V.

Van Oudijck voelde zich aangenamer gestemd, dan hij zich in weken

gevoeld had; in zijn huis scheen na die twee maanden saaie verveling

weêr iets van familieleven te komen; hij vond het prettig zijn twee

rakkers van jongens in den tuin te zien ravotten, ook al deden zij

allerlei kwaad, en vooral was hij heel tevreden, dat zijn vrouw weêr

terug was.

Zij zaten nu in den tuin, in négligé, thee te drinken, om half zes. Het

was toch heel vreemd, maar Léonie vulde dadelijk het groote huis met

een zekere comfortabelere gezelligheid, omdat zij er zelve van hield.

Dronk Van Oudijck anders vlug een kop thee, dat Kario hem bracht in

zijn slaapkamer, van daag al was die middagthee een prettig uur; er

waren rieten stoelen en lange mail-stoelen vóor buiten gezet; op een

rieten tafel stond het theeblad; er was pisang goreng gebakken, en

Léonie, in een Japansche, roodzijden kimono, haar blonde haar los, lag

in een rieten stoel en speelde met de kaka van Doddy en voerde den

vogel met gebak. Het was dadelijk heel anders, vond Van Oudijck, zijn

vrouw gezellig, lief, mooi, nu en dan iets vertellende van de kennissen

te Batavia, van de races te Buitenzorg, van een bal bij den Gouverneur,

van de Italiaansche opera; de jongens, vroolijk, gezond, jolig, hoe

vies ook van hun spelen—en hij riep ze eens bij zich, en ravotte even

met ze en vroeg naar het Gymnazium—zij zaten in de tweede klasse; en

zelfs Doddy en Theo schenen hem anders toe, Doddy snoezig en zangerig

rozen nu plukkende aan de bloempotten en Theo, spraakzaam, met mama, en

zelfs met hèm. Een prettige trek speelde om Van Oudijcks snor. Hij zag

er nog jong uit in zijn gezicht en nauwlijks scheen hij

acht-en-veertig. Hij had een scherpen, levendigen blik van vlug opzien,

van acuut doordringen. Hij was wat zwaar en had aanleg nog zwaarder te

worden, maar toch had hij behouden iets vlug militairs, en op zijn

tournées was hij onvermoeid; hij was een uitstekend ruiter. Groot en

forsch, tevreden met zijn huis en zijn gezin, had hij iets prettigs van

stevige mannelijkheid, en lachte om zijn snor de joviale trek. En zich

latende gaan, zich uitstrekkende in zijn rieten stoel, drinkende zijn

kopje thee, sprak hij uit de gedachten, die meestal in zulk een uur van

tevredenheid bij hem opwolkten. Ja, het was toch maar een goed leven in

Indië, bij het Binnenlandsch Bestuur. Ten minste voor hem was het

altijd goed geweest, maar hij had ook een beetje gebofd. Nu was het

wanhopig met de promotie; hij kende tal van assistent-rezidenten, die

zijn tijdgenooten waren en die in jaren nog geen kans hadden rezident

te zullen worden. En dat was zeker een wanhopige toestand, zoo lang te

blijven in een betrekking van ondergeschiktheid aan een superieur, op

dien leeftijd nog bevelen af te moeten wachten van een rezident. Hij

had dat nooit kunnen uithouden, op zijn acht-en-veertigste jaar! Maar

rezident zijn, zelf bevelen, zelf besturen een gewest, groot en

belangrijk als Laboewangi, met zoo uitgebreide koffie-cultuur, zoo

talrijke suikerfabrieken, met zóo vele erfpachtsperceelen—dat was een

genot, dat was leven: een leven grootsch en ruim als geen ander, en

waarmeê in Holland geen betrekking en leven te vergelijken was. Zijne

groote verantwoordelijkheid was zijner heerschersnatuur een genot. Zijn

werkkring was gevarieerd: kantoorwerk en tournée; de belangen van zijn

werk waren gevarieerd: men sufte niet dood op zijn kantoorstoel: na het

bureau was er de vrije natuur, en het was altijd afwisseling, altijd

iets anders. Hij hoopte over anderhalf jaar rezident eerste-klasse te

kunnen worden, als er een eerste-klasse gewest open kwam: Batavia,

Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zoû het hem

dan aan zijn hart gaan Laboewangi te moeten verlaten. Hij was gehecht

aan zijn gewest, waarvoor hij vijf jaar al zooveel gedaan had, dat in

