koelie mij onvermijdelijk naar Malay-street, de wijk van de galante
mousmés. Zóó diep en vast is bij die ricksha-pullers het idee
ingeworteld, dat een Europeaan ’s avonds nu eenmaal "naar Japan” gaat,
zooals dat hier heet, dat zij een vrachtje, dat niets zegt bij ’t
instappen, vanzelf naar de mousmés rijden. Dát is het hooggeroemde
prestige van den blanke in ’t Oosten, aan wien iedere Chinees de
whiskey-soda en de prostitutie nu eenmaal onafscheidelijk ziet
verbonden!
Toch is het interessant om te zien, want dat leelijke is mooi van kleur
in ’t Oosten, de prostitutie heeft een zachte charme van bloemen en
muziek, en haar taal is hoffelijk en vol poëzie, zonder één hard woord,
of één gebaar dat kwetst. Ja, tóch maar even alles zien weer, éven nog
de kleuren zien, en de bonte pracht van het Oosten, in die avond-stad
van donker blauw en donker rood, waar overal het jubelende goud doorheen
straalt als een triomf van licht.
"Ricksha!” riep ik, "laî lah! laî lah!”[17]
[17] Ricksha! kom! kom!
En al die luierende koelies beneden vliegen overeind, halsoverkop, hun
wagentjes ratelend achter zich, naar het trapje bij den ingang, huilend
door elkaar als een troep honden, in plotseling uitgebroken ruzie om ’t
vrachtje, jellend en juilend.
Nu helpt alleen een nòg harder schreeuwen, als een olifant, de wolven
verschrikt, een zwaai met den rottan-wandelstok, en een behendige sprong
in ’t dichtstbijzijnde wagentje, dat niet weg kan en valschelijk wordt
tegengehouden door de anderen. Dáár nadert een reusachtige
Sikh-policeman, en de bende stuift lachend uit elkaar, als kinderen die
kwaad hebben gedaan. Een ruk, een zwaai, en ’t lichte rickshatje vliegt
weg over den leemen grond, de koelie regelmatig dravend, trip-trap,
trip-trap als een paard, rechtsom de High-Street in, en dán weêr
rechtsom, North Bridge Road.
North Bridge Road, de lange, eindelooze hoofdstraat van Singapore, de
donker-rossige, roode löss-straat, waar de kobalt-blauwe huizen staan,
een breede, vreemde weg, waar de grond als gedrenkt schijnt in bloed,
dat in den avond somber opglanst in het licht der lantaarns. Over dien
rooden grond, tusschen die blauwe huizen, waar overal goud over vlamt
van chineesche opschriften en tabletten, loopen de bruine en gele
menschen, Chineezen, Tamils, Arabieren, Maleiers, Singhaleezen en
Klingaleezen, wriemelend als beesten dooreen. Groene en gele gharrys
ratelen, en honderden ricksha’s rijden aan en af, aanvliegende en weer
wijkende lichtjes, òveral, en vèr, en vlakbij, ál maar lichtjes die
elkaar voorbij jagen en áánflikkeren en weer wegschieten als groote
vonken boven den rossigen, bloedigen grond. De huizen aan weerszijden
zijn alle winkels, meest Chineesche, waar groote, rood-en-gouden platen
en rolprenten hangen, en lichtjes branden op een huisaltaar met
donker-gouden goden.--Aan iedere zijde van de deur, en hoog, boven de
posten, hangen zwart-houten tafelen met fonkelende gouden karakters, een
pracht van glans en schittering in ’t donkere blauw. Daar binnen zijn de
dingen alle van een eigen lichte, hooge kleur, of verpakt in rood papier
met goud en zilver, alles licht en vlamt en glanst en straalt uit het
donker van de winkeling, of de zon er glorie had achtergelaten, die in
den avond nog blijft nabestaan. In de donkere straat zijn de
winkelhuizen bronnen van goud en vuur, waar de bruine menschen als
gulden brons in glanzen. Het is of daar schatten bewaard zijn uit
fabelen en legenden, zóó glinstert en schittert alles, en alle dingen
zijn gedoopt in goudlicht van Rembrandtieken gloed.
