenden,
voortwuivend eerder, zonder hardheid, zonder geweld, zóó zit het nú bij
dit plechtige tandak-feest, waarbij zij doodstil zijn neergedoken,
alsof een zachte droom hen allen hield bevangen. En het is als hurken
die donkere mannen en vrouwen, van groen en rood en geel en blauw
omhangen, daar onder een wondere, tooverachtige charme, over hen heen
gedroomd door de melancholie van het sombere gong-gonzen en het
zacht-donzen gekling-klang van de klokken-klepelende gamӗlan....
En in de pendoppo, waar europeanen in zwarte rokken en japonnen vreemd
doen in de oostersche kleurenpracht, zal het tandakken beginnen.
Het tandakken, de oostersche rythmen en lijnendans, waarin het lijf
beweegt als zonder zwaarte, materieloos voortglijdend als in een droom,
het lijn geworden lichaam, dat rilt en wuift, en weifelt en zweeft, de
eene mensch den anderen tegen, de ééne schoonheid de andere tegemoet,
wenkend en wijkend, vaag vliedend als op zachte vleugelen gedragen, nu
naderend en dra weer deizend, met gratie van golvend goden-gebaar en
rythme van wiegelende ziel! Lichte bevingen huiveren door de lijven,
rillen zich langzaam uit in spreiding van vingeren, om door de fijne
toppen te vergaan in de lucht, en lange, langzame, als magnetische
stroomen bevangen de zwevende beenen, vloeien zacht weder weg in spitse
punting van den weifelenden voet, òp, naar boven, en dán weêr
nederzwenkend, voorzichtig vooruit, en dan weêr achterwaarts wenkend.
Zóó staat het dansende menschenlichaam zacht te wiegen en te wuiven, als
een ranke bloem, die een windeke beweegt.
Het is of deze tandak-dans de zachte triomf is van den geest over het
lichaam van de stof, die zich oplost in lijn en gebaar, veraetheriseerd
in de donzen drooming van de wondere gamӗlan-geluiden. De luchtige
"selendang”, die tot dit dansen noodigt, lijkt óók al zoo’n materie-loos
ding, het is een stuk broze, teêre, wuivende kleur, die waaiende door de
lucht wenkt, met het fijne gebaar van vage, veeren varens, die ’t
luchtigste ademen rillend beroert....
Een weifelen, een wenken, een wijken, een wuiven, naderend en neigend,
en doemend óp en weder deizend, zóó is de dans der lenige, lijnende
lichamen, tot zij éindelijk, éindelijk zich vinden en knielend
samendroomen onder het dán úitbarstend, hóóg gejubel van tinkelende,
tokkelende luiten, en fijn-zingende viool en triomf van donker-bronzen
gong-gezang....
Dán, wrééd opeens, het schelle opgeschetter van westersche koper-muziek,
het gróf opgeschreeuw van harde stemmen, wekkend met pijnenden schrik
uit den zachten toover van wonderen wonne-droom.
De oostersche tandak-dans is geëindigd, het westersche bal-gespring
begint....
_Wájang._
Daar zitten ze weder, de zachte Soendaneezen, als kalme kinderen, die
komen luisteren naar een verhaal, leunende tegen elkander, of rustig
neergehurkt, sommigen met de beenen onder het lichaam gevouwen, als
boeddha-beelden. De illuminatie van gisteren is nu weg, en in de lange,
breede palmen-allée licht nu alleen de stille schijn van de maan. Nu
zijn de kleuren hunner zijden sarongs en baadjes ook mooier, als alle
dingen die inniger worden in den nacht. Hun veeltintige dracht ontroert
als een zachte muziek, met hier en daar plotseling één helleren,
felleren toon, als ergens over een rood gewaad hangt een hevig-gele
selèndang, of uit het donkere van zwart en dof bruin opeens een kindje
opstaat in vlammend rood gala-buis, gejubel van kleur opeens uit, zooals
een trompetstoot klinkt uit donker bassen-gebrom en gonzend gezang van
cellen. Zonder gerucht, ordelijk en gewillig, zitten die honderden daar
samen in de open lucht en wachten, wachten als kinderen wien iets
beloofd is, op het mooi dat komen gaat.
