Dat deze vlak in de buurt op de loer lag, kon Katjong niet weten, doch
het was wel dom van hem, dat hij het heuvelachtig terrein niet eerst
goed onderzocht, vóór hij de tuinen binnensloop.
Juist had het knaapje den rietstengel met zijn grasmes doorgekapt en
wilde hij zich ijlings uit de voeten maken, toen de arm der
gerechtigheid zijn loop stuitte. Katjong werd gegrepen, hard heen en
weer geschud en eindelijk met een ijzeren greep op zijn mager
schoudertje voortgedreven. „Ampon, Ampon!” schreeuwde het kind,
worstelend om los te komen. Maar de verbolgen waker duwde hem ruw
vooruit en onthaalde den kleinen dief op een woordenvloed, die alles
behalve complimenteus genoemd kon worden. Voort ging het, ’t veld door,
een glibberig karbouwenpad af, den grooten weg op naar de
naastbijzijnde dessa. Katjong wist niet wat er met hem gebeuren zou en
dit verhoogde zijn angst; ook was het tijd om Possong en Oerip te gaan
baden. Wat zou vader zeggen als hij de dieren niet thuis bracht om
negen uur? Het ventje uitte zijn ziels-angst in gillende tonen, terwijl
de tranen langs zijn besmoezeld gezichtje vloeiden, maar de
onbarmhartige waker dreef hem steeds sneller vooruit. Katjong’s
trillende beenen weigerden bijna hun dienst. Daar in de verte lag
vaders huisje, een eind verder aan den grooten weg het mooie huis van
den petinggi. O, wee, o, wee, de waker sleurde hem het erf op, wat zou
Katjong nu overkomen? In het kwartier, dat hij hier moest wachten, kwam
het kind een beetje op zijn verhaal; eindelijk verscheen de
dorpsburgemeester, de waker deed zijn verslag en nu ging het in
gezelschap van dien grooten mijnheer naar een nog veel voornamere
grootheid: den assistent-wedono ofte wel het onderdistrictshoofd. Ook
hier moest er geruimen tijd gewacht worden; Katjong was moe van het
huilen en gillen, den angst en de opwinding. Vóór den grooten heer
gebracht, hurkte hij bevend op den grond en herhaalde zijn smeekend:
„Ampon, Ampon!” Van wat er nu volgde, begreep hij niet veel; men vroeg
hem zijn naam, hij moest vertellen wat er was voorgevallen, hetgeen ’t
kereltje, onder de booze blikken van den waker, stamelend deed. Alles
wat hij vertelde, werd opgeschreven, toen hoorde hij iets van „rol” en
„kotta” en daarop zeide men hem aan, dat hij gaan kon.
„Vrij, vrij,” o heerlijk tooverwoordje, Katjong vertrouwde zijne ooren
niet, doch nauwelijks zag hij den waker, die hem tot dusver streng in
het oog had gehouden, zich onverschillig afwenden, of als een pijl van
den boog vloog het knaapje den weg op, terug naar de weideplaats.
Voort, voort, Katjong’s beenen leken wel geëlectriseerd, zijn adem
stokte van het snelle gaan, het stof vloog in dwarrelwolken om hem
heen, in zijn verwarde haren, tegen zijn mager lichaampje, hij
struikelde over zijn sarong en trok deze, al voortrennend, hooger op.
De menschen keken hem na, kleine, vieze verschijning die hij was, voort
vliegend als zat hem de stormwind op de hielen. Op de weideplaats was
het eenzaam en verlaten, van Possong en Oerip geen spoor te bekennen.
Natuurlijk, al de jongens waren naar huis, het was zeker al elf uur, en
Katjong keek naar den vurigen zonnebol en knipoogde met zijn pijnlijke,
rood geschreide oogen. Er zat niet anders op, hij moest ook naar huis
en zonder pak slaag zou het wel niet afloopen, al stonden de buffels
veilig op stal, door een van de makkertjes thuis gebracht.
