III.

Den volgenden morgen ging Theo om half twaalf met den landauer zijn

stiefmoeder afhalen van het station.

Van Oudijck, die, op dat uur, meestal de politie-rol afdeed, had zijn

zoon niets gezegd, maar toen hij uit zijn kantoor Theo in het rijtuig

zag stappen en wegrijden, vond hij het aardig van den jongen. Hij had

Theo als kind afgodisch liefgehad, had hem als knaap nog bedorven, was

met hem als jonge man dikwijls in botsing gekomen, maar nog dikwijls

flakkerde de oude vaderpassie onweêrstaanbaar op. Hij had zijn zoon op

dit oogenblik meer lief dan Doddy, die dien morgen nog steeds

geboudeerd had, en geen bloemen in de kamer zijner vrouw gezet had,

zoodat hij aan Kario had bevolen voor bloemen te zorgen. Het speet hem

nu in dagen geen vriendelijk woord tegen Theo gezegd te hebben en hij

nam zich voor, straks dat toch waarlijk weêr eens te doen. De jongen

was wispelturig: in drie jaren was hij employé geweest op zeker vijf

koffie-ondernemingen; nu was hij weêr buiten betrekking, en hing thuis,

zoekende naar iets anders.

Theo, aan het station, wachtte enkele minuten, toen de trein van

Soerabaia aankwam. Hij zag mevrouw Van Oudijck dadelijk, en de twee

kleine jongens, René en Ricus, in tegenstelling van hem twee kleine

sinjo’s, die zij van Batavia meêbracht voor hunne groote vacantie, en

haar lijfmeid Oerip.

Theo hielp zijn stiefmoeder uitstijgen, de stationschef groette

eerbiedig de vrouw van zijn rezident. Zij knikte met haar glimlach

terug, als een welwillende koningin. Zij duldde met haar glimlach, éven

dubbelzinnig, dat haar stiefzoon haar kuste op de wang. Zij was een

groote vrouw, blank, blond, over de dertig, met die loome statigheid

van in Indië geboren vrouwen, dochters van geheel Europeesche ouders.

Zij had iets, waarnaar men dadelijk keek. Het was om haar blanke vel,

haar teint van melk, haar heel licht blond haar, hare oogen, vreemd

grauw, soms even geknepen en altijd met een uitdrukking van

dubbelzinnigheid. Het was om haar eeuwigen glimlach, soms heel lief en

innemend, en dikwijls onuitstaanbaar, vervelend. Men wist niet bij een

eerste zien, of zij achter dien blik iets borg, eenige diepte, eenige

ziel, of dat het maar was kijken en lachen, en beiden met die lichte

dubbelzinnigheid. Spoedig echter merkte men op hare glimlachend

afwachtende onverschilligheid, als kon haar heel weinig schelen, als

stelde zij geen belang, zelfs al zoû de hemel boven haar instorten: als

zoû zij, glimlachend, dat wel aan zien komen. Haar tred was langzaam.

