„Hebt ge lust om morgen mee te gaan?” stelde mijn man mij voor, „ik ga
proefsnit houden, en dat hebt ge nog nooit bijgewoond.”
„Proefsnit houden, wat is dat?” vroeg ik nieuwsgierig.
„Wel, met de inlandsche hoofden moet ik controleeren hoeveel (padi)
rijst de een of andere akker opbrengt. Een vierde gedeelte van een bouw
(1 bouw = 7096 □ M.) wordt in ons bijzijn gesneden en afgewogen en naar
deze productie wordt de geheele oogst globaal berekend om de daarvoor
verschuldigde belasting vast te stellen, begrijpt ge? Wij moeten vroeg
van huis, want het is ver weg, en dan met een prauw de rivier op. Zorg
dus, dat ge bijtijds klaar zijt.”
Ik had veel lust in het tochtje; het programma stond mij bijzonder aan,
en ’t moest nog half zeven slaan, toen wij den volgenden morgen ’t erf
afreden in de meer dan koele morgenlucht. Ja, het was frisch, bij koud
af, de zon vertoefde nog in hare kleedkamer achter de wolken en
beloofde pas laat haar entrée te zullen maken. De postpaardjes draafden
lustig voort, spoedig lag de stad achter ons en waren wij op een
mooien, zwaar belommerden weg, die zich mijlen ver uitstrekte. Slechts
de kweelende vogelstemmetjes in de boomen hielden ons gezelschap; hier
en daar zaten inlanders, tot aan de schouders in hunne sarongs
gewikkeld, voor hunne huisjes. Zij hadden het zeker koud net als ik;
verlangend zagen wij naar de zon uit, maar deze vertoonde zich niet,
integendeel de wolken zakten al lager en lager, en weldra reden wij in
een dikken mist.
„In de bergen is het niets ongewoons, dat men door eene wolk rijdt,”
sprak mijn man, „maar hier in de vlakte heb ik het nog nooit gezien.”
„’t Lijkt wel een Hollandsche Novemberdag,” antwoordde ik, een warmen
doek dichter om mij heen trekkend, „ik hoop, dat het gauw zal
opklaren.”
Toen wij even moesten wachten bij het verwisselen van paarden, en ik
mij omkeerde om het landschap te overzien, kreeg ik nog sterker dan te
voren den indruk alsof ik mij op een laten najaarsdag in Holland
bevond. Honderden spinnewebben, hangend tusschen de stoppels der
afgesneden padi-velden, deden deze op met rijp bedekte akkers gelijken;
de dichte, laag hangende nevel verborg den horizon, en er lag zulk een
troostelooze eenzaamheid over het geheele veld, dat melancholieke
gedachten aan dood en winter bij mij opwelden. Langzamerhand trok de
mist op, en toen wij aan de plaats kwamen, waar wij de reis per prauw
zouden voortzetten, was het mooi weêr.
In de woning van den assistent-wedono (onderdistrictshoofd) bracht men
ons een kopje warme thee, dat mij, na den koelen rit, ook zonder melk,
uitstekend smaakte.
Terwijl mijn man zich met de inlandsche hoofden over dienstzaken
onderhield, ging ik even zitten, toen ik achter mijn schommelstoel
eenige beweging bespeurde. In de veronderstelling, dat een bediende
langs mij heenschoof, bleef ik kalm zitten, doch tot mijn verbazing zag
ik op eens een vrouw van den grond opstaan en mij zeer eerbiedig
begroeten. Het was eene knappe inlandsche, heel mooi aangekleed, met
een zwart satijnen baadje en groote juweelen op de borst en in de
ooren. ’k Begreep dadelijk, dat zij de Raden-Ajoe van den
assistent-wedono was, en maakte uit hare gebaren op, dat zij mij van de
taarten aanbood, die op tafel gereed stonden, want ik verstond geen
woord van wat zij in het Javaansch vertelde. Ook had ik niet veel trek
in het inlandsch gebak, dat meestal droog is of onaangename bijsmaakjes
heeft, maar beleefdheidshalve nam ik een stukje, dat ’k met groote
moeite naar binnen werkte, want het smaakte vreeselijk naar den rook en
was bovendien niet goed gaar. Nadat zij aan de plichten der
gastvrijheid voldaan had, ging de Raden-Ajoe weer deftig aan mijne
voeten zitten, en we namen beiden een bedachtzaam stilzwijgen in acht
tot mijn man gereed was.
Blijde stond ik op, in de meening verlost te zijn van de taart en het
benauwend gezelschap der inlandsche dame, doch dit laatste kwam anders
uit. De Raden-Ajoe verklaarde, dat zij mevrouw vergezellen wilde in de
prauw, greep mijn doek en taschje, en stapte vastberaden achter ons aan
naar het vaartuigje, dat er met zijne vroolijke vlaggen en bamboe
zonnetentje heel aardig uitzag. De prauw was keurig in orde, er lagen
dekens op de banken en een mat op den bodem. Wij gingen onder de
zonnetent zitten, de Raden-Ajoe plaatste zich op den grond. Dank zij
mijn man, die haar spoedig inlichtte, dat ik slechts Maleisch verstond,
vlotte de conversatie iets beter; we spraken over de kinderen, de
dieren, den prijs der levensmiddelen, enz. en keken ter afwisseling
naar de begroeide oevers der rivier, waarop de roeiers ons vrij vlug
voortpagaaiden. In andere prauwen volgden ons de inlandsche Hoofden,
zoodat wij eene aardige miniatuurvloot vormden, die lustig voortgleed.
Als we kampongs passeerden, stonden schreeuwende jongetjes ons op te
wachten, en draafden zoo ver mogelijk mee om langer te genieten van het
ongewone schouwspel, dat onze vloot hun bood. Vrouwen spoelden hare
wasch of baadden hare kinderen in het verre van heldere water; overal
was leven en bedrijvigheid.
„Wat zouden ze thuis vreemd opkijken, als zij mij hier eens konden
zien,” dacht ik bij mij zelve, „in dit primitieve vaartuig met zulk
eigenaardig gezelschap.”