II.

Dat deze vlak in de buurt op de loer lag, kon Katjong niet weten, doch

het was wel dom van hem, dat hij het heuvelachtig terrein niet eerst

goed onderzocht, vóór hij de tuinen binnensloop.

Juist had het knaapje den rietstengel met zijn grasmes doorgekapt en

wilde hij zich ijlings uit de voeten maken, toen de arm der

gerechtigheid zijn loop stuitte. Katjong werd gegrepen, hard heen en

weer geschud en eindelijk met een ijzeren greep op zijn mager

schoudertje voortgedreven. „Ampon, Ampon!” schreeuwde het kind,

worstelend om los te komen. Maar de verbolgen waker duwde hem ruw

vooruit en onthaalde den kleinen dief op een woordenvloed, die alles

behalve complimenteus genoemd kon worden. Voort ging het, ’t veld door,

een glibberig karbouwenpad af, den grooten weg op naar de

naastbijzijnde dessa. Katjong wist niet wat er met hem gebeuren zou en

dit verhoogde zijn angst; ook was het tijd om Possong en Oerip te gaan

baden. Wat zou vader zeggen als hij de dieren niet thuis bracht om

negen uur? Het ventje uitte zijn ziels-angst in gillende tonen, terwijl

de tranen langs zijn besmoezeld gezichtje vloeiden, maar de

onbarmhartige waker dreef hem steeds sneller vooruit. Katjong’s

trillende beenen weigerden bijna hun dienst. Daar in de verte lag

vaders huisje, een eind verder aan den grooten weg het mooie huis van

den petinggi. O, wee, o, wee, de waker sleurde hem het erf op, wat zou

Katjong nu overkomen? In het kwartier, dat hij hier moest wachten, kwam

het kind een beetje op zijn verhaal; eindelijk verscheen de

dorpsburgemeester, de waker deed zijn verslag en nu ging het in

gezelschap van dien grooten mijnheer naar een nog veel voornamere

grootheid: den assistent-wedono ofte wel het onderdistrictshoofd. Ook

hier moest er geruimen tijd gewacht worden; Katjong was moe van het

huilen en gillen, den angst en de opwinding. Vóór den grooten heer

gebracht, hurkte hij bevend op den grond en herhaalde zijn smeekend:

„Ampon, Ampon!” Van wat er nu volgde, begreep hij niet veel; men vroeg

hem zijn naam, hij moest vertellen wat er was voorgevallen, hetgeen ’t

kereltje, onder de booze blikken van den waker, stamelend deed. Alles

wat hij vertelde, werd opgeschreven, toen hoorde hij iets van „rol” en

„kotta” en daarop zeide men hem aan, dat hij gaan kon.

„Vrij, vrij,” o heerlijk tooverwoordje, Katjong vertrouwde zijne ooren

niet, doch nauwelijks zag hij den waker, die hem tot dusver streng in

het oog had gehouden, zich onverschillig afwenden, of als een pijl van

den boog vloog het knaapje den weg op, terug naar de weideplaats.

Voort, voort, Katjong’s beenen leken wel geëlectriseerd, zijn adem

stokte van het snelle gaan, het stof vloog in dwarrelwolken om hem

heen, in zijn verwarde haren, tegen zijn mager lichaampje, hij

struikelde over zijn sarong en trok deze, al voortrennend, hooger op.

De menschen keken hem na, kleine, vieze verschijning die hij was, voort

vliegend als zat hem de stormwind op de hielen. Op de weideplaats was

het eenzaam en verlaten, van Possong en Oerip geen spoor te bekennen.

Natuurlijk, al de jongens waren naar huis, het was zeker al elf uur, en

Katjong keek naar den vurigen zonnebol en knipoogde met zijn pijnlijke,

rood geschreide oogen. Er zat niet anders op, hij moest ook naar huis

en zonder pak slaag zou het wel niet afloopen, al stonden de buffels

veilig op stal, door een van de makkertjes thuis gebracht.