Zij droeg een roze piqué rok en bolero, een wit satijnen lint om het

middel, en een witten matelot met wit satijnen strik; en haar zomersch

reispakje was zeer correct, vergeleken bij dat van een paar andere

dames op het perron: drentelende in stijf uitgestreken „bébé’s”—als

nachtjurken—met tulle hoeden en pluimen daarboven!—en in hare zeer

Europeesche verschijning was misschien alleen die langzame pas, die

loome statigheid de Indische nuance, dat, wat haar onderscheidde van

een vrouw, pas uit Holland. Theo had haar den arm toegebogen en zij

liet zich leiden naar het rijtuig—„de wagen”—gevolgd door de twee

donkere broêrtjes. Zij was twee maanden afwezig geweest. Zij had een

knik over en een glimlach voor den stationschef; zij had een blik over

voor den koetsier en den staljongen en zij zette zich langzaam, loom,

blanke sultane, en steeds met haar glimlach, neêr. De drie stiefzoons

volgden haar; de meid reed achter in een karretje. Mevrouw Van Oudijck

zag eens naar buiten en vond dat Laboewangi er nog steeds uitzag als

vroeger. Maar zij zeide niets. Zij trok zich langzaam weêr terug en

leunde achteruit. Haar wezen vertoonde een zekere tevredenheid, maar

vooral die lichtende en lachende onverschilligheid, als kon niets haar

deren, als was zij beschermd door een vreemde macht. Er was in deze

vrouw iets sterks, iets machtigs van louter onverschilligheid: er was

in haar iets onkwetsbaars. Zij zag er uit, of het leven geen vat op

haar zoû hebben, niet op haar teint en niet op hare ziel. Zij zag er

uit of zij niet kon lijden en het was of zij glimlachte en zoo tevreden

was, omdat er voor haar geen ziekte, geen leed, geen armoede, geen

ellende bestond. Eene uitstraling van glanzend egoïsme was om haar. En

toch was zij, meestal, beminnelijk. Zij nam meestal in, zij palmde in,

omdat zij zoo mooi was. Deze vrouw, met hare glinsterende

zelftevredenheid, was bemind, hoe men verder ook over haar sprak. Als

zij sprak, als zij lachte, ontwapende zij, en meer nog, was zij

innemend. Het was trots, en,—misschien—juist òm hare onpeilbare

onverschilligheid. Zij stelde belang alleen in haar eigen lichaam en in

hare eigen ziel; àl het andere, àl het andere was haar totaal

onverschillig. Onmachtig iets van hare ziel te geven, had zij nooit

gevoeld dan voor zichzelve, maar zoo harmonisch en zoo innemend

glimlachend, dat men haar altijd beminnelijk vond, aanbiddelijk. Het

was misschien om de lijn van hare wangen, de vreemde dubbelzinnigheid

in haren blik, haar onuitwischbaren glimlach, de gratie van haar

figuur, de klank van hare stem en haar altijd zoo juiste woord. Als men

haar eerst onuitstaanbaar vond, merkte zij dat niet op en werd juist

allerinnemendst. Als men jaloersch was, merkte zij dat niet op en prees

juist, intuïtief, onverschillig weg—het kon haar totaal niet

schelen—wat een ander in zich minder vond. Zij kon met het liefste

gezicht een toilet bewonderen, dat zij afschuwelijk vond, en uit louter

onverschilligheid, was zij later niet valsch en brak zelfs later die

bewondering niet af. Hare matelooze onverschilligheid was hare

levenskracht. Zij had zich aangewend alles te doen waar zij lust toe

had, maar zij deed het met haar glimlach en, wat men ook praatte achter

haar rug, zij bleef zóo correct, zoo betooverend, dat men het haar

vergaf. Zij was niet bemind als men haar niet zag, maar zoodra men haar

zag, had zij alles weêr gewonnen. Haar man bad haar aan, hare

stiefkinderen—eigen kinderen had zij niet—konden het niet helpen,

onwillekeurig, tegen zich in, van haar te houden; hare bedienden waren

allen onder haar invloed. Zij bromde nooit, zij beval met een woord, en

het gebeurde. Was er iets verkeerd, brak er iets, haar glimlach

bestierf even.... en dat was alles. En was haar eigen ziels- en

lichaamsbelang in gevaar, dan wist zij het meestal af te wenden en nog

zoo voordeelig mogelijk te schikken, zonderdat de glimlach zelfs

bestierf. Maar zij had dit persoonlijk belang zoo om zich geserreerd,

dat zij de omstandigheden ervan meestal beheerschte. Een noodlot scheen

op deze vrouw niet te drukken. Hare onverschilligheid was glanzend, was

geheel onverschillig—zonder minachting, zonder afgunst, zonder emotie:

hare onverschilligheid was eenvoudig onverschilligheid. En de tact,

waarmeê zij instinctmatig, zonder ooit veel na te denken, haar leven

leidde en beheerschte, was zoo groot, dat, misschien, als zij alles

verloren zoû hebben wat zij nu bezat—hare schoonheid, hare pozitie, bij

voorbeeld—zij nog onverschillig zoû kunnen blijven, in hare onmacht om

te lijden.

Het rijtuig reed het rezidentie-erf in, juist toen de politie-rol

begon. De Javaansche officier-van-justitie—hoofd-djaksa—was reeds bij

Van Oudijck in het kantoor: de djaksa en de politie-oppassers leidden

den stoet der beklaagden: de inlanders hielden elkaâr aan een punt van

hun baadje vast en liepen op een trippelgangetje, maar de enkele

vrouwen er tusschen liepen alleen: onder een waringin-boom, op eenigen

afstand van de trappen van het kantoor hurkten zij allen neêr, in

afwachting. Een oppasser, hoorende de klok in de voorgalerij, sloeg

half-een met de groote bel bij het oppassershuis. De luide slag trilde

als een bronzen tong door de middagblakende hitte na. Maar Van Oudijck

had het rijtuig hooren aanrollen en hij liet den hoofd-djaksa wachten:

