Ik stelde vast, dat de correspondent, door wiens handen alle brieven

gingen, negen en twintig jaar oud was. Hij was geboren Franschman,

woonde echter reeds lang in Engeland. Hij heette Adolph Sigris en bezat

een verbazende talenkennis; behalve zijn moedertaal schreef en sprak

hij Engelsch, Duitsch, Italiaansch en Spaansch, daarom reeds was hij,

behalve zijn zakelijke degelijkheid, bij de chefs der firma zeer

gezien.

Op mijn vraag, of ik dezen heer eens spreken kon, kreeg ik ten

antwoord, dat hij kort te voren was getrouwd, en op zijn huwelijksreis

was. Hij zou met zijn jonge vrouw naar Parijs gaan, om daar familie te

bezoeken, in zijn laatsten brief deelde hij de firma mede, dat hij ook

nog een reis door Zwitserland wilde maken.

Deze bijzonderheden wekten een meer dan voorbijgaande belangstelling

voor den heer Sigris bij mij op. Ik hield het voor mijn plicht nog meer

van dezen heer te weten te komen maar vermeed zorgvuldig tegen de

heeren Gregson ook maar iets te zeggen, wat hen aan de rechtschapenheid

van hun degelijken correspondent had kunnen doen twijfelen. Ik wilde

eerst zeker van mijn zaak zijn en de verdenking, die ik tegen den heer

Sigris kon uitbrengen, was slechts daarop gerond, dat deze heer een

Franschman was en dat de goederen naar den heer Blouet in Parijs waren

gezonden. Ik vroeg mij af, of misschien, Blouet en Sigris dezelfde

persoon konden zijn?

Ik kwam tot de ontdekking, dat de heer Sigris vóór zijn huwelijk in een

voorstad van Manchester, Cheetham Hill, gewoond had en daar hij eerst

enkele weken getrouwd was, kon ik mij het genoegen niet ontzeggen een

bezoek in zijn vorige woonplaats af te leggen.

Het was een zeer fatsoenlijk huis, en zijn hospita kon zich in een

rijken kinderzegen verheugen; de huisheer was werkzaam in een groot

handelshuis.

Van de huisjuffrouw hoorde ik, dat Sigris ongeveer een half jaar bij

hen gewoond had, dat zij slechts weinig van hem wisten, daar hij zeer

terughoudend was geweest, maar dat zij hem voor een fatsoenlijk braaf

man hielden. Toen ik verder vroeg, waarop zich hunne meening grondde,

kreeg ik ten antwoord, dat hij altijd stipt zijn huur had betaald. Dit

standpunt kan nu bij mij niet zoo zwaar wegen als bij de huisjuffrouw.

Verder werd ik gewaar, dat Sigris tot zijn terugkomst zijn woning

aangehouden had en op mijn vraag kreeg ik ten antwoord, dat er nog

eenige kisten van hem stonden.

Het viel mij lang niet gemakkelijk, de waardige juffrouw over te halen,

mij de kamer te laten doorzoeken, maar ten slotte gelukte het mij toch.

Het waren gemoedelijke, prettig ingerichte kamers, die Sigris bewoond

had. Slaap- en woonkamer waren door een deur verbonden. De kisten,

waarvan de juffrouw gesproken had, bestonden uit een grooten koffer,

een kleine ijzeren en een nog kleinere houten kist.

Ik kan niet verhelen, dat ik brandde van verlangen, om den inhoud van

de ijzeren cassette te doorsnuffelen, maar ik moest mijn ongeduld

beteugelen.

Verder was er niets bijzonders in de kamer te zien. Er stond nog een

kast in, maar die was leeg. Sigris had, vóór hij op reis ging, alles in

den koffer gepakt. In de kleerkast ontdekte ik een gekleede jas, twee

of drie pantalons en enkele kleinigheden. De hospita deelde mij mede,

dat zij deze kleederen voor den heer Sigris ten bate van het

dienstmeisje mocht verkoopen.

Reeds had ik de deur gesloten en stond op het punt mij te verwijderen,

toen een plotselinge ingeving mij noodzaakte, nogmaals de kleerkast te

openen en mijn hand in de zakken van de oude kleedingstukken te steken.