Want vóór hen staat de gamӗlan bereid, en vlak vóór de pendóppo zit de
"dálang” en de houten kist met poppen staat naast hem, waaruit hij
straks vertoonen zal. Eenvóudig is zijn tooneel, als het publiek. Een
lange, horizontale pisang-stam, waar hij de poppen op zal prikken,
anders niets. Er is geen scherm, er zijn geen coulissen, geen décors.
Want al het décor is in de fantazie van de toeschouwers, véél mooier dan
het ooit zou kunnen wezen in Bayreuth of Parijs. Een klein, op een
bamboe-waaier gelijkend, in den vorm van een boom uitgestoken stuk leder
stelt alleen een bosch voor.
Dit lijkt ál te primitief, haast kinderachtig! Maar stel u nog eens voor
uw eigen fantazie van vroeger, als kind, toen uw moeder u vertelde van
den wolf en Roodkapje in het bosch! Záágt gij toen niet het donker
avond-mysterie, geheimend tusschen de zware stammen, en hóórdet gij niet
het ruischen door sombere blader-kronen van den wind?
Met deze fantazie van kinderen droomt de simpele inlander zich het
décor, met zijne gloeiende, oostersche fantazie, die zélf wonderen
schept en géén aanvulling van buiten behoeft. Zij wachten, wachten in
spanning, de groote, donkere kinderen in blauw en geel en rood en
groen,--in héél veel groen vooral, de tintelende Preanger kleur,--want
straks zal het tooneel, zal het verhaal beginnen....
Tot--kling-klang!--klinkt óp het gamӗlan-gezang, en de dalang heft
omhoog de pop, de pop die dor en dood leek in de kist en nú eensklaps
óprijst in het avond-licht met haar fijn, gevoelig goden-gezicht. En het
is of een electrisch fluïde door het lichaam rilt van dat schijnbaar
levenlooze wicht, het richt zich óp met het gebaar van een god, lijnen
ombeven het liefelijk als een melodie, en werkelijk, als is ’t slechts
door een enkel touwtje bewogen, beweegt het, statig en voornaam als een
levende schoonheid, door de spanning gestuwd van een ziel....
Dit is het groote wonder van de wájang, dat het aan levenlooze, dorre
poppen de lijning en het gebaar geeft van een levenden mensch, van een
levenden God somtijds, door een schoone ziel bewogen.
Hoe wonder, het ijle, schaduwfijne profiel van Ardjoenå, zooals het te
beven schijnt van teêrheid in het avondlijke licht, hoe gevoelig het
óp-, het zachte neêr-gaan van zijn arm, het èven òmwenden van zijn
goddelijk hoofd, het bloeme-ranke lijnen-rhythme van zijn lichtbewegend
lijf! Ardjoenå! Heil den held, die allen overwint, den eeuwig jeugdigen
jongeling, voor wien alle maagden-zielen zich ontplooien, wien alle
zachte maagden-lichamen genegen zijn, als bloemen naar de goudene zon!
Zóó was het simpele, primitieve spel begonnen van den dalang met zijn
poppen, die hij allen, als electrisch, tot levende wezens maakt. En die
houten en bamboe dingen worden helden en maagden en goden, worden
geesten en duivelen en monsters, levend met de ontzettende realiteit van
groote tragiek en hooge komedie, die de indische volksziel voelt met de
fijne intuïtie van haar oostersche mystische fantazie, die zélf
mede-speelt en jubelt, en weent en juicht met de helden en
heldinnen, op-lijnend en gebarend onder de droome-muziek van het
gamӗlan-geklang.
