Katjong was vier jaar toen zijn vader hem voor ’t eerst op een karbouw
zette. Ontelbare malen had de kleine kleuter hierom gesmeekt, en nu
zijn hartewensch eindelijk vervuld werd, gilde hij het uit van vreugde
en hield zich, zonder een zweem van angst te toonen, op den breeden rug
van den kolos in evenwicht.
Van zijn verheven zitplaats blikte Katjong fier op zijn, hem
bewonderende, verwanten neder. Hij voelde zich een man: nu zou hij wel
gauw met de andere jongens mee mogen naar de weideplaats en het
heerlijke vrije leven beginnen waarnaar hij reikhalzend uitzag.
Want, met de vrijheid, thuis bij moeder, was het, volgens Katjong,
treurig gesteld. Hij mocht nooit alleen den grooten weg op en werd
opgenomen als hij zich weerspannig toonde. Kon hij even ontsnappen,
dadelijk was moeder of een der zusjes hem op de hielen, vóór hij ’t
wist werd hij teruggesleurd en kreeg nog klappen toe. Nu, die kwamen
dikwijls hard genoeg aan; broekje noch buisje oefenden een
verzachtenden invloed uit. In dit stadium van zijn leven liet Katjong
de algeheele zorg voor zijn toilet aan moeder natuur over, hetgeen hem
zeer zeker veel tijd bespaarde, want van aan- en uitkleeden was nooit
de minste quaestie.
Moeders slendang voorzag in al de behoeften van de linnenkast, doch
meestal vervulde de lieve zon de rol van handdoek; zoo nat kon Katjong
niet wezen of zij had hem, in minder dan geen tijd, netjes opgedroogd.
Vuil en stof waren Katjong’s onafscheidelijke kameraden, die slechts
voor korten tijd afscheid namen, wanneer moeder haar zoon bij den put
afspoelde. In zijn allerprilste jeugd had het jongemensch zich steeds
ernstig verzet tegen dit, naar zijn opvatting, volkomen overbodig
reinigingsproces, doch mettertijd zich philosophisch leeren schikken in
het onafwendbare, daar op zijn gillen, stampvoeten en huilen hoegenaamd
geen acht werd geslagen.
Katjong’s vaste overtuiging dat hij nu mee uit weiden zou mogen gaan,
daar hij, op dien gedenkwaardigen dag in zijn leven, getoond had hoe
flink en kranig hij op „Possong” durfde zitten, werd onmiddellijk den
bodem ingeslagen. De over hem gestelde machten bleken een geheel andere
meening toegedaan en, al protesteerde de kleuter terdege, hij moest
zich onderwerpen. Vader en moeder zouden er over denken als Possong’s
jong geboren was, Katjong moest dus nog een groot half jaar geduld
hebben. In afwachting van die gulden dagen, bracht het kereltje den
tijd zoek met over het kleine erfje vóór vaders huis te drentelen, zich
in stof of modder te wentelen, vuil zwijntje als hij was, en buurmans
kippen op te jagen. Ter afwisseling gluurde hij eens door den pagger
en, dreigde het minste onraad, dan wist hij, met benijdenswaardige
vlugheid, zijn huisje binnen te schieten, en zich achter moeders sarong
te verschuilen, tot de kust weer veilig was.
In het donkere, benauwde vertrekje, waar de heele familie huisde, deed
Katjong niet anders dan slapen en voor den inwendigen mensch zorgen. Op
de eenige balé-balé was voor hem geen plaats, dus strekte hij zich
welbehaaglijk op den grond uit wanneer Klaas Vaak met zijn zandman rond
ging. Het ventje kon zich vrij naar alle kanten omwentelen, van de
meubels had hij geen last. Het kookgerei stond in een hoek geschoven
naast de oude, wrakke tafel; met de balé-balé maakte deze het eenige
meubilair uit.
Katjong had altijd honger en stopte alles naar binnen, wat hij maar
krijgen kon, vandaar zijn dik rijstbuikje, dat hij zoo parmantig droeg
als ware het een sieraad om trotsch op te wezen.
De ouders van onzen Katjong waren arme dessamenschen, vader bewerkte
een klein stukje grond achter zijn huisje en moeder bracht den oogst
naar de passar en moest daarvoor palen ver loopen. Behalve Katjong
waren er drie oudere zusjes, die zich, klein als zij waren, reeds
behulpzaam maakten in het huishouden: water aandroegen, hout zochten,
en ’s avonds het vuil bijeenveegden om het daarna te verbranden.
