MARGO’S HELDENDAAD.

Margo was bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen en zette een

snoeperig hoedje op de blonde krullen, terwijl mama en de zusters,

bewonderend toeziende, om haar heen stonden. Het was een groote dag in

het leven van het mooie blondje: voor het eerst zou zij zich, aan den

arm van haar galant, in het publiek vertoonen. Mama, Suze en Cato

hadden om strijd haar best gedaan het aardig persoontje voor den

spiegel op haar voordeeligst te doen uitkomen, hierin zelve een groot

genoegen vindend. Toch was dit niet onverdeeld geweest; de keeren waren

immers geteld dat zij haar mooi konden opschikken, haar, aller

lieveling, het verwende kind in huis.

Natuurlijk hadden hare ouders en zusters, lang vóór deze dag aanbrak,

geweten, dat zij Margo na korteren of langeren tijd zouden moeten

overgeven aan den boozen roover, die haar hartje zou stelen, maar zij

hadden nooit anders gedacht of zij zouden het kind niet voor goed

behoeven af te staan. Al volgde zij den roover naar eene andere stad,

af en toe zou zij haar ouderlijk huis toch bezoeken of hare familie bij

haar logeeren. Doch nu.... niets van dat alles, die prettige toekomst

kon niet verwezenlijkt worden, want ver over zee moest Margo den man

harer keuze volgen: hij was slechts tijdelijk met verlof in Holland,

zijn werkkring lag in Indië. In dat opzicht noemde hare familie Margo’s

keuze heel ongelukkig, ach! dat nu juist die man, heel van Java komend,

in hun stil stadje neer moest strijken en de ware Jozef blijken. „Het

was het noodlot,” zuchtte Suze tot Cato, en beiden moesten dubbel naar

Margo’s stralend gezichtje kijken, om door dien aanblik haar egoïst

verdriet naar den achtergrond te dringen.

Van den dag harer geboorte af, dus achttien jaar reeds, woonde Margo in

de vriendelijke, kleine stad, waar haar vader burgemeester was.

Papa en de zusters hadden er de jaargetijden al heel wat keeren meer

zien wisselen, want Margo was het eenig kind uit ’s burgemeesters

tweede huwelijk en scheelde wel een jaar of vijftien met hare jongste

stiefzuster. Prettiger, gelukkiger gezin dan dat van burgemeester

Wetters was er niet te vinden, vrede en vroolijkheid hadden er voor

goed hun intrek genomen. Toen haar vader nu bijna twintig jaar geleden

zijn half volwassen dochters eene tweede moeder thuis bracht, was er

van weerskanten dadelijk een bereidwillig streven geweest, om in vrede

en eensgezindheid te leven, om door wederzijdsch schikken en plooien

een vriendelijke verstandhouding in het leven te roepen; geen wonder

dus dat deze spoedig ontstond, en, toen twee jaar later Margootje belet

vroeg, werd het nieuwe zusje met groote vreugde ingehaald.

Natuurlijk werd zij het algemeene troetelpopje; haar moeder was

eigenlijk de eenige, die het verstand een ernstig woordje mee liet

spreken in Margo’s opvoeding. Wellicht was het hieraan te danken,

misschien ook aan Margo’s gelukkigen aanleg, dat zij, in plaats van een

onuitstaanbaar nufje te worden, opgroeide tot een allerliefst,

eenvoudig meisje, vroolijk en guitig van aard, met een warm, gevoelig

hart, en innig dankbaar voor al de zegeningen, die het leven haar

schonk. Het sprak vanzelf, dat het Margo niet aan aanbidders ontbrak.

Naarmate zij opgroeide veranderden deze van gewone schooljongens in

Gymnasiasten en Hoogere burgers. De zesde klasse van het gymnasium

bezong het mooiste meisje van de stad in het Latijn, de Hoogere burgers

deden het in gewoon Hollandsch, doch beide soorten van gedichten lieten

niets te wenschen over wat verhevenheid van stijl en bloemrijkheid van

inhoud betrof. Margo lachte en schertste met haar ridderstoet,

betuigde, dat zij de liederen aan haar gewijd, prachtig vond en

verdeelde hare gunsten zoo gelijk mogelijk. De leelijksten en

minstbevoorrechten onder de jongelui kregen de meeste, „want,” zei

Gootje tegen Cato, „die stakkerds moeten toch al zoo veel missen omdat

zij zoo verlegen en onbeholpen zijn.” Op zekeren dag stak mama een

stokje voor al die gekheid. „Je bent nu haast zeventien, Gootjelief, en

mij dunkt, dat het tijd wordt om het schoolmeisje voor de jonge dame

plaats te laten maken,” sprak zij.

Margo lachte eens en gaf moes een zoen. In het vervolg zond zij de

verzen en minnebrieven aan hare vereerders terug en wilde geen koek of

chocolade met kermis of St. Nicolaas meer cadeau hebben. Hare parasol

en andere pakjes droeg zij voortaan zelve, en wist haren aanbidders dus

in alle mogelijke opzichten aan het verstand te brengen, dat zij als

eene volwassen dame wenschte behandeld te worden.

