koetsier nam de zweep op, en in dolle vaart ging het op het
Westend-station toe. Vlak voor het station sprong Raffles met groote
handigheid uit het nog in volle vaart doorgaande rijtuig, wierp den
koetsier, die zoo gauw zijn paarden niet kon inhouden, twee shillings
toe, en verdween in het station.
Snel als de wind kocht hij zich een spoorkaartje, stormde de
stationstrap op, en kwam nog juist bijtijds om in een leege coupé te
kunnen springen. De locomotief floot, en langzaam zette de trein zich
in beweging.
„Dat is net gesnapt”, hijgde hij ademloos en ging makkelijk in een hoek
zitten.
In Criclewood kwam nog een oude vrouw in de coupé, die er echter in
Willsden weer uitging, zoodat Raffles het laatste traject alleen bleef.
Kort vóór de aankomst van den trein in Stonebridge-Park overtuigde hij
zich nogmaals of hij zijn Browningrevolver, het fleschje met chloroform
en de electrische zaklantaarn bij zich had. Daar alles in orde was,
mompelde hij tevreden:
„Allright, het spel kan beginnen; laten we hopen, dat bet een blijspel
zal wezen.”
Ter plaatse gekomen, wandelde hij aanstonds de laan in, hem door
Blakhorst uitgeduid, en telde oplettend zijn voetstappen.
In zijn begrijpelijke opwinding had hij zeker te groote passen genomen,
want binnen tien minuten had hij een klein huisje bereikt, dat goed in
de verf zat. Vriendelijk lag het daar met een kleine veranda in een
aardigen tuin.
Niets opvallends was er aan te bemerken; stil en vredig lag het daar en
geen geluid stoorde de stilte.
„Zou ik verkeerd gegaan zijn?” mompelde Raffles.
„Blakhorst zei twaalfhonderd schreden. Ik heb er pas duizend afgelegd,
maar het naaste huis ligt minstens even ver hier vandaan, als dit van
het station. Wij zullen het dus maar eens probeeren.”
Gauw besloten ging de Groote Onbekende het hek door en liep snel door
den kleinen voortuin.
De huisdeur vertoonde niets wat op klopper of schel leek, en daarom gaf
Raffles met een sleutel, dien hij uit zijn zak haalde, eenige slagen op
de deur.
Sloffende voetstappen kwamen langzaam naderbij. Een vrouw van
gevorderden leeftijd opende een kleine, bijna onzichtbare klep. in de
deur. Zij monsterde den vreemde wantrouwig, en vroeg, wat hij wenschte.
Raffles legde den wijsvinger van zijn rechterhand op het hart, en sprak
het wachtwoord uit, dat Blakhorst hem had verklapt: „Goddam”.
Zonder een stom woord te zeggen, schoof de oude de klep toe en opende
de deur.
Het was een vrouw, ongeveer in het midden der vijftiger jaren. Het
gezicht verried de liefhebster van den drank, en maakte een
terugstootenden, brutalen indruk, dien haar kleine, valsche oogen nog
verhoogden.
De oude bekommerde zich, nadat ze de deur gesloten had, heelemaal niet
meer om den binnengekomene. Zij zette zich weer in haar leunstoel, en
verdiepte zich in de lectuur van een rooverroman, van tijd tot tijd de
jeneverflesch, die naast haar stond, aansprekende.
Naar de hem verstrekte aanwijzingen liep Raffles de twee rechts gelegen
kleine kamers door.
De inrichting daarvan verried door niets, voor welk bijzonder doel zij
eigenlijk dienden. Alles maakte een welgestelden en soberen, eigenlijk
kleinburgerlijken indruk. Voor de vensters witte gordijnen, en daarvoor
wat bloeiende planten. Een regelmatig tikkende klok op den schoorsteen
bracht heelemaal een huiselijke stemming te weeg.
