Ik roep mijn kennissen, die beneden aan de deur staan te wachten. Zij

stommelen tastend de donkere trap op, dán gaan we een gang door, en zien

een deur open staan. En nú is het mij opeens weer vertrouwd,

chineesch-vertrouwd, met chineesche luchtjes en chineesche kleuren en

chineesche stemmen. Een heel klein kamertje is ’t maar, wat ik van

buiten een zaal dacht, met stijlvolle stoelen langs de wanden, fijn

besneden, ivoor-ingelegd, en veel schittering van rood en goud aan de

wanden, met een weelde van oostersche vruchten op rood gelakte tafel. Nu

zijn we in zoo’n paviljoen, dat we hoog zagen blinken, van beneden op de

straat. Als groote, lichte bloemen hangen lampions van de zoldering. Op

stoelen gehurkt zitten chineesche muzikanten, en een snijdende viool

krast de scherpe, doordringende geluiden, die aandoen met een pijn als

van tot razernij overspannen wellust. Ik ken geen muziek, die doller

maakt dan die chineesche. Als wij binnenkomen, zweven kleine, fijn

gekleede kinderen ons tegemoet, met ruisching van zijde en ritseling van

armbanden en ringen. Hun kaneelgele gezichtjes zijn teêr beschilderd met

rood en wit en rose, hun prachtige zwarte haar blinkt van geurige oliën,

en een band van goud en blauwe ijsvogelveeren gaat om hun voorhoofd

heen. Ze lijken op de frêle kleurschepseltjes op waaiers en vazen zoo

broos en poppig, en heel klein is ’t warme, bruine kinderhandje, dat vat

mijn groote, bruine hand. De toch reeds zoo kleine japansche mousmés van

daareven, gevuld en rijp als ze waren, zijn hier nog moeders bij, want

die vreemde Chineezinnetjes zijn kinderen van negen, tien jaar

hoogstens, ouder niet, en zóó teer, dat ik bang zou zijn hun pijn te

doen door éven aanraking maar. Die heel kleine kindmeisjes brengen nu

thee van lotuspitten in porseleinen kopjes, en kijken ons verwonderd

aan, en vinden ons zeker foei leelijk en komiek, ons, groote, ruwe,

blanke barbaren, en lachen het schaterend uit, met hooge geluidjes. Er

zijn koekjes bij de thee, en vage lekkernijen, groen en geel, van helle

kleur. Ik weet niet goed wat ik doen moet nu. Gaan zitten maar, een

sigaar opsteken en kijken, wachtend de dingen die komen zullen. Even wat

chineesch praten, waarop de kinderen, uitgierend lachen, hoog fausset.

De kleine chineezinnetjes beginnen nu te zingen, vreemde--voor mij niet

meer vreemde--chineesche wijsjes, bij het snijdende snerpen van de

violen, het klagen van een mineure klarinet, het tokkelen van gitaren.

