DE EERSTE BUI.

De buitengewoon warme, ongezonde Oost-mousson loopt gelukkig ten einde.

Mensch, dier, gewas, alles snakt naar regen; maanden achtereen is er

geen droppeltje gevallen, al zijn wij in den drogen tijd, toch een

ongewoon verschijnsel. Iederen morgen staat de zon even helder aan den

wolkloozen hemel, en bestraalt met haar verzengenden gloed het gewas op

den akker, trekt het weinige water tot zich, dat nog in de stroompjes

overbleef, doet mensch en dier hijgen, zuchten, de koelst mogelijke

plekjes opzoeken.

„Lieve hemel wat is het warm!” Deze uitroep ontsnapt mij misschien wel

voor den derden keer, terwijl ik lusteloos op een luierstoel

uitgestrekt naar buiten lig te staren.

Alles ziet er even verlept en grauw uit, de bladeren der boomen met een

dikke stoflaag bedekt, hebben hun fraai groene kleur geheel verloren,

een nijdige rukwind, zoo warm alsof hij; uit de Sahara kwam, veegt af

en toe de kruinen der palmen schoon, maar die weelde duurt niet lang:

al heel spoedig hebben zij het oude onooglijke pakje weêr aan. De weg

is bijna onbegaanbaar, diep zakken de wielen der karretjes in het stof

en in hooge wolken verstuift het zand onder de hoeven der paarden.

Straks, toen ik even naar buiten ging om naar mijne bloemen te kijken,

kreeg ik een gevoel alsof ik voor een bakkersoven stond; zij zien er

niets fleurig uit, mijn arme bloemen, de rozen laten kwijnend blad en

knoppen hangen, te moe en uitgeput om veel op te frisschen van het

lauwe putwater, waarmee ik ze liet besproeien.

Logge karbouwen trekken hijgend ons erf voorbij, zij kunnen de zwaar

beladen karren suikerriet moeielijk voortkrijgen; ik zie den drijver

twee keer stilstaan, om hunne koppen met water te besproeien uit een

modderig riviertje, dat nog niet geheel is opgedroogd.

Overal hoort men van ziekte, in de kampongs zoowel als bij de

Europeanen; mijne bedienden komen ook telkens een van allen niet

binnen, en als ik naar hen ga kijken, liggen ze suf, met wezenlooze

oogen voor zich uitstarend, op de balé-balé, rillend van koorts en met

zware hoofdpijn.

Wij zelve zijn ook niet recht wel, alles vermoeit ons en maakt ons veel

warmer, mijn naaiwerk valt mij uit de hand, de pen wordt klam in mijne

vingers, hoe kan men ook werken bij zulk eene hitte!

De insecten alleen trekken zich niets aan van de onaangename

weêrsgesteldheid, vliegen en muskieten zijn dubbel zoo druk en

danslustig als anders en maken het mij zoo lastig, dat ik ze uit den

grond van mijn hart verwensch. Wat in het water leeft moet dubbel in

zijn element zijn op dagen als deze, ofschoon dit ook niet frisch kan

zijn; zelfs in mijn koele badkamer, waar geen zonnestraaltje

binnendringt, was het water lauw van morgen.

De hoofdpijn, waarmee ik opstond, wordt erger in plaats van beter, ik

ga naar mijn kamer om eau de cologne te halen en word op mijn weg

daarheen onaangenaam verrast door het gezicht van de wasch, die in de

achtergalerij ligt te wachten om nageteld en geborgen te worden. ’k Heb

veel meer lust om wat te gaan rusten, maar ik kan het goed toch niet

laten liggen, dus roep ik baboe om mij te helpen, doch zie haar niet

verschijnen.

„Baboe is ziek, mevrouw,” licht de huisjongen mij in.

