Opmerkingen van de bewerker.
Schuingedrukte tekst in het originele werk wordt hier weergegeven
tussen twee liggende streepjes, als in _tekst_.
Meer Opmerkingen van de bewerker en de Inhoudsopgave bevinden zich
aan het einde van de tekst.
WIJSHEID EN SCHOONHEID UIT INDIË
_Van HENRI BOREL verschenen bij dezelfde uitgevers:_
_Wijsheid en schoonheid uit China, 5e druk._
_De Chineesche filosofie toegelicht voor niet-sinologen, 2 dln._
_I Kh’oeng Foe Tsz’, 2e druk._
_II Lao Tsz’, 2e druk._
_Kwan Yin. Een boek van de goden en de hel, 2e druk._
_Het Jongetje, 5e druk._
_Het Zusje, 3e druk._
_Het recht der liefde._
_Leliana._
_De leugen der eer._
_Leliënstad._
HENRI BOREL
WIJSHEID EN SCHOONHEID
UIT INDIË
TWEEDE DRUK
[Illustratie: P.N. VAN KAMPEN & ZOON]
AMSTERDAM
P. N. VAN KAMPEN & ZOON
[Illustratie]
VOORWOORD.
De belangstelling voor Indië is thans grooter dan in 1905, toen dit boek
"Wijsheid en Schoonheid uit Indië” verscheen; dit heuchelijke feit deed
uitgevers en mij besluiten, daar het geheel uitverkocht was geraakt, het
te doen herdrukken.
Er is mij indertijd van meer dan ééne zijde de vraag gedaan, waarom ik
dezen bundel denzelfden titel gaf als een gelijkluidend werk over China,
en ik kan hierop slechts antwoorden: omdat het van denzelfden geest
doortrokken is.
De gevoelige lezer, die overal in de in het boek voorkomende
aanschouwing van de natuur hetzelfde sentiment gewaar wordt van mijn
fantazie "Wu Wei” in "Wijsheid en Schoonheid uit China” zou deze vraag
zeker niet hebben gesteld.
Naar aanleiding van de schets "Een Bezoek bij den Sultan van Lingga” zij
nog als curiositeit vermeld, dat de Regeering van Ned. Indië het noodig
vond, mij wegens het publiceeren hiervan, in de lente van 1904, van
Tandjong Pinang (Riouw) naar Makasser over te plaatsen (eene
overplaatsing, waaraan ik ontkwam door verlof naar Europa buiten bezwaar
van den Lande te verzoeken). De reden hiervan was "dat eene goede
verstandhouding met den sultan onmogelijk was geworden”. Als men weet
dat ik, als ambtenaar voor chineesche zaken nooit ambtelijk iets met
dezen maleischen vorst te maken had, zal men het gewicht hiervan naar
waarde kunnen schatten.
Eenige jaren daarna echter werd de sultan, voor wiens gevoeligheid de
Ned. Ind. Regeering blijkbaar zoo bevreesd was in 1904, door haar zelve
afgezet, daar men hem terecht van politieke kuiperijen tegen ons gezag
verdacht, en hij werd, met ontzegging van verblijf in al onze koloniën,
naar Singapore gezonden! Sedert bestaat het sultanaat van Lingga niet
meer.
Ten slotte merk ik nog op, dat nu hier te lande door de vereeniging
"Langen Dryo”, van Javaansche studenten, meermalen uitvoeringen van
gamelanmuziek, dans en tooneel zijn gegeven, de lezer niet meer zoo
vreemd zal staan als vroeger tegenover schetsen uit dezen bundel als
b.v. "Een Feest in de Preanger” en "Wajang Gollèk”.
HENRI BOREL.
Scheveningen, 25 April 1919.
[Illustratie]
SINGAPORE.
_Aan Victor Zimmermann._
Het bootje "Emilie” heeft geroepen met zijn schor, laag fluit-geluid
over ’t eiland Tandjong-Pinang,[1] en ik haast mij van mijn witte huis
op de boekit[2] bij de benteng[3] naar beneden, in den laaienden brand
van de zengende zon. De lucht is heet om mij heen, de bladeren der hooge
manga-boomen in mijn tuin druipen van vet licht, en alles staat stil
geslagen van loome broeiïng. Alleen de ranke, slanke tjemara’s langs den
weg vóór mijn huis bewegen éven de fijn-gepluimde toppen, onder een
zachte koelte in de hoogere lucht. Veilig onder mijn breeden, gelen
Panama, los-gemakkelijk in een wit linnen Singapore-jasje, met witte
schoenen aan, alles van wit, waar de zon op afkaatst, loop ik, als een
heel lichte figuur, het smalle paadje af naar de pier, onder van
zonlicht druipende boomen.
[1] De hoofdplaats der residentie Riouw.
[2] De heuvel.
[3] Het fort.
O, dat wonen op zoo’n indisch buitenpost-eiland, met altijd dezelfde,
weinige wegen, altijd dezelfde menschen, hoe benauwt het me al lang, hoe
eigenlijk ’t zelfde is het als een ballingschap, vèr van ’t groote
Leven! Alleen ’s middags, om vier of vijf uur, als ’t chineesche bootje
fluit, dat komt van Singapore, dan schrik je op, met een schok, dan komt
er als een bode uit dat groote Leven, dan kunnen er brieven zijn en
couranten uit Europa, en ’t voornaamste, dan voel je éven de zekerheid,
dat je tóch nog wèg zou kunnen als het moest, dat je maar éven op zoo’n
boot behoeft te stappen, ’s ochtends om elf uur om terug te gaan naar de
beschaving, naar ’t Leven, dat, vijf uur stoomens van je af, een groot
station heeft in zijn machtigen gang om de wereld. Dat weten van
Singapore zoo dicht bij is een troostende sterkte in je trage, monotone,
indische leven, en ’s avonds, in de schemering, zit je dikwijls te
staren, ver over de zee, aan ’t uiterste einde der pier, en droom je je
weg naar de horizonnen van rozen gloed, waarachter het groote Leven
gaat.
En die vuile bootjes van den kapitein-chinees, de "Resident Schiff
Bahroe” en de "Emilie”, schamele stoomschuitjes van even vijftig ton,
wrakke, drijvende doodkisten, waar géén ervaren zeeman zijn leven op
zou wagen, ze zijn enorm gewichtige dingen in je leven op Riouw, je
hoort geregeld iederen dag hun schor gefluit, ’s ochtends als de een
wegstoomt, ’s avonds als de ander binnenkomt, en telkens voel je dan,
met een schok, een zekerheid, dat je nog in gemeenschap bent met het
groote Leven, dat je zaak niet hopeloos staat zoolang er nog verbinding
is.
En nu, toen de benauwing te eng werd, het matte, drukkende gevoel te
zwaar over me, had ik, onder voorwendsel van wat chineesche zaken met
een opiumpachter daar, een paar dagen verlof gevraagd naar Singapore, om
éven boven te komen in ’t Leven, om éven adem te halen, andere dingen te
zien, en andere menschen, dan die dag in dag uit hier òm me waren, met
tergende gelijkmatigheid.
