VI.

Van Oudijck, pleizierig om zijn vrouw en kinderen, wilde gaarne toeren,

en de landauer werd ingespannen. Van Oudijck keek joviaal en prettig,

van onder het breede goudgalon van zijn pet. Léonie, naast hem, had een

nieuwe mauve mousseline japon aan, uit Batavia, en een hoed met mauve

papavers. Een dameshoed in het binnenland is een luxe, iets van

overgroote elegance, en Doddy, tegenover haar, maar op zijn

binnenlandsch zonder hoed, was in stilte geërgerd en vond, dat mama

haar toch wel had kunnen zeggen, dat zij een hoed zoû „gebruiken”,

zooals Doddy’s taaleigen luidde. Nu stak zij zoo af bij mama, nu kon

zij niet velen, die zacht wuivende papavers! Van de jongens was René

meê, in een frisch wit pakje. De hoofdoppasser zat op den bok naast den

koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van

het gezag. Het was over zessen, het begon al te donkeren en over

Laboewangi hing in dit uur die fluweelen geluideloosheid, die tragische

geheimzinnigheid van den schemeratmosfeer der Oostmoussondagen. Soms

blafte alleen een hond, kirde een woudduif en verbrak de

oneigenlijkheid van het zwijgen, als van een onbewoonde stad. Maar nu

ook ratelde er dwars door heen het rijtuig, trappelden de paarden de

stilte in kleine flarden. Men kwam geen ander rijtuig tegen; een

onbezielde menschenloosheid hield de tuinen en galerijen betooverd. Een

paar jongelui in het wit wandelden, en namen den hoed af. Het rijtuig

had de notabele lanen verlaten en reed de Chineesche kamp in, waar in

de kleine winkels de lichtjes werden ontstoken. De negotie was zoo goed

als gedaan: de Chineezen rustten uit, in allerlei slappe houdingen van

beenen in de lucht en over elkaâr, de armen rondom het hoofd, de

staarten los, of om het hoofd gebonden. Als het rijtuig naderde,

stonden zij op, bleven eerbiedig staan. De Javanen, voor het

meerendeel—de welopgevoeden, die manieren kenden—hurkten neêr. Langs

den weg stonden nu, verlicht met kleine petroleumlampjes, de

wandelkeukentjes gereid, de drankverkoopers, de gebakverkoopers. De

kleur in de met tallooze lichtjes opgegloeide avondduisternis, was

groezelig bont; de Chineesche winkeltjes overvol van koopwaren, en

beteekend met roode en gouden karakters en beplakt met roode en gouden

papiertjes met spreuken; op den achtergrond het huisaltaar met de

heilige plaat: de witte god, gezeten, en achter hem de grijnzende

zwarte god. Maar de straat verbreedde zich, veraanzienlijkte zich

eensklaps; rijke Chineesche huizen, als witte villa’s, blankten zacht

op; en vooral trof een blanke paleisvilla van een schatrijken

ex-opiumpachter—rijk geworden in de dagen vóor de opium-régie—een blank

paleis van sierlijk stucwerk met tallooze bijgebouwen, de poorten der

voorgalerij in een monumentalen Chineeschen stijl van voorname elegance

en zachte bonte goudkleur, in de diepte van het open huis het zeer

groote huisaltaar, de plaat der goden pronkende in licht; de tuin

aangelegd met gemaniëreerde krinkelpaden, maar mooi volgezet met

vierkante potten en lange bloemvazen van donker blauw-en-groen glazuur,

waarin kostbare dwergplanten—erfstuk van vader op zoon—en alles

gehouden in een blinkende properheid, een verzorgde netheid van détail:

de welvarende, kraakzindelijke luxe van een millionair opium-Chinees.

Maar niet alle Chineesche woningen waren zoo pronkerig open, de meeste

lagen verborgen in tuinen achter hooge muren, gesloten, en doken terug

in het geheim van hun huiselijk leven. Eensklaps waren de huizen gedaan

en langs een breeden weg strekten Chineesche graven zich uit, rijke

graven, den grasheuvel met den gemetselden ingang—ingang van

dood—opgehoogd in den symboolvorm van het vrouwelijk orgaan: uitkomst

van leven,—ruim grasveld er om heen: de ergernis van Van Oudijck, die

berekende hoeveel bouw wel voor kultuur verloren was door die

begraafplaatsen der rijke Chineezen. En de Chineezen schenen te

triomfeeren in leven en dood in de anders zoo stille stad van

geheimzinnigheid, de Chineezen gaven er aan het eigenlijke karakter van

drukke beweging, van handel, van rijk worden, van leven en sterven,

want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed—huizen als andere, maar

somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter

dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes

somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig

achtervolgende—scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan

het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te

donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad,

of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid

uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond.... Zij voelden

dat niet in hun ratelende rijtuig, van hun kinderjaren aan die

atmosfeer gewoon en niet gevoelig meer voor het sombere geheim, dat was

als het naderen van een zwarte macht, die hen—overheerschers met hun

kreolenbloed—altijd en altijd had aangeademd, zoodat zij ze nooit

zouden vermoeden. Misschien als Van Oudijck nu en dan in de couranten

las over het pan-islâmisme, dat hem iets aanzweemde of de zwarte macht,

het sombere geheim even opende voor zijne diepste gedachte. Maar zooals

nu—toerende met vrouw en kinderen, in het geratel van zijn rijtuig, en

het getrappel van zijn mooie Sydney-ers, den oppasser, met den gesloten

pajong, die glinsterde als een dichtgestraalde zon, op den bok, voelde

hij te veel zichzelven, zijn heerschers-, zijn overheerschersnatuur, om

iets van het zwarte geheim te raden, iets van het zwarte gevaar te

zien. En hij was vooral nu te prettig, om iets melancholieks te voelen,

te zien. Hij zag, in zijn optimisme, zelfs niet het verval van zijne

stad, die hij liefhad; ze troffen hem niet, nu zij doorreden, die

immense zuilenvilla’s, getuigende van vroegere

planterswelvaart—verlaten, verwaarloosd, in verwilderde erven; een

ervan ingenomen door een hout-aankap-maatschappij, die er den opzichter

liet wonen en in den voortuin de balken stapelde. Treurig blankten de

verlaten huizen op, met portieken van pilaren, die in de woest

vergroeide erven spookten in de maan, als tempels van onheil.... Maar

zij zagen het zoo niet: genietende de wiegeling op de zachte

rijtuigveeren, dommelde Léonie glimlachende, en Doddy spiedde, nu zij

de Lange Laan weêr naderden, uit, of zij niet Addy zag....

De stille kracht · 第 9 / 43 题