Doch de Gymnasiasten en Hoogere burgers werden heeren studenten en,

kwamen zij met vacantie thuis, dan brachten zij, als vroeger, het

lieftallige burgemeestersdochtertje hunne hulde en maakten haar om

strijd het hof. Margo werd geplaagd door hare vriendinnen, terwijl Cato

en Suze elkaar toefluisterden: „We zullen onze lieve Go wel gauw

geëngageerd zien.” Nu, de zusters vergisten zich niet, maar tot hare

verbazing en tot innige verontwaardiging van haar trouwen ridderstoet,

koos zij niet een van hen, maar een vreemden musch, die een half jaar

geleden onder hen was komen neerstrijken. Als een vuurtje ging het door

de stad: „Heb je het al gehoord? Weet je het al? Margootje Wetters is

verloofd met Johan Graven, dien Indischen verlofganger, die bij den

ouden heer Spaat op Zomerlust logeert.” En wie het nog niet geloofde,

kon het den middag, waarop dit verhaal aanvangt, met eigen oogen zien,

toen Margo aan den arm van een forsch gebouwden, knappen man, door het

Indisch zonnetje flink bruin gebrand, al de voornaamste straten van

hare geboortestad door wandelde, de oogen schitterend van geluk in het

rose gezicht, dat vol kuiltjes en glimlachjes werd opgeheven naar de

vrienden en kennissen, die zij op hun weg ontmoetten. Zij vormden een

knap paar: de slanke blondine en de kloeke, donkere man aan hare zijde,

wien oprechtheid en wilskracht op het voorhoofd waren geschreven en in

de heldere oogen blonken. Vol liefde en trots rustte zijn blik op het

aanvallig meisje, dat zoo vertrouwend haar handje op zijn arm liet

rusten. Hij drukte die lieve, kleine hand dichter tegen zich aan en zij

fluisterde hem toe: „O Hans, gaat het jou als mij, voel je je ook zoo

onuitsprekelijk gelukkig, dat je de heele wereld wel aan het hart zou

willen drukken?” En hij plaagde terug:

„Neen kindje, die groote wereld heeft mij niet noodig, maar ik weet wel

wie ik aan het hart zou willen drukken, als hier niet zoo veel

nieuwsgierige oogen om ons heen waren. Het is me alsof ik droom. Ik kan

mij mijn geluk nog niet goed voorstellen. Heb ik nu heusch een meisje,

als God wil, heel gauw een eigen dierbaar vrouwtje, ik, arme jonggezel,

die jaren lang alleen moest voortsukkelen? Hoe vreemd is het leven

toch, hé, schat? Daar moest ik van ver over zee in deze kleine stad

aanlanden, omdat mijn oom hier bij toeval woonde en mij verzocht hem

eens op te zoeken. Eerst had ik er volstrekt geen lust in, moet je

weten, maar eene stille Voorzienigheid dreef mij hierheen opdat ik jou,

mijn ander ik, zou ontmoeten. Eén blik in je blauwe oogen had het hem

gedaan, dadelijk klonk het in mijn binnenste: Die en geen ander, al zou

je je leven lang ongetrouwd moeten blijven.... Nu Gootje, biecht eens

eerlijk op, hoe ging het jou?”

„Neen, zoo direct heb ik mijn hart niet aan je verloren, Hans, maar ik

moest toch veel meer aan je denken dan goed was voor mijn zielerust,”

bekende Margo openhartig. „En naderhand.... O Hans, als je alleen naar

Indië waart teruggekeerd, ik had mij dood geschreid van verdriet.”

„Heusch, kindje?”

Zij waren op een eenzaam plekje, ver van spiedende nieuwsgierige oogen

en.... Hans profiteerde van tijd en omstandigheden. Toen zij weer

voortwandelden, hervatte de jonge man: „Margolief, ik sprak er al eens

met je over, maar ik wilde, dat je het vooruit goed bedacht, kind, hoe

verschillend je leven in Indië zal zijn, vergeleken met dat wat je hier

leidt. Gisteren avond nam je het Cato een beetje kwalijk, toen zij je

plaagde en zei, dat Java nog drie kwart een woestenij was en dat je

conversatie zich tot zwarte of bruine dames zou bepalen. Zij overdreef

natuurlijk, maar in zoo verre had zij gelijk, dat je er veel meer dan

in Holland in je tehuis je wereld zult moeten zoeken. Wij kunnen op

plaatsen komen te wonen waar bijna of in het geheel geene conversatie

is, waar de menschen nooit iets hooren, dat naar een concert, opera of

comedie gelijkt, waar....”

„Dwaze Hans, houd toch op,” viel zijn meisje in, „alsof het gemis van

dat alles mij iets zal kunnen schelen, zoolang we het met ons beiden

moeten ontberen. Neen, ik werd verdrietig op Toos omdat zij over die

dieren begon. “’k Ging hier al op de vlucht voor eene spin,” plaagde

zij, „wat zou dat in Indië geven?” Weet je, vent, ik werd boos omdat

het waar is wat Toos zei; ik ben als de dood voor alles bijna wat

insect heet. En nu ik toch aan het biechten ben, wil ik je er nog bij

vertellen, dat ’k in alle opzichten een hazennatuur heb. ’t Is

vreeselijk, maar ik kan er niets aan doen, ’k durf niet alleen in het

donker loopen, ik schrik direct van ieder ongewoon geluid en stel mij

dan heel flauw en kinderachtig aan. Laatst zat ik in de schemering te

soezen, toen Suze stil de kamer binnenkwam en mij heel bedaard een kus

gaf. Verbeeld je, ik gilde het uit en begon te schreien.”

