de auto sturen, dan zal ik in de auto den ring eens wat nader bekijken.
De koekoek hale me, als ik het geheim niet zou vinden.”
Charly nam de plaats van Raffles in, en deze ging in den wagen zitten.
Daar haalde hij den geheimzinnigen ring uit den zak, en bekeek hem van
alle kanten. Niets bijzonders was er aan te zien. De eigenaardige
steen, waarin de kop van een Indiër gesneden was, leek niet al te dik,
want eenige kontoeren van het kunststuk waren doorschijnend; ook de
keerzijde van den steen was geheel zichtbaar. Het goud waarin hij gevat
was, scheen massief te zijn.
Raffles wilde den ring al weer in zijn zak laten glijden, toen zijn
onderzoekende blik op het goudplaatje, dat onder den kop een beetje
vooruitsprong, een kleine inkeeping meende te ontdekken.
Met een scherpe loupe ontdekte hij nu een nietig klein pennetje, dat op
het ongewapende oog den indruk van een inkeeping had gemaakt
„Als dat een pennetje is, dan moet het er ook uit te trekken zijn”,
mompelde Raffles, en haalde uit een etui in vestzakformaat eenige zeer
kleine werktuigen.
Maar zoo makkelijk als hij het zich voorgesteld had, ging het toch
niet. Eerst na veel moeite lukte het hem, het pennetje te grijpen en er
uit te trekken. Op hetzelfde oogenblik viel er iets in zijn hand: het
was een rond plaatje.
Hij keerde den ring om en merkte, dat een klein plaatje, aan den
onderkant van den steen, losgelaten had. Zoo dun als een blad papier
was het geslepen, en zoo aan den onderkant van den steen bevestigd. Zoo
gauw als het pennetje was uitgetrokken, kwam een heel klein
springveertje naar buiten. Door dezen buitengewoon kunstvollen arbeid
was een kleine ruimte ontstaan. Hierin bevond zich een stukje dun
perkament, dat met oneindig kleine teekens en letters bedekt was.
John Raffles nam zijn loupe en zocht de teekens te ontcijferen. Met
veel moeite las hij:
70.5°—12.2° Mangalur ††† 13.1.
„Mangalur,” vroeg Raffles zich af. „Dat is immers een havenplaats aan
de westkust van Indië.”
Plotseling ging hem een licht op.
„Dat komt uit. 70.5 graad oosterlengte en 12.2 noorderbreedte, dat moet
zoo ongeveer een eilandengroep in de Arabische zee zijn; maar laten we
verder zien.”
Weder zocht hij met zijn loupe de verbleekte teekens te ontraadselen.
Hij vond nog een kleinen driehoek, van waar een pijl naar links wees.
Een beetje verder een punt, ontstaan door het snijden van twee lijnen.
Nadenkend staarde Raffles voor zich uit, terwijl hij het stukje
perkament in zijn portefeuille borg. Dan bracht hij het kleine plaatje
weer op zijn plaats, en schoof het pennetje terug. Dat ging nu heel wat
makkelijker in zijn werk en zoo zag de ring na eenige oogenblikken er
weer net uit als vroeger.
Daar de automobiel nu al in meer bevolkte gedeelten van Londen gekomen
was, wilde Raffles, om opzien te vermijden, niet meer van plaats
ruilen. Hij boog zich daarom naar Charly over, en riep hem toe:
„Ik heb het gevonden. In den ring was een stukje perkament, en dit
verwijst ons—ja, waarheen denk je wel?”
„Nu, waarschijnlijk naar de plaats, waar de schat van den Indischen
Prins te vinden is.”
„Precies. Wat denk je, zullen we een reisje naar Indië maken?”
Op dit oogenblik stuurde Charly de automobiel de Oxfordstreet in.
„Kijk eens, John, al die menschen voor ons huis,” riep hij.
„Je wil zeggen, voor ons vroegere huis,” antwoordde Raffles, „wees maar
bedaard, mijn jongen, we zullen dadelijk eens kijken. In onze
vermomming, en met die stofbrillen, herkent geen sterveling ons.”