Daar kwamen zij, Ardjoenå, de goddelijke, en Råmå, de verschrikkelijke,
en de narren en monsters, Petroek en Tjepot, en zooveel anderen, en
doodstil, in uiterste spanning van verwachting zat het kleurige
Soendaneesche volk van kinderen te luisteren en te aanschouwen, en zag
geen poppen, en geen pisang-stam en geen touwtjes, maar zag donkere
oer-wouden en verre vlakten en schuimende rivieren, waar goden schreden
met grandioos gebaar, en helden hieven hun gouden speren, en monsters
sperden óp de rookende reuzen-muilen, scherp-tandig, ziedend van
vuur....
Wat Europeanen, heeren en dames in de pendóppo, zij zaten te kijken, en
glimlachten genadig, en vonden het wel wat kinderachtig, die poppen, en
die touwtjes, en al dat gedoe. Want niet voor hen is het simpele,
primitieve gemoed van kinderen, en voor het glorieuze, gloeiende Oosten
alleen is het sprookje, en de vlammende verbeelding, en de extaze, die
wonderen schept uit Niets, en de droom, en nógeens de droom, en de
droom....
_Slapende jongen._
Moê van ’t feestrumoer, loom van donkeren gamӗlan-droom, ging ik ’s
nachts stil heen van de wuivende, weifelende wájang-figuren, en de
zacht-tandakkende ronggèng-lijven. Het was nu zeer donker, de lichtjes
der illuminatie waren uitgegaan, maar hier en daar gloeiden vuren, waar
omheen nog dans langzaam bewoog. De lichte kleuren der inlanders
broeiden nu in dat duister, en om die smeulende vuren gingen gestalten,
vaag als schaduwen, met broos, voorzichtig gebaar, dansend nog een
laatsten dans, maar o! hoe droome-fijn en onstoffelijk, als zoekende
zielen zoo ijl en rein. En in mijn loome, afgemoeide slaapstemming waren
het geen reëele menschen meer, want alles ging zoo geluidloos en stil,
’t waren figuren uit een teerdere, etherischer sfeer dan de
werkelijkheid, die daar òm mij bewogen, een sfeer van tot de uiterste,
uiterste essence vergeestelijkte muziek, want de gamӗlan-geluiden
dreven overal door de lucht, zoo subtiel bijna als geuren, en de
lichamen waren schaduwen geworden, in die stille verinniging van den
nacht....
Zóó, zwevend gaande door schaduwen, gedragen door de vage rhythmen van
het gamӗlan-gezang, kwam ik zonder weten voor het witte huis van
"patih”, waarin ik gast zou wezen. Ik schrikte toen het grint kraakte
van den tuin, en werd wakker, met het blanke huis werkelijker voor mij.
In de voorgalerij brandde nog een lamp, aangehouden voor den
laatst-verwachten gast.
En dáár, op den koelen, wit-marmeren vloer, lag hij, roerloos als een
rustige god, een jonge Soendaneesche knaap, met zijn naakte bronzen
lichaam languit op den harden steen, een donker-rooden doek om de
lenden. De zwarte, o! hoe prachtig ebbenzwarte lokken woelden vrij om
zijn slapen, één arm lag heerlijk uitgestrekt onder zijn hoofd, en over
zijn gezicht lag een innigheid van rust als over slapende boomen. O! Die
lijnen van zijn lenig, jong lichaam, o! die wijding van zijn
donker-bronzen hoofd, zóó had ik nog nooit een mensch gezien, zóó mooi
als een bloem of een boom.... Hoe zacht lag hij daar op het harde, witte
marmer, die jonge, bronzen god, en elke lijning van zijn lijf een
wondere schoonheid was!