Dampend van zweet loopt mijn rickshakoelie te draven voor ’t wagentje,
als een vurig beest. Zijn huid van kaneel-geel heeft een rossen glans
door het licht van de lantaarns dat den rooden gloed weerkaatst van den
grond. Nu en dan uit hij een hoogen gil, als hij anderen inhaalt of
uitwijkt voor een aanstormenden koelie van den anderen kant. Altijd weer
nieuwe ricksha’s vliegen aan, van heel uit de verte zie ik ze mij
tegensnellen, met honderden lichtjes, wijl de hooge kreten der koelies
door de lucht snijden. Als rood-gele duivelen ijlen ze àl maar voort, de
naakte, dampende trek-dieren, en ’t lijkt wel een angstig visioen uit
een laaiende hel, die voorthollende, jellende beest-menschen over den
bloedrooden grond.
Als een dolleman jaagt mijn puller vooruit, of wij vervolgd worden door
een grimmig noodlot, waar hij voor vlucht, altijd maar door, rechtuit,
over dien weg, die nooit een einde schijnt te nemen. In wilde razernij
vliegen andere rickshaloopers ons gillende voorbij, en ’t wordt als een
obsessie, een ontzetting, dat schreeuwende gejacht en gejoel, of iets
verschrikkelijks staat te gebeuren, een ontzachlijke wereld-catastrophe
van aardbeving of vulkanen, waar alles krankzinnig voor vlucht.
Zóó vliegen wij winkels langs, bruggen over, blauwe huizen met goud en
rood voorbij, tot de ricksha opeens stil houdt voor een zijstraat, en
mij, met een draai naar links, neêrzet.
En ik zie nu plotseling een feeërie van illuminatie, een straat waar
kleurige lampions in huizengalerijen bengelen, door den avondwind
bewogen. Beneden, in de gaanderijen, zie ik veel kleuren langzaam wuiven
door elkaar, van vrouwen in bonte, wijde gewaden, rijk als oostersche
vogels of vlinders van exotische pracht.
Ik begrijp al waar ik ben. De ricksha-puller, wien ik niets gezegd heb,
heeft mij naar Malay-street gereden, de japansche wijk van galant
plezier, waar hij een Europeaan nu eenmaal thuisbrengt. Ik betaal
hem zijn vracht en wandel langzaam op. De kleuren doen mij heerlijk
aan als een lokkend feest van luister. Als groote poppen in
fantastisch-bewegende kleur staan de lachende mousmés voor de deuren.
Het lijken wel gloeiende, tropische bloemen, haar lichte kimono’s
vlammen van kleur, en haar donkere amandel-oogen schitteren. Er zijn er
met lang, loshangend haar, donker als een woud in nacht, dat somtijds
zacht door wind beweegt. Zoo vreemd, zoo vreemd, die prostitutie-zonde
in zoo wonderlijken schijn van poppen, neen van bloemen, neen van
kapellen, van groote, van kleur fonkelende kapellen, fèl voor ’t oog. Ze
staan in rijen de huizen langs in de galerijen, de gansche straat is als
afgezet door die kleurige, japansche poppen van op platen en kostbare
vazen, en die oostersche figuren van vlammend rood en blauw en geel en
violet, ze roepen je aan met hooge stemmen, vreemd als in een droom. ’t
Lijkt te ongeloofelijk eerst, om reëel te zijn, omdat die poppen immers
kinderen moeten wezen, groote kinderen, in kleurige kimono’s gestoken,
met belachelijk breede obi-strikken op den rug. Neen, heusch, het is een
ál te krankzinnige droom, de figuren, die je op tentoonstellingen gezien
hebt van japansche kunst, en ook wel op vazen en waaiers en kakemono’s,
ze hebben gespookt door je hoofd, en nú, in je dollen droom, zijn ze
levend geworden, en wemelen voor je, en hun prachtige kleuren waaien en
wuiven door elkaar, en wisselen en veranderen, als vroeger, op de
kermis, de felle kleuren van stukken glas in de lange kaleidoskoop. En
al dat licht daarbij nog van gekleurde lantaarns en lampions, en die
half weemoedige, half wellustige muziek die van de bovenverdieping
neêrdaalt, van samisèns en gitaren!...
Daar staat opeens zoo’n vreemd wezen vlak voor me, kleurschitterend als
een groote, tropische vogel, het donker-gele hoofd in een zwarten,
waaienden nacht van glanzende haren, waar een exotische geur uit naar
mij toekomt. Een zacht gelijnd oostersch gezicht, en een lach van vrouw,
en glinsterend witte tanden.