Vlug en vroolijk, ondanks de hitte, loop ik het dalende pad af, zacht op
mijn linnen schoenen. Ah Tong, mijn oude chineesche "boy”, kan mij
nauwelijks bijhouden met mijn langen luierstoel, mijn hengselmand vol
provisie en mijn valies. Ik roep hem aan, wat vlugger te loopen, blij
met het hooren van mijn zingend chineesch, gelukkig, dat ik het oude
accent niet verloren heb in de lange jaren in Europa, dat er nog altijd
iets bestaat van verwantschap tusschen mij en dat vreemde, wondere volk,
dat in de twintigste eeuw nog diep in de verre oer-oudheid leeft.
De zee is blinkend van licht in dit helle uur van den morgen, en aan de
pier zie ik haar als een eindeloos blauw-goud gespiegel, waarop vonken
springen. De palmen, héél ver aan den overkant, op Penjingat, staan
roerloos gebogen te groeten, de witte torens van de missigit blanken fel
op, en, verder nog, achter in zee, liggen groene eilandjes te drijven,
als boeketten. Een naakte sampan-roeier, gloeiend brons in de zon, roept
al luid-lachend: "laî lah! laï lah! tah goá! tah goá!”[4] met dat hoog
chineesch geschreeuw, dat niet hinderlijk is, en onweerstaanbaar. Het
ranke bootje ligt als een groote bruine visch op het water, met oogen
geschilderd aan den steven, daar het anders den weg niet weten zou. De
roeier kent mij al, den "toewan djoerabahasa”[5], den "taî-dzîn”[6], die
een mooie pet met goud galon mag dragen, en dus een groot mandarijn is
in zijn oogen. Hij helpt mij beleefdelijk van het glibberige steenen
trapje in zijn sampan, mijn "barang”[7] wordt ingeheschen, en Ah Tong,
mijn boy, gaat hurken op ’t uiterste puntje van den achtersteven, in een
wonder van evenwicht, en blijft daar roerloos zitten als een
boeddhabeeld, zijn kaal geschoren schedel blakende in de zon.
[4] "Kom! kom! huur mij! huur mij!”
[5] "Tolk”.
[6] Lett. "groot mensch” titel voor hoogere mandarijnen.
[7] Bagage.
Het grauwe bootje "Emilie” ligt rookend te wachten, galmt nog even een
donkeren roep, weêrkaatst door de heuvelen in den omtrek. Het heeft al
stoom op, en wacht nog éven maar op late passagiers. Ik ruik, als de
sampan aan zij komt, de duffe, wee-zoete atmosfeer van olie en opium,
knoflook en doerian[8] al van verre, maar daar is nu eenmaal niets aan
te doen. Waar oosterlingen uit het volk zijn is wèl pracht van kleur en
lijn en gebaren, maar onvermijdelijk stank en vuilheid en benauwing.
[8] Een zeer sappige, smakelijke vrucht, die zeer leelijk riekt.
Het bootje ligt vól met deklading, alles zóó maar, voor ’t gemak, op ’t
dek gestapeld, zonder eenig idee van gevaar, en éven denk ik om de
waarschuwing van een oud-kapitein in Singapore, dat hij zijn leven er
niet graag op zou wagen. Maar de lucht is zonder wolken blauw, de zee is
vlak als een spiegel, en mijn oostersche fataliteits-idee komt boven,
dat er niets met me gebeuren zal als ’t niet moet.
Ik hijsch mij op aan de vette, glibberige valreep en klim het trapje op
naar de zonnetent op de brug. Op vierkante banken in het rond zitten
vuile, superbe gekleurde Aziaten, donkere Arabieren in paarsch en geel,
inlandsche vrouwen uit Penjingat, in gevlamde sarongs, met kinderen in
gele zij op den arm, deftige chineezen in witte kabaai met diamanten
knoopjes en juweelen ringen aan spitsgenagelde hand. Op een tafel, waar
manden met groente en met kippen staan, zit een jonge hadji, met een
wild, fanatiek gezicht, in lange, witte kaftan, een bloedrooden doek om
’t hoofd. Er hangt een duffe, oostersche lucht van menschen, ofschoon de
wind er vrijuit waait, een lucht, niet zóó fétide, maar toch als van de
kleine roofdieren in een dierentuin. De schitterende oogen van den hadji
zien mij doordringend aan. Ik voel den rassenhaat, den godsdiensthaat in
zijn blik. Ik kom onder al die oosterlingen als een vreemde, als een
gedulde, tegen wien ze beleefd zullen doen als ’t noodig is, en die nu
eenmaal tot de brute macht behoort, die hen overwonnen heeft, maar in
hun hart verachten zij mij diep, en hun binnenste verbergt zich voor mij
als een schat te heilig voor mijn oogen. Ik heb altijd dat gevoel van
vreemdheid, van ingedrongen zijn tusschen de donkere menschen van het
Oosten, en als ik aan heel veel dingen denk, hoe er met deze menschen
van droom en verbeelding gedaan is, schaam ik mij wel eens, een blanke
te zijn.
Mijn "boy” sleept mijn langen rottan-stoel naar boven, en schijnbaar
eerbiedig wordt er ruimte gemaakt, zóó dat ik vrijuit liggen kan, met
mijn valies naast mij. Ik groet die Aziaten en zij groeten zéér
gracelijk terug, maar de geringschatting voel ik toch schrijnen achter
hun fijn gebaar.
Wat zit daar een prachtig maleisch kindje in gele zij op den schoot van
die oude, grijze nènèh, op de bank daar, naast mij! Zijn huid is van ’t
superbe donker geel van "koelit langsep”, zijn oogjes zijn vonken donker
vuur en lange, zwarte wimpers werpen schaduw op zijn fijn, zacht vel. Ik
wil er iets liefs en vriendelijks tegen doen, ik lach en knik er lokkend
tegen, maar doodsverschrikt wendt het zich af van den bleeken,
onverwanten Westerling en verbergt het hoofdje, waar een veerend
haarpluimpje op wiegelt, aan de borst van de oude.
Tandjong Pinang ligt nu rustig en tevreden, van het brugdek af gezien.
De hooge tjemara’s voor de residentiehuizen wuiven en wuiven,
voorzichtig en zacht. Rechts ligt het poovere dorpje Singkawang, rieten
hutten op palen, en verder palmen, eindelooze bosschen van palmen, zoo
vèr ik zie. Achter mij, midden in zee, een klein eilandje, Bojan, als
een groen boeket zóó op ’t water. Penjingat, vóór de boeg, ligt ook al
in palmengroen verscholen, met de witte torens óprankend van de moskee.
In de verte blinken helle horizonnen van lucht en licht, met telkens
eilandjes er tusschen, en bergen nu en dan, en vaag schemerende landen.
Hier en daar kijken heuvelen vreemd op in de verte. Mijn sampan-roeier,
terugroeiend naar de pier, is een donkere silhouet, en over het water
weerklinkt zijn zingen door de zuivere lucht.
