men hun goudbergen belooft, gelooven zij er aan. Leer dit van mij
Charly, en nu zullen wij op marsch gaan. Wij hebben dezen nacht nog
vier uur gaans tot het eerste spoorwegstation. Morgen vroeg om drie uur
kunnen wij naar Chicago afreizen. Voor het dag wordt moeten wij weg
zijn. Dit is de ongeloofelijkste zaak van alle, die ik tot nu toe heb
meegemaakt.”
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN MEESTERSTUK.
Den volgenden dag had de politie in Chicago de handen vol.
In Pottsville had men, vroeg in den morgen, het verdwijnen van John
Raffles en Charly Brand ontdekt, en in den kouden smeltoven een
naamkaartje gevonden, waarop geschreven stond:
„Mijn groet aan de heeren van Pottsville. Maakt goud met keukenzout en
bluft, zooals
JOHN RAFFLES, de goudmaker.”
„Lyncht hem”, schreeuwden de bedrogenen.
„Naar het eerste telegraafbureau.”
Het ergste raasde Brown. Hij was eenige millioenen armer geworden en
kreeg van alles de schuld. Ook verlangde men de teruggave der door
ieder gestorte 1000 dollar. En bang voor de dreigende vuisten en
woedende gezichten, bleef hem niets anders over, dan de oproerigen te
bevredigen. Daarop reisde hij met den eerstvolgenden trein naar Chicago
en spoedde zich naar het politiebureau, om met behulp van detectives te
probeeren den goudmaker het geroofde afhandig te maken.
De Groote Onbekende echter had zich opnieuw zijn uiterlijk veranderd,
en had als de koopman Smith uit New-York in het Central Hotel kamers
gehuurd. Reeds den eersten dag ging hij naar Mayer en betaalde hem de
gevraagde millioen dollars voor de vrachtwagens. Het was slechts twee
dagen voor den termijn, waarop Geis en zijn vrienden hun graan naar
New-York gezonden wilden hebben.
Den volgenden dag kwam mijnheer Geis op het bureau van de Pacific
Spoorweg Mayer opzoeken, om met hem over het vervoer van graan te
onderhandelen.
Met een merkwaardig lachje ontving hem de chef en antwoordde:
„Het doet mij leed, dat ik aan uw wensch, om vrachtwagens te leveren,
niet kan voldoen.”
„Gij zijt niet goed bij het hoofd,” schreeuwde de graankoning, „of hebt
gij te veel whisky gedronken? Ik wil graan naar New-York zenden en heb
wagens noodig.”
Het ironische lachje verdween niet van het gelaat van Mayer toen hij
antwoordde:
„Ik meen noch gek, noch dronken te zijn en herhaal, dat de Pacific
Spoortrein u voor deze maand, en waarschijnlijk nog langer, geen
vrachtwagens verhuren kan. Gij hadt er eerder voor moeten zorgen. Alle
wagens zijn nu besproken.”
Geis meende nog altijd, dat Mayer zich een scherts veroorloofde; toen
hij echter nog eens de bevestiging kreeg, schreeuwde hij:
„Wat drommel, moet ik mijn graan soms 2000 mijlen door de lucht laten
vliegen?”
Mayer haalde de schouders op.
„En waarom niet? Gij kunt een luchtschip nemen. Met den trein gaat het
niet, mits gij u tot den pachter der vrachtwagens wendt, zekeren Smith.
Hij woont in het Central Hotel en laat misschien met zich
onderhandelen.”
Plotseling was het den graankoning, of alles met hem ronddraaide. Hij
begreep nu den geheelen toestand.
„Dit is een gemeene streek,” raasde hij er op los. „De duivel hale u en
Rockefeller en de geheele Pacific-spoorweg erbij.”
Een vloed van leelijke schimpwoorden volgde en Mayer moest hem bijna
met geweld van het kantoor verwijderen. Als een woedende stier kwam
Geis in het Central Hotel aan en riep dadelijk zijn deelgenooten bij
zich. Verschrikt zagen zij zijn van woede vertrokken gezicht, dat zij
zich echter verklaren konden, toen hij riep:
„Wij zijn beetgenomen, men heeft ons een strik om den hals gelegd.