Ik voel opeens het mysterieuze, wat dit eigenlijk is, zoo’n vreemd, vèr
leven uit Japan, dat hier, in een wijk van donkerst Singapore, opeens
mijn leven moet ontmoeten, en ik voel ook zéér beslist het droeve, dat
dit in zoo’n donkere sfeer van zonde gebeurt. Wie weet, die beide levens
van hoè ver gekomen, uit welke eeuwigheden van dood en reïncarnatie, en
nu inééns, hier éven elkaar gekruist, in de misère van ellende en
prostitutie, het ééne uit Japan, het andere uit Holland, nu samen in een
Singapoorsche straat. Die gedachte komt met groote helderheid in mij op,
en ik vat haar hand en zie haar even diep in de oogen, het groote,
japansche vrouwen-kind, dat zich voor geld mij bieden komt. Zij begrijpt
het anders dan het is, natuurlijk, en lokt mij lieverigjes toe, en
kweelt het met haar hoog keelstemmetje uit in ’t maleisch: "pigi di
átas! pigi di átas!”[18] Een geur van bedwelmende bloemen komt uit haar
donker, glanzend haar.
[18] "Ga mee naar boven! ga mee naar boven!”
Neen, mijn kleine mousmé-tje, mijn kleurig, geurig vrouwtjes-kind van
Japan, dát wil ik niet van je, dat wil ik heusch niet van je, ik bén
niet een van die bleeke barbaren, die je in je oostersche hart veracht,
ik ben hier waarachtig niet gekomen om zonde te doen aan je lijf van
popperig meisje. Maar ik, vind je wèl heel mooi en heel lief, al weet ik
dat hier valsch gevaar in loert, ik vind je een blij ding om te zien,
als een bloem of een vlinder, en in mijn westersche hart weent het ook
wel, héél zachtjes, omdat ik weet, hoe dat mooie van je verfrommeld
wordt en bevuild. Het is haast niet te gelooven, mijn donker, kinderlijk
meisje, dat jij hier te koop staat voor ruwe, westersche barbaren, voor
zeelui en poenen van Engelsche "offices”, jij kindje, met zoo’n zachten
bloemen-naam, Okikoesan of Ohanasan of Ojounisan, met zoo’n fijn ovaal
gezichtje en zoo zachte amandel-oogen en ’t voetje zoo teêr en klein in
’t kletsende blokje schoen. Wat trek je nu aan mijn arm, wat lach je me
nu tegen, met je witte, schitterende tanden, jou glanzend kapelletje,
jou fonkelende bloem! Ik buig deftig voor je, als voor een echte dame in
Japan, ik zeg "Sayonara! Okamisan!” en laat je beteuterd staan, midden
op de straat, en je denkt dat je niet mooi genoeg voor me was, dat ik
een ander zoek, die me beter lijkt.
En ricksha’s met zwierende Engelschen en zwabberende rijke Chineezen
ratelen me voorbij, en samisèns[19] tokkelen klagend-wellustig in ’t
rond, en overal kleuren de lampions voor de huizen, roode en paarsche en
blauwe en fel gele. En andere vlinderachtige mousmé’s fladderen om mij
heen, en roepen met hun hooge stemmetjes, en wenken mij toe met lonk en
lach en popperig gebaar. De schitterende kimono-kleuren, zij lokken de
mannen als bloeme-kleuren de zwervende hommels, en ik weet welke
verleiding er loert achter die vleiende streeling van het oog. Het
ergste is hier, dat de zonde niet leelijk meer is, als in ’t sombere
Londen, waar vrouwen loeren in nacht-misère van Regent-Street, en Strand
en Picadilly, want alles lijkt hier louter kinderspel, en de vrouwen,
die hier lokken, zijn maar kinderachtige poppenmeisjes, hun lach is niet
gemeen en ganschelijk niet wellustig, het is het lachen van kinderen,
zooals ook hun gebaren van dartele, lieve kinderen zijn. Het lijkt hier
wel een jolige, kinder-avond-kermis, een travesti-feest, onschuldig, met
fantastische, oostersche costumes, en zacht in nacht-wind bengelende
lampions voor kleurige kramen.