De machine begint nu dof te stampen, en er komt een geruisch van golfjes
voor de boeg. Ratelend rolt de ankerketting op.
Van ’t achterschip komt een klagende, neuriënde melodie. Een jonge,
naakte koeliechinees zit eenzaam op de railing, als een boeddha-beeld
gehurkt, in zee te turen en speelt maar op een kleine bamboe-fluit, en
speelt en speelt.... de melancholie misschien wel van zijn eigen ziel,
die hij zelf niet weet.
Langzaam begint de boot te draaien, en wij stoomen al dat opene, dat
ruime, dat lichte vóór ons tegemoet, op de blinkende, schitterende
horizonnen aan, waarachter het groote Leven ligt van de rustelooze
wereldbeweging, die ruischende over de stille aarde gaat.
De witte gebouwen, de lage huizen van Tandjong-Pinang worden al kleiner
en kleiner, en alles trekt weg, als door een langzaam uitgeschoven
verrekijker, omgekeerd gehouden.
Hoog op de boekit van de benteng, waar mijn witte huis ligt, staat een
rij zéér ranke en teedere tjemaras, nu door den afstand nóg gevoeliger
in de lichte lucht, en het plechtige wuiven van hun pluimen toppen is
als een hoog geheven afscheid.
De lucht is heet van zon, het bootje schommelt zachtjes, en in die
warme, luchtige wieging lig ik hier in mijn langen stoel uitgestrekt,
met dat loome, dommelige gevoel dat je alleen zóó geniet in het Oosten,
om stil de oogen te sluiten, van niets meer te weten, en in een vage
doezeling, zonder slaap, weg te soezen, met alle geluiden heel ver weg,
als door een gaas gehoord. Van beneden komt een weeë, zoetige lucht van
opium, daar liggen in de vuile kajuit koelies lodderig te schuiven, en
die geur komt telkens met vlaagjes naar boven. Ook de Aziaten om mij
rieken pénétrant, en ik weet dat ik die lucht nog òm mij hebben zal als
ik na een bad in mijn kamer zit van het hôtel in Singapore. Ik steek een
sigaar op, om het wat te verdrijven, doe een paar trekjes en probeer
wakker te blijven en mij te verzetten tegen het lamme, loome gevoel.
Maar de fluit op ’t achterdek blijft zoo droomerig klagen, zacht voel ik
mijn oogen dichtgaan en mijn bewustzijn vervagen, zóó laat ik mij
voortwiegelen zonder wil....
Dit duurt zoo een paar uren. Nu en dan soes ik op, hoor even een lach,
van héél ver, ’t schreien van een kindje, het klagen van de fluit, maar
alle geluiden een donzen verdooving, alsof er iets tusschen de
werkelijkheid is geschoven en mijn droomen, zóó als je in ééne kamer in
een kamer daarnaast iets vaag hoort. Dàn lig ik lang te droomelen,
zachtjes bevende in mijn stoel onder de donkere dreuning van de machine,
tot een schor angstgeschreeuw mij terugschokt in het waken. Het is de
stoomfluit van de "Emilie”, die de voorbijvarende zusterboot groet, de
"Resident Schiff Bahroe”, die van Singapore naar Riouw terugkeert. Ik
schrik op en weet weer op eens waar ik ben. De inlanders en chineezen om
mij heen zitten nog precies eender, of ik een paar seconden slechts
geslapen heb, maar op mijn horloge staat het twee uur, ik moet dus bijna
drie uur gedommeld hebben. En al dien tijd hebben die donkere figuren in
wit daar roerloos gehurkt gezeten, zóó, als alleen oosterlingen dat
kunnen, de oogen wijd open, als standbeelden, zwijgend alsof zij hun
leven wat laten ophouden, als een uurwerk, dat even stil staat. Een
Aziaat kan zóó uren gehurkt zitten als een kalm Boeddha-beeld, zonder
zijn leven te weten, de oogen open, waar de werkelijkheid geen beelden
meer in kaatst, diep in zijn onbewust zieleleven verzonken, als een
boom, die roerloos in de lucht staat, als een stille bloem, die géén
winde-adem beweegt. Ik zie in de donkere, sombere oogen van den hadji
vóór mij, waar geen gemeenschap met mijn leven in straalt. Even
schitteren zij als ik hem aanzie, schitteren van ingehouden haat en
verachting, als van een heilige, die het onreine ziet en de zonde. Het
geel-zijden kindje ligt zacht te slapen op de donkergevlekte
tijgerkleur-sarong van de oude nènèh, die daar zit als een rimpelige
tooverheks uit een oostersche legende, en de zon vlamt er goud-tintelend
over heen, of ’t een gulden afgodsbeeldje was. De lucht òm mij, nog
heeter door ’t broeiend uitstralen van de stoompijp, trilt zachtjes in
bevende wriemelingen, als de lucht wel doet boven een gloeiend fornuis.
Ik zie nu eerst, dat op een vuile groene tafel tegen het kompas aan waar
de djoerágan[9] zit, een japansche mousmé languit ligt te slapen, in een
blauwe kimono met rood-en-gouden vogels en bloemen. Daarzóó was zij er
nog niet, zij moet hier boven gekomen zijn toen ik sliep. Nu ligt zij
daar als een bonte, oostersche vogel, neêrgestreken op het dek, als een
wondere, kleurige kapel, de vleugels wijd uitgeplooid in zijn val.
[9] De stuurman.
Het riekt hier kwalijk van weeë, zoete geuren, ik ben hier op eene
vuile, griezelige boot, maar tóch lijkt het hier een tafereel uit een
oud, indisch sprookje in richesse van prachtig décor, die Arabieren in
paarsch en geel, dat gouden kindje, die vrouwen in gevlamde sarongs als
koningstijger-huiden, die bronzen, gloeiende gezichten, met oogen
broeiend van verborgen vuur, in die van goudstof wemelende lucht, die
trilt en beeft van hitte.
Waar zijn wij nu?.... ik richt mij moeilijk op van mijn stoel en kijk in
’t rond. Wij varen nu juist het eiland Batam voorbij, waar schamele
bamboe-hutten staan in schaduw van palmen. Overal palmen, palmen,
palmen, die pralende boomen van pracht, met hun heilige bogen als
gothiek van kalme cathedralen, wij varen ze voorbij als een eindeloos
groen paleis, waar goddelijke wijsheid woont. Dán open zee weer door, en
dán weer kleine eilanden vol groen, die eilanden van de Riouw-zeeën, die
als drijvende boeketten zijn in ’t wijde, zonlicht-spiegelende water, de
boot vaart door een groenen tuin in zee, tot eindelijk, bij Poeloe
Samba, het groote, onbegrensde uitdeint van de open Chineesche zee.
En ’t is als een belofte, die plotseling eindelijk in vervulling komt,
dat wijde, wijde water, waar nu witte golf-koppen schuimen; je ziel
voelt iets wonderbaarlijks groots, dat op je afkomt van de verre verten,
waar horizonnen wijken naar oneindigheid van heilig licht en lucht.
