Midden in de kamer lag een hoop kleedingstukken. Op de schrijftafel zag

Baxter een blad papier; de letters kwamen hem bekend voor. Als een

panter wierp hij zich op het papier:

Waarde Heer!

Ik werd genoodzaakt, in uw afwezigheid, uw gastvrijheid in te

roepen. Daar ik tot mijn spijt ook eenige kleedingstukken van u

noodig had, verzoek ik u beleefd dit bankbiljet van 20 pond als

vergoeding aan te nemen.

JOHN C. RAFFLES.

Met van woede bevende stem las Baxter het briefje halfluid voor.

Marholm en de andere beambten, die met den jongen student waren

binnengekomen, bulderden van het lachen. Met een grimmigen blik op

Marholm, die zijn handen in de zijden hield van het lachen, viel hij op

een stoel neer. Nu wist hij, wie hem zoo vriendelijk „goed succes” had

gewenscht...

Charly was aanstonds in een tegenovergelegen bar gegaan, van waaruit

hij de deur kon zien van het huis, waaruit Raffles verschijnen moest.

Tot zijn schrik zag hij, hoe de politie het heele blok had afgezet, en

merkte ook, dat Baxter juist dat huis binnenging.

De weinige bezoekers, die zich in de bar bevonden, stonden in de deur

en vroegen zich af, wat dat politievertoon toch wel mocht beteekenen.

Zoo vond Charly ongezocht de gelegenheid, tusschen hen instaande, om

den huisingang in de gaten te houden.

Daar Baxter al een heelen tijd binnen was, zonder dat Raffles op kwam

dagen, werd Charly bekommerd onder de zorg over zijn vriend, en hij

wilde het huis weer binnengaan, om hem te zoeken. Op dat oogenblik kwam

een elegant heer naar buiten, monsterde rustig den voor den ingang

geposteerden agent, en sloeg dan rechtsaf.

Charly had zijn vriend herkend, en beijverde zich nu, om zonder de

aandacht te trekken, de bar te verlaten.

Raffles slenterde langzaam de straat af, sloeg een, dwarsstraat in, en

bleef voor een etalage staan kijken. Met volle attentie bekeek hij de

uitstalling, tot Charly weer bij hem was.

„Goddank, dat je weer gezond en heelhuids hier bent”, fluisterde deze.

„Maar Charly, wat wil je toch. Ik vind zulk een kleine jacht zeer

verfrisschend, bijzonder als je daarbij de gelegenheid hebt, om den

sluwen Baxter daarbij een poets te spelen”.

Daar hun een leege cab passeerde, riepen zij den koetsier aan, en

lieten zich naar het station rijden, terwijl Raffles onderweg zijn

jongste avontuur vertelde.

„Maar nu geloof ik toch, Charly, dat het geraden is, Londen eenigen

tijd te verlaten. Mij dunkt, we moesten naar Dover trachten te komen,

en daar een schip vinden, dat ons naar Indië brengt. Wij moeten toch

den schat zoeken. Als we een beetje geluk hebben, dan kunnen we binnen

een paar maanden terug zijn, en dan kan ik mijn boezemvriend Baxter

weer braaf ergeren”.

„Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik blij ben, Londen te kunnen

verlaten, tenminste voor eenigen tijd. Alleen vrees ik, dat dat niet

zoo gemakkelijk zal gaan. Als Baxter ontdekt heeft, dat we in dat huis

zijn geweest, dan zal hij niet verder zoeken, zonder op alle stations

een oog in het zeil te doen houden. Wie weet, wat deze veel bewogen dag

ons nog brengt!”

„Jij bent veel te zwaartillend, Charly. Ik wil met je wedden, dat we

morgen naar Calais stoomen. Natuurlijk moeten we voortmaken. Als ik me

wel herinner, gaat om dezen tijd de nachtsneltrein naar Dover”.

Onder dergelijke gesprekken hadden onze vrienden het station bereikt.

De dienstman gaf Charly zijn bagagebiljet, maar verwonderde zich, toen

hij hoorde, dat twee groote koffers als handbagage mee in het rijtuig

moesten.

Intusschen had Raffles kaartjes genomen en geïnformeerd, wanneer de

trein vertrok. Deze vertrok over zes minuten. Ze hadden dus net nog den

tijd hun bagage te laten overbrengen, en een goed plaatsje te zoeken.