De gekleede jas was veel gedragen en de glans op de mouwen bewees, dat

dit kleedingstuk ook in de zaak gedragen was. Ik voelde in den

binnenzak, die gescheurd was. Ik stak mijn hand door een gat, zonder de

minste hoop op een vondst, des te meer verrast was ik dus, toen ik

onder in de voering een blaadje papier voelde. Het was een saamgevouwen

brief, die er vuil en smerig uitzag, en al lang in den zak had gezeten.

Ik vouwde hem open en mijn hart sloeg sneller, toen ik in fraai

koopmansschrift het volgende las:

Goederen worden vandaag verzonden. Bericht Blouet.

Ik kon bij deze ontdekking nauwelijks een kreet van vreugde

onderdrukken, want ik wist, dat ik eindelijk op het goede spoor was.

Geen naam, geen adres, geen onderschrift, geen datum, niets stond er op

het blad papier.

Maar juist, omdat dit alles ontbrak zag de zaak er zoo verdacht uit.

Sigris mocht dan al of niet Blouet zijn, in den zak van zijn jas had ik

toch de aanwijzing gekregen, dat zekere goederen ergens heen gezonden

waren en Blouet daarvan op de hoogte moest worden gebracht. Nu was de

heer Sigris een Franschman. Hij was juist gehuwd en met zijn jonge

vrouw naar Parijs gegaan. Dit geval sloot echter niet uit, dat de

bruidegom naar Frankrijks hoofdstad was gereisd, om den heer Blouet te

bezoeken, als deze heer tenminste bestond, en zoo niet, om de goederen

zelf in ontvangst te nemen, en zich daarbij voor den heer Blouet uit te

geven.

In ieder geval wilde ik meer van dezen interessanten heer te weten

komen; daarom wendde ik mij tot de politie om verlof te krijgen, de

kisten te openen en ze te mogen doorzoeken. Hiervoor waren echter

enkele formaliteiten noodig en daar er juist een Zondag tusschen kwam,

verstreken drie dagen vóór ik de toezegging kreeg. Toen ik mij weer in

de Cheetham Hill vervoegde, werd mij door de hospita verteld, dat er,

daags na mijn bezoek, een telegram van den heer Blouet uit Parijs was

gekomen met verzoek, zijn koffers dadelijk naar Cordova in Spanje te

zenden, het geen zij nog dienzelfden avond had gedaan.

„Cordova in Spanje” overlegde ik. „Dat wil zeggen, dat de gelukkige

bruidegom naar een land gevlucht is, waar hij zeker weet, niet

uitgeleverd te worden. Sigris was echter Wistanley niet, evenmin als

een der kranige jongelui, en ik wilde nu ook weten in welk gedeelte van

onze aarde zij zich ophielden.

Maar nu kwam de vraag: waar moest ik hen zoeken? Hierop was slechts één

antwoord en dat luidde: In Parijs! Ik was er in ieder geval van

overtuigd dat, als ik ooit het spoor zou vinden, ik het slechts daar

vinden zou. De goederen waren naar de Fransche hoofdstad gezonden en

men kon met de grootste waarschijnlijkheid aannemen, dat de dieven het

gestolen goed achterna gereisd waren.

Ik kende Parijs heel nauwkeurig; ik had er eenige jaren gewoond. Bij

mijn aankomst informeerde ik dadelijk aan het goederenbureau van het

Noorderstation, of hen een zekere heer Blouet bekend was. En zooals ik

verwachtte, werd mij gezegd, dat er een groote menigte colli’s en

kisten voor een heer van dien naam aangekomen waren.

„En hebt gij hem die koffers gezonden?” vroeg ik vol spanning.

„Neen. Zij zijn door een voerman op zijn kar meegenomen, de

vrachtbrieven luidden:

„Aan den heer Blouet, of order.”

„En gij weet ook niet waarheen de goederen gebracht zijn?”

„Neen, absoluut niet.”