Toen stoomde de kleine boot vrij en onvervaard de open Chineesche zee
in, waar je blikken wegvliegen voor altijd, als vogels, die niet
weeromme komen, waar je ziel zich wijde uitdeint, en nimmer einde
vindt....
Dit is voor mij het gróótste, dat mijn leven heeft gevoeld: in
eindelooze zee zijn, waar géén grens de horizonnen breekt, waar géén
achter is en vóór, want alles is hetzelfde, en alles toch weer anders,
of verleden toekomst was en toekomst ook verleden, en de ziel voelt in
de zee van haar eigen oneindigheid het schoone beeld.
Ik sta het roerloos aan te zien, over de railing geleund, ik zie de
horizonnen wijken, ik voel mijn ziel die zich uitdeint over de zee. En
het oude, groote verlangen heimweet hoog in mij op, ik hoor het roepen,
het zwijgende, maar zéér duidelijke roepen van verre, ik zie het wenken
van wijd en zijd, met roerloos gebaar, en ik wil komen, ik wil nu
eindelijk, eindelijk komen, mijn ziel kan het nu niet langer meer
bestaan, en hijgt als een moede, zachte vogel tegen de harde wanden van
den schoonen schijn van werkelijkheid, die haar in dit leven houdt
gevangen. Dáár is het verre, open vrije, dat geen droeve grenzen kent,
dáár wenken de horizonnen, waar ’t eindelooze roept, ik voel, dat nu nog
slechts een vaag en broos omhulsel de Liefste van mijn ziel van mij
verwijderd houdt, den adem voel ik stokken in mijn keel, mijn slapen
bonzend kloppen, ik word nu bang als één die in een eindeloozen afgrond
diep bedolven ligt en bóven ziet hij schitteren het gouden licht van den
dag, en ik wil schreeuwen, huilen, gillen om vrij te zijn, als een
kind, dat zijn vader ziet voorbijgaan in de verte, en staat verlaten en
alleen op wijde, wijde heide....
Één oogenblik, één eeuwigheid misschien, één ademing in ’t eindelooze,
die ik sidderend door mijn moede ziel voel gaan, en dán sta ik weer hard
in ’t leven terug, op een vuile, schamele boot, ik zie de menschen om
mij heen, als een die terug is van een verre reis, en niet begrijpt dat
hij ooit henen is geweest.
Nu maar even praten wat, heel gewoon, met den djoerágan, over ’t weêr,
met mijn boy, over de kosten voor zijn logies in Singapore, en straks
nog wat kijken naar de koelies, die aan ’t dobbelen zijn en "tsapdzi-ki”
spelen in de kajuit, bij de opiumschuivers. Ik beweeg mij onder die
vreemde menschen als een eenzaam kind, weg van huis, die toch weet dat,
ergens héél ver, zijn’ goede Vader woont....
Nog een groot uur varen wij zoo door, dán, over de verschansing starend,
zie ik de horizonnen breken, en lijnen van verre bergen doemen op, wijl
in ’t verschiet vóór mij een groote witte vlek aan ’t opplekken is, En
kijk, dáár, zijn dat dunne, ranke stammetjes van boomen?.... neen, ’t
zijn masten, masten van schepen moeten ’t zijn.... hoe vaag en ijl nog
weifelen ze daar vèr.... dat moet de haven zijn, de goede haven,
Singapore is in ’t zicht!
Al dichter en dichter komt ’t nu naderbij, de witte vlek wordt grooter
en donkere, zwarte vlekken plekken op ’t water, dáár liggen groote
booten gehavend, dáár staat de witte en gele huizen-stad in de late zon.
De rompen van booten worden nu zichtbaar, de dingen beginnen te
verduidelijken in de verte, nu teekent ieder apart zich af, of een
kijker langzaam, langzaam openschuift, ik zie al groene boomen in lange
rij, de boomen van de Esplanade, ik zie ’t leemen geel van een kerk, en
een paarschen band om de zwarte stoompijp van een grijs schip.--Achter
de massa booten op ’t water vóór ons, ligt het breede panorama van de
wit-en-gele stad, hoog op een heuvel waaien roode vlaggen van een
seinpost, die de komende booten signaleert.
In den blauwen hemel drijven blanke wolkenstoeten boven de zee, en varen
langzaam weg naar het opene, ruime. Zoo zachtjes is hun statiglijk
bewegen, o! die blinkende dingen van schoonheid daar boven mijn hoofd,
zij weten niet waarheen zij droomen, rustig onbewust, glanzende vol
zaligheid in ’t licht van de zon....
Wij varen nu op een groot, grijs schip aan, dat het dichtst bij de zee
ligt, het vèrst van de stad. Een oorlogsschip is het, een grauwe,
grimmige kruiser.--Dreigend rekken twee lange vuurmonden uit een
barbette vóór op het dek. Nog meer kanonnen steken van ter zijde uit,
als gereed voor onheil, spits punten de loopen van revolver-kanonnen uit
de gevechtstorens hoog in de mast.--Ik richt mijn kijker op den boeg,
waar de naam moet staan, het is de "Eclipse”, een engelsche man-of-war.
Er is iets van dreiging en verderf om dat grimmige, groote vecht-ding,
daar op het water.
Nu komen andere, grijze schepen, als lompe, ijzeren bakken, zacht
deinend op het water. Mannetjes loopen er heen en weer, klein en
popperig. Het lijken wel insecten op een log, groot beest. Wij varen nu
tusschen veel schepen door, vreemde, ongeweten dingen, met een paar
bekende er onder, zooals je ook bekende menschen tegenkomt onder
vreemden, een paar zwarte booten van de Paketvaart, met de gele
stoompijp, sierlijker en vriendelijker dan de zware, grauwe cargo-boats
in ’t rond. Bont ligt het saamgekomen volk van booten daar te samen in
de haven, met een vage onrust er omheen, van wèl even nu rustig liggen,
maar toch weer weg moeten straks, naar verre landen. Er is iets van die
vreemde landen en onbekende dingen om hen, dat prettig aan doet na het
eentonig bestaan in een kleine uithoekpost, het zelfde zéér belangrijke
en onbestemde, dat ook aan vreemde menschen is, die je ziet loopen in je
land.
De kade langs de Esplanade ligt nu al duidelijk vóór ons en rijtuigen
zie ik stemmig rijden onder de groene laan van boomen.--Een zachte rust
ligt over die dingen van het land. Het is als thuiskomen na een verre
wandeling, onder veilig dak. Dit lijkt nu heel niet oostersch meer, die
groene allée met af en aan rijdende equipages, en dáár, dat ruime
grasveld, waar ik, heel klein, nu menschen heen en weer zie loopen, op
een terrein van sport. Hoe vreemd, dat stille, stemmige daar nu opeens
van een Europeesche stad....