[19] Japansche gitaren.
Kijk, nu klip-klapt weer zoo’n kind op mij af, op, haar klotsende
schoen-blokjes, een pop in rood en blauw, met lange waai-haren; ze gaat
naast me staan en reikt nog lang niet tot aan mijn schouder. Een weeë
geur van vreemde bloemen wademt mij toe uit haar hooge, glanzende
kapsel. "Neen, mijn lachemeisje, neen, mijn kleurig liefje van Nippon,
je schijn is mooi en zoet van roke, maar mijn ziel zegt dat het niet
mag... Sayonara Otakisan! of hoe je ook heeten mag, Sayonara!” Ik stoot
haar zachtjes van mij af, als een lastig kind, dat spelen wou, en ga
verder. En méér kleurige Sans wenken en waaien met hun wijde mouwen, en
lokken mij liefelijk van lente en lust. Één zingt er een rillerig,
kietelig wijsje en beweegt gracelijk haar lenige lijf, dat plooien van
roze kimono om haar wuiven. Ik voel de vage charme van die vreemde
vrouwen uit verre landen, de streeling van dat kinderlijke, graciele,
dat donkere zonde omlijnt; o neen, nu heengaan maar, den valschen,
schoonen schijn ontwijken.
"Ricksha! ricksha!”
Als uit den grond verrijzen ze, uit hoeken en gaten, met ratelend gerol,
omringen mij in nauwen kring, dat ik niet verder kan.--Een luid
chineesch bevel, een paar verwenschingen, een dreigend zwaaien met mijn
stok, en ik zit weer als een machthebber in het broze wagentje, de gele
koelie zweetend voor mij in draf. Waar zal ik nu heengaan? Het Parsee
theather, waar ze een sprookje spelen, van Alladin en de Wonderlamp, uit
de Duizend en Één Nacht, de Stamboel-komedie, of de Wajang Tjina? Neen,
eerst de echt chineesche wijken nog eens zien, de Sago-Street en
Banda-Street en Tringannu-Street, waar de theehuizen zijn en de
chineesche societeiten met bloemen-waranden vol vrouwen in zijde en
muziek. Dat is heel aan de andere zijde van de stad, aan ’t andere einde
van de North-Bridge Road, in mijn herinnering. En weêr gaat het
duizelend den breeden, rooden weg door, langs de kobalt-blauwe winkels
met rood en goud, waar de bronzen oosterlingen staan als beelden. Weêr
wiemelende, woelende menschen, weêr lichtende wagentjes die slingeren en
krioelen, en donkere bruggen over, waar rivieren zijn met gansche
sampan-dorpen, voort, voort, in razende vaart, langs een grandiozen,
ouden hindoe-tempel, die als een donker geheimenis oprijst van den
grond, langs een lichte, witte moskee, blank tusschen blauwe gebouwen,
met zijstraten in plotseling perspectief, waar groote vuren walmen van
warongs, voort, altijd voort, tot mijn ricksha eindelijk stilstaat in
een lange file van wagentjes, en opeens niet verder kan.
Een hel van roode duivels, jagend door elkaar, een paradijs van
bloem-waranden boven, van lustpaleizen, hangende tuinen, klingelend van
muziek, ik sta in de chineesche wijken van pleizier, waar alles kleur is
en klank en hoog-ruischend leven. Nu stap ik uit en wandel verder, ik,
enkele Europeaan tusschen heel een volk van Aziaten. Ik ben in
Tringannu-Street, in Singapore, neen, dat kàn niet, ik ben in ’t hartje
van China, in Canton, in Shanghai misschien, want niets is hier nu
Engelsch meer, alles is Chineesch, de huizen, de menschen, de dingen.