die vijf jaar gekomen was tot zijn bloei, voor zooveel bloei mogelijk

was in deze tijden van algemeene malaise: de koloniën arm, de bevolking

verarmd, de koffiecultuur slechter dan ooit, de suiker misschien over

twee jaar een hevige crizis gaande tegemoet.... Indië kwijnde, en zelfs

in den nijveren Oosthoek begon te kankeren een loomheid en zwakte, maar

toch voor Laboewangi had hij veel kunnen doen. Gedurende zijn bestuur

was de bevolking in welvaart toegenomen; de irrigatie der rijstvelden

was er uitstekend, nadat hij den ingenieur, eerst altijd in strijd met

het B.B. [9] had weten te winnen door zijn tact. Talrijke stoomtrammen

waren aangelegd. De secretaris, zijn assistent-rezidenten, zijn

controleurs waren hem toegedaan, al was het zwaar werken onder zijn

bestuur. Maar hij had ook een prettigen toon met ze, al was het werken

zwaar. Hij kon joviaal vriendschappelijk zijn, al was hij de rezident.

Hij was blij, dat zij allen, zijn controleurs, zijn

assistent-rezidenten vertoonden dat gezonde, blijmoedige type van den

ambtenaar van B.B., tevreden met hun leven en werk, al bestudeerden zij

ook tegenwoordig veel meer dan vroeger den Regeeringsalmanak en de

Ranglijst, voor hunne promotie. Het was dan Van Oudijcks stokpaardje

zijne ambtenaren te vergelijken met de rechterlijke ambtenaren, die

niet vertoonden dat opgewekte type: tusschen beide groepen was dan ook

steeds lichte naijver, animoziteit.... Ja, het was een prettig leven,

het was een prettige werkkring, alles was goed, alles was goed. Er ging

niets boven B.B. Het speet hem alleen, dat zijn verhouding tot den

Regent niet gemakkelijker was, niet aangenamer was. Maar het was niet

zijn schuld. Hij had den Regent steeds zeer nauwgezet gegeven wat hem

toekwam, hem gelaten in zijn rechten, hem hoog gehouden tegenover de

Javaansche bevolking en zelfs tegenover de Europeesche ambtenaren. O,

het speet hem zoo innig, dat gestorven was de oude Pangéran, de vader

van den Regent, de oude Regent, een nobele ontwikkelde Javaan. Met dien

had hij steeds gesympathizeerd, hem had hij dadelijk gewonnen door zijn

tact. Had hij niet, nu vijf jaar geleden, toen hij aankwam te

Laboewangi voor de bestuursovername den Pangéran—type van den echten

Javaanschen edelman—geïnviteerd aan zijn zijde plaats te nemen in zijn

eigen rijtuig—en niet, zooals gebruikelijk was, den Regent laten volgen

in een tweede rijtuig achter het rezidentsrijtuig—; en had hij niet

door deze beleefdheid tegenover den ouden prins alle Javaansche hoofden

en ambtenaren dadelijk gewonnen en hen gestreeld in hun eerbied en

liefde voor hun Regent: afstammeling van een der oudste Javaansche

geslachten: de Adiningrats, vroeger, ten tijde der Compagnie, sultans

van Madoera...? Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon

hij niet vatten, niet doorpeilen—dit bekende hij zich slechts

stilzwijgend—; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals

hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den

rezident, alsof hij—prins—neêrzag op hem—Hollandschen burgerman; en

daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche

bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken

en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets

ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke

koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven,

zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem

altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens

de etiquette zijn „jongere broeder,” maar altijd medebestuurder van

zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen

Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van

geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s

faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem

onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche

gommeux!