Ze hebben een dolle pret over ons, schieten telkens in lach, proestend,

om dan weer óp te neuriën hun liedje. Ik raad haar kinderlichaampjes

heêl broos en teer in de wijde jakken, de wijde broeken, en kán ’t niet

gelooven, dat dit nu sing-song-girls zijn, waar oude gedegenereerde

Chineezen mede spelen een vuil, wellustig spel. Het lijken

speelgoed-poppen, maar ’t zijn wel heuschelijk levende kind-meisjes van

verfijnde prostitutie, waar dikke, logge, chineesche roués wellust mêe

doen. De lonkjes en lachjes die ze over hun zacht-gele gezichtjes doen

gaan, met kuiltjes in de wangen, en een prikkelende schittering in het

oog, zijn als van perverse kinderen, die de zonde lekker-geniepig vinden

en ongeoorloofd-geheim. Een vage, weeë walging bevangt mij er van. Mijn

kennissen voelen ’t niet, vinden het dol gezellig, schreeuwen er obscene

aardigheden over uit, en vragen om whiskey-soda, versmadend de geurige

thee. In ’t gedempte, zacht broeiende licht van de lampions glanzen de

kleuren van roode en blauwe en gele en lila kleederen der meisjes met

grooter innigheid dan overdag, en in de kamer, waar rood en goud blinkt

van platen en inscripties, hangt een gulden-schemer als in een kleinen

tempel, zoo vaag en mystiek. Van de straat klinkt door het open venster

het rusteloos ratelen der ricksha’s, het schreeuwen der venters, het

brommend geroezemoes van oostersche menschen-massa’s. Geuren van warm

eten en van vruchten komen bij vlagen naar binnen.--Het is een loome

benauwing van wriemelend, geurend, zweetend oostersch leven,

doordringend als de scherpe broeiïng in een wilde beesten-menagerie,

grof zinnelijk en bruut, zooals alléén in ’t Oosten is te voelen. Het

leven is hier zoo heet en dampig en riekt wee en kwalijk-zoet. En de

scherpe violen knerpen maar door, ál maar door, en de hooge stemmetjes

van de kind-meisjes gillen schel haar enerveerend gezang. Ik voel mijn

wangen gloeien van hitte, en in mijn hoofd bonst het. Dat rood en goud,

die scherpe geuren, die helle kleuren, die schelle muziek, het maakt je

dronken, het bedwelmt je als ál te sterke wijn. En in een walging,

snakkend naar eenzaamheid en lucht, sta ik zwijgend op, leg wat dollars

neer en hol de donkere trap weer af, naar beneden. Mijn kennissen roepen

mij na, maar ik wil hen niet hooren en vlucht.

Maar dáár rent en duizelt en zwaait de donkere menschen-troep nog

rusteloos voort over den somber-rossigen grond, tusschen ’t vlammen van

bloederig rood en laaiend goud, onder de blauwe huizen. Overal snerpen

de huilende violen, kietelt het wee-wellustig gitaar-getokkel, en met

dikke walmen komt etenslucht mij tegemoet. Glimmende, bruine koelies

jagen mij huppelend voorbij, hun ruggen druipend van zweet, voor de

ratelende ricksha’s rennen ze als uitgelaten dieren, dampend en rookend

in de lucht. O! al die bruine en gele en zwarte gezichten, die vreemde,

oostersche levens, die donkere oogen als van beesten, nú benauwt het me

toch inééns, ik hóór hier niet, ik, bleeke man uit het Westen, en ik

voel mij hier nu jammerlijk verdwaald. Het is of een wilde koorts die

wriemelende menschen zoo jaagt, ze schreeuwen zoo hoog en zoo hel, als

in angst of woedenden strijd, ze rieken zoo kwalijk, ze glimmen zoo vet

en nat! En haastig loop ik langs winkels en huizen, met overal eten, en

eten, en nogeens eten, roode koppen van varkens en stinkende

inktvisschen en bloederige darmen, bloedkleurige vruchten en lillende

stukken vleesch en roode lombok-pepers en allerlei vraatsel van gulzige

oosterlingen. Ik weet den weg niet meer.--Ik zie het alles nu verward,

het rood, het goud, het blauw, een lichte damp trekt boven den rossigen

bodem, waarin de kleuren vreemd glanzen, de stanken en geuren bedwelmen

mijn hoofd, en ik hoor het schel stemmen-gegil nu dof in mij

doorklinken, als door een gaas. Ben ik dronken, of word ik ziek? Waak

ik, of is dit alles een bange, sombere droom? Ik voel het zweet mij

uitbreken onder mijn goed, en een wee gevoel wiebelt mijn maag langs.