Dat was een teleurstelling. Parijs is groot, en onder de drie millioen

inwoners nu iemand te vinden, van wien men niet eens goed weet, hoe hij

er uitziet, dat was een opgave, die menigeen ontmoedigen zou. Maar mij

ontzonk in zulke gevallen niet zoo de moed, want jarenlange ervaring

had mij geleerd, het schijnbaar onmogelijke als het

allerwaarschijnlijkste aan te zien.

Het papier, in Sigris’ zak gevonden, luidde: Goederen worden heden

verzonden. Bericht Blouet. Dezen naam dacht ik als slechts voor dit

doel aangenomen, want ik kon er mij niet in denken, dat de ontvanger

der goederen in Parijs zoo dom zou zijn, zijn werkelijken naam op te

geven. Toen ik nu dit briefje nog eens, in het licht mijner jarenlange

criminalistische ervaringen, herlas kwam ik tot de volgende

overtuiging:

1e. Een zekere heer zich noemend Blouet was een goede bekende van de

spitsboeven, want anders zou men hem zoo’n waardevolle goederenzending

niet toevertrouwen.

2e. Men had daarom Sigris verzocht „Blouet te berichten”, omdat deze

Sigris correspondent in vreemde talen en daarbij Franschman van

geboorte was.

3e. De schrijver van dit briefje, Wistanley of een van zijn drie jonge

lieden kende geen Fransch en moest daarom den heer Sigris de

correspondentie overlaten. Deze gevolgtrekkingen brachten mij tot de

slotsom, dat een geheele bende van zwendelaars in dit bedrog betrokken

waren, die op verschillende plaatsen woonden en tot verschillende

nationaliteiten behoorden.

De eenige beschrijving die ik van den heer Wistanley had, was, dat hij

groot en slank was, een voornaam uiterlijk en aristocratische manieren

had, ongeveer zestig jaren telde, een frissche gezonde gelaatskleur

had, een bijna witten baard en een kaal hoofd, dat hij elegant gekleed

was, twee à drie ringen droeg en het Engelsch met een nauwelijks

merkbaar Amerikaansch accent uitspraak.

In deze persoonsbeschrijving lag niets opvallends.

Daar ik nu had begrepen, dat ik in Parijs niet veel ontdekken zou,

besloot ik zuidelijker te gaan, en Cordova te bezoeken, waarheen zooals

ik gehoord had, Sigris, met zijn jonge vrouw, hunne schreden gewend

hadden. Had ik het geluk met dezen heer kennis te maken, dan zou ik

zeer zeker gewichtige dingen van hem te weten komen. Ik begreep heel

goed, waarom Sigris juist deze mooie, oude Spaansche stad tot zijn

verblijf had gekozen. Tusschen Groot-Britannië en Spanje bestond geen

uitleveringsverdrag.

Spanje was dus het paradijs voor alle mogelijke bankroetiers en

misdadigers. Het was echter nog mogelijk, dat ik mij in het geval van

Sigris vergiste en dat zijn huwelijksreis je naar Cordova slechts een

deel van het programma uitmaakte. Maar ik had mij nu eenmaal

voorgenomen erheen te gaan en was dus spoedig op weg. Uit licht

begrijpelijke beweegredenen, deed ik mijn best mij onkendbaar te maken,

en daar het juist zomer en in het reisseizoen was, kleedde ik mij als

toerist. Ik droeg een opvallend, bont pak, daarbij een helroode das, de

onvermijdelijke verrekijker hing aan een riem over mijn schouder, een

stroohoed met witten sluier bedekte mijn hoofd en met een reisboek in

de hand was ik het type van een toerist.

In Cordova, één der interessantste steden van Spanje, stapte ik

voorloopig in een klein hotel af. Er waren zeer veel vreemden in de

stad en Engeland was goed vertegenwoordigd.

Daags na mijn aankomst maakte ik tochten door de stad; een groote

blauwe bril, die mij schijnbaar voor de gloeiende stralen der zon

beschutten moest, in werkelijkheid echter mijn kleeding volmaken, had

ik voor de oogen. Zooals iedereen, die Cordova bezoekt, richtte ook ik

mijn schreden naar den dom. Onophoudelijk stroomde de menigte in en uit

den dom. Geloovigen en kijklustigen waren het, personen van alle

nationaliteit.