„Maar kindje....”

„Ja Hans, ik weet beet wat je zeggen wilt, het is bespottelijk, ik heb

er dikwijls knorren voor gehad als kind, en mama heeft haar best genoeg

gedaan om mij die malle schrikgewoonten af te leeren, doch ik vrees,

dat alles niet veel geholpen heeft.” Zij zweeg en zag half verlegen,

half lachend naar Johan op, die, haar ondeugend aankijkend, meewarig

het hoofd schudde. „O Gootje, Gootje, wat val je mij tegen,” sprak hij

in koddige wanhoop, „wat moet ik in vredesnaam met zulk een

„hazenvrouw” beginnen daarginds? ’k Weet er niets anders op, dan dat ik

maar altijd aan je groene zijde blijf zitten, om je voor ieder mogelijk

en onmogelijk gevaar te beschermen.”

„Spot jij maar,” klaagde Margo, „je zult zien, dat die malle bangheid

mij nog eens in groote ongelegenheid brengt.”

„Dat zullen we moeten afwachten, poesje, en laat ons nu over wat anders

praten. Kijk eens welke beeldige zaakjes hier uitgestald liggen,”

vervolgde Hans, en hield haar staande voor den grootsten winkel van

luxe-artikelen, dien de plaats rijk was. „Kies nu maar wat moois uit.”

Margo’s oogen schitterden, zij was dol op presentjes. „Ventjelief,”

vleide zij, „weet je wat ik verbazend graag van je cadeau zou hebben?

Een mooi kistje. En weet je waarvoor? Om jouw brieven in te bewaren;

zie, dat is een hartewensch van me: een elegant kistje voor mijne

minnebrieven.”

„Je zult het mooiste hebben, dat voor geld te krijgen is,” beloofde

Hans, „maar of het ooit kwart vol zal komen, lieverdje, dat betwijfel

ik zeer.”

„Ik heb in deze afgeloopen veertien dagen al zes brieven van je gehad,”

beweerde Margo ijverig, „dus....”

„Ja, ja,” viel haar galant een beetje verlegen in, „dat kwam zoo door

verschillende omstandigheden, het was in die dagen toen die zware

verkoudheid mij thuis hield. Maar zie je, kindje, ik moet al zoo veel

schrijven, mijne betrekking brengt dit mede, dat....”

Doch Margo was den winkel al binnen gestapt, en weldra stond het

paartje voor zulk eene collectie kistjes, dat zij terecht van „embarras

du choix” konden spreken. De winkelier had pas een nieuwen voorraad

ontpakt en kwam steeds met meer aandragen.

„O Hans,” riep Margo op eens, terwijl zij de hand uitstrekte naar een

lichtgrijs exemplaartje, dat de winkelier, als het laatste van zijne

collectie, voor haar neerzette, „mag ik dit hebben? Wil je mij dit

geven, als het ten minste niet te duur is, het is een prachtstuk.”

Het kistje was werkelijk een juweeltje in zijne soort, van

palissanderhout vervaardigd en keurig besneden, zoo fijn en elegant,

als het meest verwende dametje zich maar wenschen kon. Er zat een

verguld sleuteltje op en het bleek van binnen even mooi afgewerkt als

aan den buitenkant. Margo was een en al verrukking en Hans ging daar

zoo in op, dat hij niet naar den prijs vroeg, doch den winkelier

verzocht hem de rekening te zenden en het kistje onmiddellijk te willen

bezorgen bij den burgemeester.

Toen de jongelui thuiskwamen, stond Margo’s nieuw eigendom er dan ook

al. Hans kreeg zijn wel verdienden dank, het mooie cadeau werd door al

de huisgenooten bovenmate bewonderd en toen bracht de eigenares het

naar hare kamer. Met eene ernstige uitdrukking op het lief gelaat sloot

zij het kistje open, haalde een pakje brieven te voorschijn, alle met

dezelfde flinke mannenhand geschreven, en legde die er in, zoo zacht en

liefkoozend de velletjes aanrakend, als waren ze bezielde wezens.

Daarna draaide zij zorgvuldig het sleuteltje om en verborg dit aan een

koordje om haar hals. „Daar ligt ge nu veilig bewaard, mijn dierbare

brieven,” fluisterde Margo het kistje toe, „geen onbescheiden oogen

zullen u kunnen lezen, geen schennende handen u ooit aanraken.” En met

een laatsten, bewonderenden blik op haar nieuw verworven schat, keerde

zij naar de huiskamer terug, die kleine, dwaze, romantische Margo.

Een jaar ruim is verloopen en we vinden Margo Wetters terug als mevrouw

Graven op eene kleine plaats in Java’s binnenlanden. Het jonge vrouwtje

heeft juist haar man uitgeleide gedaan, die voor een dag naar het

naburige D. is vertrokken om er den landraad te presideeren. Het was

vooral voor Margo een erge tegenvaller geweest, dat haar man voorzitter

van twee landraden werd; hij moest nu telkens voor een of meer dagen

van huis en zij kon zijn gezelschap zoo moeielijk missen. Margootje was

innig gelukkig met haar Hans en had er nog geen oogenblik spijt van

gehad, dat zij, ter wille van hem, haar vaderland en haar dierbaar

tehuis verliet. Het leven in Indië was haar ook erg meegevallen wat de

warmte en de eentonige levenswijze betrof, en vooral de insectenwereld

bleek veel minder afschrikwekkend dan zij zich deze had voorgesteld. Of

was de jonge vrouw zooveel flinker geworden?