Raffles gaf den conducteur een fooi, met het oogmerk, dat deze er voor

zorgde, dat geen andere passagiers in de coupé kwamen.

Nauwelijks had ieder zijn hoekje opgezocht, of de trein ging er van

door.

Een zucht van verlichting kwam over Charly’s lippen; Raffles echter

lachte, stak een cigaret op en zeide:

„Ik geloof, dat die fooi zijn uitwerking wel zal hebben, we zullen

ongetwijfeld tot morgen niet gestoord worden. Overigens zal je gelijk

hebben; Baxter zal telegrapheeren, om ons in Dover aan te houden; wij

moeten dus verdwijnen”.

„Verdwijnen? Ja, dat wou ik ook wel. Maar hoe!”

„Dat zal gauw gebeuren, Charly. Help mij dezen koffer maar open maken”.

Aldus geschiedde, en Raffles haalde uit den koffer een scheermes, een

schoteltje, een penseel en pasta.

„Wilt gij u thans gaan scheren?” vroeg Charly. verwonderd.

„Neen, maar ik wil jou scheren!”

Charly begreep er niets van, maar Raffles ging door:

„Ja, ja. Jou trots moet voor onze veiligheid vallen. Kom maar hier,

mijn zoon”.

„Ik begrijp niet...”

„Dat is ook niet noodig; je zult voort zien”.

Als een geboren kapper schoor Raffles zijn vriend, die nu een zeer

jeugdigen indruk maakte. Dan zocht hij verder in den koffer en haalde

daaruit de japon voor een jong meisje, een sportpet en een kleine

blonde pruik.

„Zoo, my boy, nu wordt je mijn dochter. Alsjeblieft. Ik zal je wel

helpen.”

Charly brak in een luid geschater uit. Onder de geoefende hand van zijn

vriend was hij alras in een allerliefst blond bakvischje omgetooverd.

De groote onbekende zelf deed zich een grooten grauwen boord aan en een

dito pruik gaf hem een eerwaardig voorkomen. Zijn klare kijkers verborg

hij achter een blauwen bril.

„Zie je nu, Charly, hoe goed of het is als je al je comediespullen bij

je hebt,” schertste Raffles. „Wij zullen nu onze bagage een beetje

verlichten en jou kleeren, evenals die van den student, weer inpakken.”

Met deze woorden opende Raffles een venster en wierp de kleedingstukken

weg met de opmerking:

„Misschien vindt een arme duivel ze, die er pleizier van kan hebben.”

Toen Baxter het briefje op de schrijftafel gevonden had, overlegde hij

wat hem te doen stond. Hij zond aan de politiebureaux der stations

telegrammen met het signalement van Raffles als student. Dan nam hij

een automobiel en ging, een innerlijke ingeving volgende, naar het

hoofdstation.

Daar was zijn telegram al aangekomen en hij werd gewaar, dat zijn man

twee kaartjes eerste klas naar Dover had genomen.

„Dat zijn de deugnieten!” Onder dien uitroep stormde Baxter het perron

op en kon juist nog de roode lichten van den trein zien verdwijnen.

„Het lijkt wel, of die kerels een verbond met den duivel hebben,”

klaagde hij. „Nu zullen ze mij echter niet ontglippen. De telegraaf is

vlugger dan de spoor en nu ben ik zeker dat ze in dien trein zitten.”

Meteen maakte hij, na al de getuigen gehoord te hebben, proces-verbaal

op. De rakkers zouden hem thans niet meer ontgaan.

Met opgerichten hoofde ging hij naar het telegraafkantoor om zijn

diensttelegram af te geven. Alle stations waar de trein stopte werden

gewaarschuwd. Uitvoeriger seinde hij naar Dover, onder mededeeling, dat

hij met den volgenden trein nakwam. Hij wilde zich niet den triumf

laten ontnemen, Raffles persoonlijk naar Londen te transporteeren.

Trotsch op zijn zekere overwinning en van zijn onfeilbaarheid

overtuigd, ging hij naar de wachtkamer om den volgenden Dover-trein af

te wachten.

Een heele drukte heerschte op het perron van de havenstad. Een groote

menigte politie was langs het perron opgesteld.