Ik zie gaarne kerken, toch moet ik bekennen, dat al de pracht en

heerlijkheid van deze kerk geen indruk op mij maakte, want met den

grootsten ijver monsterde ik de gezichten van de voorbijgangers en mijn

ooren spanden zich in om te luisteren, want ik hoopte, dat misschien

een woord, dat ik bij toeval hooren zou, mij in mijn navorschingen kon

helpen. Maar ik zag niet één gezicht, dat mij interesseerde en ik

hoorde niet één woord, dat mij belang inboezemde. Van den dom uit

wandelde ik door de stad en toen het te warm werd, ging ik naar mijn

hotel terug, om wat uit te rusten en mij wat te verfrisschen. Toen de

zon onderging, ging ik opnieuw op weg en volgde de menigte, die naar

het park trok, waar ’s avonds een militaire kapel speelde.

In dezen tuin zoekt iedereen ’s avonds uitspanning. Hier, onder den

oranjeappel en den olijfboom, in een atmosfeer, die van de zoete geuren

van ontelbare bloemen bezwangerd is, door de muziek in zoete droomen

verzonken, kan men heerlijke rust genieten en daarbij zijn uitgedroogd

verhemelte met ijskoude dranken bevochtigen; het vroolijke gelach en

gekout van de veelkleurige menigte mag men beluisteren en daarbij een

wijle vergeten, dat de wereld vol hartstocht en slechtheid is.

Door de bekoorlijkheid van mijn omgeving ingepalmd, probeerde ik te

vergeten, dat ik een „speurhond” was, dat plicht en noodlot mij

dwongen, hen te vervolgen, die tegen de wetten gezondigd hadden. In een

leunstoel uitgestrekt, liet ik dwarrelende kringetjes uit mijn

heerlijke sigaret opstijgen, terwijl ik af en toe mij met een slokje

Sherry Cobler verfrischte.

De zon ging onder en een korten tijd scheen de hemel een prachtig

mozaïek van goud en rood, amethysten en paarlen. Spoedig echter

verdwenen de kleuren en de sterren verschenen aan den donkeren hemel,

de atmosfeer werd zwoel en zwaar van den geur der oranjebloesems, die

een uur voor en na zonsondergang het sterkst geuren. Ik meende te

droomen, want dit tooneeltje was werkelijk poëtisch.

Muziek, een Spaansche atmosfeer, toiletten vol kleurenpracht, helder

gelach, mooie vrouwen, schilderachtig gekleede mannen, de geur van

bloemen! Kon men nu in zulk een omgeving aan ellende en slechtheid

denken, die in de harten school onder deze betooverende kleeding? Zoo’n

oogenblikje en in zulk een omgeving mag zelfs een detective eens

droomen.

Door de zware bloemenlucht klonk plotseling een helder vrouwenlachen in

mijn oor en dit wekte mijn opmerkzaamheid; het klonk als de klank van

een zilveren klokje, het verried kinderlijke onschuld, een onschuld,

die van de listen en lagen der wereld geen flauw begrip had.

Ik keek in de richting, vanwaar het lachen kwam. Slechts eenige meters

van mij verwijderd had een klein gezelschap van toeristen aan een

tafeltje plaats genomen, en bij hen stond een kellner om de

bestellingen op te nemen. In het schemerachtig licht, kon ik het

gezelschap niet goed zien, slechts zóóveel zag ik, dat het vier heeren

en vier dames waren. Allen schenen in de beste stemming en hadden

schijnbaar het plan een genoegelijken avond met elkaar te vieren. Mijn

belangstelling was verdwenen en ik wilde reeds weder mijn phantasieën

vrij spel laten, toen de dame, wier lachen mij opgevallen was, uitriep:

„O! maar ik vind dit juist heel elegant.”

De stem was zeer melodieus, de uitspraak echter onmiskenbaar

Amerikaansch.