Maar zijn disharmonie met den Regent—disharmonie alleen van karakter,

en nooit gekomen tot werkelijkheid van feit—hij draaide het mannetje

immers om zijn vinger!—was de eenige groote moeilijkheid, die hem

gedurende al die jaren wel eens had laten pikeren. En zijn

rezidentsleven had hij niet willen ruilen voor welk ander leven. O, hij

tobde nu al, wat hij later zoû doen als hij gepensioeneerd was. Het

liefst zoû hij zoo lang mogelijk blijven in dienst; lid van den Raad

van Indië, Vice-prezident... Wat hij niet zeide, maar stil ambieerde,

was, in het verschiet, de troon van Buitenzorg. Maar men had

tegenwoordig in Holland die vreemde manie om vreemden tot de hoogste

betrekkingen te benoemen, Hollanders, baren, die totaal niets van Indië

afwisten—in plaats van getrouw te blijven aan het principe oud-Indische

gedienden te kiezen, die van aspirant-controleur waren opgeklommen en

de geheele ambtelijke hiërarchie op hun duimpje kenden.... Ja, wat zoû

hij doen, gepensioeneerd? In Nice wonen? Zonder geld? Want sparen, dat

ging niet; het leven was ruim, maar duur, en in plaats van te sparen

maakte hij beren. Nu ja, dat kwam er nu niet op aan, dat werd

afbetaald, maar later, later.... De toekomst, de pensioeneering, was

hem alles behalve een aangenaam vooruitzicht. Te vegeteeren in Den

Haag, in een klein huis, met een bittertje in de Witte en in de

Besogne-kamer—met de oude pruiken.... brr!! Hij rilde ervan. Hij zoû er

niet aan denken; hij wilde aan de toekomst dan maar in het geheel niet

denken: misschien was hij dood voor dien tijd. Maar nu was het

heerlijk, zijn werkkring, zijn huis, Indië. Er was totaal niets bij te

vergelijken.

Léonie had hem glimlachend aangehoord; zij kende zijne stille

verrukkingen, zijn dwepen met zijn betrekking;—zooals zij het noemde;

zijn aanbidding van B.B. Zij vond het goed, zij had er niets tegen. Zij

ook waardeerde de luxe van het rezident-zijn. Het betrekkelijke

izolement kon haar niet schelen, zij had meestal genoeg aan

zichzelve... En zij antwoordde glimlachend terug, tevreden,

beminnelijk, met haar teint van melk, dat nog blanker was onder de

lichte bedak [10] tegen de roode zijde der kimono aan, en mooi in de

omgolving van haar blonde haren.

Dien morgen, een oogenblik, was zij ontstemd geweest, had Laboewangi,

na Batavia, op haar gedrukt, met zijn verveling van binnenlandsche

hoofdplaats. Maar sinds had zij gekregen een grooten brillant; sinds

had zij Theo terug.... Zijn kamer was vlak bij de hare. En hij zoû nog

wel in langen tijd geen betrekking kunnen krijgen.

Dat waren hare gedachten, terwijl haar man, na zijn pretige

ontboezeming, nog zalig lag na te denken. Dieper dacht zij niet, iets

als wroeging zoû haar ten zeerste hebben verbaasd, had zij er iets van

kunnen voelen.... Het begon zachtjes aan te donkeren, de maan steeg al

lichtend omhoog, en achter de fluweel-mollige waringins, achter de even

op en neêr wuivende pluimen der klapperboomen, die als statiebossen van

donkere struisveêren hoog feestelijk staken in de lucht, doezelde het

laatste licht van de zon een dofgouden weêrschijn, waartegen de

molligheid der waringins, de statie van de klappers afstaken als zwart

geëtst.

In de verte klonken de enkeltonige klanken van den gamelan, weemoedig,

als van een waterheldere glazen piano, met telkens er tusschen een

diepe dissonant...

De stille kracht · 第 8 / 43 题