kopermijnbezitters; onder hen was Hunting het meest in aanzien. John
Raffles was slechts één dag in Pottsville, toen hij van een pachter
voor weinig geld een kleine hoeve kocht, waarna op dit stukje grond,
tot groote verwondering van de bewoners van Pottsville, een zeldzame
bedrijvigheid werd uitgeoefend.
De Groote Onbekende had metselaars en pottenbakkers aangenomen en liet
een smeltoven door hen bouwen. Tegelijkertijd liet hij om het geheele
gebouw een hoogen muur optrekken en hulde zoodoende al zijn
werkzaamheden in geheimzinnigheid.
Tevergeefs braken de bewoners van Pottsville zich het hoofd, wat de
vreemdeling wel van plan was te doen.
Raffles zelf was van den morgen tot den avond aanwezig, en verliet deze
plaats zelden. Na een week, toen alles gereed was, zooals hij het
wenschte, ging hij naar Brown, die reeds meermalen geprobeerd had zich
opnieuw met hem in verbinding te stellen.
Brown was heel nieuwsgierig; hij was van alles volkomen op de hoogte en
toen Raffles bij hem binnenkwam, ontving hij hem, zonder zijn
nieuwsgierigheid meester te kunnen blijven.
„Eindelijk dan komt gij eens bij mij”, zei hij verheugd.
„En wel als klant”, antwoordde John Raffles, „ik wil zaken met u doen.”
„Ik ben bereid”, antwoordde Brown, „waar handelt het om?”
Hij bood Raffles beleefd een stoel aan en liet door zijn dienaar
sigaren en whiskey brengen.
Lord Lister bemerkte dat Brown het bijna niet kon uithouden van
nieuwsgierigheid en zenuwachtig op zijn sigaar kauwde.
„Ik was eerst van plan, den heer Hunting op te zoeken, toen ik naar
Pottsville kwam”, begon Raffles het gesprek. „Ik had eenige
aanbevelingen voor hem van vrienden uit New York. Maar daar het toeval
wilde, dat ik u op reis leerde kennen, spreekt het vanzelf dat ik mij
het eerst tot u wend.”
De koperkoning maakte een beleefde buiging en Raffles vervolgde:
„Ik wilde u vragen, mijnheer Brown, tot welken prijs gij mij het voor
uw mijnen liggende koperafval wilt verkoopen?”
De mijnbezitter trok van verbazing over deze vraag zoo’n dom gezicht,
dat Raffles erom moest lachen.
Brown meende niet goed te hebben gehoord en herhaalde daarom de woorden
van zijn gast.
„Gij zegt, koperafval?”
„Jawel”, antwoordde Raffles.
Maar nogmaals kwam de vraag:
„Koperafval? Maar om ’s hemels wil, wat wilt gij met dit waardelooze
goed doen? Ik heb tot op heden toe nog nooit iemand gevonden, wien het
de moeite waard was het voor niets te laten afhalen, om er gaten in de
straat of greppels mee te vullen. Neem er zooveel van als gij wilt,
maar als gij meent, dat dit afval nog voor een cent koper bevat, dan
vergist gij u. Ik dacht het ook eens en liet toen scheikundigen komen.
Maar ieder kooltje, dat men voor dat rommeltje verbrandt, is geld dat
door den schoorsteen vervliegt.”
„Allright”, zei Raffles, „dan wilt gij mij wel op schrift geven, dat ik
zooveel koperafval mag laten weghalen, als ik gebruiken kan?”
Nu de Groote Onbekende met zoo’n kalmte sprak, begon Brown argwaan te
krijgen. Hij overlegde eenige minuten.
Zou deze vreemdeling misschien toch een geheim bezitten, dat hem in
staat stelde uit dit, tot nu toe voor waardeloos gehouden afval, geld
te maken?
Hoe hij zich ook vermoeide, hij kon geen goede oplossing vinden. Het
smeltproces werd zoo grondig bij hem uitgevoerd, dat het haast
onmogelijk was dat dit afval nog voor een cent waarde had. En nu kwam
deze vreemdeling en wilde hem alles afkoopen. Dit moest beslist van
eenige beteekenis zijn en hij besloot niet zoo dadelijk op Raffles’
voorstel in te gaan.