„Weêr ziek,” zeg ik knorrig, „dat is nu al de derde keer van de week,

zoo kan het niet langer.” Al pruttelend ga ik naar haar kijken en moet

een zonnig stukje erf oversteken om hare kamer te bereiken. ’t Is er

donker en benauwd; mijn Ramé is een knappe meid, hare kondeh zit altijd

netjes, hare kleeren zijn steeds helder en zindelijk. Nu ziet zij er

echter al zeer onooglijk uit, met loshangende haren, een morsig baadje

aan en op haar voorhoofd een groen papje, dat van een zeker boomblad

gemaakt, een inlandsch geneesmiddel tegen de hoofdpijn is. Ik ben een

weinig ontstemd binnengekomen, maar als ik de arme meid goed aankijk,

krijg ik bepaald medelijden met haar, want zij ziet er ellendig uit.

Ziek als ze is, glijdt ze toch dadelijk van haar bed, omdat het niet

behoorlijk is mevrouw, anders dan op den grond gehurkt, te ontvangen.

„Ben je zoo ziek, baboe, zal ik den dokter djawa voor je laten komen?”

vraag ik.

„Och neen, mevrouw,” zegt ze met flauwe stem, „mevrouw heeft mij goede

medicijn gegeven, de koorts is nu weg, maar ik ben nog zoo moe, dat ik

niet op de been kan blijven; ’t is ook zoo warm, kwam er maar regen.”

„Ja, kwam er maar regen,” zucht ik eveneens, en na haar wat eau de

cologne te hebben gegeven, ofschoon overtuigd, dat zij veel meer

vertrouwen stelt in haar eigen groen mengseltje, ga ik naar binnen en

beredder de wasch alleen.

De waschbaas heeft erg vuil gewasschen: de bruine vlekken door het

stout er op achtergelaten, zitten nog in de tafellakens en de

vaatdoeken vertoonen overal vette plekken. „Dat kan ik zoo niet

gebruiken,” zeg ik bij mijzelf, een grooten hoop terzijde leggend, „dit

moet allemaal worden overgewasschen.” Maar dan bedenk ik, dat ik het

goed veel later thuis kreeg dan anders, omdat de waschbaas ook al ziek

was, het water is bovendien zeer schaarsch de laatste weken, de meeste

putten zijn droog. Daar de onze zeer diep zijn, hebben wij nog genoeg,

maar velen, niet zoo gelukkig, moeten het water van ver weg laten

halen.

Eindelijk hen ik klaar en ga naar de groote slaapkamer, waar het

betrekkelijk koel en heerlijk donker is. Pun, mijn poesje, komt mij

miauwend te gemoet, zij heeft zich achter in het zand gerold, haar wit

vel is groezelig, als ik haar streel voelt zij stoffig en kleverig aan.

Mooi is poesje niet met haar flauw blauwe oogen, haar grooten kop en

knoop in den staart, dien zij, zeer ongracieus, loodrecht omhoog

draagt. Wanneer ik haar buiten de deur zet, merk ik op dat het in de

binnengalerij niet veel lichter is dan in de slaapkamer, de zon is

schuil gegaan achter groote wolken. Doch dit doet zij bijna iederen dag

zonder dat er iets van komt; ik zal mij maar niet op een doode musch

verheugen. Een paar muskieten zijn binnen de klamboe gebleven, en hunne

bloeddorstige aanvallen op mijn gezicht en handen, maken het mij

onmogelijk in te dutten; ik lig dus maar stil, met de oogen dicht, zoo

zal de hoofdpijn misschien wel zakken, ofschoon het hier ook al warm

is, warm en drukkend. Zoo lig ik een half uur of langer te soezen als

ik opschrik door een ongewoon geluid, dat de stilte om mij heen

verbreekt.

Wat is dat? Zacht en onregelmatig tikt er iets tegen het raam, dan hoor

ik een vreemd geloei in de lucht, dat van verre, heel van verre schijnt

te komen en op eens.... een geplas en gekletter, dat hooren en zien mij

vergaat. Het regent! Goddank, Goddank, het regent.

In een oogenblik sta ik op mijn voeten en gooi ramen en zonneblinden

wijd open, een heerlijk tafereel treft mijn oog.

In volle, dikke stralen stroomt het zegen brengend nat uit den hemel op

de dorstige aarde, die het gretig, dankbaar inzuigt, op boom en struik,

hun leelijk pakje omtooverend in de fraaiste feestkleedij, op mijn

uitgeputte bloemen, rozen, viooltjes, melatie, die als dankend zich

opheffen en hare zoetste geuren omhoog zenden.