Kijk, dáár, alwéér die open huizen met schitterlicht en goud, met

altaren vol bloemen en vazen en bronzen, blinkende vaten en schitterende

platen aan den wand. De grimmige Kouan Ti hangt er woest te dreigen, en

strijkt zijn langen baard, en vreemde, vijandige goden loenschen lachend

van de muren. De Canton-vrouwen, in zwarte bombazijnen jakken, staan

voor de deuren, met hun hel beschilderd gezicht, en zingen met hooge

gillen en lokken als katten zoo valsch en zacht. Alweer vrouwen nu, en

vrouwen, en nóg eens vrouwen, voor die schreeuwende, zweetende,

glimmende bruine beest-menschen, die dampend door den rood-en-gouden

avond gaan. Dat rijdt en rent en rost maar, in die gouden nacht-stad

hier, dat drinkt en vreet en smult, dat huilt en schreeuwt en snerpt, en

windt zich op naar donkere vrouwen, op de maat van kietelende, weeë

wellust-muziek, die neêrjankt van felle lampion-belichte terrassen, waar

roode bloemen en vruchten hangen, in kleur van bloed. Het lijkt nu te

helsch en duivelachtig om reëel te zijn, een krankzinnige droom meer dan

een heusch stuk leven, en opeens zie ik die vreeselijke bruine gezichten

als schrikgestalten, vijandig en grimmig, met tarting en hoon in de

loerende, donkere oogen. De obsessie van ’t gevaarlijke, vijandige

Oosten bevangt mij, ik voel me heel klein en verloren in die brullende

bende van sombere, bruine duivels, en ik zoek naar een uitweg om angstig

te vluchten, wèg, naar den kant waar de groene Esplanade, waar de

Engelsche huizen zijn, veilig en vertrouwd. Neen, nooit hoort een bleeke

Westerling thuis in ’t broeiende, vlammende, laaiende Oosten, zijn

tehuis is niet waar het vuur is en de gloed, dat voel ik nu zeer hevig

en beslist, met een branderig gevoel in mijn hersenen, en een koude

rilling langs mijn rug. Het is onzinnig, denk ik nog even, bah, wat een

lafheid, schaam ik mij niet? Maar ik voel, dat ik bang ben, bang voor

die herrie, voor die broeiïng, voor dien walm, voor dien stank, voor

alles, en ik loop zoo hard ik kan door al die bruine en gele duivels,

zoekend een zijweg, waar de herrie aan voorbij joelt en ik vluchten kan.

Moê, o hoe moê en bang ben ik van al die kleuren, van die zware,

oostersche geuren, van dat woelende, wemelende beweeg! Hoe die donkere

bruine en gele en somberzwarte menschen daar door elkander krioelen,

over den rossigen grond, tusschen kobaltblauwe en indigo-paarsche

huizen, waar goud schittert en òpvlamt ’t bloedende rood! Hoe die wilde

jacht àl maar voort-ratelt van hollende ricksha’s en rammelende

gharry’s, onder ’t wilde, helle geschreeuw als van duivelen zoo woest!

Gelukkig, daar zie ik eindelijk een eenzame zijstraat, waar weinig

menschen loopen, met enkel hier en daar een lichtje voor een donker

huis. Nu gauw hier in geloopen. De oostersche lucht blijft er altijd

nog hangen, je weet niet van wat, van wierook en klappervet en knoflook

en menschen, van duizend ongeweten dingen, wier geur blijft wademen in

de warme lucht. Ik weet, als ik nu rechts aanhoud en altijd maar

dóórloop, moet ik weer komen waar het stil is, aan de zee. Ik voel, dat

mijn keel dor en droog is van dorst. Daár hoor ik een zwiepend geluid,

een lichtje wiegelt aan door de donkere straat, misschien is het een

chineesche venter met vruchten. Neen, ’t is maar een koelie met kisten

aan een bamboe-juk. Veêrend gaat de zware last op en neer, en vlug

huppelt de koelie voorbij, met dien rythmischen, luchtigen gang,

waardoor de vracht haar gewicht verliest. In een klein, schunnig,

winkeltje walmt nog licht, en ik zie een oud chineesch vrouwtje in de

warong. Ha! Daar liggen de felle, roode vruchten, de sappige naî-tsi’s

met hun harige stekels, als grimmige, venijnige insecten. Ik roep haar

in ’t Chineesch, ze schrikt op uit haar dut, verstomd dat een barbaar

haar toespreekt in haar taal. Zij noemt een prijs, die tienmaal te duur

is, maar ik moet nu toonen, dat ik in China ben geweest, en nog méér in

haar achting rijzen door het hardnekkigste "kóng kè”[23] dat ik ooit heb

gedaan. Wat zou ze anders wel van me denken? En daar sta ik, in den

laten avond, in de stille Singapoorsche straat, voor een kleine warong,

pingelend met een gewikst chineesch oud-wijfje, als ging het op leven en

dood. Eindelijk krijg ik mijn tak met stekelige, fel-roode naî-tsi’s

voor een paar koperen centen, en smullend loop ik door, de witte vrucht

zuigend uit de opengeknepen bolster, die als bloed afgeeft aan mijn

hand. Heerlijk, het zoete, koele vocht op je heete, droge tong.