hij ging zijne vrouw tegemoet. Zijn gezicht klaarde op: hij kuste haar

teeder, met effuzie, informeerde hoe zij het maakte. Hij was blij de

jongens terug te zien. En zich herinnerende wat hij over Theo had

nagedacht, had hij voor zijn oudste een vriendelijk woord. Doddy, nog

met haar boudeerend dik mondje, zoende mama. Zij liet zich zoenen,

gelaten, glimlachend, zij kuste kalm terug, zonder koelheid, zonder

warmte, juist doende wat zij doen moest. Haar man, Theo, Doddy

bewonderden haar zichtbaar, zeiden, dat zij er goed uitzag; Doddy vroeg

waar mama dat aardige reispakje van daan had? In hare kamer, zag zij de

bloemen en daar zij wist, dat Van Oudijck hiervoor steeds zorgde, aaide

zij even haar man op den arm.

De rezident ging terug naar zijn kantoor, waar de hoofd-djaksa wachtte;

het verhoor begon. Door een politie-oppasser opgeduwd, kwamen de

beklaagden, een voor een, hurken op de trap, voor den drempel van het

kantoor, terwijl de djaksa hurkte op een matje, de rezident zat voor

zijn schrijftafel. Terwijl de eerste strafzaak behandeld werd,

luisterde Van Oudijck nog naar de stem zijner vrouw in de

middengalerij, toen de beklaagde zich verdedigde met den luiden kreet

van:

—Bot’n! Bot’n!! [2]

De rezident fronste zijn wenkbrauwen en luisterde met aandacht....

In de middengalerij zwegen de stemmen. Mevrouw Van Oudijck was zich

gaan uitkleeden, om sarong en kabaai aan te doen voor de rijsttafel.

Zij droeg het coquet: een Solosche sarong, een transparante kabaai,

juweelen speldjes; witte leeren muiltjes met een klein wit strikje er

op. Zij was juist klaar, toen Doddy aan haar deur kwam en zeide:

—Mama, mama.... daar is mevrouw Vàn Does!

De glimlach bestierf even: de zachte oogen zagen donker....

—Ik kom dadelijk, kind....

Maar zij ging zitten en Oerip, de lijfmeid, sprenkelde parfum op haar

zakdoek. Mevrouw Van Oudijck vlijde zich uit, en mijmerde wat na, in de

loomheid na hare reis. Zij vond Laboewangi wanhopig vervelend na

Batavia, waar zij twee maanden gelogeerd had bij kennissen en familie,

vrij en zonder verplichtingen. Hier, als rezidentsvrouw, had zij er

eenige, ook al schoof zij de meeste van zich af, op de vrouw van den

secretaris. Zij was in zichzelve moê, ontstemd, ontevreden. Trots hare

algeheele onverschilligheid was zij menschelijk genoeg om hare stille

buien te hebben, waarin zij alles verwenschte. Dan verlangde zij in

eens iets dols te doen, dan verlangde zij, vaag weg, naar Parijs....

Zij zoû dat nooit aan iemand laten merken. Zij kon zich bedwingen, en

ook nu bedwong zij zich, voor zij zich weêr vertoonde. Haar vaag

Bacchantisch verlangen versmolt in hare loomheid. Zij strekte zich

gemakkelijker, zij mijmerde, met bijna geloken oogen. Door hare bijna

bovenmenschelijke onverschilligheid krulde soms een vreemde fantazie,

verborgen voor de wereld. Het liefst leefde zij in hare kamer haar

leven van geparfumeerde verbeelding, vooral na hare maand in

Batavia.... Ná zoo een maand van perversiteit had zij behoefte hare

vagebondeerende roze verbeelding te laten krullen en wolken voor hare

knippende oogen. Het was in hare verder geheel dorre ziel als een

onwerkelijke bloei van azuren bloemetjes, die zij kweekte met het

eenige sentiment, dat zij ooit zoû kunnen voelen. Zij voelde voor geen

mensch, maar zij voelde voor die bloemetjes. Zoo te mijmeren vond zij

heerlijk. Wat zij had willen zijn, als zij niet behoefde te zijn, die

zij was.... De fantazie wolkte: zij zag een wit paleis en overal

cupidootjes....