Katjong sloop voorzichtig vaders erfje op en richtte zijn schreden

allereerst naar den stal ter zijde van het huis; o schrik, de stal was

leeg en Katjong’s angstige twijfel, onderweg door de hoop bestreden,

bleek zekerheid: Possong en Oerip waren gestolen. Wanhopig keek het

kind om zich heen, wat te doen? Hoe kon hij vader en moeder de

vreeselijke tijding meedeelen? Tot zijne verontschuldiging kon hij

niets bijbrengen: het was zijn schuld, hij had de karbouwen zonder

toezicht gelaten en zoo waren zij zeker ver afgedwaald en een welkome

buit voor de dieven geworden. Sipin’s dieren waren hem ook eens

ontvreemd geworden, doch toen had de kleine drijver voor de overmacht

moeten bukken; door een grooten kerel waren hem de oogen dichtgehouden,

terwijl diens kameraad het vee wegleidde. Was dit ongeval Katjong ook

maar overkomen, want Sipin had geen slaag gehad. O, als Possong, zijn

mooie, sterke karbouw, eens geslacht werd door de gemeene roovers!!

Katjong hield van niemand ter wereld zooveel als van dit dier, de

gedachte alleen maakte hem wanhopig. De liefde voor Possong deed den

knaap zijn vrees overwinnen; als er nog iets aan de zaak te verhelpen

viel, moest vader alles weten, doch over den rietdiefstal besloot

Katjong maar te zwijgen, hij zou het voorstellen alsof het ongeluk

gebeurd moest zijn toen hij ver weg aan het spelen was.

Den karbouwendieven is het meestal niet te doen om het ontvreemde vee

te behouden tot eigen nut of het te slachten; zij stelen om geldelijk

voordeel te behalen. Is een karbouw zoek, dan krijgt de bestolene

meestal een paar dagen later een geheimzinnige visite. De bezoeker weet

te vertellen, dat Kerto of Achmad zijn karbouw gezond en wel terug kan

bekomen, doch hij moet er voor betalen. Het is niets ongewoons, dat de

dieven twee derde van de waarde, die het beest heeft, eischen. Stemt de

eigenaar in de bedongen voorwaarden toe, dan moet hij zich naar eene of

andere afgelegen plek in bosch of wildernis begeven met het geld bij

zich. Hier wacht hem een onbekende, die de ƒ 20 of ƒ 30 in ontvangst

neemt en den bestolene toevoegt: „Volg deze of gene richting en ge zult

uw dier vinden.”

Het gebeurt zelden of nooit, dat er met deze transactie valsch spel

wordt gespeeld. Toen Katjong eindelijk besloot zijn huisje binnen te

gaan, vond hij vader noch moeder; de zusjes vertelden, dat moeder nog

niet van de passer was thuisgekomen en vader uit was om hem en de

dieren te zoeken. Doch dit gaf den kleinen zondaar slechts uitstel van

executie. Al heel spoedig verscheen vader en nu volgde er een zeer

pijnlijk tooneel. In plaats van zijn vreugde te kennen te geven, dat

zijn zoon ten minste niet verloren raakte, diende de verbolgen vader

dit jonge mensch eene tuchtiging toe, zooals hem nog nooit was te beurt

gevallen. Dien heelen dag kreeg Katjong geen goed woord en hield zich

wijselijk zooveel mogelijk uit den weg. Maar tot de eer van het ventje

dient gezegd, dat hij veel meer verdriet had over het verlies van

Possong en Oerip dan over de bekomen klappen. ’s Avonds, terwijl zijne

ouders bij het walmend oliepitje zaten te beraadslagen, vroeg hij

eensklaps in den angst van zijn hart: „Vader, zouden de dieven Possong

wel voer hebben gegeven?”

„Houd je mond,” snauwde moeder hem toe, „en ga slapen of ik zal je

krijgen.” Katjong kneep zijn oogen dicht, doch de gedachte aan den

leegen stal hield hem lang wakker. En hoe treurig was het, den

volgenden morgen zijne makkers met hunne karbouwen voorbij te zien

trekken en in druilerig nietsdoen den tijd door te brengen.

Tegen het vallen van den avond kwam een onbekende het erfje op, en nu

volgde de gewone comedie, waarop Pak-Kastimah en zijn vrouw reeds waren

voorbereid. Maar de handlanger vroeg meer dan waarop het echtpaar had

gerekend: voor ƒ 30, geen cent minder, kon hij de karbouwen slechts

terug bezorgen. Waar moest die groote som vandaan komen? Moeder zocht

bijeen wat eenigszins aan kleeren kon gemist worden, doch meer den ƒ 2,

ƒ 3 zou de pandjeshuishouder daar niet op geven.