Het hooren van mijn moedertaal bracht mij met een sprong uit de

romantische droomerijen naar de werkelijkheid terug en ik herinnerde

mij den plicht, die mij hierheen had gevoerd. Ik begon er over na te

denken, hoe de dame met het lieve stemmetje er wel zou uitzien. Jong,

dat moest zij wel zijn, want haar stem klonk jeugdig. Was zij mooi? Was

zij gehuwd of een jong meisje? Welke positie nam zij in het leven in?

Zij scheen wel gelukkig te zijn; had zij anders zóó kunnen lachen?

Ik stak een nieuwe sigaret op, en stond op. Juist was het orkest

begonnen een vroolijk walsje te spelen. Ik slenterde wat rond, ging ook

het tafeltje waaraan het voorwerp van mijn belangstelling zat, voorbij

en hoewel ik in het halfduister geen gezichten onderscheiden kon,

hoorde ik in ’t voorbijgaande volgende woorden van de dame met haar

Amerikaansche tongval en het zilveren stemmetje:

„Adolph, schat, wat bent je toch onbeholpen!” (Dit klonk zeer

verdrietig.)

Ik zag, dat Adolph uit onachtzaamheid een glas champagne had

omvergeworpen en den inhoud daarvan in den schoot der dame was

geloopen. Zij sprong op, schudde haar japon uit, en veegde ze met haar

zakdoek af, terwijl haar begeleider hartelijk lachte. Maar het was niet

dit intermezzo, dat mij belang inboezemde, maar de vermelding van den

naam Adolph, en oogenblikkelijk werd de detective weer in mij wakker.

Was niet de voornaam van den heer Sigris ook Adolph? En ik dacht: „Zou

het mogelijk zijn, dat zij, die ik zoo ijverig zoek, zich onder deze

vroolijke luchthartige menschen bevinden?”

In ieder geval oefende deze naam op mij dezelfde werking uit als het

geluid van een trompet op een stervend oorlogsros hebben moet. Ik was

weer geheel nuchter geworden en was van plan deze lieden zóó lang te

vervolgen, tot ik iets meer van hen te weten was gekomen.

Meer dan een uur verloor ik hen niet uit het oog. Toen speelde het

orkest het laatste stuk en het publiek verliet het park. Tot mijn

groote vreugde stond eindelijk ook mijn gezelschap op en maakte

aanstalten, om te vertrekken. Ik zag, hoe Adolph teeder een kanten

doekje om den hals der dame sloeg, op wier japon hij de champagne

gemorst had, en ik meende, dat slechts een minnaar of bruidegom zoo

oplettend kon zijn. Zij gingen heen en ik volgde hen. Zij liepen

geruimen tijd door tot zij eindelijk voor een helder verlicht café

kwamen.

Nu kon ik voor de eerste maal duidelijk hun gelaat zien en ik twijfelde

nu ook niet langer, of het waren die menschen, waarnaar ik zoo vurig

verlangde.

„Adolph” was Adolph Sigris. Ik herkende hem van de beschrijving, die

men mij bij Gregson & Co. van hem gegeven had.

De jonge dame, die zoo liefdevol aan zijn arm hing, was zijn vrouw. Zij

had een mooi, lief gezicht, een sierlijk figuurtje, een rooskleurige

gelaatskleur en dik, goudblond haar. Twee der andere dames waren

eveneens jong en niet minder mooi dan de jonge vrouw; zij waren, naar

de gelijkenis te oordeelen, zeker zusters. De vierde dame was reeds

over de vijftig en had een waardig voorkomen, zij was tamelijk

corpulent en droeg het grijze haar over het voorhoofd gekamd, zij had

een Spaansche kanten doekje zeer smaakvol om het hoofd geslagen. Ook

zij zag er gezond en lief uit, en ik veronderstelde, dat zij de moeder

der beide jonge meisjes en de vrouw van dien grooten slanken heer was,

die om en bij de 60 jaar mocht zijn, een frissche gezonde kleur had, en

een witten baard. En dat deze heer Wistanley was, daarop zou ik hebben

kunnen zweren. De twee andere heeren van het gezelschap waren jongelui

van omstreeks vijf-en-twintig jaar. Zij waren elegant gekleed en

schenen tot de familie te behooren.