Al wie gekomen was om zijn familie van den trein te halen, werd vandaag

niet toegelaten op het perron: men moest achter de afsluiting blijven.

Twee inspecteurs vooral deden gewichtig en gaven de laatste

aanwijzingen. Het publiek begreep niet, wat er aan de hand was, en de

avontuurlijkste geruchten deden de rondte.

De een sprak van den Negus van Abessynië, een ander van een vreemd

dierenspel, een derde van een trein met nihilisten.

Daar klonk een langgerekt fluitje, en de nachttrein van Londen liep het

station binnen.

Nog vóór de trein stilstond sprongen de agenten op de treeplanken.

„Allen zitten blijven, niemand uitstappen! Deuren dicht!” klonk het

overal.

De treinchef en de conducteur stegen uit en werden door één der

inspecteurs in verhoor genomen. De conducteur had twee heeren gezien,

die aan het signalement beantwoordden, en hij vertelde een fooi

gekregen te hebben met het verzoek de heeren tot Dover alleen te laten.

De inspecteur wenkte twee man, liet zich de coupé wijzen en ging naar

binnen. De coupé......was leeg.

Verbluft zagen de beambten elkander en den conducteur aan.

„Gij zult u in de coupé vergist hebben?” vroeg de inspecteur aan den

conducteur.

„Dat is absoluut uitgesloten, mijnheer. Ik weet zeker, dat beide heeren

in Londen hier zijn ingestapt.”

„Och wat, onzin, ge moet u vergissen. Ze kunnen zich toch niet

onzichtbaar gemaakt hebben, of er uitgevlogen zijn? We zullen den

heelen trein moeten doorzoeken. Vooruit! Drie man in den eersten wagen

en drie in den laatsten, dan gaat het vlugger.”

Iedere hoek van de wagons werd nauwkeurig doorzocht. Dat was nogal

makkelijk, daar het rijtuigen met zijgangen waren.

Toen de zes beambten in het midden van den trein elkander ontmoetten,

constateerden zij dat het onderzoek vruchteloos was geweest. Men had

niemand gezien, die aan het signalement beantwoordde.

De passagiers werden ongeduldig. Menig onvriendelijk woord werd

gehoord.

Nogmaals werd de trein doorzocht, maar toen ook dat geen uitkomst gaf,

moesten de inspecteurs wel, tegen hun zin, besluiten om de menschen te

laten vertrekken.

De zoo lang opgehouden massa drong voorwaarts en heel gauw was het

perron leeg.

Uit een van de achterste wagens stapte een jong meisje, dat een ouden

heer behulpzaam was.

Deze moest wel zeer slecht kunnen zien, want hij was bij het uitstappen

haast op den grond gevallen. Bereidwillig was een van de agenten

toegeschoten en had hem geholpen.

„Ik dank u zeer,” zei de oude en keek naar een kruier om. Daar er geen

in de buurt was, zei de agent:

„Zal ik u den koffer aanreiken?”

Zonder antwoord te wachten, was hij al in de coupé gegaan en zette den

koffer op het perron, wat hem niet meeviel, want de koffer scheen nogal

zwaar te zijn.

„Ik dank u nogmaals, sir”, zei de oude heer vriendelijk.

„Niet te danken”, antwoordde de agent, die met een verliefden blik naar

het bakvischje keek.

Eindelijk kwamen twee kruiers, die zich met den koffer belastten. Den

behulpzamen agent vriendelijk groetend, verwijderde de oude heer zich

langzaam, vol zorg door zijn dochtertje geleid.

De politieman salueerde en zag smachtend het aardige meisje na.

Toen de oude heer met zijn dochter het station hadden verlaten, namen

zij aanstonds een rijtuig naar de haven. Daar hoorde Raffles tot zijn

vreugde, dat binnen een half uur het Fransche stoomschip „Monidol” de

terugreis naar Calais zou aanvaarden. Daar er nog twee kajuitsplaatsen

open waren, bespraken onze vrienden die voor zich.

„Goddank”, fluisterde Charly Lord Lister toe, „zoo ver zijn we ten

minste, als het schip nu maar gauw zee kiest.”

„Eigenlijk zijn we nu al geborgen, oude jongen, want naar het

volkenrecht zijn wij hier op Fransch grondgebied.”