Broertje vond dit laatste proces gewichtig genoeg om het altijd met
zijne tegenwoordigheid te vereeren. Met een stokje roerde hij in de
vuilnis, om de vlam hoog te laten opschieten, of sprong in de dichte
rookkolom rond als een kleine, vette kabouter, proestend en blazend,
maar toch vol pret. Aan opvoedkunde werd bij Pak-Kastimah en
Bok-Kastimah (zoo heetten Katjong’s ouders) niets gedaan. Vader en
moeder regeerden hun kroost op dezelfde wijze als zij het de karbouwen
deden. Een duw of klap, een ruwe vermaning of booze blik moest de
geheele bende in het spoor houden. Bij de buffels had dit systeem meer
succes dan bij de kinderen, die met aangeboren slimheid, de oudelui
dikwijls wisten te foppen en te bedriegen, doch overigens even dom en
onwetend opgroeiden als het lieve vee.—Op den leeftijd, dat andere
kinderen geplaagd worden met de eerste beginselen der edele lees- en
schrijfkunst en, in plaats van buiten te mogen rennen en dollen, achter
hooge muren stil moeten zitten, ving Katjong zijne opvoeding aan in
Gods vrije natuur: even vijf jaar oud was hij Karbouwenjongen geworden.
Dat was me een leventje. ’s Morgens vóór dag en dauw, haalde het
kereltje „Possong” uit den stal, Oerip, het jong, volgde vanzelf.
Op den grooten weg kwamen de makkers, met de hun toevertrouwde beesten,
van alle kanten opzetten en zoo trok de bende kleuters van vijf, zes en
zeven jaar naar de groote weideplaats, waar de wakers het vlaggetje
reeds in den grond hadden gestoken om het verzamelpunt aan te duiden.
De meeste drijvertjes waren in zeer primitief toilet, slechts eenigen
droegen een sarong.
Ook Katjong’s moeder had haar zoontje een oude, verbleekte lap om de
heupen bevestigd, toen hij voor ’t eerst mee zou gaan. Hiermee en met
een zweepje, dat vader voor hem sneed, was zijne uitrusting als
Karbouwenjongetje voltooid. Evenals zijne kameraden, liet Katjong zijn
sarong zelden aan het voor dit kleedingstuk bestemde doel beantwoorden,
de vuile, lange lap hing hem meestal als een bandelier om den nek of,
als het erg zonnig was, werd zij om het hoofd geslagen. Nu, de coiffure
zou er niet van bederven, Katjong’s haarbos zag er op elk uur van den
dag steeds even verwaaid en woest uit: de zwarte haren hingen over
zijne oogen, zelden nam hij de moeite ze weg te strijken. Van een
molligen kabouter, was hij een schraal jongetje geworden met bolle
uitpuilende oogen in zijn koffiebruin gezichtje, waaraan de groote
altijd openstaande mond een onnoozele uitdrukking gaf. Doch onnoozel
was Katjong anders om den drommel niet. De makkertjes waren niet veel
mooier dan hij; in hun wereldje werd van het uiterlijk bovendien niet
de minste notitie genomen, het kwam er slechts op aan wie de vlugste,
wie de sterkste was, en daarin won Katjong het van al de anderen.
Waren de karbouwen eenmaal rustig aan het grazen, dan gingen hun kleine
meesters aan het pret maken, of zij vochten een robbertje als de
gevoelens al te sterk verdeeld bleken over de waarde der hun
toebehoorende beesten. En liegen en bluffen als ze konden!! op ’t
laatst geloofden zij hun eigen verzinsels door de veelvuldige herhaling
er van.
Rono’s karbouw was sterker dan een tijger, maar die van Sipin won het
verre van hem, volgens dezen jongenheer: hij had een tijger bevochten
en de overwinning behaald. Katjong bleef ook niet achter: Welke buffel
had zulke prachtige teekens als zijn Possong? wie had ooit grooter,
sterker jong gezien dan Oerip? dat zou een karbouw worden als er nog
nooit een geweest was! Kwam er een reiswagen aan, dan rende de heele
bende naar den grooten weg en, terwijl de schuwsten zich verdekt
opstelden, kwamen de brutaaltjes vlak naar voren en monsterden wagen en
paarden. Katjong was altijd haantje de voorste en gilde de loopers na
als zij de paarden tot spoed aanzetten. Aan den wagen en zijn inhoud
verspilde ons baasje zijn aandacht niet, maar de vier postpaarden, en
vooral den looper, daar kon hij nooit genoeg naar kijken. Wedden, dat
hij, evengoed als de looper, de galoppeerende paarden in vliegenden ren
kon bijhouden en de zweep even flink kon laten klappen? Wat een
heerlijk leven had zoo’n looper, maar karbouwenjongen te zijn was toch
nog prettiger.