Ik stond stil, als voor een goden-beeld in een tempel, ademloos van
eerbied, bang dat één gebaar hem wekken zou uit zijn rust. Het was maar
een poovere inlandsche jongen, een feestganger van vèr, zonder huis,
die hier doodmoê was neergezegen, en zijn warme lichaam te slapen gelegd
had op het koele marmer van den vloer. Maar het was óók een heilige
creatie Gods, prachtig als een boom, fijn als een bloem, één met alle
schoonheid van de natuur, die van wonderen wemelt álom. En voor den
eersten keer in mijn leven zag ik hoe schoon een mensch was, zonder de
zinne-verteedering die er bij komt van het vrouwenlichaam, enkel om de
zuivere schoonheid van vorm en lijn, zooals een berg schoon is en een
palm en een bloem.
Zacht, zacht ademde hij in de koele lucht van den nacht, en in ’t
schijnsel van de lamp lag hij daar stil te glanzen als van donker goud.
O! Het vreemde, vreemde leven, dat daar in hem bewoog, hetzelfde leven,
dat in míj is, en in al die pralende palmen daarbuiten op het erf, en
die donkere ongekende menschen, zacht tandakkende in den droom van
gamӗlan-gezang!
En als op een vreemd, ondoorgrondelijk wonder blijf ik lang nog staren
naar dien jongen, slapenden knaap daar vóór mij, zóó als ik wel gestaan
heb voor een boom, die opeens een mysterie was in den nacht.
Wát, wat is er in mij, dat die slapende jongen in mij doet trillen, wát,
wat is er in mij, dat ik huiver van boomen en van bloemen? Is er dan
iets, dat in alles en allen één is, iets van de universeele ziel der
dingen, die zich zelve in alles weder-voelt, en samentrilt als het
innige van de sterren, die elkaar voelen in den eindeloozen nacht?
De donzen gamӗlan-geluiden drijven zacht op zachte wieken van den
nacht, en ’t is nu of zóó een diep mysterie zal opengaan, en in een
wondere verinniging voel ik of ik één ben met al de stille boomen
daarbuiten, met de tandakkende schaduwen, die langs de vuren droomen,
met den jongen, bronzen god, die donker-gouden op het blanke marmer
ligt....
_Het Preanger Volk._
Als wijze, kalme kinderen zaten zij gehurkt, naar de schoonheid ziende
van de schaduwende wájang, in hun prachtige gewade-kleuren, met hun
stille, bronzen gezichten. Geen enkel luidruchtig rumoer, geen enkel log
gebaar, die donkere menschen in lichte couleuren bewegen als bloemen zoo
liefelijk, en zijn als zuivere zielen zoo zacht. In ’t witte manelicht
zaten zij, onder de pralende pracht van de palmen, en de kleuren van hun
gevlamde sarongs en zijdene kabaaien zongen een hooge, en toch rustige
harmonie. Ik heb vrouwen onder hen gezien als droomgodinnen zoo slank en
vol edele gratie, ik heb mannen gezien als donker-bronzen goden zoo
schoon. Zij waren duizenden en duizenden op dit feest, en zij wuifden
dooreen in hun schitterende kleuren als bloemen, die de wind beweegt, en
in hun hoogste vreugde bleven zij kalm, of wijsheid woonde in aller
ziel.
Toen heb ik het gevoeld, op dit glorieuze feest in Tjiandjoer, dat in
die donkere Preanger-menschen een fijne, onbewuste beschaving woont,
oneindig hooger dan de cultuur van ons, westersche barbaren. Het
schrikbeeld van een kermis in Holland, een feestdag met hossende en
tierende dronkaards en wulpsche wijven, en dan hier die duizenden
rustige menschen te zien, die gaan in zoo gracelijken gang, die bewegen
met zoo liefelijk gebaren!
De gamӗlan-geluiden zijn den ganschen nacht niet van de lucht, en
drijven donzen in de zwoele sferen, en in het donker bewegen nu die
fijngekleurde lichamen als ijle figuren uit een droom van pracht, te
schoon om werkelijk te gelooven.