Toen Raffles de achterste kamer binnengetreden was, die zich weinig van
de andere onderscheidde, zag hij zich voor den geheimzinnigen wand
geplaatst. Hoofdschuddend bekeek hij dien. Hoe hij zijn oogen, die toch
aan het speuren gewend waren, ook inspande, hij kon aan dit eenvoudig
grauw-groen behangsel niets bijzonders zien. Twee oude schilderijen,
blijkbaar familieportretten, in ovale vergulde lijsten, hingen aan den
wand. Het eene portret stelde een heer voor in zwarten rok gekleed,
naar het model van het midden der vorige eeuw. Het andere vertoonde het
borstbeeld van een vrouw, waarvan alleen de helroode keelbanden
opvielen.
Nadat Raffles zich overtuigd bad, dat hij alleen was, betastte hij
voorzichtig met de handen bet behangsel; hij vond echter niets
bijzonders.
Ontstemd trad hij eenige passen terug, om dan den wand nogmaals aan een
scherp onderzoek te onderwerpen. Daar dit ook geen resultaat had, nam
hij zijn revolver in zijn rechterhand en gaf met zijn linker drie
krachtige slagen tegen den wand.
Al zijn zenuwen waren in actie. Hij wachtte eenige minuten in de
grootste spanning. Maar vergeefs; niets verroerde zich.
Juist wilde hij het kloppen herhalen, toen eenige doffe slagen op de
buitendeur klonken.
Hij hoorde, hoe bet oude wijf brommend en mopperend opstond en naar de
deur slofte.
Met een sprong als een kat dook hij achter een leuningstoel, dien hij
eerst zoo had neergezet, dat hij er achter vandaan tot aan de huisdeur
zien kon.
Het oude wijf had intusschen de deur geopend, en naar binnen
tuimelde.... onze vriend de bochel.
„Nu Jim,” knorde het wijf, „je bent weer in een fijnen toestand.”
De bochel deed zijn bekend gegrinnik hooren.
„My dear, schimp niet, geef me liever een zoen.” Met deze woorden liep
Jim op de oude toe, met uitgebreide armen, en bracht zijn
jenevergezicht bedenkelijk dicht bij het hare.
„Kom mij niet weer te na, oude zuipschuit,” bromde het wijf en gaf Jim
een flinken por, zoodat zijn zwakke beenen onder hem wegschoven.
Vloekende viel bij op den grond.
„Kom, kom, wees toch niet altijd zoo ruw,” suste Jim, terwijl hij
langzaam weer opkrabbelde. Het wijf keek niet meer naar hem op, terwijl
Jim zijn pijp opscharrelde en dan met een verlegen uitdrukking zich tot
de vrouw keerde.
„Zeg eens, je moet den baas niet verklikken, dat ik... Het was zoo
heet, en de weg is lang—je weet toch, hoeveel,—hoeveel of ik van je
hou.”
Jim legde zijn verminkte hand op het hart, en stond zwaaiend voor het
oude wijf.
„Laat me met rust, en loop naar den duivel,” schreeuwde zij woedend.
„Dat zal ik doen,” antwoordde Jim en begaf zich langzaam, overal een
steuntje nemende aan de meubelen, naar de achterkamer.
Raffles had een en ander natuurlijk met groote belangstelling gehoord.
Toen hij bemerkte, dat Jim dronken was—hij kende hem uit de boevenkroeg
in Hesterstreet, waar hij hem meermalen in zijn tegenwoordige
vermomming had aangetroffen—was zijn plan gauw gemaakt. Hij zette zich
languit in een stoel, sloeg de beenen over elkaar, en stak een cigaret
op.
„Holah, kreupele Dick,” riep Jim, als hij Raffles in de gaten kreeg.
Dan, plotseling een oogenblik nuchter, vroeg hij schuchter: „Dick,
heeft de baas je hierheen gestuurd, om mij na te gaan? Hij kan gerust
wezen. Ik heb zijn ring goed bewaard, en zal hem juist gaan opbergen.
Je mag het zelf zien.”
John Raffles keek of hij een oorvijg kreeg? Wat bedoelde hij toch met
dien ring? Zou Jim in het bezit van het Indische kleinood wezen? En was
Blakhorst dan „de baas”? Deze en andere gedachten vlogen hem
bliksemsnel door het brein.
Ondertusschen was Jimmy het venster genaderd. Hij opende den
rechtervleugel van de opstaande ramen, en tastte met zijn verminkte
hand langs de kozijnen.
