„Ja,” antwoordde Raffles, „en jij hebt wel de minste reden o

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 22 DE GOUDMAKER

DE GOUDMAKER.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEDROGEN DESPERADO.

„Ik ben van plan,” zei John Raffles tot zijn assistent en vriend,

Charly Brand, „om met de trustkoningen der Vereenigde Staten zaken te

gaan doen. De heeren verdienen het, tot welzijn der menschheid, dat hun

millioenen eens een flinke aderlating ondergaan. Iedere dollar van hun

reuzenvermogen is ten koste van de gemeenschap verworven.”

Charly Brand keek zijn meester eenige minuten bedenkelijk aan, voordat

hij antwoordde:

„Niettegenstaande alle hoogachting, die ik voor je genie koester, acht

ik je toch niet ertoe in staat, met goed gevolg een strijd met de

Amerikaansche Goudreuzen te voeren.

„Wanneer je hun briljanten wilt wegnemen, zal hun dit niet schaden.

Edelgesteenten hebben voor hen niet meer waarde dan kiezel, en geld is

bij hen niet te halen.”

Over het geestige, gladgeschoren gezicht van John Raffles vloog een

glimlach.

„Dit is het langste gesprek, dat ik van jou sedert het begin onzer

vriendschap, gehoord heb, maar tevens het onbeduidendste!

„De brillianten der millionnairs interesseeren mij dit keer in ’t

geheel niet. Overigens heb je het mis, als je meent dat ik niet

evengoed als ieder ander zou weten, dat in de geldkasten der

millionairs slechts kasboeken en rekeningen te vinden zijn. Die

hoeveelheden contant geld, waar ik belang in stel, liggen goed

opgeborgen in de schatkamers der banken. Neen! ik wil hun in geregelde

zaken hun kapitaal ontnemen en probeeren, daarmede weder diegenen

gelukkig te maken van wie zij het hebben afgenomen.”

„Nu ben ik toch werkelijk nieuwsgierig hoe je dat zult aanleggen! Ik

houd je, zooals gezegd, voor een genie op het gebied van

beroepsinbraak. Je kennis overwint met hare kunstvaardigheid ieder slot

en iederen hinderpaal, maar of je je tegenover deze wereldkooplui als

meester toonen zult, dat betwijfel ik.”

John Raffles rookte bedaard zijn sigaret en antwoordde:

„Het onmogelijke trekt mij aan; daarom zonder verder gepraat: Wij

zullen morgen Londen verlaten en ons naar Amerika begeven.”

„Best”, antwoordde Brand, „ik ben altijd blij als ik Londen den rug

toekeeren kan.

„Men zou werkelijk aan een wonder kunnen gelooven, dat je tot heden toe

nog niet ingerekend zijt door de Engelsche detectives, die je op de

hielen zitten.”

„Bah!” lachte Raffles en sloeg de asch van zijn sigaret, „ik herhaal je

nog eens, dat je de Londensche politie overschat.

„Het zijn net zulke gewone menschen, als alle anderen. Wanneer het

toeval hun niet ter hulpe komt, zijn zij nog niet eens in staat een

gewonen derde klasse bedrieger te pakken. Over het algemeen is slechts

die mensch in zijn beroep werkelijk bekwaam, die het uit hartstocht,

als liefhebber heeft opgevat en uitgeoefend. Slechts dezulken zullen

zich in hun vak van alles op de hoogte stellen en niets ontzien. Ik

moet eerlijk bekennen, behalve Petrosino, den beroemden Amerikaanschen

detective, en Sherlock Holmes, ken ik tot heden geen detective, die

zijn beroep, als kunst, en als sport en tegelijkertijd uit ware

toewijding uitoefent.”

„Je hebt gelijk,” zei Charly Brand, „men noemt je toch ook den inbreker

uit liefhebberij”.

Eenige weken later zaten Raffles en Charly Brand in een rookcoupé van

den Pullmann Luxe-trein, die tusschen New-York en San Francisco loopt.

John Raffles had in New-York, in het bureau van het Astoria Hotel

gehoord, dat zekere mr. Brown, dien men den trustkoning van de

kopermijnen van Amerika noemde, voor dezen trein een biljet bestelde.

Om kennis met mr. Brown te kunnen maken, nam hij denzelfden trein, en

zat nu in den rooksalon, hem van dichtbij gade te slaan, terwijl hij,

oogenschijnlijk, zich met het lezen van een boek bezig hield.

Tegenover den Yankee zat, heel gemakkelijk, een andere

vertegenwoordiger van den millionnairsstand, zekere Geis in een

fauteuil geleund.

Daar richtte de Groote Onbekende tot Charly Brand het woord:

„Ik heb geluk. Twee vliegen in een klap. Bij den grooten koperkoning

heeft zich nog een tarwekoning gevoegd.

„Hij is de hoofdman in dit bedrijf en heeft, zooals ik uit een gesprek

tusschen hem en Brown bemerkte, de groote Amerikaansche handelaars tot

een, zoogenaamde trust bijeengebracht. Deze lieden koopen, bij hun

eigen tarwe, alle overige tarwe op, en bepalen dan voor dit zoo noodige

voedingsproduct der menschheid, den prijs, daar buiten hen niemand meer

tarwe bezit. De wereld wordt door geen enkele wet tegen zulke

misdadigers beschermd.”

Mijnheer Brown had intusschen zijn boek terzijde gelegd, en begon met

den tarwekoning een gesprek. Raffles had zijn plaats zoo genomen, dat

hij ieder woord kon verstaan.

„Gij reist naar Chicago?” vroeg Brown.

„Juist”, antwoordde Geis, „ik heb daar een bijeenkomst met

zaakvrienden.

„Er is dit jaar veel tarwe, niet waar?” zei Brown terwijl hij

sarcastisch glimlachte.

„Helaas, ja!” antwoordde Geis, terwijl zijn gelaat een uitdrukking van

misnoegen over den goeden oogst vertoonde.

„De tarwe zal nu goedkoop worden,” opperde Brown, „dat is u zeker niet

aangenaam.”

„Zeker niet,” antwoordde Geis, „daarom reis ik juist naar mijn

zakenvrienden in Chicago om den toestand te bespreken.”

„Ja, ja,” zei de koperkoning op een toon, alsof hij een treurende zijn

deelneming betuigde, „men kan den zegen des hemels niet zoo regelen,

als ik mijn koper. Bij mij komt het er niets op aan, als er te veel

erts is, het wordt daardoor niet goedkooper, en het bederft ook niet,

als men het liggen laat. Maar de tarwe! Hm. hm! Naarmate er meer

groeit, wordt het goedkooper en er is niets aan te verdienen. ’s Hemels

zegen is in dit geval een vloek voor den koopman. Ik zou mij met zulke

zaken niet inlaten.”

„Dat is uw zaak, mijnheer Brown,” bromde Geis, wien dit gesprek niet

beviel, „laten wij maar over iets anders praten.”

Daarna ontwikkelde zich een gesprek over politiek, dat Raffles niet

interesseerde. Hij hoorde slechts nog, dat Brown naar zijn kopermijnen

reisde, die in Pottsville, in den Staat Colorado, gelegen waren.