Voor het huis, waar Raffles en Charly tot nog toe gewoond hadden was
een heele menigte saamgeloopen, zoodat de auto langzaam moest rijden.
Duidelijk hoorden Raffles en Charly uitroepen, als: „Wat zeg je, de
beruchte Raffles woont hier?”—„Ze hebben hem!”—„Zeker, zooeven hebben
ze hem gekneveld binnengebracht!”—„Hoe ziet hij er uit?” vroeg
nieuwsgierig een kleine vrouw.—„Hij is rood, en niet half zoo groot als
ik,” antwoordde een rijzige slagersgezel. „Hoe is ’t mogelijk,” zei het
vrouwtje, „ik had hem mij groot, slank en zwart gedacht.”
Op dit oogenblik verscheen de inspecteur van politie Baxter op de
vlakte.
„Is het huis omsingeld?” vroeg hij den eersten den besten agent.
Deze verklaarde van wel.
Intusschen had de automobiel zich tusschen de lieden doorgedrongen om
ruimer baan te krijgen. Baxter bemerkte hem, en zei tot Marholm, die
hem begeleid had:
„Is dat niet mr. Blakhorsts auto? Ik ken hem aan die opvallende groene
kleur. Wat jammer, dat hij niet stil houdt. Wij konden hem dan meteen
even confronteeren met dien schoft, dien Raffles, die vanmorgen vroeg
bij hem ingebroken heeft. Probeer hem gauw in te halen.”
Inspecteur Baxter ging het huis binnen, terwijl Marholm zich met een
zuurzoet gezicht, in beweging zette om aan den hem verstrekten last te
voldoen. Ondanks zijn zwaarlijvigheid begon hij hard te loopen, en
schreeuwde: „Mr. Blakhorst! mr. Blakhorst!”
Zoo’n gelegenheid liet de lieve straatjeugd zich natuurlijk niet
ontnemen, en zoo brulde al heel gauw alles:
„Mister Blakhorst! mr. Blakhorst!”
Het scheen echter, of deze stokdoof was. Hoe meer menschen schreeuwden,
hoe harder of de auto er van doorging, en zoo was die gauw uit het
gezicht.
Marholm gaf de vervolging op, en keerde hoestend en blazend terug.
Raffles en Charly hadden natuurlijk vreeselijk pleizier toen ze het
geschreeuw van de menigte achter zich hoorden, en zetten hun weg
ongestoord voort.
„Charly, Charly, ik ben er bang voor, dat we vandaag nog opgespoord
worden. In elk geval moeten we ons klaar houden voor een groote reis,
als de Londensche bodem ons wat al te heet wordt gemaakt. Heb je al
onze spullen aan het hoofdstation bij elkaar?”
„Alles in orde. Je weet toch, dat je je op mijn beleid verlaten kunt.”
Inmiddels was de auto Barking Road opgereden en stopte voor No. 116.
MARY WARNER
stond met groote letters boven den ingang van een kleinen winkel.
Onderwijl Raffles in zijn chauffeurscostuum naar binnen ging, bleef
Charly achter het stuur. Bij het openen van de deur ging een electrisch
schelletje over.
Raffles nam de zaak gauw op. Het zag er uit als het depot van een
zeepfabriek. Allerlei zeepen en parfums waren uitgestald.
De deur achter in den winkel ging open om een vrouw van middelbaren
leeftijd door te laten. Zij vertoonde onmiskenbare sporen van vroegere
schoonheid. Het welige zwarte haar was nu sterk vergrijsd, maar
vertoonde nog een schoonen glans. Groote zwarte oogen zagen den kooper
vragend aan. Het heele profiel duidde onmiskenbaar op verwantschap met
Ellen.
Dit alles had Raffles met een blik bespeurd, en hij was heelemaal van
allen twijfel bevrijd, of hij zich tegenover Ellen’s moeder bevond.
„Waarmee kan ik u dienen, mijnheer?” vroeg zij met welluidende stem.
„Mrs. Warner”, begon Raffles, „ik kom voor een particuliere
aangelegenheid. Vooruit wil ik wel zeggen, dat ik u niets onaangenaams
of treurigs wil vertellen; integendeel, iets dat u veel vreugde zal
veroorzaken.”