[23] "Pingelen”.

Nu kom ik langs een werkplaats, waar koelies schoenzolen zitten te

kloppen. Zij kloppen als razenden, naakt, met hun van zweet glanzende

lijven, gehurkt op een tafel. Er is in het woedende werken van die

chineesche koelies iets als ’t wilde zwoegen in een hel, jakkerend,

jagend in een woest delirium van koorts. Wat vreemd toch, die

kaneel-bruine kerels, of ben ik vreemd, bleeke westerling, die hier

rondloopt vér van zijn land?

De huizen, die ik nú langs loop, staan donker-blauw en stil van den

rossigen kleigrond op. Hier en daar staat een venster open, waarachter

een geel lichtje walmt. En in de verte hoor ik een droeve fluit. Een

eenzame Aziaat zit daar ergens stil op een kamer te spelen. Het is een

wonderlijk, treurig wijsje, het lijkt op wat ik van morgen hoorde op de

boot, maar toch wat anders nog en even weemoedig van vage melancholie.

Wie is die eenzame, bruine man, die daar zoo somber zit te spelen? Een

simpele koelie waarschijnlijk, een afgejakkerd werk-beest van het

Oosten, die zich zelf niet kent, die nu éven vaag bewust wordt de misère

van ’t leven, en zijn droefenis zonder weten uitklaagt in de weeke, lage

tonen van een goedkoope bamboe-fluit. Zoo vreemd, dat stille treuren

daar, in die donkere nacht-straat, van wat oostersche muziek. Een

onbestemde weemoed welt in mij op, en ik voel iets van vage, verre

herinneringen en teêre dingen, die ik weg dacht nu, voor goed....

En ik loop door, niet meer in de straat eigenlijk, maar zwevend in een

sferen-land van droomen en herinneringen, geleid door de klagende

melodie. Hier schemeren verre, wijkende horizonnen, hier gaan de zeeën

ruischend ten einder heen, hier drijven de witte wolkenstoeten statig

naar gouden poorten van licht, en vage, nevelige figuren schrijden ijl

door het ledig, van lang geleden dooden, die ik zéér heb liefgehad....

Zóó ga ik door straten en straten, waar het stille is, mijn voeten

loopend, en mijn ziel in droom, tot ik eensklaps wakker schrik met een

schok, van ratelend tromgeroffel en kletsend bekkengekleng. Komt hier

een zegevierend leger aan van zingende, muziekende soldaten? De tamboers

roffelen de doffe trommen, trompetten schelle schetteren, bazuinen

schallen galmend choraal. Hier komt het aan, klaroenen-klaterend

fanfare, een leger in parade, met den gouden keizer aan het hoofd....

Ik loop gehaast een donkere, smalle gang door, dan een hoek om, waar het

komt....

En in het verre perspectief van een zwarte nacht-straat, schittert

laaiend als een vuur de gouden pracht van een chineesch theater, waar de

trommelen roffelend den woesten oorlog slaan, waar schetteren klaroenen

en bazuinen en trompet. Het is een vuurwerk, waar fonkelende vonken

springen, de gouden zonnen schieten helle stralen uit, de vlammen

branden prachtig, en in felle glorie laait het roode goud. Lange, breede

lappen goud hangen in het fond, waar draken fonkel-kronkelen, waar

wijd-gewiekte fenixen in vlammenbrand verrijzen. En gouden personnages,

in gele gewaden, druipend, ruizelend van licht, in rooden oorlogsmantel,

waarop gouden draken branden, in paarsche en tintelgroene en

hemelsblauwe galakleeden, zilver-schitterend en vlammen-vonkend van

goud, staan daar in den zwarten nacht als grimmige goden, omstraald van

eigen licht. Het is of ik even in de zon gezien heb, zóó brandt dat

goud, mijn oogen knippen tranend, en beschuttend hef ik mijn hand.

Een groote schare donker-bruine, donker gele menschen staat in het

duister van de straat, zwijgend, roerloos, en staart in die zee van goud

en licht. Het is als een apothéoze, een goddelijk visioen van glorie,

waarin gouden goden schrijden, die door een vlammenbrand van pracht

oorlogend naar hooge, hemelsche gewesten tijgen. De trommen roffelen in

dolle oorlogsjacht, en hel schettert uit het luid orchest van tetterende

trompetten....