De luistervink noteerde alles op zijn manchet.

Daar hoorde hij hoe Brown zei: „Ik zou wel al in Chicago willen zijn.

In den laatsten tijd zijn zooveel treindiefstallen voorgekomen.”

„Onzin”, pochte Geis, „ik ben voor die bandieten niet bang. Verleden

jaar werd mijn trein in de omstreken van Ohio aangevallen. Alle

passagiers verloren het hoofd er bij, ik alleen niet. Toen de schurken

in mijn coupé kwamen en „handen omhoog” brulden, trok ik mijn revolver

en schoot hen neer. Wilt gij het wapen zien? Daar is het”.

„Neen! Neen!” riep Brown angstig, „ik zie liever geen vuurwapenen. Daar

zijn reeds te veel ongelukken mede gebeurd. Berg het maar weg.”

Maar Geis had de revolver al reeds uit zijn zak gehaald.

John Raffles moest evenals Charly Brand om dit tooneeltje lachen.

Het was een damesrevolver, een wapen voor wielrijders, een geheel

onschadelijk voorwerp.

Zelfs Brown was van den schrik hersteld en beschouwde geïnteresseerd,

en tegelijk twijfelend, dit kinderspeelgoed.

„En daarmede hebt gij die lieden gedood?”

Geis zette een hooge borst op: „Mijnheer, wilt gij het probeeren? Een

wondervolle klapbus is het, en doodend!”

„Ik geloof u, ik geloof u!” mompelde Brown, „maar houdt de revolver

niet op mij gericht, dat maakt mij zenuwachtig.”

„Gij moet het eens knallen hooren”.

„Liever niet!”

Met een heldhaftig gelaat borg Geis de revolver weder in zijn zak toen

de hofmeester verzocht aan tafel te komen.

Nu richtte Raffles het zóó in, dat hij een plaats naast Brown kreeg,

terwijl Charly aan de andere zijde van den Grooten Onbekende zat. Brown

kon ieder woord verstaan, dat Raffles tot zijn secretaris sprak en

maakte uit het gesprek van Raffles op, dat het doel van zijn reis

Pottsville in den staat Colorado was.

Dit interesseerde Brown en zijn breeden mond tot een verplichtend

lachje vertrekkend wendde hij zich tot lord Lister.

„Gij reist naar Pottsville, naar ik hoor”.

„Jawel”, antwoordde Raffles, „stelt gij belang in het doel van mijn

reis?”

Brown lachte eens.

„Och ja, ik ben daar tamelijk bekend en woon er sedert meerdere jaren.

Mag ik vragen welke zaken u naar Pottsville voeren?”

„Ik ben er geïnviteerd”, zei Raffles zóó onbevangen, dat Charly Brand

zich te vergeefs het hoofd brak, wie uit Pottsville zijn vriend kon

gevraagd hebben.

„Misschien Hunting?”, vroeg Brown.

John Raffles haalde de schouders op en antwoordde:

„Het spijt mij, u niet te mogen antwoorden. Verschillende redenen

verbieden het mij.”

Hij wendde zich van Brown af, alsof de vraag hem hinderlijk was

geweest, en onderhield zich met Charly Brand over den duur van den

tocht.

Zoo verliep de tijd, tot Raffles ’s avonds nogmaals door Brown in den

rookcoupé aangesproken werd.

„Is het geoorloofd, mijn whisky aan uw tafel uit te drinken?”

Zonder een antwoord af te wachten, nam de koperkoning plaats, en nadat

hij een sigaar had aangestoken, begon hij omslachtig over Pottsville,

de kopermijnen en zijne bezigheid te spreken, als iemand, die zich

dadelijk overal op den voorgrond plaatsen wil.

Lord Lister had, met zijn geniale menschenkennis, dadelijk het karakter

van Brown doorgrond.

„Mr. Hunting”, zette nu de koperkoning uiteen, „is mijn concurrent, en

het zou mij spijten, als gij een vriend van hem waart en mij daardoor

belet werd, onze kennismaking van deze reis voort te zetten. Wilt gij

mij niet mededeelen, wat u naar Pottsville voert?”

„Ik stel belang in de mijnen”, antwoordde Raffles.

„In mijnen”, herhaalde Brown, „het is mij niet bekend, dat iemand in

mijn omgeving iets verkoopen wil.”

„Dat niet”, antwoordde Raffles. „Het is mij nog nooit ingevallen een

mijn te koopen. Mag ik zoo vrij zijn, mij aan u voor te stellen? Mijn

naam is James Baxter, ik ben scheikundige.”

Het was gelukkig, dat Brown op dit oogenblik zijn overbuurman aankeek

en niet Charly Brand. Deze trok zoo’n verbluft gezicht, dat dit den

koperkoning dadelijk had moeten opvallen.

„Wat, in ’s hemels naam”, dacht de jonge secretaris, „heeft Raffles met

scheikunde te maken, en hoe komt hij er toe, zich den naam van zijn

ouden tegenstander, den inspecteur van politie Baxter uit Londen toe te

eigenen?”

„Is uw vriend ook scheikundige?” hoorde Charly Brand de stem van Brown

zeggen; het volgende oogenblik beantwoordde Raffles die vraag

toestemmend, en maakte daardoor zijn vriend eveneens tot chemicus.

„Het ontbreekt er nog maar aan”, dacht Charly Brand, „dat Brown met mij

een gesprek over de scheikunde begint. Ik heb sedert ik van school ben,

alles vergeten wat in betrekking tot deze wetenschap staat.”

„Gij wilt mij dus niet meedeelen”, sprak de koperkoning verder, „op

wiens invitatie gij naar Pottsville gaat? Want daar gij scheikundige

zijt, is er natuurlijk ook een zakelijke oorzaak voor uwe reis.”

John Raffles hulde zich in een geheimzinnig zwijgen, en versterkte

daardoor Brown nog meer in het vermoeden, dat de zoogenaamde Baxter

zaken in Pottsville had, die tegen Brown gericht waren.

„Interesseert gij u voor koper?” vroeg Brown, opnieuw een poging

wagende de beweegredenen van zijn tegenstander te doorgronden.

Glimlachend antwoordde Raffles:

„Dat ontken ik niet; en ik wil u ook wel vertellen, mr. Brown, dat ik

in de laboratoria van den staat zonderlinge chemische toestanden ben op

het spoor gekomen.”

„Zijt gij door den Staat aangesteld?”

„Jawel”, knikte Raffles.

Charly Brand begon het plotseling benauwd te krijgen.

Hij verlangde op te staan om, op goeden afstand van deze twee, een

sigaar te rooken. Hij voerde dit plan uit en hoorde zoo van verre, hoe

de twee zich nog tot laat in den nacht over kopermijnen en de winsten

daarvan onderhielden. Charly Brand kreeg de overtuiging, dat Raffles in

een boek over koper moest gestudeerd hebben en dit was ook zoo. Terwijl

Charly Brand sliep, had Lord Lister zich een boek uit de

trein-bibliotheek verschaft en daarin wat gestudeerd, zoodat hij op

theoretisch gebied meer van koper wist, dan Brown in de praktijk.