Op dit oogenblik ontstond een groote herrie op de aanlegplaats. Men

riep den kapitein, en alles wat zich op het dek bevond, begaf zich naar

voren. Zoo bleven de beide vrienden onopgemerkt achter. Raffles greep

Charly bij de hand en trok hem mee in de kajuit. Zijn scherpe blik had

op de aanlegplaats, heftig gesticuleerend, Baxter ontdekt.

Deze was met den volgenden trein, een z.g. volgtrein, in Dover

aangekomen. Toen de inspecteurs hem vertelden, dat zij niemand gevonden

hadden, scheen zijn verwoedheid geen einde te zullen nemen. Zoo vast

had hij nu op de overwinning gerekend. Hij maakte zijn collega’s een

heftig standje, en liet doorschemeren, dat zoo iets een Londensch

politieman niet zou gebeurd zijn.

Plotseling klaarde zijn gezicht op. Hij had van den kruier in Londen

gehoord, dat de koffers zeer zwaar en zeer groot waren.

De eene had twee gele namen, en op den andere bevond zich een koperen

plaat met het opschrift I.R. 12.

Nu herinnerde de galante agent zich plotseling, dat de koffers, die hij

zelf uit den trein had getild, aan deze beschrijving beantwoordden.

„Dan waren die twee ook de gezochten!” riep Baxter, „die schurken

hebben zich weer verkleed”.

Triomfantelijk zette hij de vervolging voort, trotsch, dat hij door

zijn speurzin het spoor der gezochten had teruggevonden.

Baxter snapte zeer goed, dat zij een schip van vreemde nationaliteit

zouden kiezen. Den kapitein was de inmenging van vreemde politie niet

aangenaam, en daar Baxter geen orders had van den Franschen gezant,

maakte hij bezwaren.

„Ik kan u niet helpen. Binnen drie minuten varen wij weg. Als ge wilt,

dan kunt ge mee gaan naar Calais. Wat ge daar wilt doen, is mijn zaak

niet, maar op het schip staan alle passagiers onder mijn hoede, en ik

heb geen trek en ook geen tijd, om uwe mededeelingen te controleeren.”

En hierbij bleef de oude zeeman.

Baxter, die schuimbekte van woede, wilde den kapitein in elk geval

overhalen om het schip voor anker te laten liggen, tot het doorzocht

was en de vluchtelingen waren gevonden.

Doch de gezagvoerder deed het niet, en liet voor de tweede maal de

stoomfluit klinken. De passagiers hadden schik om Baxters aanstellerij,

en de sympathieën waren met den ouden heer en zijn dochter. Men keek

naar hen om, maar zij waren verdwenen.

Het derde signaal voor de afvaart werd geblazen, de loopplank werd

ingehaald, op het laatste oogenblik kwam Baxter aangerend, met een

kaartje voor het tusschendek, hij sprong nog op de plank, die al in de

lucht zweefde, viel op zijn buik, en werd zoo als een kikker op een

plankje, binnen boord gehaald.

Toen Charly in de kajuit gekomen was, fluisterde Raffles hem in: „Nu

komt het er op aan op alle gebeurlijkheden bedacht te zijn, anders zijn

wij zoo dicht bij het doel nog verloren. Je moet die hinderlijke

vrouwenkleeding uitdoen. Ik zal alles, geld, juweelen en de noodige

voorwerpen in deze waterdichte tasch doen en alle overtollige kleeding

uitdoen. Wij moeten ons volkomen ongehinderd kunnen bewegen”.

Daar alles zich op het dek ophield, konden onze vrienden zich rustig in

hun hut verkleeden. In koortsachtige haast geschiedde het, en in

weinige minuten waren Raffles en Charly zeer licht gekleed.

„Nu voorwaarts, Charly, laat alles liggen wat ligt, daarvan is toch

niets meer te redden. Wij moeten aan onze eigen veiligheid denken.”

Met deze woorden verlieten beiden de hut, en daalden de trap af, die

naar de onderste ruimen voerde.

Nauwelijks was het schip in beweging, of Baxter ving zijn vervolging

aan. Daar hij op de hulp van den kapitein niet rekenen kon, wendde hij

zich tot een steward. Deze wees hem de hut, door den ouden heer en het

jonge meisje besproken.

