IV.

Léonie Van Oudijck genoot steeds van hare siësta. Zij sliep maar een

oogenblik, maar zij vond het heerlijk na de rijsttafel alleen in hare

koele kamer te blijven, tot vijf uur, half zes. Zij las een beetje,

meestal de tijdschriften van den leestrommel, maar voornamelijk deed

zij niets en droomde. Het waren vage verbeeldingen, die opblauwden in

hare middageenzaamheden. Niemand wist hiervan en zij hield ze zeer

geheim, als een geheime zonde, als een ondeugd. Zij gaf zich veel

eerder bloot—voor de wereld—waar het een liaison betrof. Ze duurden

nooit lang, ze telden weinig meê in haar leven, zij schreef nooit

brieven, en de gunsten, die zij verleende, gaven den bevoorrechte nooit

eenig recht in den dagelijkschen omgang der conversatie. Zoo was zij

van een stille, correcte perversiteit, fyziek en moreel. Want ook hare

verbeeldingen, hoe flauwtjes poëtisch ook, waren pervers. Haar meest

geliefde auteur was Catulle Mendes: zij hield van al die bloemetjes van

azuren sentimentaliteit, van die roze cupidootjes van affectatie, het

pinkje in de lucht, de beentjes bevallig fladderend—rondom de meest

verdorven motieven en thema’s van afdwalenden hartstocht. In hare

slaapkamer hingen enkele platen: een jonge vrouw achterover op een

kanten bed, en gezoend door twee stoeiende engeltjes; een ander: een

leeuw met een pijl in de borst aan de voeten van een glimlachende

maagd; een groote reclame-prent van odeur: een soort van bloemenimf,

wier sluier aan alle kanten werd afgerukt door speelsche

parfumerie-cherubijntjes. Zij vond die plaat vooral prachtig, iets

esthetischers kon zij zich niet voorstellen. Zij wist, dat de plaat

monsterlijk was, maar zij had het nooit van zich kunnen verkrijgen het

onding af te haken, ook al zag men er met schuinsche oogen heen; de

kennissen, hare kinderen, die in- en uitliepen in hare kamer, met de

Indische gemakkelijkheid, die geen geheim maakt van het toilet. Zij kon

er minuten heen staren als betooverd; zij vond het allerliefst, en hare

eigen droomen geleken op die prent. Ook bewaarde zij een bonbon-doos

met een keepsake-plaatje, als het type van schoonheid, dat zij nog

mooier vond dan zichzelve: het blosje op de wangen, de bruine

brunette-oogen onder onwaarschijnlijk gouden haren, de boezem zichtbaar

onder kant. Maar zij gaf zich nooit bloot in deze belachelijkheid, die

zij vaag vermoedde; zij sprak nooit over die platen en doosjes, juist,

omdat zij wist, dat ze leelijk waren. Maar zij vond ze mooi, zij vond

ze heerlijk, zij vond ze kunst en poëzie.

Zoo waren hare liefste uren.

Hier, te Laboewangi, dorst zij niet doen, wat zij te Batavia deed, en

hier geloofde men nauwlijks wat men te Batavia vertelde. Toch

verzekerde mevrouw Van Does, dat die rezident, en die inspecteur—de een

op reis, de ander op tournée—, en enkele dagen logeerende in het

rezidentie-huis, ’s middags—gedurende de siësta—hun weg hadden gevonden

naar de slaapkamer van Léonie. Maar te Laboewangi waren zulke

werkelijkheden toch zeldzame intermezzo’s tusschen mevrouw Van Oudijcks

roze middagvizioenen....

Toch, dezen middag scheen het....

Of zij, na een oogenblik gesluimerd te hebben en alle matheid van reis

en warmte opgeklaard was van haar melkwitte teint—of zij, nu zij keek

naar de stoeiende engeltjes van de parfumerie-reclame, niet met hare

gedachte was bij al die roze poppetjes-teederheid, maar of zij

luisterde naar buiten....

