Voor de eerste maal sinds mijne komst in Indië zal ik alleen thuis
blijven. Tot dusver heb ik mijn man steeds kunnen vergezellen op zijne
tournées; nu moet hij echter twee dagen te paard de bergen in, is
genoodzaakt in een slechte pasangrahan (soort logement) te overnachten,
en ik kan onmogelijk meegaan.
Nadat ik hem uitgeleide heb gedaan, stap ik zuchtend het huis weer
binnen. Wij wonen nog niet lang op dit kleine plaatsje in het
binnenland, en ik ken geen der families intiem genoeg om ze te bezoeken
in dien tijd, of te kunnen verwachten, dat zij het mij zullen doen.
Ach, hoe heerlijk toch in Holland te zijn, in een stad waar familie of
vrienden u omringen, waar men lang genoeg vertoeft om nauwe banden aan
te knoopen, intieme kennissen te maken, bij wie ge steeds even welkom
zijt als zij bij u.
Hier ziet men onophoudelijk nieuwe gezichten; pas zijt ge elkaar een
weinig nader gekomen, en hoopt eene gezellige conversatie te beginnen,
dáár leest ge de overplaatsing der familie of wel uw eigene in de
courant en een paar weken later zijt ge elkaar half vergeten. Enfin,
dit is nu eenmaal niet anders en men doet wijs er niet over te
pruttelen. Zijne huiselijke omgeving, zijn gezellig intérieurtje kan
een mensch toch overal meenemen, al trekt hij naar de eenzaamste
oorden, en, zoo ergens, dan is ’t in het binnenland een voorwaarde om
gelukkig te zijn, dat ge uw tehuis tot uw wereld weet te maken, want
buiten uw eigen kringetje moet ge niet veel afleiding verwachten. Men
komt er dan ook spoedig toe zich op eigen klein gebied aan te schaffen
wat het leven veraangenamen, en de eentonigheid er aan ontnemen kan.
Behalve de huisdieren, hebben we allerlei beesten op het erf: koeien,
paarden, kwakende eenden, kippen, duiven in soorten, konijnen,
marmotten, enz. en het is een eigenaardig genot voor mij ze in hun doen
en laten te bespieden, hen aan mij te gewennen en mak te maken.
Na het ontbijt is steeds mijn eerste werk naar de goedang of
provisiekamer te gaan, voeder (eten) uit te geven voor mijn vierbeenige
en gevederde lievelingen en last not least, voor ons zelve. ’k Besluit
dus hieraan te beginnen, neem mijn sleutelmandje, en begeef mij naar de
bijgebouwen.
Nog vlugger dan de bedienden, hebben de vogels het in ’t vizier, dat de
goedang geopend zal worden; de duiven zaten reeds op het dak te wachten
en fladderen nu in tientallen om mij heen. Zij zijn verzot op djagoeng
of Turksche tarwe, de schuwste laten zich door deze lekkernij verlokken
in mijne onmiddellijke nabijheid neer te strijken, doch dat zijn er
maar enkele, bijna allen laten zij zich streelen en met de hand pakken.
Daar komen de kippen en eenden aan, de hoenders als driftig trippelende
dametjes met veel onnoodige drukte, de eenden al onbevallig wat er aan
is, met hun schommelgang en snaterende bekken. Eén mama-eend waggelt
met haar kroost regelrecht de provisiekamer binnen; zij weet wel, dat
ik haar, ter wille der kleintjes, een beetje verwen en in de goedang
zelf laat eten. Al kwakend stapt zij naar het gewone plekje achter de
deur en helpt hare domme kinderen voort, die de eigenschap, welke men
hun soort toeschrijft, nog in hooger mate bezitten dan de oude lui.
De staljongen verschijnt nu op het tooneel en vraagt zout en rijst voor
de koeien om boeboer of brei te koken, en paddie voor de paarden; ik
geef kokkie het noodige voor het middag- en avondeten, de huisjongen
brengt de lampen die gevuld moeten worden. Petroleumkannen kennen wij
hier niet: uit het groote blik pompt men de olie op in het reservoir
van de lamp. Mijn Sastra morst nog al eens bij deze gelegenheid, maar
op den steenen vloer komt dit er minder op aan. Na een half uurtje ben
ik klaar en ga, vergezeld van Leeuwtje, mijn aardigen hond, naar den
stal om den apen vruchten te brengen en eens naar de paarden te zien.