Vader en moeder waren dadelijk besloten het middel om hunne karbouwen

terug te krijgen met beide handen aan te grijpen. Al had Pak-Kastimah

de zaak dadelijk aangegeven, het was gevaarlijk deze alleen aan de

politie over te laten. ’t Kon zijn, dat zij mettertijd de dieven te

pakken kreeg, doch van Possong en Oerip zouden de beenderen dan zeker

al lang verbleekt zijn. Zuchtend besloot vader zijn kris te beleenen,

daar kon hij zeker ƒ 25 op krijgen. Het was een poesaka (erfstuk), dat

hij van zijn vaders vader geërfd had, met echte steentjes aan het

handvat.

Maar de pandhuishouder wilde de kris hoogstens voor tien gulden in pand

nemen en op de kleeren gaf hij niet meer dan twee gulden.

Van de familie en een paar vrienden kreeg vader nog vijf gulden, de

rest bekwam hij tegen woekerrente van een oude vrouw, die gewoonlijk

hare dessagenooten uit den brand hielp, in gevallen als waarin

Pak-Kastimah nu verkeerde, doch zich hare hulp buitensporig hoog liet

betalen. Twintig procent was al het minste, waartegen zij hare kostbare

duitjes uitzette.

Met een verlicht hart kwam vader eindelijk thuis, het geld was bijeen,

morgen konden de dieren weer op stal staan. Met moeder werd de som nog

eens goed nageteld, in het zakje gedaan en onder vaders hoofdkussen

veilig verborgen.

Het was ongeveer middernacht; alles lag in diepe rust in Pak-Kastimah’s

woning. behalve Katjong, die telkens wakker schrikte als hij den slaap

al even vatte, door allerlei nare droomen achtervolgd. Nu eens zag hij

Possong met afgesneden hals in het bosch liggen; dan weder doorleefde

hij, half wakend, half droomend, het akelig tooneel toen hij als

rietdief werd opgepakt. De kameraadjes hadden zijne hoop dat die zaak

zou zijn afgeloopen, geheel den bodem ingeslagen. Spoedig zou hij, met

vader, naar de kotta worden opgeroepen en daar werd hij stellig in de

boei (gevangenis) gestopt in een donker hok, waar hij maanden lang

moest opgesloten blijven. Katjong zou zeker bleek zijn geworden van

ontzetting als zijn vel hiertoe in staat ware geweest, nu puilden hem

de oogen nog meer uit het hoofd dan anders; elke straf scheen het

natuurkind verkieselijk boven lange, eenzame afsluiting.

In de halve duisternis en stilte om hem heen, scheen Katjong dit

vooruitzicht nog veel verschrikkelijker; hij wentelde zich op zijn

matje heen en weer, wischte zich het angstzweet van het gezicht, opende

de oogen en ging rechtop zitten. Daar werd plotseling zijn blik door

iets ongewoons getroffen, het scheen wel of de grond bewoog dicht bij

de deur.

Het kind keek scherp toe en zag nu duidelijk korreltjes aarde ter zijde

rollen: zacht en onhoorbaar zakte de grond naar omlaag en daar dook

eensklaps uit de gemaakte opening een hoofd op. Het loerende knaapje

begreep dadelijk wat dit beduidde: een dief wist dat er veel geld in

huis was en trachtte dit door ondergraving van het huisje te

bemachtigen.

„Vader, vader, dieven,” gilde Katjong uit al zijn macht; hij sprong

overeind en trappelde met zijn magere beentjes om zich heen.

Slaapdronken rees Pak-Kastimah overeind en rukte de deur open, maar in

den pikdonkeren nacht viel er niets te onderscheiden. Een oogenblik

later was de heele kampong in opstand, de buren liepen toe, eenigen

brachten flambouwen en trachtten het spoor van den dief te ontdekken,

doch deze had in de duisternis een goed heenkomen gezocht en gevonden.

Moeder, die wijselijk het zakje met geld dadelijk tusschen hare kleeren

had verborgen, onderzocht met belangstellende buurvrouwen het gat,

waardoor de dief zou zijn binnengedrongen, als kleine Katjong hem niet

te vlug was geweest. ’t Ventje werd op eens tot held verheven,

ontelbare malen moest hij vertellen hoe hij den schurk ontdekt had en,

daar Katjong zich bij iedere herhaling een dichterlijke vrijheid meer

veroorloofde, werd de geschiedenis hoe langer hoe belangwekkender.

Vader klopte zijn zoon op den rug, moeder beloofde hem een duit en, had

de rietdiefstal met zijne gevolgen niet als een dreigend spook in de

verte gestaan, Katjong zou volmaakt tevreden zijn geweest.