Aan boord reeds had zij haar afschuw voor de kakkerlakken leeren

bedwingen, ten minste uitte zij deze niet meer in luide gilletjes,

nadat haar goede Hans er eens ontdaan van wakker schrikte, toen hij

juist in een verkwikkenden slaap was gevallen, na een ellendig

doorgebrachten nacht, want hij was zeeziek voor hen beiden. Ook kon zij

er nu best tegen in het schemeruurtje geheel onverwachts een kus te

ontvangen. Het was wonderlijk, Margootje vloog volstrekt niet

verschrikt op bij zulke gelegenheden, integendeel zij bleef dood kalm

zitten en drukte haar zachte wang tegen de groote, trouwe hand, die

liefkoozend langs haar gezichtje streek. Wat de liefde al niet leert!

Innig dankbaar was het jonge paar, vooral ter wille van Hans, die bijna

onafgebroken zeeziek was geweest, toen zij eindelijk weer vasten grond

onder de voeten hadden. Al heel spoedig werd Graven tot president van

de landraden te K. en D. benoemd en konden zij hunne bestemming volgen.

Te K., hunne woonplaats, was het vrij stil en de conversatie bepaalde

zich tot een paar families. De assistent-resident, sinds jaren

weduwnaar, zonder kinderen, was een in zichzelf gekeerd mensch, die

volstrekt geen intiemen omgang zocht. Met het controleursvrouwtje kon

Margo dadelijk opschieten, zij was ook eene Hollandsche en een

vroolijke, opgeruimde ziel, hoewel zij veel met zieke kinderen tobde.

Margo zou nooit vergeten hoe Tommy, haar oudste dochtertje, aanleiding

had gegeven tot de eerste bittere tranen, die zij in haar huwelijk

stortte. Dit gebeurde bij de volgende gelegenheid.

Wanneer Hans druk werk had of uit was, haalde Margo kleine Tom dikwijls

bij zich, dan had hare moeder de handen vrij om zich geheel aan hare

ziekelijke tweelingen te wijden, en Gootje vond het een genot het

driejarig dreumesje, dat dol op haar was, om zich heen te hebben. Zoo

had zij op zekeren dag Tom weer laten halen en zat naast het kind, in

Hans’ kantoor te naaien. Zij had de kleine meid op de schrijftafel

gezet, dan kon zij beter het oog op haar houden. Johan was even

uitgegaan, hij had een geruimen tijd ijverig zitten schrijven.

Na een poosje kwam de naaister binnen om te vragen of mevrouw haar

wilde helpen de toorooks [2] voor den koetsier te knippen. „Breng het

goed maar hier,” zei het jonge vrouwtje, en op den grond knielend,

begon zij te passen en te meten, weldra zóó in haar werk verdiept, dat

zij in het geheel niet op Tommy lette.

„Daar komt mijnheer,” riep djait [3] op eens, die terecht vermoedde,

dat de heer des huizes dien kniprommel op het kantoor liever niet zien

zou.

Margo ruimde haastig op en was juist klaar toen haar man binnentrad.

Verbaasd zag zij op, daar zij hem op eens het vroolijke deuntje hoorde

afbreken, waarmede hij het vertrek was ingetreden, terwijl hij

stokstijf in het midden der kamer bleef stilstaan. Onwillekeurig volgde

zij zijn blik naar de schrijftafel.... ach, nu begreep zij de

uitdrukking van zijn strak, donker betrokken gelaat.

Op de tafel zat kleine Tom zielsvergenoegd vellen papier stuk te

knippen, als sneeuwvlokken lagen de snippers om haar heen. Maar de

couranten, die Margo haar voor dit doel gegeven had, waren ter zijde

geworpen; in plaats daarvan had het onnoozel schaapje het

proces-verbaal aan stukjes geknipt, waar Johan den geheelen morgen en

vorigen avond onafgebroken aan gewerkt had.

„Hans, lieve Hans,” riep zijne vrouw in vertwijfeling op hem

toetredend: „het is mijne schuld, knor maar flink op me....”

Doch Hans sprak geen woord, keerde zich om en ging den weg, dien hij

gekomen was.

„Breng nonnie Tom naar huis,” snikte arme Go tegen de naaister en vloog

naar de slaapkamer, waar zij hare tranen den vrijen loop liet. Zij

voelde zich rampzalig, Hans was boos en met reden, zij kon voor

zichzelve geen enkele verontschuldiging vinden, het was eenig en alleen

haar domme schuld.

Een poos later bedacht Margo Graven met een dankbaar hart, dat zij den

liefsten man ter wereld had. Al heel gauw was hij weer thuis gekomen en

had zij haar verdriet verder aan zijn hart kunnen uitschreien, terwijl

zijn vriendelijke, troostende stem haar spoedig tot bedaren bracht. Zij

mocht de zaak in het geheel niet meer aanroeren of er verder over

tobben, verzekerde Johan, hij was ook volstrekt niet boos meer, alles

was vergeven en vergeten.

„Maar waarom liep je dadelijk weg, Hans?” vroeg Margo, „ik had nog

liever gezien, dat je flink aan het brommen waart gegaan.”