Ratelend rolt het anker af, de boot begint te wiegelen op ’t water, en
opeens komt een eskadertje sampans op ons af, in wild dooreen-gewoel,
met heesch gillende, naakte chineezen, die om hun vrachtje schreeuwen.
Met schokken stooten de ranke schuitjes tegen de ijzeren boot, en
blijven botsend schommelen, terwijl de roeiers als katten opklauteren,
de railing over.
Mijn boy helpt mij in een sampan, en dáár wiegel ik deinend de zee over,
naar den kaaimuur, waar een hoofd met steenen trapjes is. Het gaat zoo
wonderlijk snel alles, ik voel mij de trappen opklimmen, ik weet mij
stappend in een gharry[10], ik hoor mij den klingaleeschen syce[11]
zeggen dat ik naar ’t "roemah makan”[12] "Europe” moet, dán rijd ik
ietwat verschrikt van al ’t leven ineens, door véél rijtuig- en
menschenlawaai, en ik sta in de "office” van een engelsch hôtel, waar ik
om een kamer vraag. Nu gauw een bad nemen, heerlijk koel, ’t koude water
neêrkletsend op mijn heete, naakte lijf, doorzengd van zon, een schoon
wit pak aandoen, alles frisch en nieuw en zuiver aanvoelen, en dan
dadelijk naar buiten, om nog wat te genieten van den schemerenden avond,
het uur van zessen, als Singapore op zijn mooist is, en de rijke
rijtuigen in pralende parade door de breede allée rijden langs de
zee...
[10] Klein indisch rijtuigje met geschilderd houten stores.
[11] Koetsier.
[12] Hotel.
De groene Esplanade ligt langzaam te verinnigen in de fijn neêrwemerende
schemering van den avond. Stil staan de boomen rond het groote, groene
grasveld, waarvan de kleur vreemd staat te verinnigen in de al teêrder
en teêrder brekende atmosfeer. De lucht daarboven is van een broos
blauw, waar vaag een luchtige neveling doorheen droomt, het nergens
anders geziene, aandoenlijke Singapore-blauw, wazig van zachte
damp-essences doorzeefd, door het langzaam vervliegende losse stof van
de straten. Het is ’t teêre blauw van April, waar droevig herfstblauw
van October doorheen wademt, en een vreemde ontroering gaat er van over
je ziel, alsof je in zachte, droeve meisjesoogen zag. Klein, als witte,
draaiende vlekken, bewegen in dat groote, groene grasvlak de figuren
van tennissende Europeanen, met hier en daar het opkleuren van een rose,
een blauwe blouse. Dit lijkt nu heel niet oostersch meer, dit lijkt een
stemmig sport-tafereel uit een verre, Engelsche stad.
Aan de overzijde van waar ik dit twijfelend sta aan te zien, zie ik de
licht leem-gele anglikaansche kerk uitkomen achter de rij groene boomen
langs den rijweg, en de witte gebouwen van ’t Hôtel de l’Europe. Hoe
intiem, hoe westersch vertrouwd lijkt dit alles, dit kán het Oosten niet
zijn, dit groene grasveld, waar tennis-ballen vliegen, die witte,
wemelende sportmannen, die teêre lucht van April, die oude kerk van
christelijk geloof, waar ik nu plechtig het uur van zessen uit hoor
slaan, dit is te lief-intiem, te home-like om het vreemde Oosten te
kunnen wezen...
Achter mij hoor ik het trappel-draven van rijtuigen, die geruischloos
voortglijden op gummibanden over het asfalt van den rijweg, en overal,
langs het grasveld, op den breeden boulevard, tusschen de boomen zie ik
de schitterende équipages gaan, als in ’t Hyde-Park in Londen, als in ’t
Bois-de-Boulogne in Parijs, waar ’t groote Europeesche wereldleven
pralend voorbij trekt met gala van livereien en pracht van fortuin.
Maar als ik mij nu omwend en ’t aandachtig aanzie, kom ik weer tot ’t
bewustzijn, dat ik in ’t Oosten ben, en midden in ’t oostersche leven
sta. Dáár, in die van lakvernis blinkende landauers, getrokken door
hooge, statige Sydney-paarden, wier harnachement van goud en zilver
schittert, zitten, lui in de blauwe zijde van gecapitonneerde kussens
geleund, de dikke chineesche parvenu’s, de logge geldkoningen van den
handel, verachtelijk neêrziende op de voetgangers en het volk. Hoe zit
die vette baba[13] daar prat, de knieën over elkaar, in die westersche
équipage, hoe bête-voldaan is de domme glimlach van zijn zinnelijken
mond, hij zit daar als een modern, van vleesch puilend boeddha-beeld van
Poei-Lik[14], den komenden Boeddha, die nù in zinnelijk zalig-zijn van
eten en drinken zwelgt. En daar, die gele dogcart, met dat glanzende,
zwarte paard; fief zit daar die jonge, chineesche roué te mennen, bewust
van zijn millioenen, de cigarette los tusschen de lippen, de blauwzijden
pochet coquet uit de vestzak van zijn zwarte jasje gestoken. Dit is het
pratte, chineesche parvenu-dom van Singapore, dit zijn de puissante
geld-potentaten van den oosterschen handel, die Singapore regeeren met
hun millioenen, en waar alles voor buigt, ook de blanke Europeanen, die
hun naar de oogen zien.
[13] In Indië geboren rijke chinees.
[14] Maitreya. In de populaire, grove voorstelling zwelgt deze in
materieel welzijn.
Zij zitten superb en almachtig in hun geverniste, lak-en-zijden
equipages, de zelfvoldaanheid glanst op hun slimme, gele
Mongolen-gezicht, en zij hebben hun grove parvenu-dom ten toon gesteld
in ’t overladen goud-en-zilverwerk van hun attelages, in de dik gouden
huzaren-uniformen van hun bengaalsche syces[15], die als gala-koetsiers
zijn van een prinselijk hongaarschen magnaat. Al maar door, ál maar door
zie ik de staatsiekoetsen van die chineesche geldkoningen aan mij
voorbijgaan, die deze stad vol zwoegende koelie-slaven regeeren, als
oostersche potentaten uit de Duizend en Één Nacht. Voor hen trekken de
duizenden ossenkarren met naakte, glimmende Singhaleezen door de
straten, voor hen sjouwen de duizenden zweetende koelies met zware
lasten van de werven den langen, zon-doorbranden weg op naar de stad,
voor hen varen de groote, grijze booten uit China en Siam af en aan, van
hen is de rijst, opgestapeld in reuzenmagazijnen, van hen zijn de
koelie-depôts van jammer en misère, waar zij in menschenslaven handelen
met den christelijken Europeaan, die koloniseert. Zij weten zich de
koningen van deze immenze stad van slaven en prostituées, zij weten zich
de meesters van al de geldjagende, snorkende, blanke kooplui, die hun
handjes geven en glimlachend smeeken om hun gunst. Zij hebben hun
bungalows en chineesche paleizen vol vrouwen en schandknapen en slaven,
waar zij regeeren als een oostersch tyran, en, zeker van hun bezit onder
de Engelsche wet, waar ze in China zouden sidderen voor hun plunderende
autoriteiten, verachten zij ze diep in hun innerlijke, mongoolsche hart,
de blanke barbaren, wier overheid hen beschermt, maar die hun tóch
onderdanig naar de oogen zien, om den veilen dollar.