Katjong sloop voorzichtig vaders erfje op en richtte zijn schreden
allereerst naar den stal ter zijde van het huis; o schrik, de stal was
leeg en Katjong’s angstige twijfel, onderweg door de hoop bestreden,
bleek zekerheid: Possong en Oerip waren gestolen. Wanhopig keek het
kind om zich heen, wat te doen? Hoe kon hij vader en moeder de
vreeselijke tijding meedeelen? Tot zijne verontschuldiging kon hij
niets bijbrengen: het was zijn schuld, hij had de karbouwen zonder
toezicht gelaten en zoo waren zij zeker ver afgedwaald en een welkome
buit voor de dieven geworden. Sipin’s dieren waren hem ook eens
ontvreemd geworden, doch toen had de kleine drijver voor de overmacht
moeten bukken; door een grooten kerel waren hem de oogen dichtgehouden,
terwijl diens kameraad het vee wegleidde. Was dit ongeval Katjong ook
maar overkomen, want Sipin had geen slaag gehad. O, als Possong, zijn
mooie, sterke karbouw, eens geslacht werd door de gemeene roovers!!
Katjong hield van niemand ter wereld zooveel als van dit dier, de
gedachte alleen maakte hem wanhopig. De liefde voor Possong deed den
knaap zijn vrees overwinnen; als er nog iets aan de zaak te verhelpen
viel, moest vader alles weten, doch over den rietdiefstal besloot
Katjong maar te zwijgen, hij zou het voorstellen alsof het ongeluk
gebeurd moest zijn toen hij ver weg aan het spelen was.
Den karbouwendieven is het meestal niet te doen om het ontvreemde vee
te behouden tot eigen nut of het te slachten; zij stelen om geldelijk
voordeel te behalen. Is een karbouw zoek, dan krijgt de bestolene
meestal een paar dagen later een geheimzinnige visite. De bezoeker weet
te vertellen, dat Kerto of Achmad zijn karbouw gezond en wel terug kan
bekomen, doch hij moet er voor betalen. Het is niets ongewoons, dat de
dieven twee derde van de waarde, die het beest heeft, eischen. Stemt de
eigenaar in de bedongen voorwaarden toe, dan moet hij zich naar eene of
andere afgelegen plek in bosch of wildernis begeven met het geld bij
zich. Hier wacht hem een onbekende, die de ƒ 20 of ƒ 30 in ontvangst
neemt en den bestolene toevoegt: „Volg deze of gene richting en ge zult
uw dier vinden.”
Het gebeurt zelden of nooit, dat er met deze transactie valsch spel
wordt gespeeld. Toen Katjong eindelijk besloot zijn huisje binnen te
gaan, vond hij vader noch moeder; de zusjes vertelden, dat moeder nog
niet van de passer was thuisgekomen en vader uit was om hem en de
dieren te zoeken. Doch dit gaf den kleinen zondaar slechts uitstel van
executie. Al heel spoedig verscheen vader en nu volgde er een zeer
pijnlijk tooneel. In plaats van zijn vreugde te kennen te geven, dat
zijn zoon ten minste niet verloren raakte, diende de verbolgen vader
dit jonge mensch eene tuchtiging toe, zooals hem nog nooit was te beurt
gevallen. Dien heelen dag kreeg Katjong geen goed woord en hield zich
wijselijk zooveel mogelijk uit den weg. Maar tot de eer van het ventje
dient gezegd, dat hij veel meer verdriet had over het verlies van
Possong en Oerip dan over de bekomen klappen. ’s Avonds, terwijl zijne
ouders bij het walmend oliepitje zaten te beraadslagen, vroeg hij
eensklaps in den angst van zijn hart: „Vader, zouden de dieven Possong
wel voer hebben gegeven?”
„Houd je mond,” snauwde moeder hem toe, „en ga slapen of ik zal je
krijgen.” Katjong kneep zijn oogen dicht, doch de gedachte aan den
leegen stal hield hem lang wakker. En hoe treurig was het, den
volgenden morgen zijne makkers met hunne karbouwen voorbij te zien
trekken en in druilerig nietsdoen den tijd door te brengen.
Tegen het vallen van den avond kwam een onbekende het erfje op, en nu
volgde de gewone comedie, waarop Pak-Kastimah en zijn vrouw reeds waren
voorbereid. Maar de handlanger vroeg meer dan waarop het echtpaar had
gerekend: voor ƒ 30, geen cent minder, kon hij de karbouwen slechts
terug bezorgen. Waar moest die groote som vandaan komen? Moeder zocht
bijeen wat eenigszins aan kleeren kon gemist worden, doch meer den ƒ 2,
ƒ 3 zou de pandjeshuishouder daar niet op geven.