„Nu kindje, om je de waarheid te zeggen, ik was op dat oogenblik

verbazend boos en driftig en, als ik er niet van door was gegaan,

geloof ik heusch, dat ik jou of Tommy een klap om de ooren had

gegeven.”

„Och, mannie, ik had het verdiend, veel meer dan Tom,” en toen barstte

Margo op eens in lachen uit bij de gedachte, dat Hans haar in eigen

persoon eene strafoefening had willen toedienen.

Zoo leefden die twee in volkomen harmonie en, kwam er al eens een

wolkje aan hun huwelijkshemel, het trok dadelijk weer weg om de zon des

te helderder te laten schijnen. Hans begreep, dat hij in zijn jong,

aanvallig vrouwtje geen ervaren huishoudster had getrouwd, dat haar

goede wil om het hem in alles naar den zin te maken, alleen niet

voldoende was om het huishouden als op rolletjes te doen gaan. Hij

verdroeg het zonder pruttelen, wanneer de tafel eens minder goed was,

als er een knoop of band aan zijn goed ontbrak, of wanneer zijn lieve

Go op zijn wekelijksche reizen bijna altijd een of ander kleedingstuk

vergat in te pakken, waar hij toch moeilijk buiten kon. Op zekeren dag

merkte hij goedig op: „Lieve kind, gisteren heb ik mij met één boord

moeten behelpen en vergat je ook sokken voor mij in te pakken. Ik

geloof dat wij, wat het vergeten betreft, nu zoowat mijne heele

garderobe zijn rond geweest. Zou je niet eens een lijstje maken,

lieverdje, van alles wat ik noodig heb en dit bij het pakken telkens

raadplegen?”

„Hoe dom, dat ik zelve daar niet aan dacht,” riep Margo, „natuurlijk,

alles vooruit opschrijven, dat is aangewezen voor een vergeetal als ik

ben.” En dienzelfden avond nog schreef Mevrouw Graven haar lijstje en,

daar zij het trouw gebruikte, was de zaak voortaan in orde. Het jonge

vrouwtje van haar kant, deed evenzoo haar best om haar man het leven

aangenaam te maken. Al was het haar een beetje een ergernis, dat zij

zijn kantoor zelden of nooit mocht laten schoonmaken en hij liever aan

een stoffige dan aan eene net opgeruimde schrijftafel zat, zij zocht

niet door dwingen of zeuren hierin verandering te brengen. Ook

achtervolgde zij haar echtvriend niet met eene lastige zucht tot orde,

die de vertrekken wel proper en net, doch niet gezellig maakt. Hans

pijp mocht vrij overal rondzwerven, de boeken uit de leestrommel

mochten op tafel en bank onder het bereik blijven liggen. Margo

huldigde den stelregel, dat ook een getrouwd man vrij moet blijven in

het volgen van zijn lievelingsgewoonten, vooral wanneer ze zoo weinig

lastig waren als die van haar Hans. Duurde de dag wel eens wat langer,

als haar man van huis was, over het geheel vloog de tijd Margo voorbij.

Eerst had zij een prettige drukte gehad met de inrichting van hare

woning: een mooi, groot huis. De rijke Chinees, die het indertijd voor

zichzelf liet bouwen, stierf voor het geheel af was. De erfgenamen

verhuurden de woning gaarne aan den nieuwen president van den Landraad,

terwijl de familie Graven niet minder blij was dadelijk een ruim, nieuw

huis te kunnen betrekken. De kamers, hoewel klein, waren vele in aantal

en liepen twee aan twee in elkaar. De galerijen daarentegen kwamen

Margo reusachtig voor, doch toen de overgordijnen en portières hingen,

bleken ze niets te groot of te hol om het er gezellig te maken. Naast

de slaapkamer had de vrouw des huizes een vroolijk, klein vertrekje tot

boudoir ingericht. Daar plaatste zij, tusschen groene planten, haar

Singapoorsch ameublementje, en al de schatten die zij van huis had

meegebracht, waren er neergezet of opgehangen.

Op een marmeren knaapje stond het palissanderhouten kistje, dat zich

nog steeds in Margo’s bijzondere voorliefde mocht verheugen. Haar

voornemen getrouw had zij er nooit andere brieven, dan die zij van haar

man ontving, in geborgen; het was dan ook een treurig dun stapeltje

gebleven.

Nadat Margo op dien Junimorgen haar man uitgeleide had gedaan, ging zij

eerst hare bloemen verzorgen en haar huishouden beredderen, en haalde

toen haar schrijfmap te voorschijn om een langen brief naar huis te

schrijven. Zij was innig aan haar ouderlijk huis gehecht gebleven, al

werd zij zelden of nooit door heimwee geplaagd, en, daar hare familie

ook trouw en veel schreef, bleven zij geheel met elkaar meeleven. Met

vreugde bedacht Margo dat het heden maildag was en vol verlangen

verwachtte zij de post, die slechts één keer ’s daags te K. bezorgd

werd. Toen zij om twaalf uur den besteller het erf zag opkomen, had zij

hem wel te gemoet willen gaan, en zat ongeduldig te wachten tot de

jongen binnen kwam. Hij bracht een heel pak „drie kwart nonsens-brieven

natuurlijk,” dacht Margo. Heel oneerbiedig gaf zij dien titel aan de

dienstbrieven van Hans.