Toen de mijnbezitter met Raffles den slaapwagen opzocht, nam hij met

een vriendschappelijk „goeden nacht” afscheid van hem, hem toevoegende:

„Ik hoop, dat gij eerst eenigen tijd bij mij, in mijn villa, wilt

doorbrengen voordat gij gevolg geeft aan de uitnoodiging van den mij

onbekenden heer in Pottsville.”

„Ik zal er eens over nadenken”, zei Raffles en ging naar Charly Brand

in de voor hen afgescheiden ruimte in den slaapwagen.

„Wat wil je in ’s hemels naam?” vroeg Brand, toen Raffles het gordijn

had neergelaten, „met dezen mijneigenaar?”

„Ik wil hem aderlaten”, fluisterde zijn vriend, „hij is een schelm van

den eersten rang; hij onthulde mij hedenavond een plan, dat hij met

verscheidene kopermijnbezitters heeft uitgedacht, om den prijs van dit,

voor de industrie zoo onontbeerlijke metaal, opnieuw op te voeren. Als

hun dat gelukt, kan de mindere man weer de kosten van deze speculatie

met zijn zweet betalen, terwijl zij eenige millioenen rijker zijn

geworden.”

„Ik begrijp je niet”, merkte Charly op, „maar een ding moet ik je

verzoeken, geef mij voortaan niet meer als scheikundige uit. Ik zou

niet eens kunnen zeggen, welke elementen er in de wereld bestaan.”

„Elementen?” lachte Raffles en vleide zich neder. „Kwade en goede

elementen, mijn jongen, en nu—goeden nacht.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

De morgen was nog niet aangebroken, toen de trein, door een

plotselingen ruk aan de noodrem, midden op den weg tot stilstaan werd

gebracht.

De slapenden vlogen uit hun bed op, en luisterden angstig wat er gaande

was. Verscheiden schoten knalden, en vloekende stemmen werden buiten

den trein gehoord. Dit leven gaf aanleiding tot algemeene ongerustheid.

Als een kudde schapen drongen de passagiers in hun nachtgewaad in de

gangen van den wagen, tusschen de slaapgelegenheden, en een algemeene

kreet van misnoegen en vrees deed zich hooren, toen plotseling het

licht uitging, en het geheel donker werd. Daarop verscheen een zwarte

hofmeester die riep: „Dames en heeren. Wij zijn aangevallen. Ik geef u

in overweging, geen weerstand te bieden. Deze lieden maken korte

metten, zij hebben reeds den hoofdconducteur en zijn machinist

neergeschoten.”

Achter hem verscheen, verlicht door het schijnsel van een handlantaarn,

de avontuurlijke gestalte van een man met breedgeranden hoed, wollen

hemd en een broek van schapenvacht, in iedere hand een revolver van

groot kaliber. Van zijn gelaat was, daar er als masker een doek voor

gebonden was, niets te zien.

„Handen omhoog!” schreeuwde de vreemde. „Allen in den wagon!”

„Wie dat niet doet, krijgt van mij uit mijn dampmachine genoeg stoom om

naar de andere wereld geholpen te worden. Voorwaarts, handen omhoog,

jij dikbuik”, schreeuwde hij Brown toe, die niet zoo dadelijk dit bevel

opvolgde.

„Pardon, ik heb jicht,” antwoordde de koperkoning.

„De duivel hale je jicht,” vloekte de desperado. „Handen omhoog, of ik

zal je genezen!”

Hij hield de revolver voor het gezicht van Brown, die met de snelheid

van een aap de armen omhoog hief.

„Nu moeten alle zaken van waarde uit de bagage genomen worden,” riep de

desperado den passagiers, die den wagen verlaten wilden, toe.

Alle reizigers gehoorzaamden en verlieten nu, in de opgeheven handen

hun geldtasschen en zaken van waarde dragende, den wagen.

Zoodra de laatste was uitgestapt, ging de vreemde met een lantaarn in

de coupé’s rond, om ze te doorzoeken.

Hij had er geen idee van, dat John Raffles, de Groote Onbekende, zich

nog met zijn assistent in den trein ophield.

De desperado had nog niet het midden van den trein bereikt, of

plotseling sprongen twee mannen, met maskers voor het gezicht, uit een

slaapvertrek op hem toe. Vóór de roover nog zijn revolver afvuren kon,

gaf een van de aanvallers hem een vreeselijken vuistslag tegen de

oogen, die hem bewusteloos deed neervallen.

Het was John Raffles, die, nadat hij den man onschadelijk had gemaakt,

den bandiet met groote snelheid het vreemde gewaad uittrok en zichzelf

daarmede costumeerde.

Het gezicht bedekte hij met denzelfden rooden halsdoek, die den

desperado als masker gediend had, zette ook diens breedgeranden hoed

op.

Charly Brand boeide ondertusschen met eenige riemen van de bagage den

neergevelden man.

Hierop sleepten zij hem in hun vertrek, stopten hem een prop in den

mond, om hem het schreeuwen te verhinderen.

„Blijf bij hem tot ik terugkom,” beval John Raffles zijn vriend. „Ik

zal mij nu de grap veroorloven, in zijn plaats de zakken van onze

medereizigers lichter te maken. Zij verdienen niet beter voor hun

lafheid, en deze schurk verdient ook niet anders. Dan wordt de

rekening, die ik met beide partijen te vereffenen heb, afgesloten.”

Na deze woorden nam hij de revolver van den desperado en stapte uit den

coupé.

Sidderend van angst en rillend van koude, stonden de reizigers in een

lange rij, en ieder van hen nam een zeer belachelijke houding aan.

De heeren in onderbroeken en nachthemden, de dames in nachtgewaad,

allen boden een schouwspel, als een karikatuur-teekenaar niet beter zou

kunnen bedenken. John Raffles trad op hen toe en, de heesche stem van

den desperado nabootsend, riep hij:

„Het is koud, nietwaar dames? Laten wij dus spoedig afdoen, opdat gij

niet verkouden wordt. Geef echter vóór alles dat kinderspeelgoed hier.”

Hij trad op Geis toe, nam hem een kleine revolver uit den zak van zijn

slaaprok, verwijderde de patronen uit het wapen en zei:

„Gij wilt met dit ding zeker op de berenjacht gaan, niet waar? In dezen

nachtrok zult gij bij de dieren veel vrienden krijgen.”

Dit schertswoord gaf den reizigers de verloren stemming terug, nog meer

toen Raffles aan Geis het ontladen wapen terug gaf met de woorden:

„Vergeet een volgenden keer niet, uw revolver mee op reis te nemen,

doch liefst ongeladen. Spaar de patronen.”

Een oude, magere dame hief afwisselend één hand in de hoogte, om met de

andere haar afzakkenden onderrok vast te houden.

„Geneer u niet,” wendde zich John Raffles tot haar. „Houd gerust beide

handen omhoog; ik zal bij dit gezicht mijn goede luim niet verliezen.”