Vader en moeder waren dadelijk besloten het middel om hunne karbouwen
terug te krijgen met beide handen aan te grijpen. Al had Pak-Kastimah
de zaak dadelijk aangegeven, het was gevaarlijk deze alleen aan de
politie over te laten. ’t Kon zijn, dat zij mettertijd de dieven te
pakken kreeg, doch van Possong en Oerip zouden de beenderen dan zeker
al lang verbleekt zijn. Zuchtend besloot vader zijn kris te beleenen,
daar kon hij zeker ƒ 25 op krijgen. Het was een poesaka (erfstuk), dat
hij van zijn vaders vader geërfd had, met echte steentjes aan het
handvat.
Maar de pandhuishouder wilde de kris hoogstens voor tien gulden in pand
nemen en op de kleeren gaf hij niet meer dan twee gulden.
Van de familie en een paar vrienden kreeg vader nog vijf gulden, de
rest bekwam hij tegen woekerrente van een oude vrouw, die gewoonlijk
hare dessagenooten uit den brand hielp, in gevallen als waarin
Pak-Kastimah nu verkeerde, doch zich hare hulp buitensporig hoog liet
betalen. Twintig procent was al het minste, waartegen zij hare kostbare
duitjes uitzette.
Met een verlicht hart kwam vader eindelijk thuis, het geld was bijeen,
morgen konden de dieren weer op stal staan. Met moeder werd de som nog
eens goed nageteld, in het zakje gedaan en onder vaders hoofdkussen
veilig verborgen.
Het was ongeveer middernacht; alles lag in diepe rust in Pak-Kastimah’s
woning. behalve Katjong, die telkens wakker schrikte als hij den slaap
al even vatte, door allerlei nare droomen achtervolgd. Nu eens zag hij
Possong met afgesneden hals in het bosch liggen; dan weder doorleefde
hij, half wakend, half droomend, het akelig tooneel toen hij als
rietdief werd opgepakt. De kameraadjes hadden zijne hoop dat die zaak
zou zijn afgeloopen, geheel den bodem ingeslagen. Spoedig zou hij, met
vader, naar de kotta worden opgeroepen en daar werd hij stellig in de
boei (gevangenis) gestopt in een donker hok, waar hij maanden lang
moest opgesloten blijven. Katjong zou zeker bleek zijn geworden van
ontzetting als zijn vel hiertoe in staat ware geweest, nu puilden hem
de oogen nog meer uit het hoofd dan anders; elke straf scheen het
natuurkind verkieselijk boven lange, eenzame afsluiting.
In de halve duisternis en stilte om hem heen, scheen Katjong dit
vooruitzicht nog veel verschrikkelijker; hij wentelde zich op zijn
matje heen en weer, wischte zich het angstzweet van het gezicht, opende
de oogen en ging rechtop zitten. Daar werd plotseling zijn blik door
iets ongewoons getroffen, het scheen wel of de grond bewoog dicht bij
de deur.
Het kind keek scherp toe en zag nu duidelijk korreltjes aarde ter zijde
rollen: zacht en onhoorbaar zakte de grond naar omlaag en daar dook
eensklaps uit de gemaakte opening een hoofd op. Het loerende knaapje
begreep dadelijk wat dit beduidde: een dief wist dat er veel geld in
huis was en trachtte dit door ondergraving van het huisje te
bemachtigen.
„Vader, vader, dieven,” gilde Katjong uit al zijn macht; hij sprong
overeind en trappelde met zijn magere beentjes om zich heen.
Slaapdronken rees Pak-Kastimah overeind en rukte de deur open, maar in
den pikdonkeren nacht viel er niets te onderscheiden. Een oogenblik
later was de heele kampong in opstand, de buren liepen toe, eenigen
brachten flambouwen en trachtten het spoor van den dief te ontdekken,
doch deze had in de duisternis een goed heenkomen gezocht en gevonden.
Moeder, die wijselijk het zakje met geld dadelijk tusschen hare kleeren
had verborgen, onderzocht met belangstellende buurvrouwen het gat,
waardoor de dief zou zijn binnengedrongen, als kleine Katjong hem niet
te vlug was geweest. ’t Ventje werd op eens tot held verheven,
ontelbare malen moest hij vertellen hoe hij den schurk ontdekt had en,
daar Katjong zich bij iedere herhaling een dichterlijke vrijheid meer
veroorloofde, werd de geschiedenis hoe langer hoe belangwekkender.
Vader klopte zijn zoon op den rug, moeder beloofde hem een duit en, had
de rietdiefstal met zijne gevolgen niet als een dreigend spook in de
verte gestaan, Katjong zou volmaakt tevreden zijn geweest.