[15] Inlandsche koetsiers.
Hun schitterende équipages vullen den zijweg geheel, waar nu en dan ook
een Europeesche bespanning doorheen gaat, met deftige, Engelsche heeren
en bleeke, kwijnende ladies. In een blauwe victoria zie ik een frêle
Engelsch meisje van veertien jaar, denk ik, in licht blauwe blouse, een
wit strooien hoedje op, en rijke, goudblonde haren los over rug en
schouders. Dit blonde, kinderlijke van broos, blank maagd-meisje is
opeens als een sprookjes-verschijning tusschen al de bronzen oostersche
mongolen-gezichten der donkere Aziaten. Ik zie haar starend na, een
teeder ding van schoonheid, dat mij éven voorbij gaat, éven een zachte
ontroering wekt in mijn aangedane ziel, en dán weer heen zal zijn, voor
goed.
Nu volgen weer landauers met chineezen, weêr een, en weêr een, en dan,
opeens, een mirakel van kleur, een rieten panier, met een klein Delisch
paardje, waarin een Klingalees in purperen zijde, een klein kindje op
den schoot, in een mantel van blinkende goudstof. Het lijkt wel een
gouden beeldje uit een oosterschen tempel, door een priester gedragen.
Liefderijk houdt de purperen vader het gouden kind omvat, dat met zijn
naakt, geschoren kruintje, waar één lokje uit op staat, tegen hem
aanleunt, het zwartbruine gezichtje oud en wijs, als van een
Boeddha-kindje. Fél licht het even op, het purper en het goud, en is dán
weer voorbij, als een àl te hel flikkerbeeld uit een droom, dat opeens
weer weg is.
Tusschen de blinkende équipages rijden rickshas, met bruine
koeli-beesten er voor, er zitten Canton-vrouwen in, met zwart
bombazijnen jakken, en popperige japansche demi-mondaines in
lichtkleurige, kimonos, het prachtige haar in hooge coiffures gekapt,
die een creatie van kunst zijn, waar roode bloemen in glanzen. Zij zijn
liefelijk om te zien, als bonte vlinders, haar lichamen zijn kinderlijk
als van kleine meisjes, en zij lijken meer groote, prachtige poppen in
rijke kleuren, in poppenwagens gereden, dan vrouwen, die op prostitutie
uit zijn, en lokken voor den avond. Chineezen, in Europeesche
fantasiepakjes, met wit vest en hooge boorden, witten stroohoed op en
gele schoenen, staan hier en daar, den arm op het portier geleund, voor
even stilstaande rijtuigen te praten met hun vrienden, en paradeeren en
loopen te flaneeren, als swells in Hyde-Park doen.
Zóó gaat de avond-parade van de Esplanade druk woelend voor mijn oogen
voorbij. De schemering daalt nu langzaam zwaarder over de dingen, en als
’t wat donkerder wordt en de lantaren-lichtjes beginnen te pinken langs
het duister wordende grasveld, worden de rijtuigen schaarscher, en gaat
het leven allengskens uit. Dán wordt de atmosfeer nog inniger, het
groene gras krijgt een vreemde, sombere kleur, de boomen staan
duidelijker en gevoeliger tegen de lucht, en de hemel doezelt zacht, in
doffe tinten brekend, weg.
Ik wandel nu langzaam den rijweg over langs de Esplanade en loop naar
het smalle paadje langs den steilen graniet-wal van de kade. Het groene
grasveld, de stille boomen, de enkele, nog laat rijdende équipages, zijn
nu achter mij, en vóór mij ligt de zee, de zee, die zacht is en egaal,
in blauwe neveling van schemer. Dáár liggen de moede, eindelijk
aangekomen booten, rustig geankerd. De groote, grijze vrachtbooten van
verre, de kleine, witte passagiers-stoomers van nabije streken, alle
dooreen, te zamen veilig in de goede haven, in een sfeer van
tevredenheid en kalmte. Grimmig ligt, het verst van allen, een groote,
grauwe kruiser. Dat moet de "Eclipse” zijn, die wij vanmiddag
passeerden. Links, ver af, een vloot van chineesche jonken, de fijne
masten ijl in de lucht, als een bosch van heel dunne stammetjes,
gevoelig en teer. Zacht wiegen vóór mij de donkere rompen van de booten
op een vage, loome deining. Een sampan gaat langzaam onder mij voorbij,
de roeier neuriet onbewust een klagend chineesch wijsje. Groote, logge
wrikbooten met lading drijven piepend aan, de gele koelies wrikken
zwoegend aan het roer. In de verre verte komt met een fijne rookwolk in
de lucht een grijze stoomboot aan. Daar achter is het ruime, het wijde,
het opene...
Die eindelooze zee daar vóór mij te weten is een zaligheid die ik ken
van vroeger, toen ik woonde in China, bij de baai van Amoy. Alles wordt
klaarder, bewuster, van-zelve in je. Dat veilige gehavend zijn, dat
zacht-gelaten wachten van die groote booten vóór je, die van zoo verre
moeizaam zijn gekomen, geeft je geloovigheid en rust. Zóó zal alles
eindelijk terecht komen, gerust in veilige haven...
Het duister begint nu zwaarder heen te doezelen door het nevelige blauw.
Op den grooten, grauwen kruiser in de verte gaat een rood lichtje
omhoog, dán nog een, en dán blinkt er langs boord een rij electrische
lichten plotseling op, als een illuminatie. Langzaam, een voor een,
beginnen ook seinlichten te pinken op de andere booten. Altijd meer
komen ze op, als sterren. Een koele wind waait langs me uit de zee, zóó
zacht op teederen adem, dat een ontroering door mij heengaat, of mij
iets zéér vriendelijks werd gedaan. Ik zie ’t opeens alles van een
wonderlijke innigheid overtogen. Ieder schip draagt nu zijn lichtje,
hoog in de mast, en somtijds schommelen ze even. De zachte,
langzaam-wiegende deining van die booten is aandoenlijk als het rythme
van een heel teedere muziek. Opeens gaat een donkere, roodachtige schijn
over de zee, mystiek, van waar gekomen? Een vaag heimwee weent in mij
op, naar wiè, naar wàt, naar dat verre, oneindige daar vóór mij, waar
iets luidloos roept en wenkt en wacht uit de zee...
O! Komt het nu weer terug, van vanmiddag, dit eenzaam zijn en terug
willen naar het oneindig, ongeweten Thuis, dat mijn ziel vóórgevoelt als
ik daar staar over de zee? Dit is de verschrikkelijke verlatenheid, het
hongerende heimwee, als het eindelooze horizont voor mijn ziel. Nu niet
zoo diep ellendig worden ineens, nu teruggaan, waar menschen zijn in
véél licht en leven, want mijn zwakke lijf kan dit niet dragen, dit
trillen en beven van mijn ziel, die de eindeloosheid voelt wenken over
de groote, groote zee...