„De duivel hale Rockefeller. Wij hebben ons graan voor niets verbrand,
en het graan dat wij over hielden, kunnen wij hier in Chicago laten
verrotten, want Rockefeller kan het met zijn trein niet vervoeren!”
„Drommels. Die hond moest opgehangen worden.”
„Ik begrijp het niet,” antwoordde Lobeck.
„Maar ik wel,” raasde Geis verder, „al de vrachtwagens van den Pacific
spoorweg heeft Mayer, de hoofddirecteur van Rockefeller, aan zekeren
Smith verpacht. Het is een gemeene, een vervloekte, duivelsche streek!”
Zijne deelgenooten keken Geis strak aan en verbleekten, terwijl Geis
een gevulde champagneflesch nam en die in zijn woede in een spiegel
slingerde. Daarop rende hij de kamer uit, terwijl hij zijn metgezellen
toe riep:
„Volgt mij.”
Zij spoedden zich naar de kamers van Smith en traden dezen als woedende
stieren tegemoet.
Nog voor de Groote Onbekende iets kon zeggen, brulde Geis:
„Gij aartsschelm, gij gemeene hond, gij wilt ons een strik spannen. De
duivel zal u halen.”
Koelbloedig lachend keek Lord Lister naar den razende en rookte
gemoedelijk zijn sigaret erbij. Hij wist, dat hij de schelmen in den
zak had.
Nadat Geis uitgeraasd was, zei John Raffles op kalmen toon:
„Wat wenscht gij van mij?”
Met bloeddoorloopen oogen zag de graankoning hem aan en schreeuwde:
„Wagens om ons graan naar New-York te vervoeren, wil ik.”
„Het spijt mij dat ik u niet van dienst kan zijn.”
„En waarom niet?” vroeg Geis.
„Dat is mijn zaak,” antwoordde Raffles.
„Wilt gij ons voor den mal houden? Wij hebben vrachtwagens noodig voor
ons graan,” raasde de graankoning door, „zeg ons, hoeveel gij voor de
wagens hebben moet?”
Raffles bestudeerde eenige seconden den rook van zijn sigaret, nipte de
asch in den haard en antwoordde: „Gij zult mij den prijs voor de wagens
niet kunnen betalen.”
„Vervloekte hond, dat dacht ik wel. Wat belet mij dat ik je wurg!”
Hij maakte aanstalten, zich op den Grooten Onbekende te werpen, vloog
echter verschrikt terug, toen hem de loop van een Browningpistool werd
voorgehouden.
Nu trad Lobeck Geis in den weg en schoof hem op zij. Hij wilde het met
goede woorden probeeren.
Koud lachend hoorde Raffles zijn wenschen aan en antwoordde:
„Gij hebt vier weken geleden met uw eigendom, uw graan, gedaan waartoe
gij, als bezitter, het recht hadt.
„Nu doe ik met mijn vrachtwagens wat ik wil. Gij hebt voor vier weken
in de haven van Chicago een kostbaar vuurwerk afgestoken en hooptet
daardoor prachtige zaken te doen. Gij hebt echter buiten den waard
gerekend. Ik heb het niet kunnen verhinderen en zorgen, dat de wereld
eens goedkoop brood te eten kreeg, maar ik kan wel verhinderen, dat gij
profijt van uw schelmenstreek trekt.”
„Wij zitten in de val,” schreeuwde Geis, „met zoo iemand moet men met
de revolver praten.”
„Wat mij heel aangenaam zou zijn,” lachte de Groote Onbekende. „Gij
ziet, ik heb reeds een ter hand genomen.”
„Wilt gij vervoeren of niet?” riep Lobeck, „ik ben bereid u een
hoogeren vrachtprijs uit te betalen dan aan den Pacifictrein. Maar ons
graan moet weg.”