Aan één der tafeltjes, die buiten het café stonden, nam het gezelschap

plaats en bestelde porties ijs. Terwijl zij daar zoo in het volle licht

zaten, kon ik hun gezichten onuitwischbaar in mijn geheugen prenten.

Een vol uur bleven zij zitten. Toen sloegen zij langzaam den weg in

naar het „hotel du Soleil” waar zij, naar ik vermoedde, hun intrek

hadden genomen. Zeer bevredigd over mijn ontdekkingen, begaf ik mij,

daar het intusschen laat was geworden, naar mijn hotel, en sliep dien

nacht heerlijk. Den volgenden morgen verhuisde ik, en wel naar het

„hotel du Soleil” en vóór de dag verstreken was, wist ik, dat zich

onder de hotelgasten de heer en mevrouw Sigris, uit Parijs, de heer en

mevrouw Wistanley, de heer George en de heer Adam Wistanley en de dames

Wistanley, allen uit Boston, bevonden.

„Zoo, zoo,” lachte ik in mijzelf, „zij behooren dus toch tot dezelfde

familie, en die heeren George en Adam Wistanley zijn twee van de drie

kranige jongelieden, die in het bureau van den heer Wistanley in

Manchester werkzaam waren; ieder man met oogen in het hoofd moet

dadelijk zien, dat mevrouw Sigris een zuster is van de dames Wistanley.

Sigris had dus één van Wistanley’s dochters getrouwd; Sigris was

correspondent bij Gregson & Co., waardoor hij in staat was, het bedrog

met goed gevolg door te zetten, want alle brieven gingen door zijn

handen. Daardoor was hij voor zijn toekomstigen schoonvader van

onschatbare waarde geworden, en nu leefden zij samen van de opbrengst

van hun bedrog.

Ik zeg samen, want was er nog eenige twijfel, dat de overige leden van

de familie niets van het voorval zouden weten. Voor Wistanley moest het

bepaald onmogelijk geweest zijn, zulk een systeem van bedrog uit te

voeren, zonder dat zijn vrouw en dochters er van op de hoogte kwamen.

Slechts met weerzin kon ik deze jonge, voorname dames voor bedriegsters

houden, maar het moesten wel bedriegsters zijn, hoe moeilijk het ook

vallen mocht, zooveel schoonheid en slechtheid in zich te vereenigen.

Ik was helaas machteloos iets te doen, wat mij in staat stelde deze

menschen in hechtenis te laten nemen. Zoo lang zij op Spaansch

grondgebied waren, waren zij veilig, maar ik troostte mij met de

gedachte, dat zij er niet altijd konden blijven. Gelukte het mij dan,

slechts enkele van hen achter slot en grendel te brengen, dan zouden de

anderen wel genoodzaakt worden, tenminste een deel van hun onrechtmatig

verworven goed in den steek te laten.

Nadat deze interessante familie, een volle week lang, geld met volle

handen had uitgegeven, weelderig geleefd en veel champagne gedronken

had, alle bezienswaardigheden gezien had en dikwijls had gereden, werd

hun gezelschap met vijf personen vermeerderd. Hun aantal bedroeg nu

dertien, een „duivelsdozijn”, zooals men dat noemt. Onder de nieuw

aangekomenen was ook een jonge man, die zeer zeker een broeder van de

beide jonge Wistanley’s en derhalve de derde dappere jonge man was. Ook

was er een jonge dame, een Amerikaansche en naar ik hoorde was dit de

jonggetrouwde vrouw van den jongsten Wistanley. De drie andere personen

waren de ouders van het jonge vrouwtje, die zich als de heer en mevrouw

Gage uit Georgia in het vreemdenboek inschreven, en een opgedirkte oude

juffrouw, een zuster van den heer Gage.