Ik keer mij om en wandel terug naar het hôtel. De Esplanade is nog niet
heel en al duister geworden, de dag verlangt nog, en hongert nog wat in
hoeken rond. De boomen-kruinen en de hooge heesters in den tuin van het
Hôtel de l’Europe zijn nu donkere boeketten. De lantaarns langs ’t
grasveld pinken vriendelijk licht, en ik lijk nu wel weer op straat in
Holland, wandelend langs een groene Maliebaan in laten schemer, als de
lantaarns opgestoken zijn. Daar gaat een kar met twee ossen mij voorbij,
die langzaam neenschudden, heen en weer, gebogen onder het nek-juk. Een
zwarte Singhalees, naakt, met een purperen lendedoek en een purperen
hoofddoek, staat rechtop in de kar. Een naakte, zwoegende drijver, maar
hoe fier en majestueus staat hij daar met zijn zwart-bronzen lichaam,
het purper vlammend om zijn donker hoofd; hij lijkt eer een keizer, een
sombere god, tronende op zijn zegewagen. Wat een pracht nu opeens weer,
hoe statig gaat dit mij voorbij, ’t is een simpele vrachtkar met ossen,
maar ’t is van een majesteit als een statig tooneel op een oud-egyptisch
relief! O! Het wondere, wondere Oosten, hoe lief heb ik het weer opeens!
Dán ratelt een ricksha mij weer achterop, en rijdt naast mij wat
langzaam, met twee galante mousmé’s, twee poppen in bonte kleur. Zij
kijken naar me met haar scheeve amandel-oogen, en lachen, en waaieren
zich koket. O neen! mijn kleine kinder-vrouwtjes, hier ben je niet
terecht, maar aanbiddelijk lief zijn jullie toch in je popperige gratie,
jullie meisjes van Japan...
Zóó komt het ééne beeld hier plots na het andere, in deze stad van
wonderen, en ’t heimwee van daar straks, aan zee, wijkt angstig weg en
blijft weer diep in mij zwijgen, nu ik word afgeleid door prachtige
kleur en bewegen...
In de open Bar van het Hôtel de l’Europe ga ik zitten, onder allerlei
vreemde, luidruchtige menschen, die gezellig om tafeltjes zijn gezeten,
rookend en drinkend. Nu is het plotseling weer gansch Europeesch, een
heel gewoon, druk café, ergens buiten, ’s zomers, in Holland. Maar toch,
neen, de bedienden zijn stille, gele Chineezen in wit, de lange staarten
op den rug, en glijden geruischloos voort op hun vilten
pantoffel-schoenen. En binnen, in de zaal, zie ik den donkeren
Klingalees met zijn bazaar, een tulband van gouddraad op het hoofd. Hoe
roezemoest het praten hier van al die drinkende Europeanen! Ik hoor
Duitsch, ik hoor Engelsch, ik hoor ook Hollandsch. Hier zitten alle
natiën van ’t Westen door elkaar, van heel verre saâmgekomen, met vele
booten, in deze vreemde stad.
Ik lees een Engelsche courant, de "Straits Times”, ik drink de ijskoude
whiskey-soda, en zit zacht te genieten van weer eens in ’t groote
wereld-leven te zijn.
Dán hoor ik de bel luiden voor het diner, en door den tuin, waar roode
spatodea-bloemen mystiek te glanzen hangen in ’t licht, dat uitstraalt
uit de eetzaal, kom ik in de "dining-room” van het hôtel.
Je moet zelf gewoond hebben op een afgelegen, Indische buitenpost, waar
de groote wereldbeweging niet doordringt, om te beseffen het uitbundige
genot, opeens weer in het internationale Leven te zijn, en te voelen,
dat je er weer in wordt opgenomen, dat het zich om je sluit. Alleen het
enkele zitten in je eentje, in de buitengalerij van de Bar van dit
"Hôtel de l’Europe” is al zoo opwekkend, al die vreemde gezichten om je
heen te zien, menschen te zien binnenloopen van een aangekomen mailboot,
die weer iets van het Europeesche leven meêbrengen, en waardoor je als
’t ware weêr aangehaakt wordt aan het groote Leven, als ze dichter bij
je komen te zitten.
En nu, in de eetzaal, waar al de witte, gedekte tafeltjes staan, en
geruischloos de chineesche "boys” loopen op hun vilten schoenzolen, zit
je knusjes in je eentje te eten, blij dat al die menschen om je heen je
nu eens niet kennen, die tóch vertrouwder aanvoelen dan de, altijd
dezelfde, tergend weerkomende gezichten uit het pas ontvloden indische
uithoek-gat. Vooral de menschen, die pas van groote mailbooten af zijn
gekomen, vindt je bizonder interessant. Je hoort het aan hun
gesprekken, en onwillekeurig luister je, wat ze zeggen. Ze spreken hier
Engelsch, Duitsch, Fransch en Spaansch, ze zijn van alle kanten gekomen
en gaan naar alle zijden heen, en zitten hier nu enkel even in een
Singapore’sch hôtel, omdat de boot een dag ligt te laden. Er is iets
ruims aan die menschen, iets van verre luchten en horizonnen, ze brengen
je iets mee van het groote Wereld-Leven, dat je als een adem om hen
voelt.
Zóó zit je in je zalige eentje te genieten, terwijl de
langzaam-bewegende punkah-vleugel zachtjes wuifwaait boven je hoofd, en
de chineesche boys geruischloos om je heen bewegen, de lange staarten op
den rug. Nu en dan komt een donkere Bengalees, een prachtreus van een
kerel, in khaki, met een rooden tulband op, en schuift zwijgend uit
kristallen bokaal een klompje ijs in je glas. Buiten glanzen de roode
bloemen aan de spatodea-boomen met vreemd-mystieken gloed in het
uitstralend licht van de zaal. En de geur van de fijne curry uit Madras
maakt je vaag droomerig, met een, zacht, oostersch charme, lichtelijk
sensueel.
Ik zie met bewondering naar een paar Engelsche vrouwen, die in vol
avondtoilet aan tafel zijn gekomen, gekapt en gedécolteerd. Er is iets
bleeks en kwijnends aan die frêle figuren, die het langoureus,
teringachtig teint krijgen dat je enkel ziet van blanke vrouwen in de
tropen, maar iets zeer gedistingueerds ook, als van transparante
bloemen, die wègkwijnen in te veel licht.