De schouders ophalende, zei hij: „Het spijt mij, dat ik mijn woorden
van straks herroepen moet, maar ik ben nu overtuigd, dat het afval voor
u eenige waarde vertegenwoordigt.”
„Dat loochen ik niet, en daarom ben ik bereid, het, van u, voor een
door u te bepalen prijs, te koopen.”
Brown dacht weder eenige minuten na. Hij moest het eens zien te worden
met den vreemde, anders ging deze naar zijn concurrent Hunting.
Hij nam daarom een kort besluit, en noemde een prijs, half zoo groot,
als dien welken hij voor een ton koper ontving, en verwachtte niet
anders, dan dat zijn nieuwe zakenvriend hem zou vragen, of hij gek was.
Inplaats daarvan, haalde de Groote Onbekende met ijzige kalmte zijn
portefeuille te voorschijn, nam er een biljet van duizend dollar uit,
legde dit voor Brown op de schrijftafel en zei:
„Het is in orde. Neem deze duizend dollar als vooruitbetaling.”
Brown nam de banknoot, maar wist niet of hij waakte of droomde.
De vreemdeling moest bepaald idioot zijn.
Brown zou voor dit waardelooze goedje nog geen tien cent gegeven hebben
en nu kwam een vreemde, en betaalde een som, die bijna even groot was,
als de waarde van het koper zelf bedroeg. Nu, hij zou wel verder zien.
Hij schreef een quitantie voor de duizend dollars en gaf Raffles ook
een bewijs van den gesloten verkoop van koperafval. Nu probeerde hij,
te weten te komen, wat Raffles met dit afval wilde doen, maar deze
antwoordde daarop slechts met een geheimzinnig stilzwijgen, zoodat
Brown wel inzag, dat hij er op deze manier niet zou komen.
Reeds den volgenden dag liet John Raffles, tot groote verbazing van de
bewoners van Pottsville en de werklui, verscheiden vrachten van het
gekochte naar zijn smeltoven brengen. Tegelijkertijd vroeg hij den heer
Brown, of deze hem niet een werkman ter bediening van den smeltoven zou
willen afstaan.
De mijnbezitter beantwoordde deze vraag dadelijk toestemmend.
Niets kwam den ouden vos meer van pas. Hij had een werkman, die
verscheiden jaren bij hem was, een baas, met name Jim Mertens. Hem riep
Brown tot zich, en terwijl hij hem een biljet van honderd dollar in de
hand stopte, zei hij: „Mertens, gij weet van het wonderlijke zaakje,
dat ik gesloten heb met den vreemden scheikundige, die zich hier in de
nabijheid een smeltoven heeft laten bouwen.”
De oude arbeider lachte en antwoordde: „Jawel. Alle kolenhandelaars in
Pottsville verheugen zich reeds op de goede zaken, die zij met dezen
gek zullen maken.
„Hij kan wel tienduizend centner kolen verbranden, voor hij er ook maar
één gram ijzer, koper, of welk ander metaal, uithaalt. Deze man moet
niet goed bij zijn zinnen zijn.”
„Dat zullen wij niet zeggen,” antwoordde Brown. „Ik heb tijdens een
overrompeling van een trein bewijzen van groote koelbloedigheid en
verstand van dezen man gehad. Misschien bezit hij werkelijk een geheim,
om eenig voordeel uit het afval te trekken. Wij zullen zien. De
vreemdeling zoekt een werkman, en verzocht mij, hem iemand aan te
bevelen. Toen dacht ik aan jou, Mertens. Er is mij veel aan gelegen, te
weten te komen, wat deze vreemdeling met het goed doet. Jij gaat dus
bij hem in betrekking en houdt mij van alles op de hoogte. Als
belooning krijg jij van mij honderd dollar boven je weekloon, zoolang
jij bij den vreemde in dienst zijt. Ik denk, met dit aanbod kunt je
tevreden zijn.”