„Wat zal dat zijn, mijnheer, dat gij mij als een blijde boodschap
aankondigt. Mijn leven heeft zóó weinig vroolijke uren gekend, dat ik
nauwelijks meer op vreugde durf hopen.”
Raffles nam den ring uit zijn zak en legde dien zwijgend voor mrs.
Warner op de toonbank. Met een lichten kreet greep zij er naar.
„Mijnheer......”
„Babberton heet ik”, zeide Raffles neigende.
„Mr. Babberton, hoe komt gij aan den ring? Wat weet gij van mijn kind?
Leeft zij? Breng mij tot haar!”
Angstig en toch ook trillend van vreugde klonken deze woorden van de
lippen der bedaagde vrouw. In haar grenzenlooze ontroering was zij op
een stoel neergezonken.
Bemoedigend legde Raffles zijn hand op haar arm.
„Verontrust u nu niet, waarde mevrouw. Daar ik vandaag geen meester van
mijn tijd ben, moet ik u verzoeken dadelijk met mij in mijn automobiel
te gaan, en binnen het kwartier zult gij uw kind in de armen kunnen
sluiten.”
Toen mrs. Warner die woorden vernam, stond zij sidderend op.
„Mr. Babberton”, bracht zij onder snikken uit, „gij zijt mij een bode
des hemels. Hoe zal ik u danken voor alles, wat gij voor mij doet?”
„Door zoo gauw mogelijk met mij mee te gaan, mistress, want mijn tijd
is erg krap.”
Ondersteund door Raffles, begaf zij zich naar de auto, en weinige
oogenblikken later bevonden zij zich allen op weg naar het huis in
Whitechapel......
De laatste stralen der ondergaande herfstzon vielen door het nederig
dakvenster, dat wij uit het begin van ons verhaal kennen.
Ellen was juist van een boodschap thuis gekomen. Zij maakte haar
avondeten gereed, waarbij tranen haar over de wangen rolden.
Het bed aan de rechterzijde van het vertrek was leeg. De vader was
uitgedragen naar de plaats van eeuwige ruste.
Ellen voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Wel had de gift van haar
weldoener het mogelijk gemaakt, haar vader fatsoenlijk te laten
begraven, en voorzag het overgeblevene in de nooddruft van den eersten
tijd. Maar wat zou er dan van haar worden? Zij martelde zich dan ook
steeds af hoe zij haar moeder zou kunnen terugvinden.
Met haar vriend en weldoener zou ze daar gaarne over gesproken hebben,
maar sinds twee dagen had hij zich al niet laten zien.
Hij had haar beloofd, den ring te brengen, en naar haar moeder te
zoeken. Zij stelde zulk een vast vertrouwen in zijn woord, dat het haar
onvergeeflijk had toegeschenen hem door haar aandrang meer aan te
vuren.
Van den toren der naburige kerk klonken zeven slagen. Toen de laatste
klank was weggestorven, ontwaakte Ellen uit haar gepeins. Het was
intusschen heelemaal donker geworden en zij stak een klein lampje aan.
Op de buitendeur werd geklopt, Ellen opende en Raffles trad binnen.
Ondanks zijn automobielcostuum herkende zij hem. Verheugd en blozende
reikte zij hem de hand en zeide:
„O, dat is lief, mr. Babberton, dat ge komt; ik heb zoo naar u
uitgezien.”
Nauwelijks waren haar die woorden ontglipt, of zij kleurde en sloeg de
oogen naar den grond.
John Raffles scheen dat niet te merken en zei: „Mijn lieve miss Ellen,
ik heb beloofd u den ring weer te geven; hier is hij.”
Met deze woorden legde Raffles het kleinood voor de oogen der verbaasde
op tafel.
„Vraag mij niet, hoe ik hem heb gevonden. Hier is hij; dat moet u thans
genoeg zijn.”
Overstelpt van dankbaarheid, met tranen in de oogen, reikte Ellen hem
de hand.
Raffles hield haar hand vast, en keek haar zacht aan.