Één lange, slanke lady doet mij vreemd aan, met haar fonkelende, roode
haar en haar hals en schouders, wit als matte lelies, die aan ’t kwijnen
gaan. Dit zacht wegteerende, lichtelijke zieke en fijnbleeke van
westersche vrouw, hier in die gloeiende heet-oostersche omgeving.... Er
is iets mats en tegelijk iets pénétrant-innigs in haar lichtblauwe, vage
vergeet-mij-niet oogen, dat mij troubleert, als zij wel eens toevallig
mijn kant opkijkt. De zachtstreelende wuiving van dien grooten, witten
punkah-vleugel boven mijn hoofd, de zoetige geur van indische curry en
kruiden, en ’t charmeerende mooi van die bleeke, matte vrouw met dat
rood-goudene haar, de vreemd-mystieke gloeiing der roode
spatodea-bloemen buiten, en de oostersche nacht, die daarachter broeiend
geheimt, dat alles maakt lichtelijk duizelig, om de oogen dicht te doen
en van verre, vaag-belovende dingen te droomen. Nu, na het diner, de
fijne Havanah nog, bij de sterke, zwarte koffie, de blauwe rookwolkjes
warm om je hoofd doen gaan, dra weer weggewuifd door de waaiende, witte
punkah, en een sensatie van zacht bien-être komt over je, de oogen,
zwaar en loom, nu en dan knippende in het licht. Hoe heerlijk, nu weer
midden in ’t groote Leven te zijn, die verschrikkelijke benauwenis van
Riouw ontvlucht, onder al die vreemde menschen, die van zéér verre zijn
gekomen, en iets met zich meê gebracht hebben van ruime horizonnen en
luchten! En die mooie, kwijnende vrouw daar, met haar matte, witte
borst, een frêle ding van schoon, van wáár is zij gekomen, om nu éven
wat liefelijks in mijn leven te doen schijnen, en straks weer ongemerkt
heen te gaan, waarheen?.... om nooit weer terug te komen. Zóó kwamen al
véél lichte verschijningen van schoon in mijn leven, die éven vaag
troebleerden, en dra weêr henendroomden naar horizonnen ver....
In de verte fluit lang en heesch een boot, met dof geroep, van over de
zee. Dat is één van die groote, donkere schepen, die ik een uur geleden
op de Esplanade zag liggen wachten in de haven. Die zal nu aanstonds
wegstoomen uit de veilige, vertrouwde haven, en zoeken de eindelooze
zee.... En ik voel een onweerstaanbaar, heimweeënd verlangen om óók weer
op zoo’n boot te zijn, om weg te varen, ver, o ver van al ’t lieve, maar
altijd zelfde van mijn huis, naar ’t Noorden, de Chineesche Zee in, om
terug te zien de golvende bergen van China, en de grijze rotsen, en de
heilige tempels, waar de Boeddha’s wonen, en Kwan Yin....
O! dat vage, verre verlangen van mijn rustelooze ziel, om altijd verder
over de groote zeeën te gaan, en te zwerven, te zwerven, en ’t nieuwe
schoon te vinden en lief te hebben, om ’t dra weer te verliezen, en
onbevredigd weer heen te gaan, om ál maar nieuw weer droomend te zoeken,
over de horizonnen van de zee, en weêr te zoeken, en nooit te vinden....
Hoe vèr, hoe vèr heb ik nu niet gezocht! Over heiden en duinen van lief
Holland, in somber Londen, in lichtst Parijs, in de eenzame Caracallen
van Rome, in dood Pompeji, in Capri’s liefelijk paradijs, in donkere
kratermeren van Java, in China, ver over de zee, en nu zit ik hier weer
eenzaam in Singapore te droomen, en altijd roept het vreemd verlangen
mij verder, naar wat, naar wie, ik weet het zelve niet wat nu nog komen
kan....
Om al die menschen in deze zaal hier is iets van dat verre, dat
zwervende; zij kwamen van die booten, die maar éven veilig rusten in de
havens, en dán weer verder stoomen naar altijd nieuwe horizonnen en
luchten. Dat maakt iets vaag verwants aan hen, het vreemde aan hen trekt
mij aan, en ik voel een ongeweten sympathie tusschen hen en mij
geheimen.
Langzaam slurpend aan mijn koffie, droomerig uitblazend den geurigen
rook van mijn sigaar, blijf ik nog lang stil na-genieten in ’t
gezellige, home-like restaurant-intérieur van al die witte tafeltjes,
waar al die goed gekleeden Europeesche menschen zitten van het groote
Leven, dat ik maanden lang ben kwijt geweest in mijn eentonig
ballingbestaan op dat indische eiland.
Om acht uur ben ik pas weer terug in de Bar, niet wetend wat te doen.
Wat shoppen in de High-street hiernaast, wat neuzen in al die leuke
klingaleesche, chineesche en japansche toko’s, alles uithalend, en
pingelend, en taxeerend? Of nog wat soezen eerst, in die lange
luierstoelen in den hoek daar, van Thonet, en dán wat ronddolen in de
chineesche avond-stad? Ik weet de vreemde charme hier nog van, nu tien
jaar geleden. Ik weet het schrikkelijk fantastische nog wel van
donkerrossigen leemgrond en kobalt blauwe, chineesche huizen, van overal
goud en vlammen en vuur, van duizenden duivelen schreeuwend en huilend
dooreen, die vreten en drinken als beesten, van lichte bloemenpaviljoens
en theehuizen met vreemd beschilderde chineesche vrouwen, van de
japansche wijken met bonte, lokkende mousmés, waar de kleuren wuiven in
bonte pracht, en weeëlijk-wellustig tokkelt de tinkelende
samisèn-muziek.... Of is het alles een droom, en geen herinnering van
verre jaren? Of leefde hier niet ééne, in wie een eeuwigheid zich mij
ééns openbaarde, die wondere, weemoedige vrouw uit Japan, die als een
láátste incarnatie was, wier ziel mij huiveren deed van heiligen
eerbied, en voor de mijne straalde in zoo verblindenden glans? O,
zachte, peinzende Ohanasan, wier oogen droomden in ’t oneindige, wier
klagelijk lijf de láátste zondeboete dóór moest branden, eer uw ziel
verlost werd van ’t droeve leven, voor goed...[16]
[16] Zie mijn "De laatste Incarnatie”.
Neen, nu niet daaraan denken, dit zachtjes wegduwen, achter in mijn
ziel, dit is te teêr en te broos om mee te nemen straks in het harde,
lawaaiende leven van Singapore bij avond. Dit draag je, héél voorzichtig
bewaard in je binnenste, diepste geheimenis, vèr achter je harde gezicht
en je schuwe oogen...
Beneden op straat, onder de houten balustrade, liggen de ricksha-koelies
lui in hun wagentjes geleund, en schreeuwen luid hun schetterende,
muzikale taal. Arme duivels toch, in hun naakte, donker-kaneelen body,
die niets dan een bamboe-hoed hebben en een doek om de lenden, die
hollen als aangehitste beesten, het zweet druipend van de glimmende
huid! En tóch lachen ze ál maar door, als ze niet ruziën onder elkaar,
en hebben den bruten levenslust van dieren, en somtijds hoorde ik er wel
eens een neuriën, zacht in zijn eentje, als hij verlaten bij een hoek
stond te wachten, een klagelijk, lief liedje van schoonheid,
opgesprongen uit het donkere van zijn ziel....