„Wel zeker,” antwoordde de opzichter, „ik heb tien kinderen te
verzorgen, en kan altijd geld gebruiken. Ik zal u van alles, wat er
gebeurt bericht geven. Maar niettegenstaande alle uitvindingen, geloof
ik niet, dat er met dit waardelooze afval iets te winnen valt.”
John Raffles had wel begrepen, dat hij met dezen arbeider een spion in
huis kreeg. Hij zette hem allereerst aan het in werking brengen van den
smeltoven en liet zich verdere handreikingen geven.
Verscheiden dagen werkte John Raffles reeds met smeltkroezen in den
oven, maar de werkman kon Brown slechts berichten, dat de vreemdeling
schijnbaar niets bereikte.
Den vierden dag maakte het de opmerkzaamheid van den arbeider gaande,
dat Charly Brand uit een blikken trommel iedere vijf minuten een lepel
wit zout in den smeltkroes wierp en dat zijn nieuwe chef verscheidene
malen uitriep: „Het zal ons gelukken.”
Tevergeefs echter deed hij moeite van het zout iets te bemachtigen om
het den heer Brown ie laten zien.
Toen Mertens dien avond den smeltoven verlaten had, zeide de jonge
secretaris tot zijn vriend:
„Ik zou nu wel eens willen weten, waarom gij mij dit witte poeder in
den kroes laat werpen?”
John Raffles lachte en antwoordde:
„Dat heeft slechts een beteekenis voor den heer Brown, niet voor jou.”
„Wat is het eigenlijk?” vroeg Brand verder; „je doet zoo geheimzinnig,
als of het groote waarde heeft.”
„Dat komt uit,” lachte de Groote Onbekende „het is keukenzout”.
Charly Brand was stom van verbazing, zoodat Raffles schaterde van het
lachen.
„Keukenzout?” herhaalde hij, „wat doe je met keukenzout in een
smeltkroes?”
„Beste jongen,” antwoordde zijn vriend, en klopte hem op den schouder,
„dit keukenzout is mijn bluf voor het koperafval tegenover Brown. Ken
je niet de wijsheid: Strooi de menschen zand in de oogen, en zij
gelooven, dat het goud regent? Dit is het geheim, hoe de millionnairs
hun millioenen verdienen. Ik wed duizend dollar, tegen één pond
keukenzout, dat dit toevoegsel van zout het lokaas zal zijn, waarmede
ik den heer Brown de millioenen uit den zak zal kloppen. En nu zal ik
nog dezen nacht eenige kettingen en ringen en horloges van de
passagiers van den Pullmann-trein, versmelten en dan krijgt de heer
Brown door zijn spion, zijn eigen ketting en horloge tot een stuk goud
versmolten uit mijn smeltoven, terug. Hij zal zweren, dat ik uit zijn
koperafval, met zout vermengd, goud heb verkregen.”
Het gebeurde zooals Raffles had voorspeld.
Den volgenden avond stormde de werkman in het kantoor van den heer
Brown in de grootste opgewondenheid.
„Patroon”, riep hij. „De vreemdeling heeft iets tot stand gebracht, dat
ik nooit voor mogelijk heb gehouden, en het toeval was mij gunstig.
Toen ik dezen middag aan den smeltoven stond, had mij de vreemdeling
juist een smeltkroes ter verkoeling gebracht, toen zijn vriend hem weg
riep. Ik nam de gelegenheid waar en haalde uit den smeltkroes een stuk
van de verkoelde massa. Hier is het.”
Hij trok een vingerdik stuk metaal, verscheiden centimeter lang, uit
zijn kiel en legde het op de schrijftafel van zijn meester. Deze
onderzocht het en met een gezicht, waarop tegelijkertijd zich schrik en
zenuwachtigheid afspiegelde, riep hij uit:
„Dat is goud!”
„Juist, patroon”, antwoordde de werkman, „dat is goud.”
De koperkoning gaf bevel dadelijk zijn rijtuig in te spannen en reed
naar Raffles.
Toen deze het bezoek zag aankomen, deed hij, alsof het ontmoeten van
den heer Brown hem niet aangenaam was en deed hij moeite, hem den
toegang te ontzeggen.