Den volgenden dag stonden Possong en Oerip weer op stal, vermagerd door

verwaarloozing in die twee dagen, doch overigens gezond en wel. Katjong

kon zijne lievelingen niet genoeg bekijken. Hij liep ver weg om malsch

gras voor hen te snijden, baadde de dieren zoo dicht mogelijk bij huis

met buitengewone zorg en verloor ze op de weideplaats geen oogenblik

uit het oog. Ook bleef hij de eerste dagen vlak in de buurt van het

vlaggetje, want voor de wakers hadden de dieven respect.

Zoo verliepen er zes à zeven dagen en, met de zorgloosheid den Javaan

eigen, was Katjong bijna vergeten, dat hij zich voor rietdiefstal zou

te verantwoorden hebben, toen het noodlot, als een bliksemstraal uit

helderen hemel op hem neerviel. Een onbewust voorgevoel deed ons

vriendje dien dag bij het naar huis gaan al treuzelen, doch eindelijk

moest hij zijn erfje wel opstappen en, daar aan de deur stond het begin

van de hem wachtende ellende, in de gestalte van vader, die verwoed op

hem afkwam. Van den prins geen kwaad wetend, had Pak-Kastimah een

aanzegging gekregen, dat hij met zijn zoontje den volgenden dag voor

den politie-rechter op de kotta moest verschijnen ter zake van

rietdiefstal, waarvoor dit jonge mensch zich zou hebben te

verantwoorden. Zoo midden uit zijn werk dien verren tocht naar de kotta

te moeten ondernemen, stond Pak-Kastimah volstrekt niet aan. Bovendien

had hij, noch zijne familie ooit iets met de politie uitstaande gehad.

Geen wonder, dat er voor Katjong wat opzat. Deze zou verstandiger

hebben gedaan als hij vroeger maar alles te gelijk bekend had, dan was

hij er met één pak voor beide gelegenheden afgekomen. Nu vielen de

slagen opnieuw en geen: „Ampon, Ampon,” weerhield vader er duchtig op

los te kloppen. Met een nijdigen duw tot besluit kon Katjong zich

wegpakken, vol jammer bedenkend, dat dit pas het begin was van de

straf, die hem nog te wachten stond.

Vóór dag en dauw werd den volgenden morgen de tocht aanvaard; het was

twee uur loopen naar de kotta en om acht uur waren zij ontboden.

Katjong zag er even vuil en slordig uit als altijd; dien heelen langen

weg achter vader aan, waren zijne gedachten bij het lot, dat hem zeker

wachtte: eenige maanden zijne vrijheid kwijt—het was met recht een

lijdenstocht voor den armen Katjong. Eindelijk was de kotta bereikt en

voegden vader en zoon zich bij een grooten troep menschen, die vóór het

assistent-residentiekantoor in dubbele rij zaten neergehurkt. Het

kereltje kroop achteraan, dicht bij den muur, en keek met kloppend hart

naar de bedrijvigheid om zich heen. Oppassers liepen af en aan, de

menschen rondom hem stonden op wanneer de een of andere naam werd

afgeroepen, men sprak een taal, die hij niet verstond. Daarbinnen, waar

de gevreesde rechter zat, wisselden vragen en antwoorden elkander af;

hoog boven de andere uit sprak een bedaarde, ernstige stem. Daar klonk

Katjong’s naam, het knaapje gilde het uit en verschool zich achter de

ruggen der voor hem zittende menschen. Doch een oppasser trok den

kleinen dief bij den arm naar voren en dwong hem mee te gaan, terwijl

vader volgde; diens nabijheid gaf den armen jongen nog een beetje moed.

Toen Katjong wéér opkeek, zag hij een groote kamer, waarin verscheidene

menschen op den grond zaten; aan een groene tafel zetelde de rechter,

die het klein, onooglijk menschenkind een oogenblik heel ernstig en

bestraffend aankeek vóór hij begon te spreken. Katjong was blijven

staan, doch nu drukte een hand hem op den grond en, met gebogen hoofd,

wachtte hij de beslissing van zijn lot. De getuigen legden hunne

verklaring af, waarvan Katjong niets verstond, omdat hij het hoog

Javaansch niet kende; toen vroeg men hem of hij bekende den diefstal

gepleegd te hebben.

Wat hielp het te liegen, in de boei ging hij toch, had Sipin hem

verzekerd, en bevend riep Katjong dus maar: „Ja.”

Nu wendde de rechter zich tot zijn vader.

„Pak-Kastimah, gij zijt een eerlijk man en immers nooit met de politie

in aanraking gekomen?”

„Neen, heer.”