Ik zie de glorie-vlammende helden pralen van het grandioos chineesch

verleden, in gloed van purper en scharlaken en heilig-geel, de lange

veeren van hun blinkende helmen waaieren trillend over het tooneel,

wijd-uit, de breede mouwen vallen van hun polsen, zwaar van goud, en op

hun borsten spuwen woeste draken vonken vuur, en fonkelen van gloed uit

edelsteenen oogen. Nú stormen zij in wilde warreling dooreen, de groote

godenstrijd begint, het rood vliegt op het purper af, het helle geel

waait woedend door het paars, de gouden draken kronkelen

vonken-schietend dooreen, de veeren van reuzen-vogels beven trillend in

de lucht, en alles schijnt in gouden vlammen te vergaan tot één glorie

van laaierende pracht.

De trommen roffelen zwaar neêr op mijn moede hoofd, de bekkens kletsen

kletterend om mijn ooren, het gouden vuur verzengt mijn knippende oogen,

ik kán dit niet meer dragen, ’t is of er vlammen om mij slaan. Wat doe

ik in die stad vol hellevuren en godenbrand, vol bruine duivelen en

gouden oorlogshelden, waar bloed ligt in den rossen grond, en alles

staat te laaien en te zieden? Hoe raak ik hier nu uit, dat ik weer

veilig aankom aan het groote, groene grasveld bij de zee?

Nu hier die zijstraat in, en haastig loopen maar, dat ik die dolle

muziek van oorlog niet meer hoor. Wat zie ik daar nu in de verte, zou

dat de Bridge Road eindelijk weer zijn? Die ricksha’s die daar vliegen,

die vonken licht, die fonkelen voorbij....? Goddank, nu kom ik op

bekende wegen terug, ik zie de brug, waar de rivier is met het donkere

sampan-dorp. Nu altijd maar rechtuit, dan kom ik bij de groene

Esplanade, als ik een hoek omsla, dicht bij een Europeesch hôtel. Daar

zijn de hooge boomen al, in ’t park waarin de cathedraal moet staan.

Hier is het stiller, eindelijk, goddank! Ik sla den zijweg links af, die

naar de Esplanade voert. Daar is het sombere, donker-blauwe

Adelphi-Hôtel al. In de open voorgalerij zitten nog Europeanen luid te

praten, drinkend hun whiskey-and-soda. Hard klinken hun stemmen in de

stilte van den nacht! De groote Sikh-portier staat onbewegelijk voor den

ingang, een reuzen-figuur in zijn gelig khaki-pak, een vuurroode, hooge

tulband op zijn bronzen, baardig gezicht van donkeren prachtkerel in de

tropen.--Er staan nog wat ricksha’s voor de deur te wachten, de naakte

koelies slaperig tegen ’t wagentje geleund, arme, chineesche

vrachtbeesten, beulend en zwoegend dag en nacht in den verschikkelijken

strijd om het leven: Dáár rent er al een op mij af: "Ricksha sir?

ricksha sir?”, met zijn hoog, gutturaal geluid. En ik laat hem even

verbazen met mijn chineesch antwoord, ruw uitgestooten, als in zijn

land: "Khì lah! Khì lah!”[24] inwendig lachend om zijn verrassing.

[24] "Ga weg! ga weg!”

Nu nog éven, éven maar doorgeloopen, en ik sta in de groote stilte van

de Esplanade bij avond, waar de eenzaamheid is, en de zee. Rustig en

statig ligt het wijde grasveld daar voor mij, een koele, weldadige

zeewind omwaait mijn warm hoofd en de wondere plechtigheid van den

oosterschen nacht komt over mij als een wijding. O! hoe kalm en sereen

schitteren daar al die lichtjes op de zee, tot vèr en vèr, daar rusten

de zacht-gehavende schepen, daar ligt het ruime, het opene, het

eindelooze, dat eenzaam en groot is als mijn ziel....