„Wel verdoemd! Nou kan ik den knop heelemaal niet vinden. Blijf daar
niet zoo sloom zitten, en help me liever een handje,” mopperde Jim tot
Raffles.
„Ik geloof,” zei Raffles, „dat je zoo dronken bent dat je niet eens
weet, wat je met den knop doen moet.”
„Hoor zoo’n groen! Ik weet alles.”
„Nou ja, vriendje, laat dan eens hooren.”
„Men draait den knop naar rechts, en drukt dan op de schroef beneden,”
kletste Jim.
„Prachtig, bravo! Nu zie ik toch, dat je nog niet zoo bezopen bent, als
ik dacht,” lachte Raffles, en sloeg den bochel familiair op den
schouder.
„Zie je wel. En zeg nu niets aan Blakhorst er van, dat ik een borrel te
veel gehad heb. Ik ben rooden Juning tegengekomen. Die had een goeden
slag geslagen, en wou een spelletje doen; daardoor is het een beetje
laat geworden.”
Raffles werd onderwijl toch wel wat onrustig. De tijd ging voorbij, en
nog had hij niets bereikt. Daarom zei hij tot Jim:
„Het wordt laat, en jij moet den ring nog opbergen.”
„Je hebt gelijk, hartsvriend. Wees zoo vriendelijk, mijn jongen, en
maak den boel open.”
De dronkeman wees met zijn hand naar het venster.
Raffles volgde de aanwijzingen, die den bochel hem zoo even gegeven
had.
Nauwelijks had hij de schroef neergedrukt, of het ingewikkelde
mechanisme zette zich in beweging, en de heele wand zonk in de diepte
weg.
Met verbazing merkte Raffles het op, maar hij zette natuurlijk een
gezicht, alsof hij het honderd keer gezien had.
„Nou, ga mee, my boy,” grijnsde de bochel, en trad door de opening in
een kleine kamer, die er heel gewoon uitzag. De Groote Onbekende volgde
hem.
„Zullen we den boel niet eerst weer in orde brengen,” vroeg Raffles,
wien het er vooral om te doen was, het mechanisme precies te leeren
kennen, want hij had eenig vermoeden, dat hij hier vandaag niet voor
den laatsten keer zou zijn.
„Als jij zoo’n ordelievend mensch bent, doe het dan zelf maar.”
„Ja, beste Jim, maar je weet dat ik niet zoo sterk ben als jij.”
Gevleid grinnikte de bochel. Met zijn zalvende stem zei hij:
„Ja, ja, jullie hebt geen merg meer in de beenderen. Kom, vooruit. Druk
jij maar hier op den knop rechts, dan zal ik intusschen de veer vast
houden.”
Nauwelijks hadden zij het gedaan, of zonder eenig geluid steeg de wand
uit de diepte op, en sloot de opening weer af.
Nu wist Raffles genoeg. Hij begreep thans ook, waarom de wand aan geen
van beide zijden behangen was, en waarom hij er nergens een veer of
knop had gevonden.
„Zoo, mijn jongen,” grijnsde Jim, „nu heb ik jou geholpen, nu moet jij
mij echter ook helpen, die vervloekte kast opzij te schuiven.”
Met deze woorden wees hij op een zware kast in den tegenover gelegen
hoek staande.
Toen de kast verzet was zag Raffles met verbazing een valdeur in den
vloer.
De bochel bukte zich, om die open te trekken, doch dat ging niet
fortuinlijk. Zijn waterhoofd scheen te zwaar te zijn, en met een
onderdrukten vloek viel hij languit op den grond.
Raffles hielp het dronken zwijn weer op, en maakte nu zelf de valdeur
open.
Vloekende en razende steeg de bochel een trap af, die zich aan Raffles’
nieuwsgierigen blik vertoonde. Deze volgde den dwerg op den voet.
Plotseling ging een electrische lamp op, en verlichtte de trap zoo
helder of het dag was. Jim had het licht opgedraaid.
Toen ze de trap af waren, kwamen ze aan een zware deur, die aan beide
kanten met matrassen bekleed was, en toen Jim deze geopend had,
betraden ze een onderaardsche gang. Aan het einde daarvan, na ongeveer
150 meter loopens, troffen ze weer een deur, evenals de eerste aan
beide kanten bekleed.