„Mijn lieve Ellen—”
Voor het eerst liet hij het stijve „miss” weg, en zijn stem werd warm,
toen hij voortging:
„Mijn lieve Elly, ik heb nog iets voor u. Ik heb u beloofd, uw moeder
te zoeken—en, wees nu flink, Ellen, want ook blijdschap kan doodelijk
zijn—ik breng haar tot u.”
Wezenloos staarde Ellen Raffles aan. Een lichte trilling voer door haar
leden; staroogend keek zij Raffles aan.
Raffles maakte de deur open en daar verscheen, door Charly ondersteund,
mrs. Warner.
„Moeder.”
„Mijn kind!”
Beiden lagen in elkanders armen.
Hoewel ze jarenlang gescheiden waren, de stem van het bloed zei haar,
dat zij één waren.
Met diepe ontroering zagen Raffles en Charly toe. Eindelijk trad de
eerste op de vrouwen toe, en legde zijn hand zacht op Ellens schouder.
„Wees sterk, Ellen. Ik moet u nóg iets vertellen.”
Ellen en mrs. Warner grepen Raffles’ hand.
„Ellen en mrs. Warner, ik heb ook het geheim van den ring ontdekt.”
Hij vertelde beiden uitvoerig, wat wij reeds weten, en vertoonde hen
het stukje perkament. Dan ging hij voort:
„Ik geloof uit een en ander te mogen afleiden, dat de schat in Indië
is. Voor ieder van u zou het te bezwaarlijk zijn, er naar te zoeken.
Als gij mij wilt vertrouwen zal ik het doen, en u den schat brengen.”
„Gij hebt mij mijn kind teruggegeven, en vraagt, of ik u vertrouw?
Houdt den heelen schat, als gij hem vindt, hij kan niet grooter zijn,
dan die, welken gij mij heden gebracht hebt.”
„Neen, mrs. Warner, ik wil den schat zoeken voor u en uwe dochter.
Opdat gij intusschen voor gebrek bewaard moogt zijn, verzoek ik u deze
duizend pond sterling van mij aan te nemen als een voorschot op den
schat.”
John Raffles legde een pakje banknoten in de hand der moeder. Beide
vrouwen wilden weigeren, maar hij zei beslist:
„Ik verzoek u dringend, dit aan te nemen, want alleen onder die
voorwaarde wil ik naar den schat zoeken.”
De vrouwen wilden hem met dankbetuigingen overladen, toen er plotseling
aan de buitendeur geklopt werd, en, zonder het „binnen” af te wachten,
de politie-inspecteur Baxter binnentrad.
John Raffles rukte snel den stofbril voor de oogen, en trok zich een
beetje in de schaduw terug.
„Goeden avond samen. Goeden avond mr. Blakhorst”, zei Baxter tot
Raffles. „Ik zag daar net zoo uw automobiel voor de deur staan. Daar ik
u al één keer niet bereikte vanavond, veroorloofde ik mij, hier binnen
te komen. Ik wou u alleen maar mededeelen, dat wij dien Raffles weer
niet gevonden hebben. Toen wij vanmiddag aan zijn woning kwamen, was de
vogel al gevlogen.”
„Dat weet ik”, zei Raffles bedaard. Onderwijl was hij ongemerkt het
dakvenster genaderd en had de pennen er uitgehaald; Charly gaf hij een
korten wenk. Deze begreep hem en begaf zich achter Baxter om naar het
venster.
„Watblief, weet u dat al?” vroeg Baxter verbluft.
„Ja, want ik ben zelf Raffles!”
Met deze woorden wierp de Groote Onbekende den stofbril op den grond en
was met een koenen sprong het venster uit, op het dak gesprongen,
waarin Charly hem bliksemsnel gevolgd was.
„Leef wel, mijne vrienden, ik zal u den schat brengen”, klonk het nog
van buiten.
Alsof hij een slag op het hoofd gekregen had, zoo versuft stond Baxter
een oogenblik; dan sprong hij vloekende als een kat ook het venster
uit, het dak op.
Het was een steil, z.g. Schotsch dak, waarop nu een wilde jacht
aanving.