Een nieuw gelach deed zich hooren.

Toen trad hij op Brown toe, wien het zweet van inspanning in dikke

druppels over het gezicht liep.

John Raffles lichtte hem met de lantaarn in de oogen, en zeide:

„Dit werkje maakt u warm, mijnheer. Ik raad u aan dit vaker te doen.

Gij transpireert als in ’t hartje van den zomer.”

Zoo ver het oog reikte, lag buiten de sneeuw over de velden.

Voor iederen reiziger had hij een toepasselijke opmerking, en liet zich

door hen, alsof hij in een kerk geld inzamelde, den grooten

breedgeranden hoed tot aan den rand met horloges, ringen en geld

vullen.

Van de locomotief riep een andere desperado:

„Zijt gij spoedig gereed, Jim?”

„Kom dadelijk,” riep John Raffles met heesche stem terug, „ik moet

eerst nog den wagen onderzoeken, en nazien wat de bende mij daar nog

verduisteren wilde.”

Hij steeg weer in den wagen, doorzocht hem en vond werkelijk

verscheidene portefeuilles met banknoten, in de bedden verstopt.

Dit alles bracht hij in zijn slaapvertrek en zei tot Charly Brand:

„Laat ons nu den schelm aan de andere zijde van den trein op de rails

werpen.”

Beiden pakten zij den man, die nog altijd bewusteloos was, op, en

wierpen hem door een open venster den wagen uit.

„Berg nu deze dingen van waarde in onze koffers,” beval Raffles, „ik

zal intusschen onderzoeken, hoeveel onbekende helpers nog op de

locomotief staan.”

De Groote Onbekende verliet wederom den wagen en schreeuwde den

reizigers toe:

„Niemand komt in den trein voor ik bevel geef.”

Dreigend liet hij daarbij zijn revolver knallen.

Er stonden wel een dozijn mannen tegenover hem, maar niemand waagde,

ook slechts met een enkel woord zijn eigendom te verdedigen.

John Raffles ging langs den trein, en zag dat nog slechts een enkele

desperado op de machine stond, die met twee revolvers den stoker en den

conducteur in bedwang hield. Voor de locomotief lagen de hofmeester en

een derde desperado neergeschoten ter aarde, en naast hen stonden de

zwarte treinbedienden. Zij waren door den dood van hun chef zoo zeer

verschrikt, dat ook zij niet waagden, weerstand te bieden.

Niet zoodra had Raffles gezien, dat de desperado slechts één

medeplichtige had, of hij steeg weer in den wagen en stapte naar zijn

coupé.

Haastig wierp hij de kleeren van den bandiet af, zette zijn gewoon

reispetje op, en zei tot Charly Brand:

„Volg mij en neem je wapen mee.”

Terwijl hij eveneens zijn wapen ter hand nam, stapte hij uit het

venster, waardoor zij den desperado hadden geworpen, en nam diens

kleeren, in een bundeltje gewikkeld, mee.

Met van woede fonkelende oogen keek de geknevelde hen aan. Hij was

bijgekomen en probeerde te vergeefs, de riemen los te maken, en de prop

uit den mond te nemen.

„Pak op,” beval Raffles, „wij moeten den schurk van de rails dragen,

opdat de treinbeambten hem niet vinden.”

Zij brachten den geknevelde naar een helling, vanwaar zij hem, wel een

twintig meter, naar beneden lieten rollen; zijn bundeltje kleren

wierpen zij hem na.

„Hij zal wel eenige uren noodig hebben voor hij zich losgemaakt heeft”,

lachte Raffles, „en dan zal hij het, niettegenstaande de morgenkoude,

wel warm krijgen.”

Daarop sloop de Groote Onbekende voorzichtig naar de locomotief.

Vloekend stond daar nog altijd de desperado, en dreigde ieder, die de

handen zinken liet, neer te schieten.

Plotseling knalden kort na elkaar twee schoten.

De treinbeambten zagen, hoe de desperado de armen liet zinken en met

een schreeuw van woede ter aarde stortte.

John Raffles had hem, als geoefend schutter, in de opgeheven armen

getroffen en hem daardoor onschadelijk gemaakt.

„Schiet je revolver in den donker af,” fluisterde hij Charly Brand toe.

„De passagiers moeten denken, dat jij den tweeden kerel hebt

onschadelijk gemaakt.”

Toen schreeuwde hij luid „bravo”, en sprong op de machine.

„Hem hebben wij, menschen,” riep hij, terwijl hij op den verwonde wees,

„jammer dat de tweede ontkomen is.”

Alle passagiers en beambten liepen bijeen, en Raffles kreeg luide

uitroepen van bewondering van de zijde der dames te hooren.

Een ieder kwam de vertelling van den Grooten Onbekende geloofwaardig

voor, toen hij mededeelde, bij het eerste gerucht uit het venster

gesprongen te zijn, en zoo de eerste gelegenheid heeft afgewacht om de

roovers onschadelijk te maken.

„Wat jammer, dat wij dien anderen schelm ook niet te pakken konden

krijgen,” riep Brown, „die hond heeft mijn portefeuille met 10,000

dollars geroofd, maar,” voegde hij er pochende bij, „het is niet zoo

erg voor mij. Ik laat mijn werklui eenvoudig eenige uren inkorten, en

het geld is spoedig weer bijeen gebracht.”

Nu moesten de beambten eerst een dikken boomstam, dien de desperado’s

over de rails gelegd hadden, wegruimen, en na een uurtje werk kon de

trein zich weer in beweging zetten. John Raffles echter bevond zich in

zijn slaaphut en telde de onvoorziene ontvangsten van dit oponthoud,

hij had 170,000 dollars en een groote handtasch vol horloges en ringen.

„Dat is nog eens de moeite waard,” lachte hij tegen Charly Brand, „om

in een Pullmann Luxe-trein te reizen. Gemakkelijker kan men geen geld

verdienen. Jammer dat de heeren Geis en Brown zoo slecht bij kas waren.

Ik hoop echter in Pottsville en in Chicago nog betere zaken met hen te

doen. Ik heb namelijk den koperkoning een geheim wijs gemaakt Charly.

Ik heb hem verteld, dat ik alchimist ben.”

„Alchimist?” vroeg Brand verwonderd.

„Ja,” antwoordde Raffles, „en jij hebt wel de minste reden om dit te

betwijfelen. Ik meen, dat ik dat zaakje tamelijk goed versta. Dezen

nacht maakte ik alleen met mijn handen 170,000 dollar. Daarvoor had ik

niet eens, als een goudmaker, een smeltoven en smeltkroes noodig. Maar

in Pottsville laat ik mij een smeltoven bouwen, en ik hoop, dat ik

daarin meerdere millioenen van Brown’s vermogen zal versmelten. Geloof

mij, Charly, een rijk man is nog niet altijd een verstandig man, maar

dikwijls juist het tegendeel daarvan. De rijkdom is hem meestal slechts

door toeval in handen gekomen. Brown is zoo’n groote ezel, als ik tot

dusverre zelden heb aangetroffen. Ik wed, om welk bedrag ook, dat hij

even vast gelooft aan mijn kunst om goud te maken, als ik aan zijn

domheid. En nu, goeden nacht, oude jongen!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN DUIVELSCHE MISDAAD.