De mijnbezitter bemerkte het en overlegde wat te doen. Vastberaden
begon hij:
„Ik heb uw geheim ontdekt, mijnheer Baxter. Gij zijt alchimist. Gij
kunt dat niet loochenen, want ik heb de bewijzen ervan in den zak. Nu
kom ik u een voorstel doen: Deel mij uw geheim mede en ik zal u
millioenen ter beschikking stellen om verder te werken.”
John Raffles antwoordde lachend: „Ik zie wel; dat ik mij voor u,
mijnheer Brown, niet meer verbergen kan. Wat gij zegt is waar. Ik ben
goudmaker. Ik maak uit uw koperafval, met bijvoeging van een uitvinding
van mij, goud.”
De oogen van Brown fonkelden van begeerigheid.
„Dat is kolossaal”, zei hij, „als ik de bewijzen er van niet gezien
had, zou ik het niet gelooven.
„Ik doe u dezen voorslag: Ik betaal twee millioen dollar als deelgenoot
in uw zaak en geef u zooveel koperafval als noodig is. Willen wij dat
notarieel opmaken?”
John Raffles schudde het hoofd.
„Neen; maar ik doe u een anderen voorslag. Overtuig u eerst, mijnheer
Brown, of ik werkelijk uit uw koperafval in mijn oven goud verkrijg.
Hebt gij dat gedaan, dan ben ik bereid op uw voorstel in te gaan. Kom
dus morgen bij mij, dan zullen wij de proef nemen.”
Toen Brown naar huis reed, gevoelde hij zich reeds als de rijkste man
der wereld en werkte in zijn hersenen de meest phantastische plannen
uit. Vol bewondering beschouwde hij het stuk goud, hem dezen morgen
door den werkman gebracht, maar vermoedde niet dat het zijn eigen
versmolten horloge en ketting waren.
Reeds den volgenden morgen kwam de millionnair om de proef te nemen.
Hij zag dat Raffles het tot gruis gemalen koperafval met het witte zout
in den kroes deed en dezen in den smeltoven plaatste. Wel een half uur
lang liet de Groote Onbekende dit mengsel aan de hitte van den oven
prijsgeven om met tusschenruimten van eenige minuten altijd weer
keukenzout in de vloeiende massa te werpen. Na een uur haalde hij den
smeltkroes te voorschijn en goot den inhoud in een vorm. Eenige uren
verliepen vóór de massa koud was. Toen sloeg Raffles den vorm stuk en
een vierkante klomp metaal van ongeveer een pond zwaarte lag voor
Brown.
„Goud”, zeide Raffles. „Uw koperafval heeft zich in waarde
vierhonderdvoudig vermeerderd.”
Brown staarde met wijdgeopende oogen op het voor hem liggende goud. Hij
durfde haast niet adem te halen. Zoo iets had hij nooit durven
verwachten.
Bijna verlegen vroeg hij:
„Mag ik dezen goudklomp ter onderzoeking medenemen?”
„Ga uw gang”, antwoordde Lord Lister, „hij heeft voor mij geen waarde.”
Met sidderende handen nam de mijnbezitter het stuk goud en woog het:
„Ik taxeer het wel op anderhalf pond.”
„Wel mogelijk”, zeide Raffles. „Voor gij u echter met dezen goudklomp
uit mijn laboratorium verwijdert, moet ik u op het volgende opmerkzaam
maken:
„Het is nu twee uur in den middag. Wilt gij nu een contract met mij
maken, om voor gezamenlijke rekening goud te fabriceeren, dan laat ik u
tijd tot zes uur. Op dit uur moet gij mij twee millioen dollars in
contant geld uitbetalen, d.w.z. in bankbiljetten van 1000 dollar. Komt
gij deze verplichting niet na, dan stel ik mij in verbinding met den
heer Hunting en beschouw onze betrekkingen als afgebroken.”
„Neen, neen”, zei de koperkoning haastig en de goudbegeerte schitterde
in zijn kleine oogjes. „Ik rijd dadelijk naar de Bank en haal het geld.
Ik heb slechts één voorwaarde, nl. dat gij mij het geheim van het goud
maken schriftelijk toevertrouwt.”
