BRAND IN DE KAMPONG.

Als iederen morgen is de zon in verrukkelijke schoonheid om zes uur

herrezen, en werpt haar vol, gouden licht over Java’s vruchtbare

velden, doorboort de nevelen, die zich legeren om de toppen der bergen

en schittert op de golven, die de stranden bespoelen. ’t Was vroeg dag

in de kampong aan het zeestrand, om vier uur toog het visschersvolk

reeds uit; pas tegen zonsondergang zouden zij huiswaarts keeren.

Vroolijk stak de kleine vloot in zee, met krachtige pagaaislagen werden

de prauwen naar buiten geroeid tot het zeil de stevige bries te pakken

kreeg en de booten in zwaluwvlucht over het water schoren. De

thuisgebleven vrouwen bezorgen de huishouding, de meeste gaan tegen een

uur of zeven passerwaarts om visch aan den man te brengen of zelve

inkoopen te doen. Ook de moeder van kleine Moersina is naar de passer

gegaan, het meisje heeft beloofd goed te zullen oppassen, terwijl

moeder uit is; zij zal niet met de kameraadjes buiten gaan spelen, maar

vlijtig hout bijeenzoeken om straks het water op te koken. Met de

bedrijvigheid van een huismoedertje, draaft Moersina af en aan, schort

de kleine sarong hooger op om niet in hare bewegingen belemmerd te

worden, draait de kondeh vaster, die telkens in het mollig nekje dreigt

te zakken, en beweegt de lenige vingertjes even vlug als handig.

Op den aarden vloer van het huisje heeft zij weldra het hout tot een

flink stapeltje gebouwd; nu zal zij moeder eens verrassen en zorgen,

dat zij bij hare thuiskomst het water kokend vindt. Fluks strijkt zij

een lucifer af, het hout is droog en ontvlamt dadelijk; het meisje

grijpt een pan en spoedt zich naar den put om water te halen. Zij heeft

er niet op gelet, het onnoozele schaapje, dat zij vlak bij den

bamboewand haar vuurtje bouwde. Vroolijk kringelen de vlammen omhoog,

vurige tongetjes lekken even den muur, dalen, rijzen, vangen een

spelletje aan, dat hoe langer hoe woester wordt; wat een grapje leek is

dra in vreeselijken ernst verkeerd. Ontzet wijkt Moersina terug als zij

haar huisje nadert; door de wanden licht een vuurzee.

„Brand, brand,” weerklinkt het spoedig alom; de weinige menschen, die

thuis bleven, loopen te hoop, gillen door elkander, gesticuleeren met

drukke gebaren en zien het angstig aan hoe de heftige wind de vonken

verspreidt en de vlammen naar de andere huizen jaagt. Zij weten allen

wat het beduidt, brand in hunne kampong met zulk een stormwind,

tusschen de opeengebouwde huisjes van bamboe, de meeste met atap

gedekt.

Het vuur grijpt om zich heen met veel armen, weldra staan zes, acht,

tien woningen in brand. Alles rent dooreen om te redden, wat te redden

valt, men sleept bultzak en kleerkist naar buiten, laat stoelen en

tafels verbranden om vischgerij en kleedingstukken aan den boozen

vijand te ontrukken.

Goddank, ditmaal eischt de vuurgod geen menschenlevens, doch des te

gretiger verslindt hij wat vele monden dagen lang had kunnen voeden.

Hier vallen volle garven padie hem ten buit, kort geleden in

verzengenden zonnegloed, aar voor aar, in het zweet haars aanschijns

door de snijdster gesneden; dáár worden in een oogenblik bakken vol

gedroogde visch vernietigd, ter waarde van honderd gulden of meer

wellicht.

De zwarte rookwolken over de stad heen trekkend, hebben van heinde en

ver lieden doen toestroomen; in drommen trekt het volk op naar het

tooneel van den brand.

Door Chineezen getrokken en bediend, komt nu ook de brandspuit aan,

tallooze handen worden uitgestoken om te helpen blusschen en, zoo van

alle kanten bestookt, moet het vuur wel wijken, na zijn tijd helaas

maar al te goed besteed te hebben: twee en dertig huizen zijn in

vlammen opgegaan.

Tegen zonsondergang wenden de visschers den steven huiswaarts. De zee

is glad als een spiegel, langzaam nijgt de zon ter kimme, haar

scheidend licht werpt een rozengloed over het groote, stille watervlak.

Aan den horizont schijnt de vuurbol weg te zinken tusschen twee

eilanden, die als reuzenbouquetten tegen lucht en water afsteken. Alles

ademt zoete vrede, kalme rust.

Met volle zeilen komen de prauwen uit zee aanzetten, notedopjes

gelijken zij, zoo uit de verte gezien, welker randen de golven bijna

raken.

Onbewust van hetgeen hun wacht, naderen de visschers het strand en

kijken uit, naar de plek waar hun thuis ligt, waar zij zullen landen.

Maar wat is dat? Zij onderscheiden hunne huizen niet in het landschap;

scherper turen zij met de hand boven de oogen en.... het gissen wordt

zekerheid wanneer zij dichterbij komen: er is brand geweest in de

kampong, de woningen van velen hunner zijn niet meer. Wat er in het

hart dier mannen omgaat? Op hunne trekken is niets te lezen, als zij

landend het droevig nieuws vernemen in zijn geheelen omvang, en de plek

betreden waar dezen morgen hunne huizen stonden. In plaats daarvan

vinden zij eene grijze aschvlakte, waaruit hier en daar nog kleine

vlammen sissend te voorschijn schieten. Tusschen de puinhoopen en naast

de verkoolde heggen zitten vrouwen en kinderen met het weinigje

huisraad, dat zij konden redden, om zich heen. Strak en onbeweeglijk

staren zij voor zich uit, ook op hun gelaat teekent zich ontroering

noch verdriet, als droegen zij maskers, waarachter iedere aandoening

der ziel verborgen blijft.

En over de aschvlakte speelt het stervend zonnelicht in laatsten

vriendelijken glans, als profeteerde het: Geduld, geduld, wanhoopt

niet; wat verloren ging, kan herwonnen worden, uit den dood zal nieuw

leven verrijzen.

Vrouwenleven in de Dessa · 第 18 / 20 题