Zij droeg alleen een sarong, dien zij onder de armen had opgetrokken en

op de borst in een wrong hield samengeknoopt.

Hare mooie blonde haren hingen los.

Hare mooie witte voetjes waren bloot; zij had hare muilen zelfs niet

aangeslipt.

En zij keek door de latjes der jalouzie.

Tusschen de bloempotten, die op de zijtrappen van het huis hare ramen

met groote bladerenmassa’s maskeerden, zag zij op een bijgebouw van

vier kamers—de logeerkamers—waarvan er een was bewoond door Theo.

Zij bleef een pooze turen en opende toen, op een kier, de jalouzie...

En zij zag, dat ook de jalouzie van Theo’s kamer zich even opende...

Toen glimlachte zij; knoopte vaster den sarong, en legde zich weêr te

bed.

Zij luisterde.

Na een oogenblik hoorde zij het grint even knarsen onder den druk van

een muil. Hare jalouziedeuren waren, zonder gesloten te zijn,

dichtgeslagen. Een hand opende ze nu voorzichtig....

Zij zag glimlachend om...

—Wat is er, Theo? fluisterde zij.

Hij kwam nader, hij was in slaapbroek en kabaai en hij zette zich op

den rand van het bed en speelde met hare witte, mollige handen, en in

eens zoende hij haar met razernij.

Op dit oogenblik siste er een steen door de kamer.

Zij schrikten beiden, zagen op, stonden in een oogenblik midden in het

vertrek.

—Wie gooit er? vroeg zij bevende.

—Misschien een van de jongens—René of Ricus, die buiten spelen,

antwoordde hij.

—Ze zijn nu nog niet op...

—Of iets, dat valt van boven...

—Het werd toch geslingerd...

—Zoo dikwijls raakt er een steentje los...

—Maar dit is grint.

Zij raapte het steentje op. Hij, voorzichtig, zag naar buiten.

—Het is niets, Léonie. Het moet heusch van boven zijn gevallen, uit de

goot, door het raam. En toen is het weêr opgesprongen. Het is niets...

—Ik ben bang, murmelde zij.

Bijna luid lachte hij en vroeg:

—Waarvoor?

Zij behoefden voor niets te vreezen. De kamer was gelegen tusschen het

boudoir van Léonie en twee groote logeerkamers, die alleen voor

rezidenten, generaals en andere hooggeplaatsten werden bestemd. Aan de

andere zijde der middengalerij waren de kamers van Van Oudijck, kantoor

en slaapvertrek, en de kamer van Doddy, en de kamer van de jongens,

Ricus en René. Léonie was dus geïzoleerd aan haar vleugel, tusschen de

logeerkamers in. Het maakte haar brutaal. Om dit uur was het erf geheel

verlaten. Trouwens, zij was niet bang voor de bedienden. Oerip was

geheel vertrouwd en kreeg dikwijls mooie geschenken: sarongs, een

gouden pending [5]: een lange diamanten kabaaispeld, dien zij als een

plaque van zilver en steenen droeg op de borst. Daar Léonie nooit

bromde, vrijgevig was met voorschot, en een zekere schijnbare

gemakkelijkheid had,—hoewel alles alleen gebeurde, zooals zij het

wilde—was zij niet onbemind en hoeveel de bedienden ook van haar

wisten, zij hadden haar nog nooit verraden. Het maakte haar des te

brutaler. Voor een doorgang tusschen slaapkamer en boudoir hing een

gordijn en het was, eens voor al, afgesproken tusschen Theo en Léonie,

dat hij, bij eenig gevaar, rustig weg zoû slippen achter die portière

en zich door de tuindeur van het boudoir begeven zoû naar buiten, als

om de rozen-potten te bezien, die op de treden der trappen stonden. Zoo

zoû het schijnen alsof hij van zijn eigen kamer zoo juist was gekomen

en maar even de rozen bezag. De binnendeuren van boudoir en slaapkamer

waren gesloten, in den regel, omdat Léonie ronduit zeide, dat zij er

niet van hield overvallen te worden.