—Mama.... kom dan tòch! Daar is mevrouw Vàn Does, mevrouw Van Does, met

twee stopflesschen....

Het was Doddy aan haar deur. Léonie van Oudijck stond op en ging naar

de achtergalerij, waar de Indische dame zat, de vrouw van den

postkommies. Zij hield koeien en verkocht melk. Maar zij deed ook in

anderen handel. Zij was een dikke dame, even wat bruin, met

vooruitstekenden buik; zij droeg een heel eenvoudig kabaaitje met een

smal kantje er om heen, en hare dikke handjes streelden den buik. Voor

zich op tafel had zij twee stopfleschjes staan, waarin iets glinsterde.

Wat was dat van suiker, kristal, dacht mevrouw Van Oudijck vaag, toen

zij zich plotseling herinnerde.... Mevrouw Van Does zeide, dat zij blij

was haar weêr terug te zien. Twee maanden weg van Laboewangi. Toch te

erg, die mevrouw Van Oudijck maar? En zij wees op de stopflesschen.

Mevrouw Van Oudijck glimlachte. Wat was het?

Geheimzinnig legde mevrouw Van Does een dik, naar achter omkrullend,

slap geleed wijsvingertje tegen een der stopflesschen aan, en zei,

fluisterend:

—Inten-inten! [3]

—Zoo? vroeg mevrouw Van Oudijck.

Doddy, met groote oogen, en Theo, geamuzeerd, tuurden naar de twee

stopfleschjes.

—Ja.... U weet wel, van die dame.... van wie ik u gesproken.... Haar

naam wil zij niet noemen. Kassian, vroeger haar man een groote piet, en

nu.... ja toch zoo ongelukkig; zij heeft niets meer. Alles op. Alleen

nog deze twee fleschjes. Al haar juweelen heeft zij uit laten nemen en

de steenen bewaart zij hier in. Alles geteld. Zij vertrouwt mij toe, om

te verkoopen. Door mijn melk heb ik relatie. Wil u zien, mevrouw Van

Oudijck, ja? Móoie steenen! De residèn, hij koop voor u, nu u weêr

thuis is. Doddy, geef mij een zwart lapje; als fluweel, is het beste...

Doddy wist een stukje zwart fluweel door de djaït [4] te laten zoeken

in een kast met naairommel. Een jongen bracht glazen met

tamarinde-stroop en ijs. Mevrouw Van Does, in haar slapgeleede

vingertjes een tangetje, legde een paar steenen voorzichtig op het

fluweel....

—Ja!! riep zij uit. Zie toch die water, mevrouw! Pr....àchtig!

Mevrouw Van Oudijck zag toe. Zij glimlachte allerliefst en zei toen met

hare zachte stem:

—Die steen is valsch, lieve mevrouw.

—Valsch?? kreet mevrouw Van Does. Valsch??

Mevrouw Van Oudijck zag naar de andere steenen.

—En die andere, mevrouw....—zij boog aandachtig, en zeide toen zoo lief

mogelijk:

—Die andere.... zijn.... òok valsch....

Mevrouw Van Does zag haar aan, met pleizier. Toen zei ze tegen Doddy en

Theo, leuk:

—Die mama van jullie.... pinter! Zij ziet dadelijk!

En zij lachte luid uit. Allen lachten. Mevrouw Van Does deed de

kristallen weêr in de flesch.

—Een aardigheid, ja, mevrouw? Ik woû alleen maar zien of u verstand

had. Natuurlijk, u geloof mijn eerewoord: ik zoû u nooit verkoopen...

Maar deze.... kijk....

En plechtig nu, bijna godsdienstig, opende zij het andere stopfleschje,

waarin slechts enkele steenen waren: ze legde ze met liefde op het

zwarte fluweel.

—Die is prachtig.... voor een leontine, zei mevrouw Van Oudijck,

turende op een zeer grooten brillant.

—Nou.... wat zeg ik u? vroeg de Indische dame.

En zij tuurden allen op de brillanten, op de echte, die uit het „echte”

stopfleschje, en hielden ze voorzichtig tegen het licht.

Mevrouw Van Oudijck zag, dat zij allen echt waren.

—Ik heb heusch geen geld, lieve mevrouw! zeide zij.

—Deze groote.... voor leontine.... zes-honderd gulden.... een koopje:

ik verzeker u, mevrouw!

—O, mevrouw, neen nooit!