John Raffles had in Chicago met Charly Brand den trein verlaten.

Evenzoo Geis, die gedurende de reis vriendschap met Brown en den

Grooten Onbekende had gesloten.

Men leverde in Chicago den desperado, die door Raffles verwond was, aan

de politie uit.

John Raffles moest een urenlang verhoor ondergaan over deze

aangelegenheid door den inspecteur van politie te Chicago, zekeren

Henry Smith. Bij deze gelegenheid wierp hem de desperado blikken van

doodelijken haat toe, en toen Raffles de getuigenzaal verliet, riep de

ander hem na:

„Ik reken wel met u af, vervloekte hond!”

Geis noodigde John Raffles uit, bij hem in zijn hotel te komen. Deze

echter verklaarde, dat hij, gedurende zijn oponthoud daar, bij een

kennis zijn intrek wilde nemen.

De beide vrienden zochten nu een klein hotel op, en benutten den nacht

om zich door het vermommen met een baard en het veranderen van

kleeding, een geheel ander uiterlijk te verschaffen. Niemand zou in den

witbaardigen ouden Yankee, en diens begeleider John Raffles en Charly

Brand herkend hebben. Nu eerst begaven beiden zich naar het

Central-Hotel en huurden daar twee kamers. In de vreemdelingenlijst

schreef Raffles zich in als Henry Smith uit Boston.

Deze naam leek hem, omdat de inspecteur van politie te Chicago zoo

heette.

’s Avonds, terwijl hij zich naar de eetzaal van het hotel begaf,

ontmoette hij Geis, in begeleiding van drie heeren.

Hoewel Geis vlak langs hem ging, herkende hij Raffles niet, ook viel

het Geis in de eetzaal niet op, dat de vreemdeling met den witten baard

aan een tafel naast hem plaats nam. Evenmin sloeg hij er acht op, dat

Raffles, die met den rug naar hem toe gekeerd zat, ieder woord dat hij

sprak, verstaan kon.

De vrienden van den meelkoning waren elegant gekleed en hun vingers

waren met briljanten overladen; de uitdrukking van hun gelaat was

echter in groote tegenstelling met hun overige uitzien. Een dierlijke,

brutale trek lag op hun gezicht, en hun spreekwijze was gelijk aan die,

welke gebruikt wordt door de Iersche bootwerkers in Londen. Toch

moesten zij rijk zijn, zéér rijk.

John Raffles boog zich naar Charly Brand over de kleine tafel en zei:

„Dit zijn nu de menschen, voor wie ik naar Amerika gekomen ben.

Tenminste enkele van hen. Kijk hen maar goed aan, Charly. Wanneer de

armen honger hebben, zien hun oogen niet zoo gretig naar brood, als de

oogen van deze kerels naar geld. Een miserabel troepje!”

Op dit oogenblik sloeg Geis zoo hard met zijn hand op de tafel, dat de

wijnglazen rinkelden, en riep:

„Ik zeg u, heeren, wij moeten onze tarwe dit jaar opvoeren. Ik heb geen

lust voor niets te werken, en daarom heeren, verzoek ik u, voor deze

conferentie naar Chicago te komen.”

„Ik zou gaarne,” antwoordde een ander, „en ieder van ons zou liefst

zooveel geld als mogelijk verdienen. Daarom vragen wij u, Geis, welken

streek hebt gij op het oog, waardoor wij verkoopen kunnen. Ik weet

waarlijk niet wat wij in deze slechte tijden kunnen doen. Er is meer

tarwe, dan gevraagd wordt.”

Geis grinnikte van het lachen.

„Gij zijt een domoor, Brauer. De zaak ia heel eenvoudig, als wij ons

aaneensluiten. In dit jaar is wel vier maal zooveel tarwe in Californië

gegroeid als in het voorgaande.”

„Zoo is het,” riepen zijn metgezellen.

„En,” voegde Brauer er aan toe, „nu kan iedereen zijn brood voor de

helft van den prijs van vorige jaren koopen. Er is helaas meer tarwe,

dan de heele wereld in de maag kan stoppen.”

„De duivel hale zoo’n tarwe-zegen,” schreeuwde Geis. „Zij zullen zich

op onze kosten de maag niet vullen. Ik liet ze liever allen van honger

omkomen. Maar daarom juist, heeren, heb ik een voorslag, die u genoegen

zal doen.”

Allen luisterden gespannen, wat Geis, die zich een glas champagne

inschonk en in één teug ledigde, wel vertellen zou.

De meelkoning veegde de volle lippen af, stak een echte Havanna op, en

begon:

„Wij met ons vieren worden in Californië de meelkoningen genoemd, omdat

wij het grootste gedeelte van alle tarwe, die er groeit, in handen

hebben. Op onze zolders hier in Chicago, hebben wij te zamen voor

meerdere millioenen aan tarwe liggen en wij moeten nu goed weten, wat

daarmee te doen. Wanneer wij deze tarwe naar de markt brengen, is de

prijs morgen tot de helft gedaald.”

„Dat is zoo,” stemden de aan de tafel zittende vrienden volmondig toe.

„Wat zullen wij doen?” vroeg Brauer.

Het gezicht van Geis vertrok zich tot een duivelsch lachje. Nogmaals

schonk hij zich een glas champagne in, dat hij in één teug ledigde.

Daarna antwoordde hij, kort en bondig:

„Verbranden!”

Als tot steenen beelden geslagen over het ontzettende van dezen

voorslag, staarden de kooplui hem aan.

„Verbranden?” herhaalde Brauer, alsof hij niet goed gehoord had.

„Zeker,” antwoordde Geis, „alles in rook doen opgaan. Dan zijn wij van

dezen zegen des Hemels verlost, het restje bewaren wij op onze

pachthoeve, en bepalen er den prijs van, tot het viervoudige. Dan maken

wij prachtige zaken, en ik zeg u, daar de menschen brood eten moeten,

zal hun niets anders overblijven, dan aan ons, de eenige

meelleveranciers, zooveel te betalen als wij verlangen. Natuurlijk

moeten wij samen werken.”

De graanhandelaars overlegden eenige seconden, daarop riep zekere

Lobeck:

„Ge hebt gelijk, Geis. Wij moeten onze, tot aan het dak gevulde zolders

leeg maken, en het is het eenvoudigste middel, zooals gij dat aangeeft.

Ik zal de eerste zijn, en reeds vandaag mijn pakhuizen in de lucht

laten vliegen. Dat zal een heerlijk schouwspel voor Chicago zijn.”

„Voor alles,” begon Geis, „moeten wij onderling ons verbinden, opdat

niet één van ons naderhand zal blijken een afvallige te zijn, en

terwijl de anderen aan het werk gaan, met de handen in de zakken

toezien, hoe wij in onze domheid ons graan verbranden, zoodat hij later

tegen ons met zijn tarwe de troefkaarten kan uitspelen. Ik stel u dus

voor, dat ieder onzer van den andere den voorraad opkoopt en daardoor

geen recht meer heeft op zijn magazijnvoorraad. Ik zal dadelijk de

akten van den verkoop in orde maken.”