Haastig doorzocht het jonge vrouwtje het pak, achteloos met de

couranten en dienstbrieven omspringend; zij vond slechts één mailbrief

waarvan het adres door Suze was geschreven. „Hoe vreemd, geen brief van

Moes,” zei Margo hardop, en haastig het couvert openscheurend, begon

zij te lezen. Suze bezat in het geheel geen correspondentie-gave, met

den besten wil kon zij geen velletje vol krijgen; mama daarentegen

vulde met gemak twaalf zijtjes, hare brieven vormden een dagboek in het

klein.

Doch niet alleen teleurgesteld liet Mevrouw Graven, na eenige

oogenblikken, het spoedig doorgelezen epistel in haar schoot vallen.

Met een angstige, verdrietige uitdrukking op het gelaat overdacht zij

den inhoud van Suze’s brief.

„Mama was bedlegerig,” schreef deze, „een verwaarloosde verkoudheid,

door een koortsaanval gevolgd, had den dokter de zaak eerst ernstig

doen inzien. Nu was alle gevaar geweken, maar mama moest nog heel

voorzichtig blijven en hare kamer houden. Zoo gauw zij hier toe in

staat was, zou zij haar lieve Gootje schrijven.”

Zelfs dit geruststellend slot vermocht Margo weinig op te beuren. Zij

zag mama in gedachte zwak en lijdend voor zich, hoe liefderijk ook door

Toos en Suze verpleegd, toch naar haar eigen kind verlangend, misschien

in de koorts wel om haar roepend.

De tranen der jonge vrouw begonnen te vloeien bij deze voorstelling;

was Hans er nu maar geweest, dan had zij bij hem troost en opbeuring

gezocht en ook zeker gevonden. Nu zat zij zich in hare eenzaamheid op

te winden en het gevolg daarvan was dat zij zich steeds zenuwachtiger

maakte. Aan de rijsttafel kon zij bijna geen hapje eten door de keel

krijgen en onverkwikt stond zij uit haar middagslaapje op. Hare

vriendin, de controleursche, was met de zieke tweelingen voor een maand

naar boven gegaan, anders had het Margo zeker afleiding gegeven eens

bij haar aan te loopen. Nu drentelde zij den geheelen verderen dag maar

op en neer, Suze’s brief herhaaldelijk overlezend, het hart vol onrust.

O, waarom scheidde die nare, groote zee haar van hare dierbaren te

huis! Uit een ander vreemd land, mits het slechts in Europa lag, zou

zij in deze omstandigheden haar lief moedertje spoedig kunnen bereiken,

maar nu waren zij onbereikbaar voor elkander.

Zoo tobde Margo en de tijd leek haar eindeloos lang, omdat zij geen

lust had geregelde bezigheid onderhanden te nemen en meer dan ooit naar

haar trouwen Hans verlangde. Zij ging vroeg ter ruste in de hoop haar

leed in den slaap te vergeten, doch de uren volgden elkander op en

rusteloos heen en weer woelend bleef zij wakker liggen. Hare baboe, die

in het boudoirtje haar matje had gespreid, scheen vast te slapen. Margo

riep haar twee keer, toen stond zij zelve maar op om een glas koud

water te vragen. Op de waschtafel zag zij een fleschje Hoffman’s

druppels staan en bedacht, dat zij zeker kalm in slaap zou vallen als

zij van dat goedje nam. Het nachtlampje verspreidde maar een flauw

licht, zij kon de druppels niet juist tellen en geloofde naderhand ook

wel wat veel te hebben genomen, want de medicijn smaakte erg sterk; dat

kwam er echter niet op aan, vergif was het niet. De jonge vrouw ging

weer te bed en spoedig voelde zij eene groote kalmte over zich komen;

onrust, zorg en angst losten zich op in een gewaarwording van droomend

waken, die haar aangenaam aandeed. Zoo had zij een half uur of langer

liggen soezen, toen het haar voorkwam, alsof zij in hare nabijheid

zacht fluisterende stemmen hoorde. In het geheel niet bang, alleen

nieuwsgierig ging Margo recht overeind zitten en keek naar het groote

scherm, waarachter het gerucht vandaan kwam. En nu zag zij ook heel

duidelijk, dat een plekje, waar een gouden vogel op het zwart satijn

was geborduurd, even bewogen werd, alsof er iemand achter stond. Zij

staarde nog naar de bewuste plek, toen op eens een zwartgemaakt gezicht

achter het schut uitkeek en een kruipende gedaante, langzaam en

voorzichtig geheel te voorschijn kwam.

„’k Weet nog niet,” vertelde Margo later aan haar man, „wat mij

bezielde, waar ik den moed vandaan haalde, maar ik werd er als het ware

toe gedreven mij uit bed te laten glijden, terwijl de gedachte mij

vliegensvlug door het hoofd ging: „dat is een dief en je moet hem

verjagen, anders steelt hij je brillanten oorknoppen van de

toilettafel, je moet!””

De dief had zich intusschen half opgericht met de bedoeling het

nachtlicht uit te blazen; in het donker kon hij veiliger zijn slag

slaan, toen hij eensklaps een slanke gedaante op zich zag toetreden.

Als zij hem, met een van angst verwrongen gelaat onder de oogen was

gekomen, zou de inbreker misschien brutaal zijn opgetreden; nu

ontstelde hij van die stille gedaante, wie het blonde haar tot aan de

heupen hing, terwijl de groote oogen hem strak aanzagen. Langzaam hief

de gestalte den wijsvinger omhoog en wees nadrukkelijk naar de deur,

terwijl een zachte, kalme stem tot driemaal toe dit enkele woord

herhaalde: „Pigi, pigi, pigi” (ga).