„Dat wil ik gaarne doen,” was het antwoord; „ik maak echter, de
bepaling, dat gij het geheim in een verzegeld couvert bij een Bank
deponeert en slechts bij mijn dood dezen brief zult openen en gebruik
van het geheim maken.”
„Daarmee ben ik het eens,” verklaarde Brown, pakte den goudklomp in een
stuk krantenpapier en nam afscheid.
Niet zoodra was hij weg, of Raffles zei met een ondeugend lachje:
„Zonder er eenig vermoeden van te hebben, draagt hij in dezen goudklomp
alle horloges, ringen en kettingen van de passagiers van den
Pullmann-trein mede. Hij zag niet, dat ik den kroes met goud reeds
gesmolten had in den oven staan en zijn kroes met afval en keukenzout
in den gloed hield. Nu gaat hij met het goud naar een zaakkundige, om
het te laten onderzoeken.”
Brown was ook werkelijk naar een zaakkundige in Pottsville gegaan en
liet het metaal onderzoeken.
Hij deed het voorkomen, alsof deze klomp goud te koop was aangeboden.
De zaakkundige sneed den klomp door, onderzocht hem en zei:
„’t Is zuiver goud.”
„En wat is de waarde?” vroeg Brown.
De vakman ging naar de weegschaal en antwoordde na enkele minuten:
„5400 dollar.”
In zenuwachtige haast nam de koperkoning het metaal weer mede en
verliet den zaakkundige.
Reeds twee uur later keerde hij terug en wel in gezelschap van een
notaris en een beambte van de Bank.
Laatstgenoemde droeg in een met ijzer beslagen koffer het voor Raffles
bestemde geld. De notaris maakte de akte op en nadat Raffles en de
koperkoning het document onderteekend hadden, betaalde laatstgenoemde
de twee millioen en kreeg daarvoor in een verzegeld couvert het geheim
hoe goud gemaakt wordt.
Dit couvert nam de aanwezige beambte mede naar de Bank om het te
bewaren.
Verder besprak John Raffles met zijn nieuwen compagnon, welke stappen
zij het eerst moesten doen, en zei, dat hij naar Chicago moest reizen,
om daar nieuwe inkoopen te doen van chemische producten, die voor het
maken van goud noodig waren. Hij vertelde daarbij, dat zij eerst over
drie weken met de eigenlijke werkzaamheden beginnen konden.
„Ik ga met u mede,” zeide Brown daarop, want de Groote Onbekende was nu
van te groote waarde, om zich zoo lang van hem te scheiden.
„Allright,” zei deze, „daar heb ik niets tegen, ga maar mee.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
HANDEN OMHOOG!
Geheel Pottsville was dien avond in groote opwinding.
Mertens, de werkman, had niet kunnen zwijgen, en het geheim overal rond
verteld. Zoo hoorden het ook de in de nabijheid van Pottsville wonende
mijnbezitters. Het ging als een loopend vuurtje rond. Iedereen sprak
van den goudmaker, en dat het den heer Brown gelukt was, deelgenoot van
het geheim te worden.
Dienzelfden avond verzamelden zich ten huize van den heer Hunting,
Brown’s concurrent, de kleine mijnbezitters.
Zij waren allen tegenstanders van Brown en haatten hem om zijn grooten
rijkdom.
Zij beschouwden den heer Hunting eenigermate als hun aanvoerder. Zij
noodigden hem uit, met hen naar de bezitting van den vreemden goudmaker
te rijden, en wanneer hij hen niet als deelgenooten wilde aannemen, hem
te dooden.
Ook Hunting was hun meening toegedaan en niet één was er, die zijn
verstand gebruikte. Zij bedachten een plan, waarnaar zij zouden
handelen.
„Wij zullen ieder den vreemde 1000 dollar bieden; neemt hij het geld
niet, dan schieten wij hem met onze revolvers tot murw.”
Dadelijk daarna stegen zij te paard en reden naar den smeltoven.
Toevallig was Brown bij Raffles.
Toen hij de mijnbezitters in galop aan zag komen rijden, werd zijn
gezicht vaalbleek.
Hij kende de zeden en gebruiken van de Westerlingen en wist ook, dat
zij spoedig met hun revolvers bij de hand waren. Meer dan eens hadden
zij reeds gezworen, hem te dooden.