„Hoe is het met je hoofdpijn?” vraagt mijn man, die naast mij is komen

staan, en mij glimlachend aanziet.

„O die is weg, heelemaal weg, maar zie toch eens, man, hoe heerlijk

frisch alles er uitziet, is het niet goddelijk? Die struik ginds.... ik

dacht, dat zijn bladeren zwart waren, nu zie ik pas hoe beeldig

lichtrood zij zijn. Wat riekt de melatie sterk, hé, en hoe rein wit

zijn de bloempjes nu. Daar bij den uitgang van het erf is een flink

zeetje, waar gaat al dat water met zulk een vaart naar toe?”

Maar buiten kunnen we alles nog veel beter zien, we gaan dus naar de

voorgalerij. De regen is aan het verminderen, maar het water maakt een

verbazend geweld boven ons hoofd, waar het door de dakgoten bruist, en

aan het eind gekomen naar omlaag stort. De bedienden hebben overal

bakken gezet om het regenwater op te vangen, zij loopen lachend af en

aan en plassen met de bloote voeten door het nat. Van het achtererf

klinkt een verbazend gelach en geschater, ik ga eens kijken en

aanschouw een aardig tooneeltje onder een waterstraal, die van een

flinke hoogte naar beneden komt. Twee knaapjes, de kleintjes van den

koetsier, krijgen van moeder een bad uit de eerste hand. Met hun beiden

zijn ze misschien nog geen vijf jaar, mollig en gezond, met stevige

armen en beenen. Het water druipt langs hunne naakte leden, zij

spartelen en dansen gillend, half van angst, half van pret, als moeder

hen onder den waterstraal duwt, dan volgt een proesten, lachen en

schateren, dat men lust krijgt mee te doen. Hoe lief, onschuldig en

aanvallig zijn zij, net zoo aardig om te zien met hunne schitterende

oogjes, gladgeschoren kopjes en dikke rijstbuikjes, als blanke

kindertjes met rose wangen.

De regen heeft nu geheel opgehouden, het druipt en lekt uit de boomen,

maar we kunnen toch al weer wandelen op de begrinte paden. Hoe geurig

riekt het overal, hoe helder is de atmosfeer, geheel van stof

gezuiverd. ’k Werp het hoofd achterover om de kruidige lucht in te

ademen en geef er niets om, dat een regen zware druppels uit den

grooten mangaboom een treurige verwoesting in mijn poney aanricht. Pun

schijnt buiten door de bui verrast te zijn en zit zich nu uit alle

macht te poetsen; zij houdt niet van nat, maar had het ongewenschte bad

hoog noodig. Bij de badkamer vind ik baboe, die bezig is regenwater

door eene zeef te laten loopen, om er de waschkannen mee te vullen. Zij

heeft ook een geheel ander voorkomen dan daar straks, het vieze goedje

is van haar voorhoofd af, regendruppels glinsteren in haar net

opgemaakte kondeh, zij ziet er even frisch en helder uit als het water,

dat zij in de kannen giet.

„Weer beter, baboe?” vraag ik lachend. Zij lacht ook, en antwoordt

vroolijk:

„Heelemaal beter, mevrouw, ’t is nu ook zoo lekker buiten.”

De groote weg is één modderplas, wij kunnen onze gewone avondwandeling

niet maken, en genieten dus maar in de voorgalerij van de verfrischte

atmosfeer.

„Er zal van nacht nog heel wat regen vallen,” merkt mijn man op, met

een blik naar de lucht.

„Heerlijk,” roep ik, „wij kunnen nog veel gebruiken, de grond is

uitgedroogd.”

Ik kan mij nu niet voorstellen, dat de elken dag terugkeerende

regenvloed ons gauw zal gaan vervelen. Met genot volg ik de druppels,

die van de frissche bladeren glijden en met zacht getik omlaag vallen;

de donkere wolken aan den horizon zie ik veel liever dan den mooien

sterrenhemel van gisteren, ik voel mij verjongd, opgewekt,

levenslustig, een geheel ander mensch dan vóór de eerste bui.

Vrouwenleven in de Dessa · 第 16 / 20 题