Om negen uur ’s morgens en zes uur ’s avonds trokken de jongens met
hunne dieren naar de kali en nu begon de grootste pret. Wie had Katjong
ooit voorspeld, dat hij en het water zulke dikke vrienden zouden worden
op den duur? Maar het was ook heerlijk om, stoffig en bezweet, zich in
het koele nat te laten glijden, naar hartelust rond te plassen, het
water over de breede karbouwenschonken heen te gieten en de goedige
dieren zoo volop te zien genieten, vooral ’s middags als de zon
vuurstralen naar beneden zond en het vee amechtig, en met moeite
voortstrompelend, de kali bereikt had. Waren de buffels flink
gewasschen en afgewreven, dan mochten zij zich geheel onder water
dompelen; dikwijls zag men niets dan de horens en een klein stukje kop,
met de natte glimmende neusgaten, snuivend van genot, boven water
uitsteken. De kinderen speelden tusschen hen door, onbevreesd ooit door
stoot of schop getroffen te worden. Zij joegen elkander na, gooiden met
steentjes, zwommen en doken als echte waterrotten en lieten zich
naderhand in de zon drogen of door den koelen avondwind. In de
schemering draven zij hunne dieren huiswaarts, langzaam achteraan
slenterend, of schrijlings op hun beest gezeten, af en toe een kleine
vermaning met het zweepje uitdeelend aan een achterblijver, die even
een malsch hapje gras wilde verorberen. Thuis wachtte hun immers volop
voer en de kleine bazen hadden honger. En nadat zij zich behoorlijk te
goed hadden gedaan aan een portie roode rijst met een stukje gedroogde
visch of andere lekkernij, strekte het karbouwenjongentje zich slaperig
op zijn matje uit, om morgen vroeg zijn onbezorgd bestaan weer te
hervatten.
Zoo ging Katjong’s leven voort, als dat van een kleinen wilde; evenals
zijne makkertjes sprak hij geen andere taal dan het laag Javaansch en
wist niets van hormat of eerbewijzen, die de kleine man gewoon is zijn
meerderen te brengen.
Vrij en frank zwierf hij over de heuvels en ging slechts met zijns
gelijken om, die op denzelfden gespannen voet stonden met al wat naar
beschaving zweemde, als hij zelf. Katjong had nooit iets anders of
beters gekend en was volmaakt gelukkig.
Toen gebeurde er iets, dat een groote verandering in zijn gemoedsleven
bracht.
De suikervelden stonden in vollen bloei. Trotsch verhieven de
rietstokken, zwaar van sap, hunne pluimen, als wilden zij den
voorbijganger toeroepen: „bewonder ons nog eens terdege, het zal
spoedig gedaan zijn met ons jong, krachtig leven.” ’t Was een heerlijk
schoon gezicht die grijsgepluimde velden, welke zich tot op
onafzienbaren afstand uitstrekten, maar Katjong en zijne kameraden
vonden er geen bewonderenswaardigs aan. Hun zin was meer op het
materieele gericht: geen grooter lekkernij voor een Javaantje dan het
zoete sap uit den rietstok. Het stelen van ’t te veld staande riet is
echter streng verboden; wee den dief, die op heeterdaad betrapt wordt:
een flinke straf wacht hem. Wie zich echter door de vrees voor straf
laat weerhouden, een karbouwenjongen zeker niet. Hij weet de plekjes,
waar de rijpe stokken staan, te vinden, en zijn naakt, lenig lichaampje
wringt zich door openingen heen, waar een volwassen mensch hem moeilijk
volgen kan; ’t plukken van de verboden vrucht verhoogt bovendien het
genot. En dan, heeft de waker scherpe oogen en vlugge beenen, de
karbouwenjongen doet niet voor hem onder, integendeel.—Reeds menig
strooptochtje hadden de kleine deugnieten in de velden ondernomen,
zonder dat een van hen gesnapt was. In gezellig samenzitten werd de
buit opgesmikkeld en, even brutaal als onverschillig, namen de jongens
niet eens de moeite de uitgezogen vezels te verstoppen: hun
visitekaartje legden zij er niet naast en de doode vezels vertelden
niets na. Op zekeren dag besloot Katjong zijn geluk eens te beproeven;
hij had op een afgelegen plekje een vetten stok ontdekt, ’t was nog
vroeg in den morgen, van den waker heinde en ver niets te zien.