De paarden kennen mijne stem en hinniken vroolijk als ik hen toespreek,
maar met de apen ben ik op geen goeden voet. Zij grijpen mij de
vruchten af, maken nijdige geluiden, rukken aan hun ketting en betoonen
niet de minste dankbaarheid. Een van de drie, Jim genaamd, was tot
dusver vrij mak, hij stak zijn snuitje vooruit als hij mij zag, legde
een harig handje op zijne borst, en nam heel netjes de vruchten aan,
die ik hem bood. Van morgen is hij echter uit zijn humeur en even
onvriendelijk als de anderen; ’k denk, dat het stalpersoneel de dieren
plaagt en zij daardoor valsch worden. Leeuwtje blijft op een afstand,
hij is bang en zij grijnzen en krijschen boosaardig tegen hem,
misschien beneden zij het dier zijn heerlijke vrijheid.
Mijn hondje is anders goedig genoeg, hij stoeit en speelt met Puzz,
mijn vinnige poes, zonder haar ooit pijn te doen, vernielt nooit iets,
is steeds gehoorzaam en bedaard.
Wij ontbeten vroeger dan anders: ’t is dan ook nog niet te warm om de
bloemen in oogenschouw te gaan nemen. Deze bestaan voornamelijk uit
rozen, die in potten zoowel als in den vollen grond, frisch en heerlijk
bloeien; ik bewonder en verzorg ze gaarne, maar zij zijn mij niet half
zoo lief als wilde viooltjes, die ik met veel moeite van één klein
plantje tot een flinke tobbe vol gekweekt heb. De bloempjes gaan nooit
geheel open, maar haar geur is even sterk als in Holland, en tal van
liefelijke herinneringen aan het verre vaderland komen mij in de
gedachte, als ik de paarsblauwe blaadjes tusschen het welig groen
ontdek, en de zoete geur tot mij opstijgt.
Het is iets opmerkelijks in dit immer groene land, dat men zoo weinig
bloemen ziet. Zij groeien niet tusschen het gras, in stilstaand water
of aan stroomende beekjes, evenmin als in de tuintjes der inlanders.
Eigenlijke veldbloemen komt men nooit tegen; wel bloeien hier en daar
de heggen met blauwe of paarse klokken en ziet men hooge struiken, die
roode bloempjes dragen, de z.g. Salièra, doch hiermede houdt het op,
ten minste in deze streek.
Het huis lijkt mij als uitgestorven wanneer ik er weer binnentreed; nu
is dit louter verbeelding, want ’s morgens is mijn man natuurlijk op
het kantoor aan zijn werk, maar de gedachte dat ik hem er nu niet
vinden zal als ik lust krijg even bij hem aan te wippen, maakt het
zeker zoo eenzaam om mij heen. Werk heb ik anders genoeg en lectuur
ook, in overvloed, maar de uren gaan niet zoo vlug voorbij als
anders—alleen met Leeuwtje tot gezelschap, die den baas eveneens mist.
Ik wil gaarne aannemen, dat een moeder met twee of meer kinderen het
hier volhandig kan hebben, maar wanneer de vrouw des huizes, zooals ik,
slechts voor haar man en zichzelve hoeft te zorgen, heeft zij het
stellig oneindig gemakkelijker dan de meeste dames van haar stand en
hare positie in Holland. De wasch behoeft zij slechts te bergen; het
reinigen van thee- of koffie-servies laat zij den huisjongen over; stof
afnemen, zelf eens meehelpen op drukke dagen om de dienstboden te
gemoet te komen, dit alles vervalt in Indië, omdat men er handen genoeg
heeft. Met mijne bedienden trof ik het zeer goed; zij gingen van de
vorige standplaats met ons mee, twee van hen met vrouw en kinderen.
Achter het huis, in de bijgebouwen, hebben zij hunne kamers, en ik merk
zeer weinig van hun huiselijk leven op dien afstand. Wel weet ik, dat
de vrouw van mijn huisjongen haar eerste kindje wacht, en de aanstaande
ouders daar recht mee in hun schik zijn. De koetsier heeft een
schoolgaand knaapje, hij wil er een geleerde van maken en betaalt 25
cents ’s maands voor zijne geestelijke vorming. Heel trotsch stapt die
zesjarige kleuter ’s morgens naar school, vader heeft hem geholpen
hoofddoek en sarong netjes aan te doen; met de lei onder den arm en
reeds iets statigs en deftigs in gang en houding, begeeft hij zich naar
den tempel der wijsheid. Toen hij de Javaansche letterteekens beet had,
vond bij onze witte buitenmuren zeer geschikt om zijne kunst op te
oefenen en, pas na eenige zeer ernstige vermaningen op dit punt, kwam
ik de vreemde figuren: puntjes, boogjes, streepjes, niet meer tegen.
Mijn verderen morgen aan schrijf- en naaiwerk bestedend, is deze zoo
wat om, als ik het houten hamertje en ’t eigenaardig zwiepend geluid
hoor, waarmee de klontong (koopman) zich en zijne waar aankondigt.
De muziek met het hamertje maakt hij zelf en het piepend geluid wordt
veroorzaakt door het heen en weerschuiven van den
bamboe—draagstok—waaraan de pakken met goederen hangen.