Raffles en Charly probeerden eerst, de dakvorst te beklimmen. Den eenen
voet op twee rechthoekig saamgevoegde dakpannen steunende, nam de
Groote Onbekende een krachtigen zwaai. Zoo gelukte het hem, een
ongeveer vijf voet boven het dak venster aangebrachte ijzeren haak vast
te krijgen. Als een kat in elkaar gehurkt, met als eenigen steun deze
haak onder de voeten, schoof hij pijlsnel de hoogte in. Charly volgde
zijn spoor getrouw.
Baxter probeerde oogenblikkelijk denzelfden weg te nemen, van tijd tot
tijd op zijn politiefluit signalen gevende. Ook hij wist de haak te
grijpen.
Juist op dat moment kwam een stuk dakpan, dat onder de zwaarte van
Charly’s voet bezweken was, op de hand van Baxter.
Zoo scherp als een mes, sneed het hem diep in de huid.
Door pijn verlamd, liet Baxter de haak los en rolde onder een korten
gil over het schuine dak naar beneden. Tot zijn geluk was de goot sterk
genoeg om een stootje te kunnen velen. De inspecteur klemde zich vast
en was het volgende oogenblik weer ter been.
Toen begon de vervolging weer opnieuw. Nu een anderen weg volgende, was
Baxter spoedig weer in de hoogte, maar Raffles en Charly hadden al een
aardigen voorsprong gekregen.
Maar onze inspecteur was een kranig turner, en zoo kromp de afstand
tusschen hem en de vervolgden al meer en meer in.
Plotseling hoorde Baxter een gedempt gerucht en de beide vervolgden
waren verdwenen.
Hij spande zich in, om zoo gauw mogelijk de plaats te bereiken, waar
hij hen het laatst gezien had. Daar zag hij, langs een brandladder
ontkomen, beneden in de schaduw Raffles en Charly. De maan zorgde voor
een gratis verlichting.
Zonder zich te bedenken ging Baxter hen achterna. Daar zag hij aan het
eind van een plat dak, dat voor twee naast elkander gelegen huizen
diende, iets donkers door de lucht vliegen.
Haastig ijlde Baxter voorwaarts. Nu bevond hij zich aan een kruising
van twee straten.
Voor hem grijnsde, zeven tot acht meter breed, een afgrond. Ontzet
staarde hij in de diepte. Waar bevonden zich de vervolgden. Het scheen
immers onmogelijk, dat zij dien doodsprong gewaagd hadden. En
nauwelijks vertrouwde hij zijn oogen; maar hij zag ze werkelijk een
moment opduiken op een huis aan den overkant, waarna ze in de schaduw
verdwenen.
Barstend van woede nam Baxter den terugweg aan, door het eerste het
beste dakluik, om zoo beneden de straat te bereiken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
GELUKKIG ONTSNAPT.
Verscholen in de schaduw van den gevel volgden Raffles en Charly de
beweging van den inspecteur. Toen zij hem door het dakluik zagen
verdwijnen, haalde Charly verruimd adem.
„Voorloopig zijn we het weer ontloopen, John. Maar wat nu?”
„Dat zullen we zien. In de eerste plaats moeten we naar beneden en zoo
gauw mogelijk, naar het station. Baxter zal natuurlijk dadelijk dit
blok huizen laten omsingelen om ons te arresteeren. We hebben dus niet
veel tijd te verliezen.”
Onderwijl had Raffles de omgeving een beetje opgenomen.
„Edward, laten we toch gauw, net als Baxter, door een dakluik naar
beneden gaan”, zei Charly een beetje angstig. De opwinding van de
vlucht en de nog te verwachten gevaren hadden hem zenuwachtig gemaakt.
Lachend en rustig antwoordde Lord Lister.
„Maar beste kerel, nu merk ik toch, dat je zulke dingen nog niet veel
meegemaakt hebt. Als wij door een dakluik kruipen en alle deuren
gesloten vinden, wat dan? Neen, maar kijk eens, die fijne
bliksemafleider, die zal ons beter van dienst zijn”.
„Aan zoo’n dunnen stang wilt ge naar beneden”, vroeg Charly onthutst.
„Zeker mijn jongen, kijk maar goed waar ik blijf, en kom me achterna”.