Hij haalde uit zijn bankportefeuille vier zoogenaamde slotakten, en

vulde ze in. Daarop reikte hij aan ieder een gouden vulpenhouder, en

niet één van de schurken draalde een oogenblik met het onderteekenen

van de akte. Nu dat was afgeloopen, schonk Geis nogmaals de glazen vol

en allen klonken op de goede zaken.

„Op uw welzijn, heeren, wij zullen de wereld den broodkorf wel wat

hooger hangen en haar bewijzen, dat wij de baas zijn,” riep de

graankoning.

Met breeden lach antwoordden hem zijne metgezellen, dronken de glazen

uit en vulden ze opnieuw.

„Wanneer zal het gratis vuurwerk afgestoken worden?” vroeg Brauer.

„Vanavond reeds,” antwoordde Geis, „het is de meest gunstige tijd. In

Europa is alle graan reeds verkocht en de kooplui wachten op het

Amerikaansche. Wij hebben vier weken noodig, vóór wij uit onze depôts

uit Californië nieuw graan ter verzending in Chicago hebben. Na dien

tijd zullen wij alle, ons nog toebehoorende granen, tot viervoudigen

prijs naar New-York en Engeland zenden, en dan maken wij een uitstekend

zaakje.”

„Dat is best,” knikte Brauer, „het meest zal zich Rockefeller, de

eigenaar van den Pacific-spoorweg, ergeren, omdat hij met de vracht zoo

weinig aan ons verdienen zal. Ik wilde juist vandaag wagens bestellen.

Het is goed, dat ik dat nog niet gedaan heb.”

„Daar is ook geen haast bij,” meende Lobeck. „Heeren, dat is een best

zaakje dat wij daar uitgedacht hebben, en ik ben bereid, ieder jaar al

het overvloedige graan te verbranden, om met de rest goede zaken te

doen. Wij moeten ’s hemels zegen tot voordeel van onzen geldbuidel

aanwenden, het brood moet duur blijven.”

In dit oogenblik stonden de luistervinken op en verlieten het hotel.

Op straat gekomen, zeide Charly Brand tot zijn vriend:

„Dat is een ongehoorde misdaad, die deze vier schurken op het oog

hebben.”

John Raffles haalde de schouders op:

„Niemand ter wereld kan hen daarin verhinderen. Deze kerels kunnen met

hun eigendom doen wat zij willen.

„Toch wil ik probeeren of ik hen niet een poets kan bakken, om het

zaakje te verijdelen.”

Hij stapte met zijn secretaris naar de havens van Chicago, waar

pakhuizen van zes tot acht verdiepingen, in lange rijen naast elkaar

stonden. Deze pakhuizen waren eigenlijk niets anders dan groote houten

kisten, die van den grond tot het dak met graan gevuld werden.

Hier was een onmetelijke rijkdom opgestapeld en de bezitters hadden het

in hun macht om met dit kostbare goed, dat de aarde voor de menschheid

voortbrengt, misdadigen woeker te drijven.

John Raffles keek nadenkend naar deze gebouwen. Hij scheen het niet met

zichzelf eens te zijn, hoe hij den bezitters van deze met graan

opgevulde gevaarten kon schaden.

„Het is toch treurig,” zei hij tot Charly Brand, „dat menschen als de

koperkoning Brown of de graankoning Geis en hun vrienden, met hun

dollars het wel en wee van millioenen arme menschen in hun macht

hebben.”

Na deze woorden scheen hij plotseling een besluit te hebben genomen.

Hij nam een rijtuig en beval den koetsier:

„Naar den burgemeester van Chicago.”

Onderweg doorzocht hij zijn brieventasch, en vond een document, dat hij

zich eens in New-York ten huize van zekeren Whitney had toegeëigend.

Het was een aanstelling van de Amerikaansche regeering voor Whitney,

die ten doel had, dat hij in oorlogstijd als staatscommissionair voor

de regeering, graan en andere benoodigdheden voor de troepen, dadelijk

in beslag zou nemen.

„Ik zal probeeren,” zeide John Raffles, „of dit stuk mij helpen kan.”

De burgemeester van Chicago ontving Raffles met hoogmoedig gebaar.

„Ik kom in geheime zending en veroorloof mij u hierbij mijn aanstelling

uit Washington te toonen.”

Hij hield het papier zoo handig vast, dat de burgervader wel het zegel

van Washington en het onderschrift van den president kon lezen, maar

niet den inhoud.

„Ik ben,” begon Raffles, „staatscommissaris van het departement van

oorlog in Washington, en heb opdracht alle granen, die hier in Chicago

liggen opgestapeld, voor de regeering in beslag te nemen.”

Na deze woorden werd de burgemeester bijzonder beleefd en

dienstvaardig.

„Op welke manier kan ik u daarbij behulpzaam zijn?” vroeg hij.

„Gij kunt met mij medegaan naar de bezitters van de graanpakhuizen,”

was het antwoord, „en hen verklaren waar het om gaat, namelijk, dat wij

de graanpakhuizen voor de regeering sluiten.”

„Zou er oorlog uitbreken?” vroeg de burgemeester met verbaasd gezicht.

John Raffles sloeg een hoogen toon aan, toen hij antwoordde:

„Dat gaat noch u, noch mij, iets aan.

„Wij hebben alleen de bevelen van den president op te volgen.”

De burgemeester schrikte en mompelde een verontschuldiging. Daarna

maakte hij zich gereed, en volgde Raffles naar het Central Hotel, waar

de graankoningen nog altijd bij de champagneflesch zaten en hun

reusachtige zaak bedronken.

Met gemengde gevoelens hoorden zij de verklaring van den burgemeester

aan, dat hun granen voor de regeering in Washington in beslag werden

genomen, en wel, zooals John Raffles eraan toevoegde, tegen beursprijs

van den laatsten dag.

„Wat?” schreeuwde Geis, „ik denk er niet aan! maar ik bezit ook niets.

Ik heb mijn geheelen voorraad verkocht. Hier is de quitantie.”

Hij toonde de voor een uur onderteekende nota aan den burgemeester. De

kooper was Lobeck, maar deze kwam met hetzelfde praatje. Ook hij bezat

niets. Hij had zijn voorraad weer verkocht aan Brauer en Brauer weer

aan Milton. Milton, de vierde der graankoningen daarentegen, had het

verkocht aan een niet bestaanden stroopop „en wel zooals hij zeide, aan

een Engelschman”.

„Gij komt te laat,” meende Geis, schouderophalend. „In heel Chicago zal

Uncle Sam, als hij graan moet hebben, geen korreltje vinden. Dan moeten

de heeren van de regeering het maar uit Engeland terug koopen.”

John Raffles keek koud en doordringend den graankoning aan, en zei:

„Ik zal den president mededeelen, welk een uitstekend medeburger gij

zijt.”

„Wat meent gij daarmee?” brulde Geis, „spreek duidelijker”.