Den volgenden dag stonden Possong en Oerip weer op stal, vermagerd door
verwaarloozing in die twee dagen, doch overigens gezond en wel. Katjong
kon zijne lievelingen niet genoeg bekijken. Hij liep ver weg om malsch
gras voor hen te snijden, baadde de dieren zoo dicht mogelijk bij huis
met buitengewone zorg en verloor ze op de weideplaats geen oogenblik
uit het oog. Ook bleef hij de eerste dagen vlak in de buurt van het
vlaggetje, want voor de wakers hadden de dieven respect.
Zoo verliepen er zes à zeven dagen en, met de zorgloosheid den Javaan
eigen, was Katjong bijna vergeten, dat hij zich voor rietdiefstal zou
te verantwoorden hebben, toen het noodlot, als een bliksemstraal uit
helderen hemel op hem neerviel. Een onbewust voorgevoel deed ons
vriendje dien dag bij het naar huis gaan al treuzelen, doch eindelijk
moest hij zijn erfje wel opstappen en, daar aan de deur stond het begin
van de hem wachtende ellende, in de gestalte van vader, die verwoed op
hem afkwam. Van den prins geen kwaad wetend, had Pak-Kastimah een
aanzegging gekregen, dat hij met zijn zoontje den volgenden dag voor
den politie-rechter op de kotta moest verschijnen ter zake van
rietdiefstal, waarvoor dit jonge mensch zich zou hebben te
verantwoorden. Zoo midden uit zijn werk dien verren tocht naar de kotta
te moeten ondernemen, stond Pak-Kastimah volstrekt niet aan. Bovendien
had hij, noch zijne familie ooit iets met de politie uitstaande gehad.
Geen wonder, dat er voor Katjong wat opzat. Deze zou verstandiger
hebben gedaan als hij vroeger maar alles te gelijk bekend had, dan was
hij er met één pak voor beide gelegenheden afgekomen. Nu vielen de
slagen opnieuw en geen: „Ampon, Ampon,” weerhield vader er duchtig op
los te kloppen. Met een nijdigen duw tot besluit kon Katjong zich
wegpakken, vol jammer bedenkend, dat dit pas het begin was van de
straf, die hem nog te wachten stond.
Vóór dag en dauw werd den volgenden morgen de tocht aanvaard; het was
twee uur loopen naar de kotta en om acht uur waren zij ontboden.
Katjong zag er even vuil en slordig uit als altijd; dien heelen langen
weg achter vader aan, waren zijne gedachten bij het lot, dat hem zeker
wachtte: eenige maanden zijne vrijheid kwijt—het was met recht een
lijdenstocht voor den armen Katjong. Eindelijk was de kotta bereikt en
voegden vader en zoon zich bij een grooten troep menschen, die vóór het
assistent-residentiekantoor in dubbele rij zaten neergehurkt. Het
kereltje kroop achteraan, dicht bij den muur, en keek met kloppend hart
naar de bedrijvigheid om zich heen. Oppassers liepen af en aan, de
menschen rondom hem stonden op wanneer de een of andere naam werd
afgeroepen, men sprak een taal, die hij niet verstond. Daarbinnen, waar
de gevreesde rechter zat, wisselden vragen en antwoorden elkander af;
hoog boven de andere uit sprak een bedaarde, ernstige stem. Daar klonk
Katjong’s naam, het knaapje gilde het uit en verschool zich achter de
ruggen der voor hem zittende menschen. Doch een oppasser trok den
kleinen dief bij den arm naar voren en dwong hem mee te gaan, terwijl
vader volgde; diens nabijheid gaf den armen jongen nog een beetje moed.
Toen Katjong wéér opkeek, zag hij een groote kamer, waarin verscheidene
menschen op den grond zaten; aan een groene tafel zetelde de rechter,
die het klein, onooglijk menschenkind een oogenblik heel ernstig en
bestraffend aankeek vóór hij begon te spreken. Katjong was blijven
staan, doch nu drukte een hand hem op den grond en, met gebogen hoofd,
wachtte hij de beslissing van zijn lot. De getuigen legden hunne
verklaring af, waarvan Katjong niets verstond, omdat hij het hoog
Javaansch niet kende; toen vroeg men hem of hij bekende den diefstal
gepleegd te hebben.
Wat hielp het te liegen, in de boei ging hij toch, had Sipin hem
verzekerd, en bevend riep Katjong dus maar: „Ja.”
Nu wendde de rechter zich tot zijn vader.
„Pak-Kastimah, gij zijt een eerlijk man en immers nooit met de politie
in aanraking gekomen?”
„Neen, heer.”