Als Baxter nog getwijfeld had, dan week nu wel alle twijfel voor

zekerheid. Hij vond het meisjescostuum en een blonde pruik!

Als een overwinningstrophee hield hij die in de hoogte, en toonde ze

eenige passagiers, die hem begeleid hadden.

Men beschouwde deze menschenjacht als een aangename afwisseling, en van

alle kanten boden vrijwilligers zich bij Baxter aan.

Hij koos zich vier passagiers uit, terwijl hij den overigen verzocht

hem niet te hinderen.

Terecht vermoedde Baxter, dat de vluchtelingen zich in de onderste

ruimen verstoken hadden en de vijf heeren daalden daar ook af. Eerst

werd het groote ruim waar de kolen lagen nauwkeurig doorzocht. Geen

hoek bleef onbespied. Eigenlijk maakte het een bespottelijken indruk,

met zulke gewichtigdoenerij als Baxter rondliep, alsof hij muizen en

niet twee volwassen menschen zocht.

In het gansche ruim bevond zich niets dan een berg kolen, die tot in

den versten hoek reikte. Achter in den hoek lagen eenige kolenzakken.

Nadat Baxter met een valkenblik wel tienmaal de ruimte doorboord had,

verliet hij deze plaats. De vier heeren volgden hem, onder allerlei

geestigheden.

Op dit oogenblik rolden uit den hoek waar de zakken lagen, eenige kolen

naar beneden.

Opkijkende, zei een van de heeren: „Het is toch afschuwelijk, dat op

deze schepen altijd zooveel ratten zijn.”

De troep zette zich in beweging, om nu de andere ruimen te doorzoeken.

Toen het gezelschap eenige minuten weg was, schenen de zakken te

bewegen. De ratten maakten zeker een dansje! Weer rolden kolen naar

beneden en voorzichtig keek een hoofd er achter uit.

„Dat is gelukt! Nu gauw hieruit, een verdieping hooger,” fluisterde

Raffles zijn kameraad toe.

Een, twee, drie waren ze de ladder op. Raffles haalde een kleinen maar

scherpen kijker uit den zak en keek naar den horizont. In de verte zag

hij het zeil van een visschersvaartuig, dat gelijken koers als de

„Monidol”, in tegenovergestelde richting, scheen te hebben.

„Daar, Charly, daar komt onze redding,” zei Raffles en wees hem op de

zee.

Op dit oogenblik hoorde men beneden de stemmen van de vijf heeren, die

naar boven kwamen, Snel als de bliksem trok Raffles zich terug in een

hoek, achter rollen scheepstouw en Charly volgde oogenblikkelijk zijn

vriend.

De vervolgers gingen vlak langs hen heen, één bleef zoowaar staan en

stak vlak voor de rollen zijn sigarette aan.

Beiden vluchtelingen stond het hart stil, zij durfden geen adem meer te

halen.

Eindelijk ging ook de laatste weg, en toen alles stil was kwam Raffles

naar voren.

„Ik ben deze eeuwige jacht moede,” fluisterde hij tot Charly. „Nu geldt

het leven of dood!”

Hij had intusschen het venster bereikt, vanwaar hij tevoren de

visscherspink bemerkt had. Deze was intusschen heel wat dichterbij

gekomen. Raffles werkte zich door de opening en sprong toen in de

diepte, oogenblikkelijk door Charly gevolgd.

Beiden flinke zwemmers, stuurden ze op den visscher aan, en daar deze

wind en stroom mee had, schoot hij als een peil door de golven.

De stoker van de „Monidol” was juist het kolenruim binnengegaan. Tot

zijn verwondering zag hij midden op de kolen een wit briefje, met het

opschrift: „Aan politie-inspecteur Baxter”.

Deze kwam op zijn vervolgingstocht opnieuw in het kolenruim en

grinnikend overhandigde hem de stoker het briefje.

Baxter las met een van woede vertrokken gezicht:

„Waarde heer Baxter!

Ik wensch u veel pleizier op uw reis naar Calais. Dezen keer was

het weer mis. Ik ben voor een tijdje op reis naar het buitenland,

om een schat op te halen; maar troost u, ik kom terug!

JOHN C. RAFFLES.”

De visscherspink had intusschen de beide zwemmers opgenomen.

Lord Lister No. 0023: Het geheim van den ring · 第 4 / 4 段