Jim draaide aan een knop in het midden, en de ingang opende zich.
Beiden bevonden zich nu in een vertrek, van vijf bij ongeveer vier en
een halven meter. De zoldering was geverfd, en er hing een kroon van
af.
Midden in het vertrek stond een zwarte doodkist.
Door een lichtschijn aangetrokken, wendde Raffles nieuwsgierig het
hoofd.
Tegenover den ingang, die zich geluidloos zelf gesloten had, was een
transparant aangebracht.
En daaronder—Raffles verstijfde van ontzetting—was een rij glazen met
een verschrikkelijken inhoud. De Groote Onbekende had sterke zenuwen,
maar wat hij hier zag was hem toch te sterk.
In ieder van de met spiritus gevulde glazen zat een menschelijke
wijsvinger.
Waarschuwend schenen deze den beschouwer toe te roepen:
„Wees voorzichtig!”
Onthutst stond Raffles te kijken, en hij kon den blik niet van die
glazen met hun afschuwelijken inhoud afwenden.
Daar klonk achter hem de grommende stem van den dronken bochel:
„Wel, my boy, je zoekt zeker mijn vinger? Daar bovenaan, de zesde van
rechts, dat is hem.”
Onwillekeurig keek Raffles naar de rechterhand van den bochel. Deze
strekte z’n hand uit, en grijnsde:
„Zou je het wel gelooven, dat die mooie vinger daar eenmaal gezeten
had. Maar laat hem maar waar hij is, hij heeft het er goed. Den heelen
dag zit hij in de spiritus en de rest van den vent moet zich zijn
positie zien te krijgen door een glaasje brandy.”
Met walging keerde Raffles den praatjesmaker den rug toe. Deze scheen
in zijn dronkenschap die beweging verkeerd uit te leggen. Hij sloeg
Raffles tenminste op den schouder, en zei:
„Nou hoef je niet zoo groot te doen, my boy, omdat jij je vinger nog
hebt? Wie zal zeggen, hoe lang dat nog duurt? Ik zeg je, het gaat
verdoemd snel, en onze baas verstaat geen gekheid. Drink je eens een
glaasje te veel, en kan je dan je mond niet houden—dan ben je je vinger
zoo kwijt. Ik zeg je, het was een beroerde geschiedenis, toen ze me
gekneveld hier naar binnen sleepten.”
De bochel wees op een tweede deur.
„Het bestuur was feestelijk bijeen, en zou uitmaken, welke straf ik
verdiend had, en welke van de drie organen, die ik, evenals ieder
toegetredene, den bond had gezworen hem toe te behooren, den
wijsvinger, de tong of het hart, ik zou moeten afstaan. Ik kan je
zeggen, my boy, dat het me niet wel te moede was; mijn hart klopte,
alsof het uit mijn lijf springen wou, en mijn tong ging heen en weer,
alsof ze zich voor altijd uitgepraat hield.
„Daar werd uitgemaakt, dat ik onder een goeden dronk alleen van ons
eedgenootschap gesproken had, maar geen van onze verzamelplaatsen of
eedgenooten had genoemd, stelde de baas zich voor ditmaal tevreden met
den vinger. Ik zeg je, het is toch maar een puik middel. Je wordt er
voortdurend aan herinnerd, wat je gedaan hebt; zelfs het teeken van het
verbond kan ik slechts met het stompje van mijn vinger maken.”
Zwijgend had Raffles deze uitweidingen aangehoord. Vloekend begon de
dwerg nu zijn zakken te onderzoeken.
„Waar heb ik nu dien vervloekten ring? De baas heeft mij toch het
sleutelwoord voor het geheime slot opgeschreven. Ik kan het ding niet
vinden.”
Zoo schimpende naderde de bochel de deur op den achtergrond, die hij
met den voet openstootte.
De Groote Onbekende, die hem gevolgd was, zag een helsch donkere diepte
voor zich. De bochel drukte op een knop en meteen schitterende een
electrisch licht.