„Ik zei het u reeds,” antwoordde Raffles altijd op rustigen toon, „dat
hangt geheel van mij af en slechts op zekere voorwaarde ben ik bereid,
uw graan naar New-York te vervoeren.”
„Welke voorwaarde?” schreeuwde Geis.
„Gij betaalt mij een millioen honderd vijftig duizend dollar en
verplicht u daarbij, het graan te verkoopen tot den prijs, die er voor
vier weken voor betaald werd. Ik maak er u opmerkzaam op, dat ik
slechts voor dezen prijs graan uit mijn vrachtwagens aan New-Yorker
handelaars afgeven zal.”
Met een heeschen kreet wilde zich Geis op Raffles storten, maar werd
door zijn metgezellen daarin verhinderd.
„Wij zullen de zaak overleggen en u binnen twee uur antwoord zenden.”
„Overlegt niet te lang,” antwoordde Raffles, „want het zou kunnen, dat
ik mijn voorwaarde ook nog eens overdacht en uw graan heelemaal niet
meer wilde vervoeren.”
Vloekend verlieten de heeren de kamer, en begaven zich naar de
conversatiezaal, om daar te overleggen.
Daar wachtte hen Brown, die uit Pottsville was gekomen, om den
voortvluchtigen goudmaker te vervolgen.
„Ik heb millioenen verloren,” schreeuwde hij Geis toe. „Die hond van
een Raffles heeft ze mij onder het masker van een alchimist afgenomen.”
„Drommels,” antwoordde Geis, „als men door zoo’n domheid zijn geld
verliest, heeft men wat iemand toekomt. Maar ik en mijn vrienden, wij
zijn in ons bedrijf door een uitgeslapen speculant voor millioenen
benadeeld en de duivel mag weten, wie die schurk is.”
„Wij moeten eens rustig overleggen,” zei Lobeck, „wat uit deze
speculatie nog te redden valt.”
„In het geheel niets,” antwoordde Brauer, „en ik stel voor, dat wij,
voor wij dezen mensch het geld voor de vrachtwagens betalen en hij zich
over ons amuseert, ons graan nog heden in Chicago verkoopen.”
Dit plan vond algemeenen bijval. Zij snelden naar de Beurs en
verkochten daar hun graan voor den gewonen prijs. Vijftien millioen
dollar kostte hun dit zaakje.
Toen Raffles in den namiddag hoorde, dat de graankoningen hun graan
verkocht hadden, zeide hij tot Charly Brand:
„Het graan is goedkoop gebleven, mijn kunst als alchimist heeft dit tot
stand gebracht. Nu zullen wij naar Engeland terugkeeren. Je ziet, dat
mijn reis naar Amerika van algemeen nut is geweest.”
Toen hij met Charly Brand in den Pullmann-trein naar New-York stapte,
schreeuwden de courantenverkoopers:
„Raffles als goudmaker in Pottsville!” „De bedrogen Koperkoning!”
„Nieuwste berichten: de bedrogen graankoningen!”
Raffles kocht een courant en las daarin, alsof hij zich van de daden
van een wildvreemde op de hoogte wilde stellen. Daarna gaf hij het blad
aan Charly Brand en zei:
„Leg deze krant bij mijn verzameling.”
Terzelfdertijd ontvang Geis een brief, dien Raffles hem, kort voor zijn
afreis, naar het hotel gezonden had. Deze luidde:
„Mijnheer Geis!
Het verheugt mij te hebben gehoord, dat gij uw graan tot den
gewonen prijs verkocht hebt. En opdat gij zult weten, wie u tot
deze fatsoenlijke daad bracht, moet ge deze onderteekening u goed
in het geheugen prenten. Verbrandt in de toekomst geen graan meer,
alvorens eerst te raadplegen met
JOHN C. RAFFLES.”
EEN DUIVELS-DOZIJN.
UIT DE HERINNERINGEN VAN EEN DETECTIVE.