Langzaam, als onder hypnotischen invloed gebracht, schoof de dief, de

oogen onafgebroken op Margo gericht, naar de deur, die op de

buitengalerij uitkwam. Tot op het laatste oogenblik bleven de gloeiende

oogen het jonge vrouwtje aanstaren, dat hem langzaam volgde. Ruggelings

gooide hij de deur, die op een kier stond, geheel open en verdween in

de duisternis. Margo had nog de kracht de deur op het nachtslot te

draaien, toen viel zij als versuft op de bank neer en drukte de hand

tegen haar bonzend hart. Langzamerhand kwam haar denkkracht weer terug.

Zou zij de bedienden roepen, gillen, de buurt in rep en roer brengen?

Maar wat zou dat alles nu nog helpen? Zij had den dief voorgoed

verjaagd, de man had haar aangestaard, alsof hij een geest, geen levend

wezen in haar zag. Welke tooverkracht had haar bezield, hoe was zij ter

wereld in staat geweest dat zwarte monster te gemoet te treden? Deze

vragen bestormden de jonge vrouw te gelijk met een heerlijk

triomfantelijk gevoel. Nu kon Hans haar nooit meer plagen met haar

„hazenhart,” integendeel, hij moest hare dapperheid en haar moed

bewonderen tot aan zijn laatsten levensdag. Een tweeden keer zou zij

die heldhaftige rol echter onmogelijk kunnen spelen, bekende Margo

zichzelve. Angstig sprong zij op. Was hij wel voorgoed weg, die gemeene

dief, en hoe had hij binnen kunnen komen? Zij had de deuren zelve

gesloten. Zou baboe hem ingelaten hebben, zij vertrouwde die meid geen

zier. Zij ging naar het boudoir. Ja, baboe was weg; al lag haar matje

er nog, de zaak kwam hare meesteres zeer verdacht voor. „Morgen jaag ik

haar stellig weg,” besloot Margo, „en nooit neem ik zoo’n wezen in

mijne kamer, Hans raadde het mij nog wel aan, omdat hij het geruster

voor mij vond!” Ook de deur, die naar het boudoir leidde, sloot de

jonge vrouw stevig dicht, en, nadat zij alle deuren en vensters nog

eens nauwkeurig geïnspecteerd had, legde zij zich weer neer, ofschoon

zij klaar wakker en veel te opgewonden was om aan slapen te kunnen

denken, maar.... het was pas twee uur.

„En heeft de dief heusch niets meegepakt, kind?” vroeg Hans, nadat zijn

vrouwtje hem alles uitvoerig verteld en hij hare heldhaftigheid met

veel lof geprezen had, hoewel hij, heel ondeugend, niet kon nalaten nog

al eens te zinspelen op de voorname rol, die de Hoffman’s druppels in

de geschiedenis meegespeeld hadden.

„Neen, ik heb niets vermist,” betuigde Gootje, terwijl zij zich in

veilig welbehagen tegen haar man aanvlijde, en hare armen nauwer om hem

heenstrengelde. ’t Was zoo heerlijk haar steun en stut weer naast zich

te hebben. Ook haar angst over mama, waarvan zij hem dadelijk

deelgenoot maakte, was geheel verdwenen; terwijl zij samen Suze’s brief

overlazen, had Hans met kalm, verstandig redeneeren, zijn vrouwtje doen

inzien, dat zij zich geheel noodeloos ongerust maakte.

„Dus je mist niets?” vervolgde Hans, „nu, straks zullen wij een

nauwkeurig onderzoek in loco instellen. Ik kan de zaak wel aangeven,

maar dat zal ons niet veel helpen. Baboe zegt, dat zij nergens van

weet, zooals je mij vertelde, en den brutalen schavuit zou je volgens

je eigen getuigenis niet herkennen. In ieder geval zou ik baboe maar

wegzenden, lieverd, ’k ben er van overtuigd, dat zij den kerel binnen

heeft gelaten.”

„Ik ook, zij beweert echter om een uur of half twee naar haar jongetje

te zijn gaan kijken, dat den heelen dag niet wel was geweest, doch ik

geloof er geen zier van. Zij heeft met den dief achter het schut

gefluisterd, denkend dat ik in diepe rust was.”

„Juist, en wat zou je er nu van zeggen, kindje, als ik mij eens

„lekker” ging maken? Je hebt mij zoo dadelijk overvallen en je nieuws

was zoo belangrijk, dat ik voor niets anders gedachten had.”

„Dan ga ik maar zeggen, dat zij het eten opdragen; hè man, je bent toch

altijd in een ommezientje klaar.”

Maar Hans was nog niet geheel gereed, toen hij zijn vrouwtje op eens

een luiden kreet hoorde slaken in het boudoirtje.

„Wat is er, Go?” en haastig zijne jas dichtknoopend, liep hij haar te

gemoet.

„Hans,” kreet zij, met tranen in hare stem, „de dief heeft toch

gestolen, nu pas zie ik, dat mijn mooie kistje weg is, hoe vreeselijk!

hoe vreeselijk!”

„Bedaar, lieverd, en luister eens even,” troostte Hans. „We zullen je

schat zeker terug vinden, want denk eens na, wat heeft de kerel er aan?