Zij hield van Theo, om zijn frissche jeugd. En hier op Laboewangi, was

hij haar eenige ondeugd, een doortrekkende inspecteur en de roze

engeltjes niet meêgerekend. Zij waren nu als stoute kinderen, zij

lachten stil, in elkanders armen. Maar zij moesten voorzichtig zijn.

Het was vier uur geworden en zij hoorden in den tuin de stemmen van

René en Ricus. Zij namen het erf in bezit voor hunne vacantie. Dertien

en veertien jaar, genoten zij van den grooten tuin. Zij liepen in een

blauw gestreept katoenen buisje en broek, op bloote voeten en gingen

naar de paarden, naar de duiven zien: ze plaagden Doddy’s kakatoe, die

op het dak der bijgebouwen trippelde. Zij bezaten een tamme badjing

[6]. Zij maakten jacht op tokkè’s, die zij schoten met een soempitan

[7], tot groote ergernis der bedienden, omdat de tokkè’s geluk

aanbrengen. Zij kochten aan het hek katjang-goreng [8], van een

voorbijgaanden Chinees, en scholden hem daarna uit:

—Katja....àng golengan! Tjina mampoes! nadoende zijn accent van kè. Zij

klommen in den flamboyant en wiegelden als apen aan de takken. Zij

wierpen de katten met steenen; zij hitsten de honden der buren op tot

zij zich heesch blaften en elkaâr de ooren stuk beten. Zij knoeiden met

water bij den vijver, maakten zich ontoonbaar van modder en vuil en

waagden het de Victoria Regia’s te plukken, dat zij volstrekt niet

mochten doen. Zij onderzochten de stevigheid der groene vlakke

Victoria-bladeren—als prezenteerbladen—en meenden er op te kunnen staan

en zij dompelden onder... Dan namen zij leêge flesschen, plaatsten die

op een rei en kegelden met keisteenen. Dan vischten zij uit de sloot

terzijde van het huis met een bamboe allerlei naamlooze drijvende

dingen op en smeten er elkaâr meê. Hunne fantazie in uitvindingen was

onuitputtelijk, en het uur der siësta was hun uur. Zij hadden een tokkè

gevangen en een kat en lieten ze vechten met elkaâr: de tokkè opende

zijn muil van kleine krokodil en hypnotizeerde de kat, die afdroop,

zich wegtrok uit den zwarten kraalblik,—met hoogen rug, de haren steil

van angst. En daarna aten de jongens zich ziek aan onrijpe manga’s.

Léonie en Theo hadden door de jalouzie bespied het gevecht van kat en

tokkè en zagen de jongens nu rustig in het gras de onrijpe manga’s

eten. Maar het was het uur, dat de gestraften—een twaalftal—werkten op

het erf, onder toezicht van een ouden, deftigen mandoor, met een rietje

in de hand. Zij haalden water in tonnen en gieters van

Devoe’s-petroleumblikken gemaakt, soms ook in petroleumblikken zelve,

en zij begoten de planten, het gras, het grint. Zij veegden dan het erf

schoon met een luid geruisch van lidi-bezems.

René en Ricus wierpen achter den mandoor, voor wien ze bang waren, de

gestraften met afgeknabbelde manga’s en scholden ze uit en trokken

grimassen en apentronie’s. Doddy kwam aan, uitgeslapen, spelende met

haar kakatoe, dien zij droeg op de hand en die kaka! kaka! riep, en

zijn gele kuif opzette met snelle nekbewegingen.

En Theo, nu, sloop achter het gordijn weg in het boudoir en, toen een

oogenblik de jongens elkaâr naliepen in een bombardement van manga’s,

en Doddy naar den vijver wandelde met haar sleeppas van heupwiegelende

kreole, de kakatoe op hare hand,—kwam hij te voorschijn van achter de

planten, rook aan de rozen en deed of hij in den tuin had gewandeld,

vóor hij zijn bad ging nemen.

De stille kracht · 第 7 / 43 题