Tijdens een zomer, die zich door groote slapte in zaken kenmerkte, en
waarin de fabrikanten door het geheele rijk zich beklaagden, zoo
bedroefd weinig afzet te hebben, was op een mooien dag de eigenaar van
een in de nabijheid van Harwick gelegen wolfabriek niet weinig verrast,
toen de post hem een bestelling voor een bedrag van circa achtduizend
pond sterling bracht. Deze firma was om de duurzaamheid van haar
fabrikaat algemeen bekend, en nog kort geleden had zij circulaires
rondgezonden, waarin zij berichtte, dat zij ten gevolge van slapte in
zaken en grooten voorraad haar fabrikaat tegen verminderden prijs
uitverkoopen wilde. Zoo slecht waren echter de zaken, dat ook deze
verlokkende aanbieding geen noemenswaardig gevolg had, want
overproductie had allen kooplust weggenomen. Ook het jaargetijde was
niet zonder invloed; het is bekend, dat de zomer geen geschikte tijd is
voor wollen goederen.
Toen nu de firma bij het openen van de eerste post deze lang niet
onbeduidende opdracht, die een groot gat in haar voorraad moest maken,
ontving, meesmuilden de eigenaars en dachten zich gelukkig te mogen
rekenen.
Deze bestellingsbrief was in volmaakt zaakkundigen stijl geschreven en
kwam van
PETER GREGSON & Co.
Commissie en Exportzaak,
Moseley Street,
Manchester.
Daar de heeren Peter Gregson & Co. tot nog toe niet in zakelijke
verbinding met de firma hadden gestaan, gaven zij als referent op de
Union Bank te Manchester en de heeren Wistanley & Co., agentuurzaak in
de Fountainstreet te Manchester. Deze bepaling was nog gemaakt, dat de
waren binnen acht dagen geleverd moesten zijn, daar zij voor export
bestemd waren.
Als fatsoenlijke kooplieden sloegen de eigenaars der firma allereerst
het handelsadresboek van Manchester op, waarin zij dan ook de firma’s
Peter Gregson & Co. en Wistanley & Co. vonden.
Dit zag er reeds eenigszins betrouwbaar uit; om echter veilig te zijn,
gaven zij hun vertegenwoordiger opdracht, bij de bank in Manchester,
die als informatie was opgegeven, inlichtingen in te winnen. En daar de
uitspraak der bank in ieder opzicht bevredigend was, toog men
onverwijld aan de uitvoering van de opdracht en binnen het gestelde
tijdsverloop werden de goederen verzonden en Peter Gregson & Co.
daarvan verwittigd. Met de volgende post werd genoemden heeren een
wissel ter accept op korten termijn toegezonden. Omgaand kwamen ook de
papieren, geaccepteerd, terug, en de Harwicker fabriek was er van
overtuigd, goede zaken gemaakt te hebben, waarmede zij, de bij
voortduring slechte tijden in aanmerking genomen, niet weinig verheugd
waren.
Toen echter de wissel vervallen en den heeren Peter Gregson & Co. ter
betaling voorgelegd werd, hielden deze heeren vol, van de geheele zaak
niets af te weten, en verklaarden de onderteekening voor vervalscht.
Heel beslist loochenden zij het, de waren besteld en ontvangen te
hebben.
Dit bericht trof de Harwicker firma als een donderslag, en wanneer
Gregson en Co. de waarheid sprak, dan liet het geen twijfel, of zij
waren het slachtoffer van een even drieste als behendig aangelegde
afzetterij geworden, waarbij de bedriegers twee maanden voorsprong
hadden, die zij wel voor de vlucht zouden benut hebben. Het bedrogen
huis verloor geen tijd, om alle middelen aan te grijpen en verzocht
telegraphisch om mijn bezoek.
Bij mijn aankomst vertelde men mij, wat ik hier reeds mededeelde; men
toonde mij de briefwisseling, overhandigde mij den vervalschten wissel
en smeekte mij noch kosten, noch moeite te sparen, om de misdadigers
aan de straffende gerechtigheid uit te leveren.