Raffles had zijn dikke automobielhandschoenen aangetrokken en begon
naar beneden te glijden. Ontzet keek Charly hem na. Zijn hart stond
stil, en hij geloofde ieder oogenblik zijn vriend naar beneden te zien
storten.
Maar wat was dat? Raffles had zich met alle kracht tegen den stang
aangedrukt. Een zwaai en hij was door een openstaand venster in een
kamer verdwenen van de etage onder het dak.
Charly durfde zijn oogen niet te gelooven, maar daar keek Raffles al
naar buiten, en riep halfluid, lachend zijn vriend toe:
„Kom, vooruit mijn jongen, kom nu!”
Charly was echter te zenuwachtig, en gleed door, het venster voorbij.
Gelukkig greep een haak, die dienen moest om het venster open te
houden, hem in de kleeren, en scheurde zijn broekspijp van onder tot
boven toe. Gelukkig bleef hij daardoor hangen; en Raffles kon hem nog
net bij den linkerarm vatten. Door den ruk was hij bijna zelf het
venster uitgevlogen. Maar hij had zijn linkerschouder vast tegen het
kozijn gedrukt, en daardoor vastheid gekregen. Zoo zag Raffles, dat het
gevaar voorbij was, hij riep goedgeluimd, om Charly moed in te spreken:
„Niet zoo hard, mijn jongen! Je moet niet vóór mij beneden willen
wezen; hier moet je door!”
Met deze woorden trok hij hem met een krachtigen ruk in de kamer en
zette hem op een leuningstoel, die bij het venster stond.
„Hoe moet ik je genoeg danken; ge hebt mij het leven gered!”
„Ook nog bedanken? Wees liever niet boos, dat ik je in zoo’n gevaar
gebracht heb, maar het ging niet anders. Laat mij je been eens kijken?”
John Raffles bekeek het been bij het licht van zijn zaklantaarn; het
bleek leelijk geschaafd te zijn.
„Dat had leelijker kunnen afloopen, in drie dagen is het weer beter.”
„Behalve mijn broek,” antwoordde Charly lachend.
„Dat zal best terecht komen, maar we moeten thans eerst eens kijken,
waar we eigenlijk zijn.”
Raffles belichtte de kamer. Het was blijkbaar het slaapvertrek van een
jonggezel. De deur van de aangrenzende kamer stond open en Raffles
overtuigde zich dat die voor woon- en werkkamer diende.
Een paar bokshandschoenen en dictaatcahiers verrieden, dat de bewoner
student was. In de slaapkamer teruggekomen, merkte Raffles dat Charly
zijn beenwonde met water bekoelde.
„Goed zoo. Nu zullen we eens kijken, of hier een passende pantalon voor
je te vinden is.”
In de kleerenkast vond Raffles een keurige pantalon, die Charly precies
paste. De Groote Onbekende had intusschen den overigen inhoud van de
kast aan een nadere inspectie onderworpen. Een elegant rokcostuum hing
hij over de leuning van een stoel, en uit een hoedendoos diepte hij een
fijne hoog-zijden op.
Charly had intusschen zijn kleeding weer in orde, en Raffles vermaande:
„Nu gauw, Charly, maak dat je wegkomt. Daar jij weinig bekend bent, kun
jij het huis zonder gevaar verlaten. Stel je nu op straat zoo op, dat
je het huis in het oog houdt. Ik moet zoowel den chauffeur als den
misdadiger laten verdwijnen. Zoo gauw als ik er zóó uitzie dat ik mij
in goed gezelschap kan vertoonen, kom ik naar beneden.”
Met deze woorden schoof hij Charly de deur uit en schoof van binnen den
grendel erop. Dan maakte hij als de wind voort, om de kleeren van den
student aan te trekken. Toen hij klaar was, keek hij in den spiegel en
knikte tevreden. Geen sterveling zou in het elegante jongmensch, dat
hij in den spiegel zag, nog het misdadigerstype uit Stonebridge Park of
den over de daken vluchtenden chauffeur herkennen. Snel ging Raffles op
de schrijftafel toe, haalde een bankbiljet van 10 pond uit zijn
portefeuille en legde dit op de schrijftafel neer met een stuk papier,
waarop hij eenige woorden gekrabbeld had.
