Ik beloofde hem, haar zijn gevangenneming zoo lang mogelijk geheim te

houden en ik verzuimde ook niet, hem er op te wijzen, dat men zijn zaak

veel gunstiger zou beoordeelen, wanneer hij van de gestolen goederen

zooveel als mogelijk terug gaf. Dat wilde hij ook doen en vreeselijk

ging hij tekeer op zijn schoonvader en beide zwagers, die hem op dezen

slechten weg gevoerd hadden. Op zijn smeeken telegrafeerde ik zijn

vrouw, dat hij voor zaken dadelijk naar Engeland terugkeeren moest, en

daar, zooals te voorzien was, langen tijd zou moeten blijven.

Na verloop van verscheiden weken, nadat de noodige formaliteiten waren

vervuld, mocht ik mijn gevangenen naar Engeland overbrengen en

langzamerhand kwam ik alle bijzonderheden van hun reusachtig en

opzienbarend bedrog te weten. De Wistanley’s waren allen, met

uitzondering van Nelly, een geniale bedriegersfamilie. Als

Amerikaansche burgers hadden zij zoo lang van bedrog en zwendel

geleefd, tot de grond er te heet onder hunne voeten werd. Toen hadden

zij hun veld van werkzaamheid naar Manchester verlegd, waar zij met

Sigris kennis maakten, die op de dochter, die van al deze bedriegerijen

niets afwist, verliefd werd. Sigris had een zwak karakter en daar hij

Nelly hartstochtelijk lief had, viel, het den Wistanley’s niet zwaar,

zich van hem als werktuig te bedienen.

Nadat men het eens was geworden, om deze zwendelarij uit te voeren, was

Sigris naar Parijs gegaan, had daar op den naam Blouet de woning waarin

hij gevat werd, gehuurd, en was met een kennis overeengekomen, de

goederen bij hun aankomst in Parijs in ontvangst te nemen en ze naar de

woning over te brengen. Goederen, voor een waarde van verscheidene

duizend ponden waren reeds in Frankrijk aan den man gebracht en Sigris

en de Wistanley’s waren nu van Cordova naar Parijs gekomen, om de rest

der goederen te verkoopen. De derde zoon van Wistanley, Richard, was

tegelijk met Sigris in het huwelijk getreden. Zijn vrouw was een

juffrouw Gage en ofschoon ik deze familie niet bepaald van een misdaad

beschuldigen kon, scheen het toch, dat zij in de Verenigde Staten veel

op hun kerfstok hadden.

Ik had oprecht medelijden met Sigris. Hij was klaarblijkelijk slechts

een offer van de Wistanley’s, deze doortrapte zwendelaars. Hij volgde

mijn raad op, en gaf al het geld, dat hij nog bezat, over. Het waren

ongeveer drie duizend pond en hij gaf ons ook inlichtingen, die het ons

mogelijk maakten, een aanzienlijk deel van het gestolen goed weer terug

te krijgen. Daardoor gelukte het mij, het verlies van mijn lastgever

tot een, naar verhouding, klein bedrag te beperken. Op Sigris’ herhaald

smeeken, reisde ik nogmaals naar Cordova, om zijn vrouw voorzichtig met

het voorgevallene in kennis te brengen. Eerst was zij als verdoofd van

schrik, en ik vreesde, dat zij er niet van zou opkomen. Maar ik

redeneerde met haar en het gelukte mij ook, haar te bewegen met mij

naar Engeland terug te keeren. Hier wilde zij zoo lang teruggetrokken

leven, tot haar man weder op vrije voeten zou zijn; dan wilden zij ver

weg gaan en in een ander land een nieuw leven beginnen. Toen de Gages

en haar broeder hoorden, dat ik Nelly met mij mede nemen wilde, waren

zij woedend, maar hun schelden en razen deerde mij niet, en ik bracht

het arme, jonge vrouwtje naar Engeland.

Op roerende wijze vertelde zij mij, dat zij zich meermalen er over

verwonderde, waar haar vader en broeders de middelen tot hun

levensonderhoud vandaan haalden. Men had haar altijd gezegd, dat zij

„Commissionairs” waren; hun geheele doen en laten had altijd iets

geheimzinnigs gehad, maar aan oneerlijkheid of misdaad had zij nooit

gedacht. Deze onthulling trof haar zóó hard, dat zij zwaar ziek werd.

Verbazende dingen kwamen er bij de verhandeling tegen de Wistanley’s en

Sigris aan het licht; daaruit bleek, dat de Wistanley’s al geruimen

tijd van bedriegerijen leefden en zich een groot vermogen bijeen

gezwendeld hadden.

De verklaringen, die ik in staat was te geven en het feit, dat hij ons

geholpen had een groot deel van het gestolen goed terug te krijgen aan

den eenen kant; aan den anderen kant de goede getuigen, die zijn

vroegere chefs, de heeren Gregson & Co. van hem gaven, bewerkten, dat

Sigris er met de geringe straf van zes maanden gevangenisstraf af kwam.

De Wistanley’s werden tot tuchthuisstraf veroordeeld; de vader tot

tien, de beide zoons ieder tot zeven jaar. De andere leden van deze

interessante familie verzekerden zich van hunne vrijheid, door in

Spanje te blijven.

Ten slotte wil ik nog mededeelen, dat, toen Sigris uit de gevangenis

kwam, zijn vrouw herstellende was.

Op mijn voorspraak leende een als weldadig bekend staande dame hun een

som gelds waarmee zij naar Nieuw Zeeland vertrokken. Na een paar jaar

hoorde ik, dat zij onder een anderen naam een zaak hadden opgericht,

die zeer goed ging en dat zij drie kinderen hadden, die zij hun best

deden, tot eerlijke, rechtschapen menschen groot te brengen.

Lord Lister No. 0022: De goudmaker · 第 5 / 5 段