Reeds dadelijk was ik overtuigd met doortrapte bedriegers te doen te
hebben. Het was geheel buiten gesloten, dat zulk bedrog door een enkele
persoon was gepleegd; daar er dus meerdere handlangers moesten zijn,
zoo was ik tamelijk zeker dat ik de misdadigers in handen zou krijgen,
al dacht ik ook niet de gestolen goederen ooit weer terug te krijgen.
Want zulke uitgeslapen dieven zouden wel geen oogenblik langer dan hoog
noodig was, zulk een grooten voorraad waardevolle goederen in hun bezit
houden.
Mijn inlichtingen bevestigden den goeden roep, waarin Peter Gregson &
Co. stond. Het was weliswaar slechts een kleine firma, maar zij stond
bekend als hoogst solide en respectabel, wat zij ook werkelijk was. Ik
kwam ook te weten, dat zij wel voor 20,000 pond en voor nog meer zelfs
goed was,
Eenige dagen, nadat de wissel van de Harwicker firma vervallen was,
werden Peter Gregson & Co. nog andere wissels gepresenteerd, maar
eveneens afgewezen, omdat zij vervalscht waren. Er viel nu niet meer
aan te twijfelen, dat men te doen had met een systeem van reusachtige
zwendelarijen en dat goederen, waarvan men de waarde wel op
dertigduizend pond schatte, uit alle deelen van Engeland, op den naam
van Gregson & Co. opgelicht waren.
Natuurlijk baarde deze geschiedenis in handelskringen groot opzien en
men meende algemeen, dat het niet moeilijk zijn kon, de goederen terug
te vinden, en de misdadigers te ontdekken. Toen echter de proef op de
som werd genomen, kwam aan het licht dat de publieke opinie ditmaal
onrecht had. De bedriegers hadden hun netten goed uitgeworpen en het
zoo aangelegd, dat alle goederen ter zelfder tijd, geleverd waren; daar
nu echter eenige wissels na twee, andere weer na drie maanden
betaalbaar waren, hadden de dieven volop tijd, het gestolene aan den
man te brengen. Het viel niet te loochenen, dat de geheele zaak er zeer
geheimzinnig uitzag: ik wilde echter dit geheim oplossen en de zaak
terug brengen, tot wat zij was—namelijk een doortrapte afzetterij.
Ik vroeg mij af, waarom de bedriegers juist het oog op Peter Gregson &
Co. hadden laten vallen. En ik gaf mij zelf tot antwoord: Eerstens
omdat het een kleine firma is en de zaken die zij afsluit, niet zoo
algemeen bekend worden als die van een groot huis met vele
verbindingen. Daarom konden ook goederen voor Gregson & Co. besteld
worden, zonder dat dit in de handelswereld bekend werd. Wanneer men
echter van deze bestellingen niet sprak, bleef de firma zelf daarvan in
onwetendheid, tot haar de wissel voorgelegd werd.
Verder hadden de afzetters juist deze firma gekozen, omdat zij, of
iemand die met hen in relatie stond, precies op de hoogte waren van de
omstandigheden van Peter Gregson & Co.
Nadat ik dit met mijzelf eens was, zocht ik de eigenaars der firma op.
De zaak bestond eerst sedert drie jaar, en de oudste chef was Peter
Gregson, een oude heer van bijna zeventig jaar. Twee zoons en drie
neefs van hem waren de andere bezitters. Zij hielden zich hoofdzakelijk
met export bezig en hun geheele personeel telde niet meer dan vijftien
koppen. Zij hadden relaties met de Union Bank, maar daar men zich in
zaken dikwijls bij een bankzaak inlichtingen verschaft, zoo viel het de
Union Bank niet bijzonder op, dat er zoo dikwijls naar Gregson & Co.
geïnformeerd werd
Hoe stond het echter met de andere, als referent opgegeven firma
Wistanley & Co., agentuurzaak? Wat waren dat voor menschen? Zij moesten
in Fountainstreet wonen en daarheen begaf ik mij dus. Zooals ik reeds
vermoed had, bestond de firma Wistanley & Co. heelemaal niet. Meer dan
een jaar geleden had een heer, John Wistanley genaamd, in een gebouw in
de Fountainstreet, de kelderverdieping gehuurd.