Ik loop zacht door tot aan het pad langs den kaaimuur, en in ’t flauwe

licht van een bleeke halve maan zie ik de zee voor mij liggen. In de

verte glinstert een tintelend reflex van de maan met millioenen

sterretjes op het gladde van het water. Hoe vreemd van innigheid zijn nu

de donkere rompen dier booten, hoe wonderlijk intiem zijn de lichtjes

die daar pinkelen op zee, de gele, de groene, de roode, van hier, van

daar, van ginder! Het wenkt, het wenkt mij zonderling van verre.

Droomerig kletsen de golfjes tegen den steenen wal, en de sampans bij de

hoofden wiegelen zachtkens op en neder. Ik weet de zee zoo eindeloos en

eenzaam daar vóór me, iets oneindig grootsch komt op mij af, ik voel het

oude, vreemde verlangen van mijn ziel dat zich uitdeint in wijde

spanning, en ’t is mij of het wenkt en roept en smacht van verre, ik en

weet niet wat....

O wondere, nooit tevreden ziel van mij, wat wilt ge dan, wat is dat

vreemd verlangen dan, dat ál maar deint en zweeft en wèg wil in mijn

leven, naar welke horizonnen, naar welke werelden? Ik voel het met een

scherpe innigheid, bijna als pijn, en tóch met een zoetheid, die de

tranen doet wellen naar mijn oogen. Die stilte, die plechtigheid, die

rust, die pinkelende lichtjes van verre, dat wijde, wijde water, en die

donkere boomen hier om mij, wier loover niet beweegt, hoe bevangt het

alles mij met een heerlijk, heilig heimwee, naar wie, naar wat?....

De stad ligt nu achter mij, waar de sombere, bruine mensch-beesten

krioelen in heet en woest beweeg, nu schreeuwt en gilt en spookt hun

krijschend leven niet meer om mij, aandachtig sta ik te luisteren, en

hoor niets dan mijn ziel en de zachtjes-deinende zee. O! Eindelooze,

eeuwige rust, o! kom nu, kom! ik ben zoo moê, zoo doodmoê van lieven en

leven, ik ben zoo moê van droevig zoeken en zwerven, ik ben zoo vèr

gegaan, zoo ál maar verder en verder over landen en horizonnen en zeeën!

In ’t bleeke Westen wàs het niet, en niet in ’t rood-gloeiende Oosten,

ik heb nergens, nergens gevonden en liep maar altijd tastend, wankelend

door, o! kom nu, kom nu, reine rust van ’t oneindige, en laat deez’

moede, onvoldane ziel nu zachtekens vergaan in ’t groote Niet, als een

moêgezworven schip in veilige, eindelijke haven!....

Zóó sta ik droomend te staren aan de nachtelijke zee, en ik voel

de warme tranen van mijn fel verlangen langs mijn wangen glijden.

De golfjes klotsen ál maar tegen den steenen wal, met den

diep-melancholieken klank van gouden gamӗlan-geluiden, de wind wuift

koelend heen en weder langs mijn gloeiend hoofd. Zou het nu komen, zou

het nu eindelijk, eindelijk komen? Wat wenken mij die verre lichtjes dan

toch toe, wat fluistert daar toch in die wijde stilte, waar wil mijn

droeve heimwee dan henen, dat ik weenen hoor vèr, in de verre verten van

mijn ziel?....

Nu ben ik dan toch door véle, o! vele duizenden menschen weêr gegaan,

hun schitterende oogen heb ik gezien, en heb gehoord het luid geluid van

hunne stemmen, hoe heeft het om mij heen geruischt en ruw gerateld en

hoog geschreeuwd, hun heete, lillend heete leven! De felle kleuren, de

scherpe geuren, de zingende muziek zijn òm mij geweest zooeven in al de

felheid van het helle oostersche gewoel, maar even ongenaakbaar, even

eenzaam is die moede ziel van mij gebleven, wier vreemd verlangen nimmer

is gestild....

Daar fluit een stoomfluit, een bang en droef geluid over het water. Ik

hoor geratel in de verte, van ankerkettingen, die bewegen, ik hoor een

dof gestamp van werkende machines, ’t hart van een groote boot, dat

klopt en klopt. Daar is ’t al, kijk! in de verte.... dáár.... een rood

lichtje beweegt,.... en nog een groen,.... ook gele lichtjes bewegen,

dáár vaart een groote, donkere boot langzaam, langzaam de zee in, het

opene, ruime, eindelooze te gemoet. Al verder en verder wijken de

lichtjes, o! hoe zalig, zóó heen te gaan, zóó langzaam, zachtjes heen te

drijven in de groote innigheid van den nacht, en eindelijk wèg te zijn

in het wijde, een stip, die in ’t oneindige verdwijnt! En ik hoor mijn

ziel schreien, mijn ziel vervuld van dat vreemde heimwee om wèg te

kwijnen, eindelijk weg, naar welke teêre sferen, naar welke verre

horizonnen van licht?....