De dragers of koelies zijn gewoonlijk flinke, goed gebouwde menschen,
die voor gering loon uren en uren aaneen belast en beladen
voortsjokken. Een inlander kan onbegrijpelijk lang achtereen loopen op
een sukkeldrafje, slechts af en toe stilstaand om zijn last te
verplaatsen.
Diep in het binnenland, zooals hier, waar niet anders dan het hoog
noodige voorhanden is, maakt een klontong meestal goede zaken; iedereen
profiteert van de gelegenheid.
Deze koopman is een Chinees, die betrekkelijk al in goeden doen is,
want hij heeft 4 koelies, die elk twee met matten omgeven pakken
neerzetten. Toen deze zoon van het hemelsche rijk begon, droeg hij
ongetwijfeld zijn pakje zelf, spaarde, overlegde en leed half honger om
eindelijk zooveel bijeen te hebben gegaard, dat hij zich één, later
meer koelies kon aanschaffen, naarmate hij zijne zaken uitbreidde.
Vlijtig en werkzaam zijn de Chineezen, dit moet ieder hun nageven.
Zelden heb ik zulk een leelijk, bijdehand kereltje gezien als dit
exemplaar. In zijn vuil geel gezicht met uitstekende wangbeenderen,
blinken scherpe zwarte oogjes; voor zijn gemak had hij den langen
staart, die aan het achterhoofd slingert, om de kaalgeschoren kruin
gelegd, doch nu hij mij ziet aankomen laat hij hem uit beleefdheid weer
bengelen.
In Holland hebben de vischvrouwen den roep ongehoord te overvragen,
maar zij konden bij de kooplui hier een lesje nemen. In het begin was
ik dikwijls verstomd en besloot niet te bieden, maar door ondervinding
wijzer geworden, ding ik nu even brutaal af als zij durven eischen, en
krijg een en ander soms voor een derde of vierde van den gevraagden
prijs. De koopman is zelf overtuigd dat hij schromelijk overvraagt, en
zegt heel gemoedelijk af en toe: „boleh tawar,” hetgeen beduidt: „Je
mag afdingen.” Van deze vergunning ruimschoots gebruik makend, koop ik
mooie zijde, lint, kant, enz. voor matigen prijs, maar bewonder slechts
de juweelen, die hij in een geheimzinnig afzonderlijk trommeltje bij
zich heeft. Oorknoppen van ƒ 300, een armband van ƒ 500, ringen,
spelden, enz.
„Koop maar wat,” zegt vriend Baba, „boleh tawar.” Doch al schitteren de
steentjes nog zoo verleidelijk, wie weet hoe weinig zij misschien waard
zijn; ik ben geen deskundige en lach bij mijzelve, als ik den Chinees
slechts noode het trommeltje zie sluiten, nu ik niet eens wil bieden op
al dat fraais, en hem zeg, dat hij naar rijke njonja’s moet gaan met al
die dure zaakjes.
Baboe, die is komen kijken, vindt het jammer dat mevrouw niets koopt:
hare vingers zitten vol koperen ringen met valsche steentjes en in hare
ooren draagt zij verbazende oorknoppen, die mij aan groote radijzen
doen denken, meer in het oog vallend dan fraai.
De klontong heeft mij aardig opgehouden, het is ver over den gewonen
tijd als ik ga eten. Veel eer doe ik de rijsttafel niet aan, ofschoon
meest alles op zijn Europeesch wordt klaargemaakt, zonder klapperolie
of sterke kruiden, en nu sta ik nog vlugger op dan anders, zoo alleen.
Na het middagdutje, als ik in de voorgalerij thee zit te drinken, voel
ik dubbel, hoe stil wij toch wonen. Behalve af en toe een inlander,
komt er niemand voorbij, er passeeren geen rijtuigen op het
namiddagritje, ik zie geen jonge meisjes, zooals op onze vroegere
woonplaats, mij vroolijk toeknikken en even binnen wippen om te
groeten, geen mooi aangekleede kinderen aan de hand van baboes, of in
de slendang gedragen. ’k Denk er over een toertje te gaan maken, om de
zon aan zee te zien ondergaan, maar een blik naar de lucht doet mij op
dit voornemen terugkomen. De hemel is zwaar bewolkt, er dreigt regen,
die wel spoedig zal vallen ook.
Als ik echter na het avondeten buiten kom, is het nog droog, maar er
blinkt geen enkele ster, terwijl het mij ook benauwd en drukkender
toeschijnt dan daar straks.
Baboe zal van nacht in mijn kleedkamer slapen, haar bed is spoedig
gespreid: een matje om op te liggen, en een kussentje onder het hoofd.
Ik zou niet graag mijn klamboe (muskietennet) missen, want de heele
kamer suist van de muskieten, maar dat schijnt mijn Ramé niet te
hinderen.