Dit is het wriemelende, krioelende China, de wemelende mierenhoop van
menschen, van bruine, gele, roode zweetmenschen, die loopen langs lange
rijen opgehoopt eten, langs tafels vol visch en vleesch en lillende
ingewanden, vol vruchten rood en geel en groen, vol eenden, kippen,
ganzen, opgepropt en opgestapeld, voor het vretende, hongerige,
dorstige, beestige grauw. De huizen, die geen eet-winkels zijn, zijn
huizen van lust, waar in goud-licht van helle lampions en lantaarns,
voor altaren met gouden goden en zilveren kandelaars, de jonge
Canton-vrouwen zitten, de gele gezichten beschilderd met rood, de roode
bloemen in ’t zwarte haar, in lokkende geheimenis van veile liefde. Wáár
ik ga loop ik langs eten, walmt stank van vet en olie naar mij op, het
vette, druipende eten ligt in schalen, in kommen, met wat?....
verdachte, ongeloofelijke gerechten, van wormen, van slakken misschien,
van inktvisschen en krabben. En overal langs die dampende, walmende
warongs hangen roode tabletten, waar ’t goud van afschettert als
trompetten in een orchest. De vrouwen-huizen, waar de rijk besneden
deuren van openstaan, zijn paleizen van licht. De groote, schitterende
tsh’aks[20] hangen van de muren, in superbe mengeling van kleur,
Kwan-Yin in majestueuze pose zit op den lotus-troon, of Kouan-Ti, de
grimmige God van den Oorlog, in rood scharlaken met goud, heft hoog den
vinnigen lans. Op het huisaltaar staan wit-porseleinen en gulden-bronzen
goden, en glimmen tinnen en zilveren kandelaars, en stijgt de blauwe
wierook uit blinkende koperen wierookvaten. De kleurige Cantoneesche
lantaarns hangen neer, met transparant glas, waar rood en blauw
porselein relief op is gelegd, met statige figuren van vogels en
bloemen. Alles glanst en blinkt en straalt daarbinnen in wondere
richesse van pracht. En in dien schoonen, gouden lichtschijn zitten op
ebben, parelmoer-ingelegde stoelen de bleeke, teêre Canton-meisjes, met
roode bloemen in ’t van reukoliën glimmende haar; de gele gezichtjes met
blozend rouge beschilderd, als poppen van porselein op vaas of waaier.
De gansche straat langs staan die huizen, rij aan rij, die schitteren
van kleur en licht, waar honderden en honderden vrouwen zitten te
wachten den gast, die komen zal met dollars in de hand. En arme,
zweetende duivels van koelies, die nauwelijks genoeg verdienen met
beestig zwoegen om niet te sterven van honger en dorst, zij staan van de
straat af te staren met open mond en vlammende oogen naar die vrouwen in
’t gouden licht, die voor hen opschijnen als dewa’s[21] uit het
paradijs....
[20] Chineesche rolprenten.
[21] Engelen.
De huizen zijn hier hoog, met vele verdiepingen, en in ’t hoogste hooge
schittert rijke illuminatie op waranden en terrassen, waar de theehuizen
zijn. De muren daarboven zijn van een licht tintelend groen, of van
mystiek donker blauw, de ramen zijn rijk besneden met decoratief van
bloemen en figuren, weelderig opgelegd met oud goud, dat donker-rossig
vlamt. De kleuren blinken daarboven, het goud glanst en fonkelt vol rood
geheim, en een vreemd-wellustige muziek daalt uit die hangende tuinen
neder, waar palmen en wuivende reuzen-varens staan, muziek van
wreed-weenende, hooge violen, van kittelig tokkelende gitaren, van
tinkelende harpen en luiten. Snerpend en gillend snijdt die muziek daar
hoog door de lucht, in razend, zenuwachtig tempo, het lijken klanken van
tot vlijmenden pijn opgestriemden wellust, ’t is muziek als van gillen
en kreten, die lachen zijn en schreien te gelijk....