„Het antwoord zal ik u later wel geven.” Zonder te groeten verliet

Raffles de tafel, aan welke de burgemeester als gast van de

graankoningen achterbleef.

„Het is tevergeefsch,” zeide Raffles tot Charly Brand, „ik heb al het

mogelijke gedaan om de tarwe te redden. Ik kan die schelmen niet te

pakken krijgen. Als ik geld genoeg bezat, maar daarvoor zijn millioenen

noodig, zou ik den strijd tegen de schelmen durven opnemen.”

Dienzelfden avond genoot Chicago een grootsch schouwspel. In de

graanpakhuizen aan de haven was brand uitgebroken. Reusachtige

vlammenzuilen verhieven zich en gloeiende stroomen van vonken stortten

in het water. Slechts met aanwending van alle kracht gelukte het de

brandweer, de stad voor het vuur te beschermen. De schade was

ontzaglijk! Wat het vuur nog op de zolders overliet, werd bedorven door

de groote stroomen water, die de brandweer uit haar honderden slangen

in den verzengenden gloed slingerde.

Millioenen werden in een enkelen nacht vernietigd: het brood voor de

geheele wereld.

Alleen de graankoningen zaten zorgeloos in het Central Hotel en

verheugden zich, nu nog meer te kunnen verdienen. Dienzelfden nacht nog

bepaalden zij den prijs van het hun toebehoorende graan op het dubbele

en wenschten zich met dit zaakje geluk.

Den volgenden morgen voegde zich John Raffles bij den directeur van den

Pacific spoorweg, Mayer, die de vertrouwde van den grooten Rockefeller

was, en stelde zich voor als Henry Smith, koopman uit Boston.

„Ik kom bij u”, leidde de groote onbekende het gesprek in, „om een zaak

met u af te doen, die echter in eenige uren moet afgehandeld zijn.”

Mayer bood Raffles een stoel.

„Wil mij dan meedeelen, wat het voor een zaakje is.”

„Het komt er op aan”, zei Raffles, „dat ik voor de volgende maand al uw

gezamenlijke spoorwagens, die van Chicago naar New York graan

overbrengen, van u pachten wil.”

Mayer keek met belangstelling naar zijn overbuurman. Dat was voor hem

een nieuw soort speculatie.

„Ik ben bereid”, sprak John Raffles verder, „u voor de wagens het

dubbele te betalen, wat gij anders ontvangt. Ik meen dat gij, mijnheer

Mayer, of uw chef, Rockefeller, zoo’n zaak niet onaangenaam zal zijn.”

„Zeker niet!”, antwoordde de chef, „en ik kan u toevallig helpen, omdat

de heeren van het graanvak tot op heden nog geen wagen besteld hebben,

en na den reusachtigen brand van dezen nacht slechts weinig wagens ter

graanlevering naar New York zullen noodig hebben.”

Hij sloeg een groot boek open, waarin de inkomsten der spoorvrachten

stonden opgeteekend.

„Ik kan u de wagens, 16,000 stuks, voor 30 dagen, behalve de

locomotief, voor 150,000 dollar ter beschikking stellen. Het

kolenverbruik van de machine, en de onkosten voor het bedienend

personeel moeten extra betaald worden.”

„Allright”, zei Raffles, „ik neem uw aanbod aan. Wij hebben nu nog drie

weken tot den 1en October en ik zal u vandaag op het, tusschen ons

gesloten verdrag, 150,000 dollars uitbetalen.

„Op den 1en October, bij het aanvaarden van mijn recht, zal ik u een

millioen dollar door mijn bank doen toekomen. Daarbij moet ik u nog

verzoeken, mij toe te staan, zoo noodig, deze overeenkomst eenige

maanden te verlengen.”

Mayer boog toestemmend: „Het is mij hoogst aangenaam!”

Daarop gingen de heeren naar een notaris om het contract te teekenen,

waarbij Henry Smith, uit Boston, van af den eersten October, alle voor

graanlevering bestemde en ingerichte vrachtwagens der Pacific Spoorweg

pachtte.

„Ik weet, wat uw plan is”, zei Mayer tot John Raffles, toen de zaak

beklonken was. „Gij wilt den graankoningen een poets bakken. Ik wensch

er u geluk mee. Wij kunnen zoo iets niet doen, hoe gaarne de heer

Rockefeller het ook had gedaan; maar hij heeft een verdrag met de

graankoningen gesloten en zich verbonden, al het graan tot een

bepaalden vrachtprijs, naar New York te brengen. Gij, als particulier,

kunt doen wat gij wilt. Overigens een uitstekend idee, ik feliciteer er

u mee. Mijnheer Rockefeller zal zich ergeren, dat hem zoo iets nooit is

ingevallen.”

Toen Raffles met Charly Brand weer in het hotel zat, zei hij:

„Mijn beste Charly, ik ben mijn geheele leven nog niet zoo vergenoegd

geweest als vandaag. Nu heb ik die schavuiten toch nog iets in den weg

gelegd. Het. oude spreekwoord wordt toch weer eens bewaarheid: Wie voor

een ander een kuil graaft, valt er zelf in.”

„Ik kan uit dit zaakje niet goed wijs worden”, antwoordde Charly Brand;

„ik breek mij het hoofd, waar jij op den 1en October die millioen

dollar vandaan wilt halen, die je Mayer betalen moet.”

John Raffles lachte, stak een sigaret op en zei:

„Die zal ik van Brown uit Pottsville gaan halen.”

„Heel goed”, antwoordde Brand, „maar dan begrijp ik toch nog altijd het

plan niet, dat gij daarmee beoogt.”

„Ik heb een roede gebonden, beste Charly, een roede voor deze

schelmen”, lachte zijn vriend, „weet je niet, waarom men zoo iets

doet?”

En hij vervolgde:

„Morgen reizen wij naar Pottsville en daar wij voor dit doel ons masker

moeten afleggen, zullen wij de kamers in het Central Hotel opgeven en

weer naar hetzelfde hotel gaan, dat wij den eersten nacht in Chicago

betrokken hebben.”

DERDE HOOFDSTUK.

EEN OVERROMPELING.

John Raffles en Charly Brand kregen weer dezelfde kamers. De twee

vrienden waren naar den schouwburg gegaan, en kwamen eerst om één uur

’s nachts thuis.

John Raffles draaide het electrisch licht in de kamer op en keek met

scherpen blik in de kamer rond. Plotseling bleef hij staan en Charly

Brand zag, dat zijn vriend op een zwarte vlek in het heldere tapijt

staarde, in de nabijheid van het raam. Dadelijk boog Raffles zich

voorover, betastte het plekje met de vingers, verhief zich dan weder

snel en zei tot Brand:

„Wij zullen nog een sigaret rooken.”

Zij gingen bij den schoorsteen zitten en rookten.

„Wat zag je daar op het tapijt?” vroeg Charly Brand.

„O! niets,” antwoordde Raffles, glimlachend, „ik dacht een kleinen

diamant, dien ik vanmorgen verloren heb, terug te vinden.”