Dit tweede groepje der familie was in Madrid geweest. Ik was overtuigd,

dat deze dertien personen niet van plan waren, zich voorgoed in Spanje

te vestigen. Hierin had ik mij niet vergist, want in den loop der

daaropvolgende week vertelde mij de oberkellner, dat een deel van het

gezelschap naar Parijs en het andere naar Sevilla wilde gaan. Ik

brandde van nieuwsgierigheid, om te weten te komen, welke der personen

naar Parijs zouden afreizen; ik moest echter een paar dagen wachten,

vóór ik mijn nieuwsgierigheid bevredigen kon. Wie beschrijft echter

mijn vreugde, toen ik vernam, dat de heer Wistanley, diens twee zoons

George en Adam en de heer Sigris, op het punt van vertrekken stonden en

ik begreep terstond, dat deze reis in verband stond met de gestolen

goederen. Daarbij was ik nog te weten gekomen, dat Wistanley geen

Fransch sprak; dus moest Sigris hen als tolk dienen.

De morgen van vertrek brak aan, en in denzelfden trein, waarin het

gezelschap zat, zat ook ik.

In Parijs aangekomen, namen zij een rijtuig en reden naar Hotel

Continental. Nadat ik mij vergewist had, dat zij er hun intrek hadden

genomen, nam ik in een ander hotel een kamer, om geen argwaan te

wekken. Het eerste echter wat ik deed, was de Parijsche politie bericht

zenden, dat de zwendelaars, die ik zocht, in Hotel Continental woonden.

Eenige beambten werden dadelijk met het toezicht belast.

Den volgenden dag was ik in aller vroegte in de omgeving van het hotel

en nadat ik een tijdlang gewacht had, zag ik een open landauer van het

hotel wegrijden. Daarin zaten de drie Wistanley’s en Sigris.

Met twee van mijn Fransche collega’s sprong ik in een voorbijrijdend

huurrijtuigje en beval den koetsier, den landauer te volgen. Deze reed

naar het zuidelijke deel der stad, ging den Pont-Neuf over en reed den

Boulevard Saint-Germain op.

De vier inzittenden stegen uit het rijtuig en betraden het huis. Ook

wij verlieten ons voertuig en begaven ons naar de loge van den

concierge. Ik begon met den ouden man een gesprek en vroeg hem

terloops, of hij de heeren kende, die naar boven waren gegaan.

Drie van hen waren vrienden, meende hij, Engelschen of Amerikanen; de

vierde was de heer Blouet, die een half jaar geleden een étage gehuurd

had; hij was juist gekomen, om schikkingen te treffen over het

meubilair.

De Fransche wet veroorlooft het, iemand op een enkele mondelinge

beschuldiging gevangen te nemen. Wij hadden dus in dit geval geen bevel

tot inhechtenisneming noodig. Mijn collega’s en ik klauterden naar de

zesde verdieping. Ik belde aan, waarop de oude Wistanley de deur opende

en vóór hij zich van de verrassing die ons verschijnen teweeg bracht,

herstellen kon, waren wij binnen gedrongen.

In een kamer, voor de helft met balen en collis opgevuld, vonden wij

Sigris alias Blouet en de beide jonge Wistanley’s. Sigris doorzag

terstond den toestand en werd vaalbleek. Snel als de bliksem trok hij

een revolver uit den zak en schoot op mij. De kogel echter miste zijn

doel en drong in den muur, maar vóór hij tijd vond ten tweeden male te

schieten, had ik mij op hem geworpen, de revolver ontrukt en gekneveld.

Ook de drie andere gevangenen knevelden wij. Een van de Fransche

beambten bleef achter om de woning te bewaken en met behulp van den

ander bracht ik onze gevangenen naar den dichtbijzijnden politiepost.

Urenlang scheen Sigris buiten zichzelf van smart, vertwijfeling en

schaamte, en toen hij in mij iemand herkende, dien hij reeds in Cordova

had gezien, smeekte hij mij, zijn vrouw niet met zijn inhechtenisneming

in kennis te stellen, terwijl hij daarbij plechtig verzekerde, dat zij

volkomen onschuldig was en geen vermoeden van het bedrog had gehad.

Lord Lister No. 0022: De goudmaker · 第 4 / 5 段