Deze bestond uit twee groote kelders waarvoor een jaarlijksche huur van
80 pond werd betaald. Mijnheer Wistanley vertelde, dat hij zich
zelfstandig wilde vestigen als agent nadat hij verscheidene jaren in
een agentuurzaak was werkzaam geweest. Nauwelijks was het huurcontract
onderteekend, of hij liet ook reeds een zeer opvallend uithangbord
aanbrengen, waarop geschreven stond: Wistanley & Co., agentuurzaak. Ook
in het adresboek werd de naam der firma opgenomen, maar geen der buren
scheen te weten, welke zaken de firma Wistanley & Co. deed. De firma
werd waargenomen door drie kranige jongelieden.
Ik deed nu moeite om eenige klanten of correspondenten van deze firma
uit te vinden, wat mij echter niet gelukte.
Tot de heeren Wistanley zelf kon ik mij helaas, niet wenden, daar zij
evenals de drie kranige jonge menschen verdwenen waren. Daar de huur
tot het einde van het jaar betaald was, zoo had, volgens Engelsche
wetten, niemand het recht, binnen te gaan of het uithangbord te
verwijderen. Deze omstandigheid versterkte mij in het idee dat er
verscheiden handlangers op zeer zaakkundige manier gewerkt hadden.
Waarom echter hadden de Wistanley’s zich van den naam Gregson & Co.
bediend? En hoe wisten zij dat deze met de Union Bank in relaties
stond? Eén antwoord kon men slechts op deze vragen geven, namelijk die,
dat iemand, die de intieme, omstandigheden van Gregson & Co. wist, deze
aan Wistanley & Co. had medegedeeld.
Nu de goederen! Het was niet moeilijk ze tot in Wistanley’s kelders te
volgen. Deze ondernemende firma had zich paard en wagen aangeschaft en
als koetsier zekeren Alfred Gamble genomen, iemand die in zijn jeugd
bijna niets geleerd had en slechts met moeite zijn naam kon krabbelen.
Hij had bijna niets te doen, dan balen en kisten van de verschillende
stations af te halen. Hij was al vijf-en-zestig jaar en daarbij zeer
dom, reden, waarom zijn chefs hem tot koetsier hadden genomen, want van
hem hadden zij niet de vraag te duchten, waarom goederen aan Gregson &
Co. geadresseerd, door Wistanley & Co. afgehaald werden.
Toen ik dezen Gamble ontdekte, bemerkte ik uit zijn spreken, dat hij
het zeer goed bij zijn chefs had gehad.
Hij had er een salaris van 2 pond per week, maar meestal werden hem nog
eenige shillings meer uitbetaald.
Deze vrijgevigheid maakte natuurlijk de bewondering van den heer Alfred
Gamble gaande, zoodat wanneer men hem naar zijn chefs gevraagd had, hij
met veel lof over hen zou gesproken hebben. In mijn onderhoud met hem
bemerkte ik spoedig, dat hij met leedwezen op deze gelukkige tijden
terug zag en toen ik in den loop van het gesprek iets zeide, dat naar
de meening van den heer Gamble een slecht licht op zijn vroegeren
principaal wierp, werd hij boos en riep:
„Zoo iets moogt gij niet zeggen; het was een brave man en menigen
shilling heeft hij mij geschonken.”
Het getal der „shillings”, die hij van den heer Wistanley gekregen had,
had zulk een diepen indruk bij hem achtergelaten, dat het mij spoedig
duidelijk werd, dat dit het eenige was, wat hem in het geheugen was
gebleven. Slechts dit kon ik nog uit hem krijgen, dat de goederen, van
de stations afgehaald naar den kelder in de Fountainstreet gebracht
werden. Verder reikte zijn kennis niet.