John Raffles daarentegen beschouwde koelbloedig de van hun paard
springende mijnbezitters en vroeg den heer Hunting, die tot hem trad,
wat zij van hem wenschten.
„Wij willen zaken met u doen,” zei deze, „en ik hoop dat wij ons doel
zullen bereiken. Wij hebben gehoord, dat gij goud kunt maken en dat de
heer Brown uw compagnon is geworden. Wat Brown kan, kunnen wij ook. Wij
zijn ieder bereid 1000 dollar in de zaak te geven, als gij ons het
geheim mededeelt.”
Vóór Raffles kon antwoorden riep Brown reeds:
„Ik heb het geheim voor twee millioen gekocht en op de Bank
gedeponeerd. Ik zou wel gek zijn, als ik u nu voor 1000 dollar per
hoofd deelgenoot liet worden”.
„Schiet hem overhoop!” schreeuwde een der mijnbezitters en in ’t
volgende oogenblik richtten zich een dozijn revolvers op Brown.
Raffles zag in, dat hij met deze opgewonden, naar goud hunkerende
menschen niet rustig overleggen kon.
Hij wendde zich daarom tot Brown en gaf hem te verstaan:
„Windt u maar niet op en laat mij deze aangelegenheid regelen.”
Daarop wendde hij zich tot de mijnbezitters en zei:
„Doet uw wapenen weg, heeren.”
Dadelijk staken de mijnbezitters het wapen in hun gordel en Hunting
zei:
„Ik wist wel, dat gij er voor te vinden zoudt zijn.”
Raffles keek lachend naar Hunting.
„Natuurlijk”, zei hij, „ik ben altijd bereid zaken te doen.”
Hij besloot hun eens goed de les te lezen en ging voort:
„Maar eerst moet ik overleg hebben met den heer Brown.”
Zonder antwoord af te wachten, trok hij den koperkoning, die zich het
angstzweet van het voorhoofd veegde, mede naar binnen.
„Wat moeten wij doen?” vroeg Brown. „Deze schelmen schieten ons
overhoop, als wij hun den zin niet geven”.
„Dat is uw schuld”, lachte Raffles, „door u, of door uw werkman, zijn
zij achter onze zaken gekomen. Nu heet het, moed houden, en hoor nu
verder, wat ons te doen staat.
„Wij zullen met deze heeren naar een herberg in Pottsville gaan en in
de groote zaal daar overleggen.
„Ik zal het hun duidelijk maken, dat mijn kunst om goud te maken
zwendel is en slechts daarin bestond, u twee millioen afhandig te
maken”.
„Dat zullen zij niet gelooven”, schudde Brown het hoofd.
„Ik moet het probeeren”, antwoordde Raffles schouderophalend. „Gij moet
mij verklaren, dat gij u niet schaamt, toe te geven, dat gij voor uw
domheid, door te gelooven dat men goud maken kan, de som van twee
millioen aan mij hebt uitbetaald, maar dat gij u bereid verklaart mij
dit geld te schenken. Begrepen?”
„Ik vind alles goed, wat gij voor goed houdt.”
„Laat ons dan gaan”, zei Raffles en ging naar de wachtende
mijnbezitters.
Hij deelde hun het plan mede, naar een herberg in Pottsville te gaan,
en allen verklaarden zich bereid, hem daarheen te volgen.
Daar aangekomen beklom Raffles het kleine podium, tikte tegen zijn glas
en zei:
„Heeren! ik verklaar u hiermede plechtig, dat ik geen goud kan maken!”
Eén oogenblik heerschte stilzwijgen, toen barstte een storm van
verontwaardiging los en allen schreeuwden door elkaar.
„Hij wil er zich uithelpen! Hij wil er ons niet hebben! Ze willen
alléén van het goud genieten!”
Raffles zag met gekruiste armen de opgewonden verzameling aan en dacht:
„Wat is het toch merkwaardig, dat de menschen zich zoo gaarne laten
bedriegen. In het onmogelijkste loopen ze in, net als de motten in het
licht.”
Eindelijk was de vergadering wat rustiger en Hunting riep tot Raffles.