Baxter was door het dakluik in een meidenkamertje terecht gekomen, dat
met allerlei rommel volgestopt was. Nauwelijks kon hij er zich bewegen.
Hij probeerde van binnen de schroeven, die het slot bevestigden, uit te
draaien. Hij moest echter tot zijn verdriet constateeren, dat de kamer
zeer goed gesloten was. Een dikke ijzeren stang zat dwars voor de deur.
Baxter kon er niet aan denken die stang te verbreken, daar hij niet één
werktuig bij zich had, en hij ook onder den rommel niets vond, dat hij
als breekijzer zou kunnen gebruiken.
De inspecteur bevond zich dus in een welverzekerde gevangenis.
Hij vloekte, raasde en schreeuwde. In zijn woede gooide hij een zwaar
voorwerp op den grond, om door het geraas misschien de bewoners naar
boven te lokken. Maar het gaf niets.
Toen hij zoo vijf minuten lang getobd en herrie gemaakt had, zag hij
het vruchtelooze van zijn pogingen in en gaf hij het maar op.
„Dat lijkt hier wel een doofstommeninrichting!” vloekte hij en trachtte
weer het dakluik te bereiken. Na eenige minuten was hij weer op het
dak.
„Nu ben ik weer net zoo ver als eerst”, bromde hij. „Intusschen zullen
de kerels wel ontsnapt zijn”.
Hij kroop naar het volgende dakluik, om daar zijn heil te zoeken. Nu
had hij meer geluk. Zonder veel moeite kon hij de schroeven uit de deur
halen en was in eenige oogenblikken op de trap.
Nauwelijks was de inspecteur op straat of hij liet zijn signaalfluit
hooren. Van alle kanten kwamen agenten aangesneld, en Baxter gaf met
veel berekening zijn bevelen.
Hij liet aanstonds naar alle richtingen telephoneeren, en in korten
tijd was het heele huizenblok, waar naar Baxter’s meening de
vluchtelingen verscholen moesten wezen, omsingeld.
Baxter met drie agenten zou zelf de eerste huizen onderzoeken. Juist
was hij op de bovenste verdieping van een der huizen aangeland en wilde
hij de trap naar den zolder opgaan, toen een deur geopend werd, en een
slank gebouwd heer naar buiten kwam.
In zijn rokcostuum, met den hoogen hoed maakte deze een zeer
gedistingeerden indruk. Terwijl hij de knoopen van zijn
glacé-handschoenen dichtdrukte, vroeg hij Baxter:
„Wel, meneer de inspecteur, wat is hier te doen? Toch geen
schoorsteenbrand hoop ik?”
„Neen”, antwoordde Baxter, den vreemde scherp opnemend. „Er zijn twee
inbrekers over de daken gevlucht, die zich in een van deze huizen
moeten verborgen hebben”.
„Is het mogelijk?” vroeg Raffles, want niemand anders dan hij was het,
„ik heb toch heelemaal geen leven gehoord. Maar misschien komt het,
doordat ik tot voor eenige minuten aan mijn schrijftafel heb zitten
werken. Nu, ia ieder geval wensch ik u veel succes. Good bye!”
Even lichtte hij den hoed, en ging dan naar beneden. Baxter zag op een
naamplaat aan de deur staan:
PERCY OLDEN,
jur. stud.
„Zoo, zoo, een student,” mompelde Baxter, en volgde zijn luidjes, die
ondertusschen den zolder hadden afgezocht—mismoedig kwam de inspecteur
terug.
Op dit oogenblik kwam een blonde jonge man aan. Met verwondering zag
hij de politie voor zijn deur, maar hij haalde den sleutel uit zijn zak
en wilde naar binnen gaan. Tot zijn verwondering echter was het slot
niet gesloten.
„Wat is dat nu?” riep hij verrast, „heeft men bij mij ingebroken?”
Die vraag werkte als een electrische schok op Baxter. Hij drong den
jongen man op zij, en stormde de kamer binnen.