Het was een buitengewoon groot vertrek, met acht groote nissen. Drie
kronen verlichtten het, en wierpen hun schijnsel op een uitbouw, die er
uitzag als een altaar en aan de voorzijde waarvan een schilderij,
voorstellende den Duivel, die een heerlijk schoone vrouw in den arm
houdt, terwijl hij haar met zijn rechterhand het hart uit het lijf
scheurt.
Achter het altaar stond, op een verhooging, een zetel, langs welks
leuningen zich ringslangen kronkelden, hun opengesperde afschuwelijke
muilen naar den toeschouwer keerende.
In de acht nissen bevonden zich lage, Oostersche rustbedden, die in hun
verlokkende molligheid een eigenaardig contrast vormden met de gruwzame
omgeving.
Op den achtergrond van het vertrek stond een groot hakblok. Een bijl,
een scherp geslepen dolk en een tang, die voor het uitrukken van de
verkeerde tongen diende, lagen daar gekruist overheen.
Terwijl Raffles een en ander opnam, probeerde Jim een zware ijzeren
kast te openen, die in den muur naast het altaar stond.
„Dick, kom toch hier, en help mij,” riep hij eindelijk tot Raffles, „ik
kan dat vermaledijde slot niet openkrijgen.”
Hij gaf hem het briefje, dat hij van Blakhorst gekregen had en dat het
geheime woord voor het slot bevatte.
„Rechts Erna, links Fakir,” las Raffles.
Vlug had hij het slot ingesteld, en zonder moeite ging de kast open.
„Daar, Dick,” neuriede Jim, „leg er nou den ring in, en maak dan de
kast weer toe; mijn pijp is weer uitgegaan.”
En zich makkelijk neervleiende op een der rustbedden in een der nissen,
wijdde Jim zijn aandacht aan zijn pijp, die weer eens, tot zijn
verdriet, niet trekken wou.
Zoo vond Raffles gelegenheid, om onbemerkt den ring uit het etui te
nemen. Eén oogopslag had hem overtuigd, dat de ring die van Ellens
vader was.
Zijn oogen straalden van triomf; zijn hoofddoel, had hij bereikt. Hij
liet den ring in zijn zak glijden. Snel greep hij een notitieboekje,
rukte daar een blad uit, waarop hij eenige woorden geschreven had, en
legde dat in de kast.
Graag had hij den verderen inhoud ook eens bekeken; maar Jim, die zijn
pijp weer in orde had gemaakt, stond op, en kwam op hem toezwaaien.
„Nu, my boy, jij bent ook niet gauw klaar. Ik wou hier graag vandaan.
Mijn keel is droog, en in dit vervloekte hol kan je niet eens brandy
krijgen.”
„Alles is net klaar, Jim,” zei Raffles, terwijl hij het deksel van de
kast dichtwierp.
Het viel den beschonkene niet op, dat de kast niet gesloten werd. De
Groote Onbekende had met voordacht het slot niet versteld, in de hoop,
onbemerkt den verderen inhoud van de kast te kunnen inspecteeren.
„Vooruit, vooruit, my boy,” drong Jim aan. „De tong kleeft aan mijn
verhemelte.”
Raffles, die geen mogelijkheid zag, om nu onbemerkt bij den geheimen
schat te komen, wendde zich naar de deur, waardoor beiden waren
binnengekomen.
„Hallo, boy, niet daaruit. Ik weet een korteren weg.” Grinnikend wenkte
Jim Raffles. „Daar je me zoo prachtig geholpen hebt vandaag, zal ik je
iets verklappen, wat ik zelf nog maar pas ontdekt heb. Hier achter dien
stoel is een kleine deur, die naar een kleine trap voert. Wij komen
daar uit direct in een kreupelbosch, en zijn dan maar vijf minuten van
de herberg van Peter Patt. Die heeft fijne brandy. Kom mee, ik houd je
vandaag vrij, want jij bevalt me, boy.”
Onderwijl hadden beiden zich naar den stoel met de slangenkoppen
begeven.
Toen de deur geopend was, werd een kleine trap zichtbaar, die door een
ijzeren valdeur afgesloten werd.
