EEN AVONDWANDELING.

Het is zes uur en wij stappen het hek van ons erf uit om onze gewone

avondwandeling te maken. Hoewel de zon onderging, is het nog niet

donker; we hebben eene korte schemering in dezen tijd van het jaar.

Verrukkelijk koel is het buiten, vooral als wij in het open veld komen,

van weerskanten door sawahs (rijstvelden) omringd, die een heerlijken

aanblik bieden in hun smaragd kleed, even frisch als jong.

Karbouwenhoedertjes baden hun vee in het stroompje langs den weg;

dikwijls zijn zij niet ouder dan drie of vier jaar, dreumesen, die eene

ons onverklaarbare macht uitoefenen op de logge dieren aan hunne zorgen

toevertrouwd. Vijf, zes karbouwen worden soms door zulk een kleuter in

bedwang gehouden; met een steenworp, een tik of schop van het handje of

voetje dwingt hij het logge, groote beest tot gehoorzaamheid, dat hem

met één slag van zijn poot zou kunnen vernietigen.

Zij zijn beste vrienden, de karbouwen zijn drijvertje, omdat zij naast

elkander opgroeiden, dezelfde woning deelen, dag in dag uit met

elkander doorbrengen; als een goedige reus laat de karbouw zich drillen

door een kinderhand. Behalve de landlieden, die van het werk huiswaarts

keeren, komen wij niet veel levende wezens tegen; af en toe zien wij

visschers, die tot aan het middel in het water staan en nog een maaltje

visch hopen te vangen in hunne groote kruisnetten. Deze bezigheid

verveelt hun niet, al duurt zij uren; een inlander houdt er van tijden

achtereen zich met nietsdoen te vermaken, strak voor zich uitstarend,

zonder te zien, misschien niet eens denkend.

De duisternis valt nu snel, maar de maan is opgekomen en staat vol en

helder aan den diep blauwen hemel. Haar zachte glans werpt een

geheimzinnig licht tusschen den bladerrijkdom der boomen door in de

donkere lanen. De schaduwen der bladeren worden in arabesken op den

grond geteekend, en bewegen zich phantastisch, wanneer een koeltje door

de takken vaart; zacht wuiven de kruinen der hooge palmen en

weerkaatsen op hunne breede bladen het maanlicht met blauwachtigen

gloed. In het geboomte liggen de kampongs verscholen; af en toe blinkt

een flauw lichtje (een walmend pitje in een blikje met olie of

petroleum gestoken) aan den ingang der erven; slechts onze voetstappen

weerklinken nauw op het begrinte pad, overigens is het stil om ons

heen.

Boven ons hoofd tintelen de sterren: het fonkelend Zuiderkruis, de

Groote Beer, die geheel anders op den horizon staat dan in Europa, de

Melkweg, Orion en hoe zij verder heeten mogen.

Haar gloed is niet zoo schitterend als anders, nu zij met het maanlicht

moeten wedijveren.

Wij slaan een zijweg in en te midden van de stilte bereikt een

eigenaardig gezang ons oor. ’t Doet mij aan een litanie in een R.C.

kerk denken en het is dan ook een gebed door den priester of een

geloovige opwaarts gezonden. Er ligt eene weemoedige aantrekkelijkheid

in dien zang, uit de duisternis tot ons komend; onwillekeurig blijven

we even staan en luisteren naar de geheimzinnige stem, die haar God

aanroept op hare wijze.

Als zwevende sterren dwalen de vuurvliegjes om ons heen, nu hoog, ver

buiten het bereik, dan vlak voor onze voeten, als wilden zij met hun

stralend lampje onze wegwijzer zijn. Bij eene bocht der laan staat een

groote tjemaraboom, die aan den lariks uit het noorden herinnert; met

tientallen hebben vuurvliegjes zich er op neergezet en hem het

voorkomen van een kerstboom gegeven, ’t is een eenig schoone aanblik,

die donkere boom, als met diamanten bezaaid, in zachten maanlichtglans.

Wij slaan den weg huiswaarts in en komen in meer bewoonde buurten; af

en toe glijden donkere gestalten ons voorbij, doch de meesten zwaaien,

hoewel de maan schijnt, groote obors (eene soort van fakkels) op en

neder, die een helder licht op den weg werpen, dat nog blijft schijnen,

wanneer de dragers reeds als schimmen in de duisternis verdwenen zijn.

Het veelstemmig insecten- en kikkerconcert, dat onze wandeling reeds

eenigen tijd begeleidde, wordt aanzienlijk versterkt naarmate de nacht

valt; er komen steeds meer muzikanten bij en ieder zingt zijn liedje op

verschillende, doch vrij eentonige wijs. Veel orde heeft de

kapelmeester er niet onder, want telkens zwijgt een instrument om zeer

ontijdig weer in te vallen.

Op de open aloen-aloen is het bijna dag, zwaarmoedig ruischt de

nachtwind door de zware tamarinden, over de groote grasvlakte, en

speelt met den bloesem der djowa-boomen, die aan „gouden regen” doet

denken.

De kotta (stad) is veel levendiger dan anders op dit uur, want de

inlander houdt van maneschijn; in groepjes zitten of staan zij bijeen,

zonder er behoefte aan te voelen het gesprek steeds gaande te houden.

De kleine warangs aan den weg doen goede zaken, zij gelijken op

kraampjes, zooals men die ’s avonds op een Hollandsche markt ziet, maar

de versnaperingen, welke er te koop worden geboden, zien er geheel

anders en juist niet smakelijk uit. Behalve de vruchten, biedt de

koopwaar een onooglijken aanblik; aan al de stalletjes wordt zoowat

hetzelfde verkocht. Vieze kleine bengels, bijna naakt, zwermen als

muggen om de tentoongestelde lekkernijen, en benijden het makkertje,

dat een paar duiten rijk is en daarvoor iets van die heerlijkheden

machtig kan worden. Menigeen koopt voor de waarde van eenige centen

zijn avondmaal: een portie rijst in een boomblad gewikkeld, met of

zonder een gebakken vischje, naar de financiën dit toelaten; kleine

meisjes draven met de bedrijvigheid van huismoedertjes huiswaarts, na

hare inkoopen te hebben gedaan.

Voorbij een Chineesch huis komend, zien wij een familie rond den disch

geschaard: vader, moeder en drie kinderen. In het midden, op de

ongedekte tafel staat een schaal rijst en allen grijpen met de vingers

toe, terwijl het meer dan eenvoudig maal hun best schijnt te smaken.

In de laan naar onze woning is het eenzaam en stil, vriendelijk wenkt

het licht van ons eigen huis tusschen de boomen door. Een sterke geur

van melatie en sedap-malem komt ons te gemoet als wij het erf opgaan en

in groote sprongen rent mijn hondje de verandatrappen af, vol

uitbundige vreugde ons weer te zien. Na de lange wandeling is het

heerlijk om uit te rusten: wij blijven nog wat buiten zitten, genietend

van de frissche geurige lucht in een zoet dolce far niente.

Vrouwenleven in de Dessa · 第 14 / 20 题