Verkoopen kan hij het niet, dat is veel te gevaarlijk voor hem.

Natuurlijk heeft hij vermoed, dat er geld of iets anders van waarde in

zat; baboe heeft hem zeker een handje geholpen, zij weet, dat je het

sleuteltje altijd bij je draagt. Laat ons maar eens buiten gaan zoeken,

’k ben overtuigd, dat we het kistje vinden, geloof me, ik heb door

veeljarige ondervinding wel een beetje verstand van die zaken.”

Met deze woorden troonde Johan zijne vrouw mede en, met een pajong

gewapend tegen het brandend voormiddagzonnetje, gingen zij het erf op.

De huisbedienden werden den anderen kant uitgezonden, geen plekje van

het groote erf zou ondoorzocht blijven, beloofde Hans zijn bedroefd

vrouwtje. Al heel spoedig liep een der jongens hen achterop en riep

reeds uit de verte: „dapat toewan” (gevonden mijnheer).

„Waar, waar?” vroeg Margo en trok haar man haastig mede.

„Heel achteraan, in het pisangboschje, mevrouw,” en ja wel, een

oogenblik later stond Margo diep verslagen over haar geroofden schat

heengebogen. Daar lag het palissanderhouten kistje, ruw neergesmeten,

met uit elkaar gerukte scharnieren, door vuil bezoedeld, en er om heen

in stof en modder.... Margootje’s minnebrieven, door den nijdigen dief,

in teleurgestelde hebzucht, geheel aan flarden gescheurd.

„Hans, o Hans,” riep zijn vrouwtje, meer kon zij niet zeggen, toen

barstte zij in tranen uit. „Geen nieuwsgierige oogen zullen u ooit

aanraken,” hoe waren die woorden, eens zoo overmoedig uitgesproken, te

schande gemaakt! Met het lezen was het tot daaraan toe, daarmee zou de

inbreker zich wel niet hebben opgehouden, zelfs al waren zij in het

Javaansch geschreven, en hij de leeskunst machtig geweest; doch wat de

schennende hand betreft, zijne sporen waren maar al te merkbaar. „Dat

die booswicht mijn mooie kistje vernielde,” snikte Margo, „dat zou ik

hem niet zoo erg hebben aangerekend, maar dat hij mijne minnebrieven

als oud vuil heeft behandeld, dat vergeef ik hem nooit, nooit.”

Hans had erg te doen met Gootjes leed en om haar op andere gedachten te

brengen, sprak hij: „Maar schat, het waren toch niet alleen je

minnebrieven. Wat lees ik daar,” en hij bukte zich diep naar den grond:

„Geachte Mejuffrouw, en hier: om 8 uur mag ik u en uwe zuster dus....

en hier weer....”

„Och houd op, mannie,” en Margo kleurde tot in haar hals, terwijl zij

de stukjes papier, waar Hans zijn aandacht op gevestigd hield, onder

het zand trachtte te bedekken. „Plaag mij zoo niet,” en een beetje

verlegen bekende zij: „Zie, het stapeltje bleef zoo dun, toen voegde ik

er maar alle papiertjes en kleine briefjes bij, die je mij ooit

schreef, ook vóór onze verloving.”

„En al die onnoozele snippertjes hadt je trouw bewaard? O klein, dwaas

vrouwtje,” doch terwijl hij het hoofd over haar schudde, las Margo zulk

eene aanbiddende liefde in zijn blik, dat zij best begreep hoe hij

eigenlijk over hare dwaasheid dacht.

Het was heel stil in het pisangboschje, Hans had den jongen met het

vernielde kistje naar huis gezonden. Slechts de zon, die in lichtende

plekjes op het mos speelde tusschen het frissche groen der groote

bladeren, was er getuige van hoe Margo, de armen om haar mans hals

slaande, innig fluisterde: „Je hebt gelijk, mijn lieve man, ik stel mij

dwaas aan met te schreien en te zuchten over mijn verlies. Wat

beteekent het, dat deze brieven vernietigd en dood zijn, terwijl ik in

jou mijn levende liefde naast mij heb. Mijn beste Hans, hoe heerlijk,

dat wij nog jong zijn, dat het leven rijk aan beloften voor ons ligt en

wij in onze liefde den talisman bezitten, die ons smart en leed zal

helpen dragen, hè man?”

„Juist kindje, je spreekt mij geheel uit het hart,” antwoordde Hans

bewogen, maar toen kwam zijn spotzieke aard weer boven en hij plaagde

met een ondeugend gezicht: „Mevrouw Graven, je hebt je in de laatste

vierentwintig uur uitstekend gehouden, je bent eene groote heldin, en

ik geloof nu ook niet langer, dat het alleen de invloed van de

Hoffman’s druppels was, die je van nacht zoo stout en moedig maakte.”

„Hans, Hans, je bent onverbeterlijk,” en Margo dreigde haar man met den

vinger, maar deze vatte de kleine hand en trok haar onder zijn arm

door: „Kom, kind, laat ons nu aan tafel gaan. Schertsend en lachend

spoedde zich het paartje huiswaarts, terwijl de reusachtige bladeren

elkander in hunne eigenaardige taal toewuifden:

„Welk eene aardige afleiding was dat in ons eentonig leven, wij hebben

een gelukkig menschenpaar gezien.”

Vrouwenleven in de Dessa · 第 19 / 20 题