„Welnu, vindt ge het dan niet verschrikkelijk, dat uw zoontje zich nu
al vergrepen heeft aan een anders eigendom?”
„Ja, heer,” stemde de vader volmondig toe, „en ik heb hem dan ook reeds
flink gestraft.”
„Laat mij eens zien, Pak-Kastimah, hoe ge dat gedaan hebt,” klonk het
nu.
Pak-Kastimah wendde zich tot zijn zoon en, vóór deze er op verdacht kon
zijn, ontving hij een klap om de ooren, dat hem hooren en zien verging.
Afwerend hield Katjong de armen voor het hoofd en gilde alsof hij
vermoord werd.
Doch vader raakte hem ter dege, nu rechts dan links, tot de rechter
wenkte, dat het genoeg was. Een oogenblik later volgde Katjong vader
naar buiten, aldoor huilend en een keel opzettend alsof hij nog steeds
geslagen werd. Onder de strafoefening had de slimmerd intusschen zijne
ooren wijd opengezet, doch van het woordje boei niets gehoord. Zou de
rechter vaders tuchtiging voldoende achten als straf voor zijn
misdrijf? Goddank, dit scheen wel zoo, geen oppasser volgde hen en
vader sloeg den weg naar huis met hem in. Katjong hield op met gillen
en wreef zijn gezicht af; vader had hem niet zoo erg veel pijn gedaan,
misschien was hij ook wel blij, dat hij zijn kleinen vuilpoes weer mee
naar huis mocht nemen. Aan de eerste woning langs den weg mocht Katjong
zijn buikje vol eten en toen durfde hij eindelijk vragen of hij nu
heusch niet in de boei hoefde. En vader sprak niet onvriendelijk: „Voor
dezen keer ben je er nog goed afgekomen, rakkerd, pas maar op, dat je
nooit meer door de politie wordt opgepakt!”
Dit beloofde Katjong van ganscher harte; hij had te veel angst
uitgestaan om, voor het oogenblik althans, niet met de meest
boetvaardige gevoelens bezield te zijn.
Jaren zijn verloopen. Katjong is van een vuil, diefachtig
karbouwenjongetje, een knap, fatsoenlijk man geworden. Op zijn
vijftiende jaar trad hij in gouvernementsdienst en heeft als looper bij
de paardenposterij ordentelijk zijn brood. Hij heet nu ook niet langer
Katjong: bij de geboorte van zijn oudsten zoon Sipin, veranderde zijn
naam in dien van Pak-Sipin.
Al puilen zijn oogen nog steeds sterk naar voren, al wist moeder natuur
zijn grooten mond ook niet meer in behoorlijk fatsoen te brengen,
Pak-Sipin maakt een vrij wat behaaglijker indruk dan vroeger, nu hij
een net geplooiden hoofddoek draagt en een donker baadje met metalen
knoopen, die helder glinsteren.
In de uitoefening van zijn werk, naast den reiswagen, ziet hij er
meestal zeer bestoft of bemodderd uit, doch dit brengt zijn beroep nu
eenmaal mee en het strekt hem geenszins tot schande. Zijn stal mag ook
gezien worden, hij spaart den roskam niet en ziet goed toe, dat zijn
dieren het hun toekomend voer krijgen; hij stelt er een eer in, dat
zijn paarden er glanzend en weldoorvoed uitzien. Pak-Sipin is een
gewild looper op de lijn; niemand kan zoo vlug als hij de achterplank
van den reiswagen op- en afspringen, of, de paarden bijhoudend in
vliegenden ren, het tuig in orde brengen, wanneer er iets in het
ongereede is geraakt.
Krachtig en lustig laat hij de zweep knallen en, te midden van hooge
stofwolken of dikke modderspatten, die rondom hem opvliegen, reppen
zich zijn lenige voeten in onnavolgbare snelheid naast het galoppeerend
vierspan. Gaat het de hoogten op, dan klinkt zijn rrt rrt! zoo
uitlokkend en aanmoedigend, dat de paarden er een vaart inzetten alsof
zij het werk voor hun plezier doen. Dan is Pak-Sipin in zijn element en
zou zijn lot met niemand ter wereld willen ruilen. Hij voelt zich nog
net zoo jong en flink als toen hij, nu tien jaar geleden, voor het
eerst naast zijn dieren de heuvels opjoeg, en zoolang hij even frisch
en krachtig blijft, zal hij zijn werk zeker met denzelfden lust en
ijver uitoefenen als waarmee hij het begon.