_Singapore, Augustus 1904._

[Illustratie]

EEN TREINREIS IN DE PREANGER.

_Voor Annie._

’s Ochtends, om kwart voor vijven, is alles nog nacht-stil in het

Victoria-Hôtel.--

Oessin, de kamerjongen, heeft zachtjes wakker geklopt, en met een sprong

ben ik het bed uitgekomen, bang om weêr in te slapen. De heete koffie

staat al op tafel in de voorgalerij, en de warme dronk verkwikt met een

zachten gloed in ’t nog loome lijf, dat in de ochtend-koelte huivert. Nu

langzaam de gordijn opgeschoven, en ik zie in den morgen, die nog nacht

is. Doodstil staan de hooge spatodea-boomen voor mijn paviljoen, en geen

blaadje verritselt. Zacht en onduidelijk gaan een paar inlanders voorbij

op den weg. Even kleurt wat rood in het vage van donkeren schemer. Nu

een poosje nog zitten soezen, en ’t sprakeloos aanhooren, het zwijgende

geheim van den indischen nacht. O, die rust, die diepe, roerlooze rust,

kon ik die altijd bewaren in mijn ziel....

Nu ratelt het rijtuig voor, en de "jongen” haalt mijn valies. Mijn

hagelwitte linnen pak, mijn witte helmhoed en witte schoenen zijn vreemd

van licht in den duisteren morgennacht. Driftig draven de kleine

paardjes vooruit. Ik huiver weer in de koude ochtend-Preanger lucht....

Hoe hard klapt de zweep van den koetsier in dat stille rondom! Een hoek

om, een breede weg en weer een hoek om, en ’t rijtuig rolt door de

winkelstraat van Soekaboemi, waar de toko’s zijn.

In een chineesch huis, waar bruiloft geweest is, brandt nog véél

schitterend licht, en roode lappen vlammen op met heldere kleur van

bloed. Op een tafel in de voorgalerij staan flesschen en glazen van een

groot festijn.

Aan ’t station is alles nog donker, enkele lichten zijn op, bij ’t

loket, bij den stationchef. In de verte van de spoorbaan blinken

seinlichten, rood en groen. Er zijn zeer weinig reizigers, die vreemd

over ’t perron gaan, als nog niet geheel wakker en bewust. Nu komen een

paar chineezen aan, late gasten van ’t bruiloftsfeest, die nog

terugmoeten naar Batavia. Zij gaan voornaam en deftig in lange, zijden

gewaden, blauw en groen, onhoorbaar op hun zachte, vilten zolen.

Zangerig klinkt hun melodieus chineesch, en ik voel me blij, dat ik hen

versta, dat ik hun verwant ben in voelen en denken. Zóó als hun gewaden

zijn, schitterend en zacht, is hun sereene filosofie, zóó als hun

lichamen, gracieus in die wuivende zijde, beweegt het denken van hun

oude wijzen. Een hadji in grijswit gewaad loopt mij nu óók voorbij, en

onder een hel gelen hoofddoek blinken zijn donkere oogen van een’

somberen gloed. O! Dat bruin van zijn fanatiek gezicht onder dat helle

haat-géél van zijn hoofddoek! Die donkere hadji, die kaneel-gele

chineezen in blauwe en groene zijde, wat weet ik mij een leelijke,

westersche figuur daarbij in mijn stijve witte pakje! En tóch voelt mijn

ziel zéér innig het haar verwante schoon der oostersche dingen....

Ik tref een ledigen coupé derde klas, de andere Europeanen gaan tweede,

en ik wil alleen zijn voor het mooie dat mij wacht. De trein stoomt weg

over den hoogen dijk langs sawahs en velden.

De dingen staan vaag en zwart in den nacht.

Wijsheid en schoonheid uit Indië · 第 3 / 8 段