Daar onder ratelen ricksha’s rusteloos voort, daar onder zwermen de
kaneelgele, de roode, de bruine Chineezen gonzend en schreeuwend door
elkaar over den rossigen, als van bloed gedrenkten zandgrond, langs de
warongs en stalletjes vol dampend, stinkend eten, langs de
goud-doorgloeide huizen vol vrouwen. Een kwade reuk als van beesten gaat
door de straat, een damp stijgt op uit de zweetende lichamen der
dravende koelies, als van paarden, en in een atmosfeer van wellust en
vleesch en bedorven eten voel ik mij even wee-duizelig worden, of ik
straks zal vallen. Deze chineesche straten-wijk is een verschrikking,
een benauwing van verrotting en vuil, maar óók een apothéoze, een
paradijs van kleur en goud en pracht. Het Leven gaat hier dampend en
walmend en goudelend en stralend over de roode, bloedige aarde. Zóó loop
ik van de eene straat in de andere, en overal liggen de lillende stukken
vleesch, de rookende darmen, de stinkende inktvisschen langs mij in de
warongs, ik zie vruchten, vurig en heet als grimmige beesten met
prikkels en stekels, vruchten als goud en vuur en bloed, alles lijkt
hier te fonkelen en te branden van hitte en hartstocht en opgegaarde
zon, en rusteloos jagen de ratelende ricksha’s mij voorbij, en vreemd
komen telkens nieuwe, bruin-gele, glimmende chineezen-gezichten voor
mijn oogen loenschen, wijl van boven de muziek uit theehuizen en
lustwaranden neêrzwiept en tingelt als een gouden en zilveren regen,
onverbiddelijk, striemend, kittelend, met snerpende gillen van violen en
tokkelende tinkeling van luiten.--De kleuren laaien voor mijn oogen,
mijn ooren tintelen van felle muziek, de walmen en dampen slaan mij
tegen, alles brandt en vlamt en bloedt om mij heen, en ’t is of een
duizeling mij voort wil tuimelen, met die razende, ratelende warreling
mee; ik voel den lust om óók te gillen, te schreeuwen als een dolle, en
als een razende voort te rennen, met die kletterende ricksha’s mee, al
dat vuur en dat goud tegemoet dat vóór mij laaiert en loeit, zóó als een
razend paard rent den vlammendood te gemoet.
Ik voel mijn slapen kloppen, en een benauwing knijpt mij in de keel.
Neen, dit leven is te ontzettend voor mij, dit kan ik niet dragen, ik,
zoo heel alleen, met mijn zachte ziel in dat daverende, donderende
leven. En al die vreemde gezichten om mij heen, al die gele, roode
gelaten, met scheeve, loenschende oogen, wat willen ze van mij, wat
loeren ze mij aan?....
Ha! gelukkig! Een ricksha met Europeanen, daar ginds, het is dan tóch
waar dat er een verwantschap is van rassen, want ik voel hen als iets
vertrouwds, die blanke menschen in al dat gele! Hallo! Hallo! ’t zijn,
bij God, bekenden, ’t zijn Hollanders, van de Paketvaart, één van de
"Zeeduif” uit Riouw. Hallo! jongens! waar moet dat naar toe?
En samen staan we, een hecht verbond van blanken, in ’t gele gewoel. Zij
hebben hun ricksha weggestuurd nu ze mij zagen, en samen wandelden wij
op. Nu voelt het veiliger aan en verwanter.
Waar willen zij heen? Naar dat theehuis daar boven, waar die muziek van
neêrklinkt. O jé! Dat zal héél moeilijk gaan. Ze hebben ’t al
geprobeerd, zeggen ze, in verscheiden van die huizen, maar overal werd
hun de toegang geweigerd. Maar.... wie weet?.... met chineesch kan je
overal terecht. Zoodra je chineesch kent kom je in ’t vertrouwen en
laten ze je in.
Ik zal eens vooruit gaan, alleen. Een sombere trap ga ik op, en nog een,
en nog een. ’t Is duister hier, maar ik loop den kant op, waar muziek
vandaan komt. Dáár staat een vette, logge chinees vóór me, en spert mij
den weg.
"No can do Sir! no can do! this belong chinamen only Sir! This belong
old chinamen private Club!”
Ah zoo! ’t Schijnt hier een societeit te zijn van rijke chineezen.
Maar ik antwoord hem in zijn eigen, zingende taal, ik zeg hem, dat ik
óók zoo’n halve chinees ben, heusch, dat ik twee jaar in zijn land heb
gewoond, dat ik enkel kom om te kijken met een paar vrienden, dat ik
heusch geen dronken zeeman ben, die vechten zal en ruw doen tegen de
meisjes, dat ik o zoo goed weet wat "Lé”[22] is, en ik heel ordentelijk
weer weg zal gaan, als ik even heb mogen kijken. Die hooge zang-taal,
die een sleutel is in héél China, en een paar dollars, doen het wonder.
Nu, goed, wij mogen even kijken, als wij dadelijk weer weggaan, en de
sing-song meisjes niet grof behandelen.
[22] Decorum.