—Hoeveel dan? U doet goed werk als u koop. Kassian, haar man vroeger

groote piet. Raad van Indië.

—Twee-honderd....

—Jà, kassian!! Twee-honderd!

—Twee-honderd-vijftig, maar niet meer. Ik heb heusch geen geld.

—De residèn.... fluisterde mevrouw Van Does, Van Oudijck bespeurende,

die, nu de rol was afgeloopen, naar de achtergalerij kwam. De

residèn.... hij koop voor u!

Mevrouw Van Oudijck glimlachte en keek naar den flonkerenden druppel

licht op het zwarte fluweel. Zij hield van juweelen, zij was niet

geheel onverschillig voor brillanten.

En zij keek op naar haar man.

—Mevrouw Van Does laat ons een heele boel moois zien, zeide zij

streelend.

Van Oudijck voelde een schok in zijn borst. Het was hem nooit aangenaam

mevrouw Van Does in zijn huis te zien. Zij had altijd wat te verkoopen:

den eenen keer gebatikte spreien, den anderen keer geweven muiltjes,

een derde keer prachtige maar heel kostbare tafelloopers, met

goudgebatikte bloemen op geel geglansd linnen. Mevrouw Van Does bracht

altijd iets meê, stond altijd in betrekking met vrouwen van vroegere

„groote pieten,” die zij hielp verkoopen, voor heel hooge percenten.

Een morgenvisite van mevrouw Van Does kostte hem iederen keer minstens

eenige rijksdaalders, en heel dikwijls vijftig gulden, want zijne vrouw

had een kalme rust om altijd te koopen dingen, die zij niet noodig had,

maar die zij te onverschillig was om nièt van mevrouw Van Does te

koopen. Hij zag niet dadelijk de twee stopflesschen, maar hij zag den

druppel licht op het zwarte fluweel, en hij begreep, dat de visite

dezen keer meer dan vijftig gulden zoû kosten, als hij niet heel sterk

was.

—Mevrouwtje! schrikte hij. Het is het einde van de maand; brillanten

koopen, dat gaat niet van daag! En nog wel stopflesschen vol! riep hij

uit, met een schrik, ze nu ziende schitteren op de tafel, tusschen de

glazen tamarinde-stroop.

—Ja, die residèn! lachte mevrouw Van Does, als was een rezident altijd

rijk.

Van Oudijck haatte dat lachje. Zijn huishouden kostte hem iedere maand

enkele slordige honderde guldens meer dan zijn traktement en hij teerde

in, had schulden. Zijn vrouw bemoeide zich nooit met geldzaken; zij had

vooral voor deze hare glimlachendste onverschilligheid.

Zij liet den brillant even flonkeren en de steen schoot een blauwen

straal.

—Hij is prachtig.... voor twee-honderd-vijftig.

—Voor drie-honderd dan, lieve mevrouw....

—Drie-honderd? vroeg zij droomerig, spelend met het juweel.

Of het drie-honderd of vier- of vijf-honderd was, het was haar alles om

het even. Het liet haar totaal onverschillig. Maar den steen vond zij

mooi en zij was al beslist dien te nemen, voor hoeveel ook. En dàarom

legde zij den steen rustig neêr en zei:

—Neen, lieve mevrouw, heusch.... de steen is te duur, en mijn man heeft

geen geld.

Zij had dat zoo lief gezegd, dat hare bedoeling niet was te raden. Zij

was aanbiddelijk van zelfontzegging, terwijl zij die woorden uitsprak.

Van Oudijck voelde een tweeden schok in zijn borst. Hij kon zijn vrouw

niets weigeren.

—Mevrouw, zeide hij. Laat den steen maar hier.... voor drie-honderd

gulden. Maar neem dan uw stopflesschen in godsnaam meê.

Mevrouw Van Does keek jubelend op.

—Nou... wat heb ik u gezegd? Ik weet zeker, de residèn, hij koop voor

u...!

Mevrouw Van Oudijck keek zacht verwijtend op.

—Maar Otto! zeide zij. Hoe is het nu toch mogelijk!

—Vindt je den steen mooi?

—Ja, prachtig... maar zoo veel geld! Voor éen brillant!

En zij trok de hand van haar man naar zich toe en zij duldde, dat hij

haar kuste op het voorhoofd, omdat hij haar een brillant had mogen

koopen van drie-honderd gulden. Doddy en Theo knipoogden tegen elkaâr.

De stille kracht · 第 6 / 43 题