„Hier moet je eens flink helpen,” zei Jim. „Op de deur liggen
graszoden, en die moeten wij er af gooien.”
Raffles zette zijn sterke schouders onder de deur en hief die zonder al
te groote moeite in de hoogte.
Nauwelijks waren Jim en Raffles uit de donkere gevangenis gekropen, of
ze ontdekten in de laan van Wellesder Green, die daar vlak langs liep,
een automobiel, die in razende vaart naderde.
„Verdoemd,” riep de bochel, en dook op den grond, „daar heb je
Blakhorst. Ik ken dien groenen wagen precies. Gauw, gauw, Dick, wij
moeten weer naar beneden, opdat de baas niet merken zal, dat wij den
geheimen uitgang kennen.”
Met een vlugheid, die men den bochel in zijn beschonken toestand niet
zou hebben toegeschreven, was hij weer in de diepte verdwenen. Raffles
stond als geboeid stil. Hij volgde met zijn oogen de in razende vaart
naderende automobiel.
Zijn scherpe blik had bemerkt, dat iemand zich achter den automobiel
had vastgemaakt. Bliksemsnel schoot het hem in de gedachte: „Dat is
Charly.”
Met bezorgdheid zag hij toe: die ging zoo zijn ondergang tegemoet. Een
kreet van schrik kwam over zijn lippen. De gestalte maakte zich
plotseling van den automobiel los en verdween in de dichte stofwolken.
Onwillekeurig was Raffles eenige schreden vooruitgehold, alsof hij den
gevallene helpen wilde. Hierdoor stond hij nu op een open grasvlakte.
Hij zag dat de gevallene opstond en snel op Raffles, die hij had
opgemerkt, toeliep. Het was Charly, die zijn vriend naderde.
„Ik heb alles gezien,” riep Raffles hem toe. „Wacht hier op me! Maar
oogen en ooren open!”
Met deze woorden verdween hij in de diepte, en bevond zich weinige
oogenblikken later weder bij Jim.
Dit alles wat we hier vertellen, was bliksemsnel gebeurd.
„Doe gauw de deur dicht,” riep Jim.
Raffles zei, dat het gebeurd was, maar zoowel de valdeur als de deur
achter den stoel had hij open gelaten. Hij stond tusschen het altaar en
den stoel, een weinig in de schaduw, zoodat Blakhorst, die juist den
hoofdingang instormde, hem niet opmerkte.
Schuimbekkend van razernij vloog deze op den bochel toe.
„Waar is de ring? Is hier een vreemde geweest?”
Zonder antwoord af te wachten, vloog hij op de kast af. Die
opentrekkende, greep hij met sidderende handen naar het etui. Een kreet
van woede klonk van zijn lippen: het was leeg!
Met van ontroering heesche stem las hij halfluide het briefje, dat hij
in het etui gevonden had:
John Brown!
Ik heb den ring en den schat!
John C. Raffles.
Half waanzinnig van woede wierp Blakhorst zich op den bochel.
„Hond! Verdoemde! Dat heb ik aan jou te danken. Hier, dat is voor jou!”
Hij greep den scherpgeslepen dolk, die op het blok lag, wierp zich op
den bochel en stootte hem het staal in de borst.
Met een rochelend geluid zonk Jim op den grond.
Zich omkeerende werd de moordenaar plotseling de figuur van den Grooten
Onbekende gewaar, die onbewegelijk toegezien had naar wat zich daar
bliksemsnel voor zijn oogen had afgespeeld. Met een dierlijk gehuil
wilde Blakhorst zich op Raffles storten; de dolk schitterde in zijn
hand.
„Terug!” donderde Raffles hem tegen, de revolver in zijn linkerhand.
Blakhorst lette niet op die waarschuwing, maar stormde verder. Een
welgemikte boksstoot maakte hem onschadelijk.
„Voor jou soort is de kogel zonde.”
Met deze woorden en een onuitsprekelijk verachtelijken blik keerde
Raffles het „Hol der Vervloekten” den rug toe. Bij de geheime deur
gekomen, keerde hij zich nogmaals om en riep waarschuwend:
„Geloof niet, dat uw straf u geschonken wordt. Voor vandaag heb ik wat
beters te doen, maar ik kom terug, om met u, menschelijke hyena, eens
en voorgoed af te rekenen!”