„Ah! zoo,” antwoordde Brand, „ik verwonderde mij al, wat je op den

grond zoo kon interesseeren.”

Nadat hun sigaretten opgerookt waren, wenschten zij elkaar goeden

nacht, en de Groote Onbekende ging in de aangrenzende kamer. Er verliep

bijna een uur, en de jonge secretaris sliep al rustig, toen zich een

licht geritsel aan het venster hooren deed. Het was, alsof iemand een

mes tusschen het raam stak, en het opende. Een zacht geluid deed zich

hooren, toen het venster opensprong en in het volgende oogenblik sloop

de zwarte gestalte van een man in de kamer en beluisterde de rustige

ademhaling van den slapende. Dan sloop de zwarte geluidloos naar het

bed, boog zich voorover, en trok een breed mes, zooals de cowboys dat

in de West gebruiken, uit den zak.

De inbreker hield het mes tot den stoot gereed, en fluisterde:

„Gij zijt de medeplichtige van dien hond, die mij den diefstal in den

Pullmann-trein onmogelijk maakte. Nu heb ik jullie ontdekt, en de

duivel zal mij halen, als het jullie nog eens gelukken zou, mij, den

beroemden Denver Jack, te bedotten. Daar hebt gij uw loon!”

Juist wilde hij het fonkelende staal in de borst van Charly Brand

stooten, maar voor hij de daad kon verrichten, vloog Denver Jack, door

een vuistslag getroffen, ter aarde. In het volgende oogenblik knielde

Raffles bij den desperado neer en knevelde hem; Charly Brand sliep

gedurende deze scène rustig door.

Eerst toen Denver Jack geheel gekneveld op den grond lag, maakte hij

zijn vriend Charly wakker. Slaapdronken richtte zich de jonge man op en

vroeg wat er aan de hand was.

De Groote Onbekende draaide het licht in de kamer op en hield Charly

het mes voor dat hij Denver Jack een oogenblik geleden had ontrukt.

„Je leven was eenige minuten geleden geen duit meer waard,” sprak hij,

„wij hebben visite gekregen. De desperado, dien wij in den

Pullmann-trein onschadelijk maakten, heeft ons spoor ontdekt, en wilde

zich wreken. Daar ligt hij.”

Denver Jack, een kerel als een athleet, knarste met de tanden, en zag

met een uitdrukking van doodelijken haat naar Raffles, die hem

spotachtig lachend bekeek.

„Gij verstaat uw vak niet, misschien hebt gij nu de kunst om een goeden

vuistslag te geven geleerd.”

„Vervloekte hond!” tandenknarste de bandiet weer.

„Hoe heb je dien kerel ontdekt?” vroeg Charly Brand.

„Heel eenvoudig,” antwoordde Raffles; „deze man heeft, vóór wij thuis

kwamen, onze kamers doorzocht en heeft vergeten, zijn laarzen uit te

trekken.

„Ik bemerkte dicht bij het venster, waardoor hij gekomen was, een

afdruk van zijn vuilen laars, en vermoedde, dat er een nachtelijk

bezoek van dien kant zou komen. Het is niet moeilijk hier in deze kamer

te sluipen, hoewel wij op de vierde verdieping wonen, want langs ons

raam loopen de voorgeschreven brandladders. Ik wachtte dus achter mijn

kamerdeur, tot deze heer binnen stapte en toen hij jou met een

vrijkaartje naar de andere wereld wilde helpen, ontwapende ik hem.”

Charly Brand was intusschen opgestaan en bekeek eveneens den

geknevelde.

„Wat zullen wij met hem doen?” vroeg hij.

John Raffles lachte en zei:

„Ik kon hem aan de politie uitleveren. Dan zou hij zijn metgezel aan de

galg opvolgen; maar ik kan hem ook na dit lesje laten loopen.”

Hij wendde zich tot Denver Jack, en zei:

„Waaraan geeft gij de voorkeur, mijn vriend?”

De desperado richtte zich op en zei:

„Gij kunt naar goeddunken handelen.”

„Dat bevalt mij,” knikte de Groote Onbekende, „ik zie, dat gij een

verstandig man zijt, en niets onmogelijks verlangt. Zonder twijfel zal

ik doen, wat mij goeddunkt. En daar ik, voor jou en je soort niet bang

ben, zal ik je ketenen weer los maken, en je verzoeken, weer naar

buiten te gaan.”

Met het mes dat hij den bandiet afgenomen had, sneed hij de touwen

door, en beval op heerschenden toon, naar het venster wijzend:

„En nu, ga!”

Met schuwen blik sloop Denver Jack weg. Nog eens echter wendde hij zich

tot Raffles, en riep:

„Dit is de eerste keer in mijn leven, dat er zoo met mij gespeeld

wordt. Gij zijt de eerste mensch, die er zich op beroemen kan, Denver

Jack te hebben gekneveld.

„Een gewoon mensch, zooals de meeste anderen, zijt gij niet en ik wil u

eerlijk bekennen, dat ik voor uw vuistslag en uw handigheid respect heb

gekregen. De duivel zal mij halen, als gij niet een meester in mijn vak

zijt!”

John Raffles bekeek den schelm met een gemoedelijk lachje en stak

langzaam een andere sigaret op.

„Welnu, my boy”, antwoordde hij, „gij hebt een beroep, waar ik geen

bijzondere sympathie voor gevoel, maar gij schijnt het niet beter te

kunnen en denkt, dat er ruw geweld voor noodig is, om den menschen hun

eigendom afhandig te maken. Ik zal u een goed lesje mee op uw weg

geven.

„Niet de revolver maakt den man, maar de man, die achter de revolver

staat, geeft den doorslag. En nu, maak dat gij wegkomt.”

„Wij zien elkaar nog eens terug”, bromde Denver Jack, en stapte uit het

raam.

„Hopelijk in uw voordeel”, lachte hem Raffles na.

Daarna sloot hij het venster en zei tot Brand:

„Het is niet meer de moeite waard te gaan rusten. Over anderhalf uur

gaat de eerstvolgende trein naar Pottsville. Mijn werk in Chicago is

voorloopig afgeloopen en ik verheug er mij op, met Brown in zakelijke

verbinding te treden.”

VIERDE HOOFDSTUK.

JOHN RAFFLES MAAKT GOUD.

Twee dagen later kwamen de beide vrienden in Pottsville, de stad der

kopermijnen, aan.

Het was een stad, als alle Amerikaansche mijnplaatsen. Slechts weinig

huizen, overwegend veel houtloodsen stonden in de straten. Verscheiden

duizenden arbeiders leefden hier, en werkten voor het grootste gedeelte

in de kopermijnen van den heer Brown. De geheele streek behoorde den

koperkoning. Zelfs de herbergen werden voor zijn rekening gedreven,

omdat daardoor het grootste gedeelte van het loon, aan de arbeiders

uitbetaald, weer in zijn eigen zak terug kwam. Een mijl van Pottsville

verwijderd lag zijne villa, een groot, in Spaanschen stijl opgetrokken

gebouw.

Lord Lister No. 0022: De goudmaker · 第 1 / 5 段