„Welnu, vindt ge het dan niet verschrikkelijk, dat uw zoontje zich nu

al vergrepen heeft aan een anders eigendom?”

„Ja, heer,” stemde de vader volmondig toe, „en ik heb hem dan ook reeds

flink gestraft.”

„Laat mij eens zien, Pak-Kastimah, hoe ge dat gedaan hebt,” klonk het

nu.

Pak-Kastimah wendde zich tot zijn zoon en, vóór deze er op verdacht kon

zijn, ontving hij een klap om de ooren, dat hem hooren en zien verging.

Afwerend hield Katjong de armen voor het hoofd en gilde alsof hij

vermoord werd.

Doch vader raakte hem ter dege, nu rechts dan links, tot de rechter

wenkte, dat het genoeg was. Een oogenblik later volgde Katjong vader

naar buiten, aldoor huilend en een keel opzettend alsof hij nog steeds

geslagen werd. Onder de strafoefening had de slimmerd intusschen zijne

ooren wijd opengezet, doch van het woordje boei niets gehoord. Zou de

rechter vaders tuchtiging voldoende achten als straf voor zijn

misdrijf? Goddank, dit scheen wel zoo, geen oppasser volgde hen en

vader sloeg den weg naar huis met hem in. Katjong hield op met gillen

en wreef zijn gezicht af; vader had hem niet zoo erg veel pijn gedaan,

misschien was hij ook wel blij, dat hij zijn kleinen vuilpoes weer mee

naar huis mocht nemen. Aan de eerste woning langs den weg mocht Katjong

zijn buikje vol eten en toen durfde hij eindelijk vragen of hij nu

heusch niet in de boei hoefde. En vader sprak niet onvriendelijk: „Voor

dezen keer ben je er nog goed afgekomen, rakkerd, pas maar op, dat je

nooit meer door de politie wordt opgepakt!”

Dit beloofde Katjong van ganscher harte; hij had te veel angst

uitgestaan om, voor het oogenblik althans, niet met de meest

boetvaardige gevoelens bezield te zijn.

Jaren zijn verloopen. Katjong is van een vuil, diefachtig

karbouwenjongetje, een knap, fatsoenlijk man geworden. Op zijn

vijftiende jaar trad hij in gouvernementsdienst en heeft als looper bij

de paardenposterij ordentelijk zijn brood. Hij heet nu ook niet langer

Katjong: bij de geboorte van zijn oudsten zoon Sipin, veranderde zijn

naam in dien van Pak-Sipin.

Al puilen zijn oogen nog steeds sterk naar voren, al wist moeder natuur

zijn grooten mond ook niet meer in behoorlijk fatsoen te brengen,

Pak-Sipin maakt een vrij wat behaaglijker indruk dan vroeger, nu hij

een net geplooiden hoofddoek draagt en een donker baadje met metalen

knoopen, die helder glinsteren.

In de uitoefening van zijn werk, naast den reiswagen, ziet hij er

meestal zeer bestoft of bemodderd uit, doch dit brengt zijn beroep nu

eenmaal mee en het strekt hem geenszins tot schande. Zijn stal mag ook

gezien worden, hij spaart den roskam niet en ziet goed toe, dat zijn

dieren het hun toekomend voer krijgen; hij stelt er een eer in, dat

zijn paarden er glanzend en weldoorvoed uitzien. Pak-Sipin is een

gewild looper op de lijn; niemand kan zoo vlug als hij de achterplank

van den reiswagen op- en afspringen, of, de paarden bijhoudend in

vliegenden ren, het tuig in orde brengen, wanneer er iets in het

ongereede is geraakt.

Krachtig en lustig laat hij de zweep knallen en, te midden van hooge

stofwolken of dikke modderspatten, die rondom hem opvliegen, reppen

zich zijn lenige voeten in onnavolgbare snelheid naast het galoppeerend

vierspan. Gaat het de hoogten op, dan klinkt zijn rrt rrt! zoo

uitlokkend en aanmoedigend, dat de paarden er een vaart inzetten alsof

zij het werk voor hun plezier doen. Dan is Pak-Sipin in zijn element en

zou zijn lot met niemand ter wereld willen ruilen. Hij voelt zich nog

net zoo jong en flink als toen hij, nu tien jaar geleden, voor het

eerst naast zijn dieren de heuvels opjoeg, en zoolang hij even frisch

en krachtig blijft, zal hij zijn werk zeker met denzelfden lust en

ijver uitoefenen als waarmee hij het begon.

Vrouwenleven in de Dessa · 第 13 / 20 题