Daarna ging hij snel naar den uitgang.
Hij vond er Charly op hem wachtende.
„Vooruit, Charly, waar is de auto?”
„Daar voorbij die bocht wacht hij.”
Beiden liepen er heen. Voorzichtig voortsluipende, wierp Raffles zich
plotseling op de zitplaats van den chauffeur, en gaf dezen een slag
tegen den slaap.
Charly ving den bewustelooze op, samen legden zij den man in het gras,
en trokken hem zijn jas uit. Toen ze hem den stofbril afnamen,
ontsnapte Raffles een uitroep van verbazing:
„Wel, wel, zijn goede vriend Wabson! Jij en Blakhorst zijn elkaar
waard, en zullen je straf niet ontgaan.”
Vlug had de Groote Onbekende de kleeren van Wabson aangetrokken, en
niemand herkende in den chauffeur den armoedigen schooier, die het huis
aan de voorzijde was binnengegaan.
Raffles en Charly bestegen de auto, en voort ging het, de laan uit en
naar Londen.
Als ze nog eens omkeken, zagen ze Blakhorst verschijnen, die zeker van
zijn bezwijming bekomen was. Met een van woede vertrokken gelaat en
gebalde vuisten staarde hij de vluchtenden na.
Charly liet een lustig „tuf-tuf” hooren, en Raffles wenkte vriendelijk
met de hand zijn verslagen vijand een afscheidsgroet toe.
VIERDE HOOFDSTUK.
RAFFLES HOUDT ZIJN WOORD.
Terwijl John Raffles en zijn vriend al meer en meer de Engelsche
metropolis naderden, vertelde eerstgenoemde wat hij alzoo ontdekt had.
Vol afgrijzen hoorde Charly het verhaal aan van de geheimen, die het
„Hol der Vervloekten” verborg.
„En gij wilt dien schurken ongestraft hun schandelijk bedrijf weer
laten voortzetten?”
„Zeker niet, Charly, maar we hebben vooreerst iets beters te doen, want
de ongelukkige Ellen verlangt zeer naar haar moeder. Ook zal het goed
zijn, te wachten tot die schurken zich eerst weer een beetje veilig
achten, dan zal ik een geheime zitting trachten bij te wonen, om mij
eerst goed van den heelen omvang hunner misdaden op de hoogte te
stellen. Maar thans moet in de eerste plaats het geheim van den ring
worden uitgevorscht, en voor alles Ellen aan haar moeder teruggegeven.”
„Hoe wil je dat aanpakken, John? Wij weten niet eens, of zij leeft,
laat staan, waar ze te vinden is.”
„Mijn waarde Charly, ik weet allebei.”
Verbaasd keek Charly hem aan, en vroeg:
„Ben je dan alwetend?”
„Neen, mijn waarde, maar ik kijk goed uit mijn oogen, en ik reken ook
een beetje op mijn goed geluk. En ik moet zeggen, dat Fortuna mij
vandaag al héél vriendelijk gestemd is geweest.”
John Raffles haalde uit zijn portefeuille het briefje, dat hij ’s
morgens uit de geheime lade van Blakhorst’s schrijftafel had genomen,
en reikte het Charly over.
Toen deze den brief gelezen had, gaf hij hem terug en zeide:
„Wat is die Blakhorst toch een schoft. Hoe roerend smeekt de moeder,
toch iets van haar kind mede te deelen, als hij er iets van weet. Dat
Blakhorst al lang wist, waar Ellen te zoeken was, is heel duidelijk,
maar ik geloof dat hij deze vrouw eerder op een valsch spoor gebracht
zou hebben, dan haar te helpen.”
„Ik ben overtuigd, Charly”, antwoordde Raffles, „dat hij heelemaal niet
geantwoord heeft. Nu, in elk geval moeten wij de moeder het kind, en
beiden den ring teruggeven. Laten we daarom zoo gauw mogelijk naar de
moeder rijden, wier adres gelukkig in den brief staat.”
„Barking Road ligt toch bij Victoria-Docks?” vroeg Charly.