Nu kwam de vraag: Wat was er met die goederen gebeurd? Dit was niet
gemakkelijk uit te vinden, maar het gelukte mij toch en zoo ontdekte
ik, dat door Wistanley & Co. van verschillende spoorstations een groot
aantal kleine pakken weggezonden werden en dat deze colli’s dan op
enkele uitzonderingen na, werden verzonden aan
Den Heer Eugène Blouet,
Parijs, Noorderstation. Restante.
Nu werd het zaakje ingewikkeld en ik vreesde, dat Parijs het monster
zijn zou, dat onze hoop op goeden uitslag zou verslinden, zooals het de
gestolen goederen verslonden had. En wie was deze mijnheer Blouet? In
hem zag ik slechts een hersenschim, d.w.z. het was een verzonnen naam
en als deze Blouet niet Wistanley zelf was, dan was hij toch zeker een
handlanger van hem, die zich stellig de grootst mogelijke moeite had
gegeven, ieder spoor, dat tot zijne ontdekking kon leiden, uit te
wisschen.
Toen mijn onderzoekingen zoover waren, wilde ik natuurlijk ook iets
naders weten van den ondernemenden heer Wistanley, voor hij Wistanley &
Co. werd; ook zou ik gaarne iets te weten gekomen zijn van die drie
dappere jongelui.
Het eerste wat ik bewerkte was van de politie verlof te krijgen tot het
binnengaan in de door Wistanley & Co. gehuurde localiteiten. De firma
was zoo voorzichtig geweest, eenige meubelen achter te laten, die naar
mijn schatting niet meer dan twintig pond konden opbrengen. Verder vond
ik er nog oud, waardeloos pakmateriaal, een waterkaraf met eenige
glazen, een koperen ketel, een heelen stapel briefpapier en
rekeningformulieren met den naam der firma. Alle schrijflessenaars
waren leeg. Geen brief of kaartje werd gevonden, die tot een spoor van
ontdekking had kunnen leiden.
Hoewel deze huiszoeking zonder resultaten was, toch was ik nog niet
ontmoedigd. Ik wist dat ik met een goed georganiseerde bende van
doortrapte misdadigers te doen had; mijn ervaringen als criminalist
hadden mij echter geleerd, dat zelfs de knapste en voorzichtigste
bedriegers zichzelf door een of andere domheid of kleine nalatigheid
verraden. Ik twijfelde er daarom niet aan, of ik zou toch nog een spoor
ontdekken dat ik volgen kon. Iets was tenminste al bereikt, nl. dat ik
wist, dat de goederen naar Parijs waren gezonden, en ik verheugde mij
er reeds op twee à drie weken in deze heerlijke stad te kunnen
doorbrengen. Intusschen liet ik in alle dagbladen van Manchester de
advertentie plaatsen, dat een ieder, die bij Wistanley & Co.,
Agentuurzaak, voorheen Fountainstreet, als jonge man, of in welk
opzicht ook, werkzaam was geweest, beleefd werd verzocht, zijn adres
den heeren Gregson & Co. mee te deelen. Voor een zekere mededeeling die
de persoon in quaestie wel in staat zou zijn te verstrekken, zou hem
vijftig pond uitbetaald worden.
Hoewel deze annonce een volle week dagelijks geplaatst werd, kwam er
niemand opdagen. Dit had ik ook wel verwacht, want ik begreep dat die
drie kranige jongelieden in betrekking tot den heer Wistanley stonden,
omdat anders zoo’n ver vertakt systeem van bedrog niet uitvoerbaar ware
geweest.
Nu richtte ik mijn volle opmerkzaamheid op het personeel van de heren
Gregson & Co., want ik kon de gedachte maar niet van mij afzetten, dat
de verrader in de zaak zelf school.
De oudste chef en zijn twee zoons verleenden mij allen mogelijken
bijstand, maar zij konden niet gelooven, dat iemand, bij hen werkzaam,
zich met Wistanley & Co. zou ingelaten hebben; hun geheele personeel
van den loopjongen tot den procuratiehouder, genoot het grootste
vertrouwen.