„Spreek verder.”
John Raffles stak, op het podium, eerst rustig een sigaret op en
antwoordde:
„Zeer gaarne! Heeren, ik zie, dat gij u volstrekt met mij in dit
oplichterszaakje wilt associeeren; allen wilt gij even dom zijn als de
heer Brown, dien ik twee millioen afhandig maakte.”
Weer raasde een storm door de vergadering.
„Jawel” riepen zij, „dat willen wij ook. Eruit met het
bedriegersgeheim!”
Raffles lachte en wendde zich tot Brown:
„Verklaar dezen menschen toch, dat gij weet dat ik geen goud maken kan,
en dat gij er twee millioen dollar armer door geworden zijt.”
„Ja,” schreeuwde Brown, „en ik wil het ook schriftelijk geven.”
Een luid gelach weerklonk. Niemand geloofde den heer Brown. „Dat is
bluf,” brulden de meesten.
„Ook goed,” riep John Raffles, „ik zie, heeren, dat gij er niet van af
te brengen zijt, door mij in de kunst van goud maken onderricht te
worden, en daarom zal ik u het geheele geheim onthullen.”
Hij wierp zijn stukje sigaret weg, tastte met beide handen in de zakken
en in het volgende oogenblik had hij in iedere hand een pistool, dat
hij op de hoofden van de verzamelden richtte.
„Hier is het geheim: Handen omhoog,” riep Raffles, „Mijnheer Brown zal
als deelgenoot in het geheim het goud uit uwe zakken halen. Laat ons
het verdrag sluiten.”
Eerst waren al de aanwezigen verstijfd van schrik. Zij wisten niet of
Raffles het werkelijk meende. Toen riep Hunting:
„Jongens, een prachtige grap! Handen omhoog voor den goudmaker. Brown
zal onzen inleg in de zaak incasseeren.”
Allen hielden de handen in de hoogte en Brown verzamelde, in een
grooten, breedgeranden vilthoed, het geld dat de mijnbezitters hadden
meegebracht.
Nadat dit afgeloopen was, bracht hij het zijn compagnon, die het met
een ironische beweging aannam:
„Heeren, hiermede is onze overeenkomst gesloten. Van af morgen zult gij
allen de kunst om goud te maken, zelf uitoefenen.”
De goudkoorts had allen aangegrepen, de verderf brengende goudkoorts,
die hen naar het wilde westen had gelokt en die met revolvers den
metgezel doet dooden, om zich diens geld toe te eigenen.
Toen Raffles de zaal verliet, onder den linker arm den zak met geld,
trad Hunting op hem toe, en zei:
„Wij zullen morgen in de vroegte bij uw smeltoven samenkomen; nu vindt
gij zeker wel goed, dat wij dezen nacht een wacht voor uw huis plaatsen
opdat u niets overkomt?”
„Gij maakt u wel bezorgd om mij,” lachte Raffles, en Hunting, vergezeld
van twee zijner deelgenooten, begeleidden den Grooten Onbekende naar
huis.
Toen zij bij het woonhuis, dat naast den smeltoven lag, aankwamen,
zeide Lord Lister tot Charly Brand:
„Breng whisky voor mij en de heeren. Zij willen mij dezen nacht
gezelschap houden.”
Hunting en zijne vrienden namen aan de kleine tafel plaats, maar
bemerkten niet, dat Raffles uit een klein fleschje dat hij bij zich
droeg, droppeltjes in de glazen deed, die hij voor zijn gasten uit de
keuken had gehaald. Daarna schonk hij de glazen vol whisky en reikte ze
den heer Hunting en diens vrienden.
„Op onze goede zaken”, riep Raffles en haastig dronken de mannen de
whisky uit.
Toen begonnen zij te rooken en over de kunst van goudmaken te spreken.
Tevergeefs kampten zij tegen een zware vermoeidheid. Hun armen vielen
slap naar beneden, hun oogen vielen toe, en de goudmaker verdween voor
hun blikken in een donkeren nevel.
Daarna zakten zij in een zware verdooving ter aarde.
Raffles keek lachend naar hen en zeide tot Brand: