LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 23 HET GEHEIM VAN DEN RING.
HET GEHEIM VAN DEN RING.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE NALATENSCHAP VAN DEN STERVENDE.
De laatste stralen der ondergaande zon vielen in een bekrompen
dakkamertje in een huurkazerne in Whitechapel, een der armste buurten
van Londen.
Op een armzalige legerstede, in den hoek nevens het venster lag een
man, die zich steunend van de eene op de andere zijde keerde.
Hoewel de heele inrichting groote armoede verried, heerschten toch
netheid en orde in de enge ruimte.
En wat aan verwarmende kleedingstukken voorhanden was, was benut om het
den zieke zoo draaglijk mogelijk te maken in bed.
Een leege kist was naast de sponde gezet en daarop stond, in een
gebroken waterglas, een kleine bouquet van viooltjes.
Een lichte beweging aan de deur schrikte den zieke plotseling op, doch
alles bleef rustig, en teleurgesteld legde hij zijn hoofd weer op het
kussen.
„Nog altijd niets”, mompelde hij, en hevige angst om zijn kind, dat
onbeschermd in de straten van Londen dwaalde, kromp zijn hart samen.
In zijn verbeelding zag hij zijn boven alles geliefde Ellen door de
straten gaan, om met de kleine winst, die zij met den verkoop van
bloemen maakte, het leven van haar vader te verlengen. En dubbel groot
stelde hij zich in zijn koortsfantasieën de gevaren voor, waaraan een
jong meisje in de straten van Londen bloot staat.
Dan weer trok een glimlach over de ingevallen wangen van den kranke. De
liefelijke geur der viooltjes herinnerde hem, hoe zijn dochter, ondanks
kommer en ellende, altijd wel middelen vond om hem een bewijs van haar
liefde mee naar huis te brengen.
Hij ademde zwaar en onregelmatig, zijn oogleden waren vast gesloten.
Daar werd zachtkens de deur geopend, en in het donker schitterden een
paar zwarte oogen, die op het armzalige bed bleven rusten.
Zoetjes, haast onhoorbaar kwam iemand binnen, wiens gestalte door een
langen zwarten mantel geheel bedekt werd. Een breedgerande hoed verborg
het gezicht, dat door een vollen baard omringd werd en alleen de
duivelsch-flikkerende oogen zetten de spookachtige gestalte leven bij.
Langzaam bewoog de vreemde zich naar het bed, den zieke scherp in het
oog houdende.
Plotseling flikkerde een lichtstraal, en bescheen het gezicht van den
kranke.
Bij het licht van de electrische zaklantaarn kon men duidelijk een
groot litteeken zien op het gelaat van den onheilspellenden gast, dat
van den rechterslaap tot den mondhoek toe doorliep.
Eén kort oogenblik was voldoende; de vreemdeling had genoeg gezien. De
dood wierp reeds zijn schaduw op het ingevallen gezicht.
„Zoo, loopt het eindelijk op het eind,” siste de huiveringwekkende
kerel. „De duivel zij geprezen! Ik kom nog op het goede oogenblik!”
Hij keek even om zich heen, om zich te overtuigen, dat hij werkelijk
alleen was, en boog zich toen over den kranke heen.
Een smartelijk steunen ontglipte dezen, alsof hij de nabijheid van zijn
vijand voelde.
Bliksemsnel bukte de veemdeling in den hoek, aan het hoofdeinde van het
bed.
Krampachtig stiet de zieke uit:
„Ellen, kom, kom gauw; het loopt op een einde.”
Bijna onhoorbaar stierven de laatste woorden weg en rochelend zonk zijn
hoofd tegen den vochtigen wand.
Na weinige oogenblikken kwamen de geheimzinnige schaduwen weer uit het
duister.
„Hij moet toch hier zijn. Waar heeft hij hem nu verborgen?”
Onder het uitspreken van deze woorden voelden de vingers van den
onbekende over de vermagerde handen van den zieke, die koortsachtig
bevend op een ouden, als deken dienenden mantel lagen.
„Niets!—Niets!—Doch ik moet hem hebben, al zou ik hem het hart uit het
lijf moeten scheuren!”
Op dit oogenblik verried het kraken van de wormstekige trap, dat iemand
naar boven kwam.
Met een grooten vloek sprong de vreemdeling naar de deur en was meteen
in het donker van het portaal verdwenen.
Een moment later sloop een jong meisje het vertrek binnen, ging op het
ziekbed af en knielde daarvoor neder.
„Vadertje, lief vadertje, hoe gaat het met u?”
Halfluid maar sprak ze, en drukte een kus op de vermagerde hand.
De zieke ontwaakte geheel uit zijn koortsachtigen sluimer en zijn
bevende rechterhand liefkozend leggend op het hoofd van het jonge
meisje, fluisterde hij:
„Steek licht op, kind; dan kan ik nog eenmaal je lieve oogen zien, want
het loopt gauw af.”
„Neen, vadertjelief, je mag mij niet verlaten.”
„Steek licht op, het is zoo donker.”
Met een onderdrukten zucht stond het meisje op, en stak het eindje
kaars aan, dat in een hoek in den hals van een flesch stond.
Bij dien flikkerenden schijn kon men haar gestalte nu waarnemen. Van
middelbare grootte, slanke en toch flinke figuur, scheen ze ongeveer
zeventien jaar te zijn.
Haar gelaat verleende haar groote bekoorlijkheid. Een ovaal gezichtje,
een kleine mond, een golf van zwarte lokken, en bovenal een paar
groote, diepblauwe oogen met lange wimpers. Van teint was ze eenigszins
donker.
Terwijl het meisje licht opstak, probeerde de zieke zich op te richten,
maar onder smartelijk steunen viel hij weer terug.
Schielijk snelde Ellen naar het bed, en smeekte:
„Blijf toch liggen, vaderlief. Ga nu wat slapen, dat zal u goed doen.
Ik zal bij u waken. Kijk, hier heb ik iets voor u, dat u helpen zal.”
Met deze woorden maakte zij een pakje open, dat zij bij het binnenkomen
op de tafel had gelegd, en nam daar een flesch wijn uit.
„Kind, Ellen, hoe kom je daartoe? Je zult toch niet de weinige
shillings, die je verdient, hieraan wegmaken? Ik gebruik toch niets
meer, want met mij loopt het af. En nu nog wel wijn, kindje, hoe is dat
toch mogelijk?”
„Vaderlief,” antwoordde Ellen, „ik heb u toch gisteren verteld van dien
heer, welke mij in Oxfordstreet vroeg, waarom ik zoo treurig was, en
die mij al mijn bloemen afkocht, toen ik hem van uw ziekte vertelde.
Vandaag kwam hij terug, en informeerde zoo vriendelijk naar u, en zei
dan, dat ik den wijn zou meenemen, voor versterking van u. Toen gaf hij
mij deze flesch, en vroeg of wij een dokter hebben. Toen ik hem
vertelde, dat reeds drie dokters, ondanks al ons smeeken, geweigerd
hadden te komen, werd hij zeer kwaad. Hij vroeg ons adres en beloofde,
nog vandaag u te zullen bezoeken en een goeden dokter te zenden. Och,
vader, wat ben ik gelukkig; nu zult u bepaald weer gezond worden!”
Zacht schudde de vader zijn hoofd.
„Kindlief, ik bid je, wees voorzichtig. Wat weet je van dien vreemde.
Geloof mij, de rijken bekommeren zich niet zoo maar om ons armen. Als
zij wat geven, dan verlangen ze ook wat terug. Daarom, wees toch
voorzichtig!”
„Vadertjelief,” fluisterde Ellen, „als gij den vreemdeling zult zien,
dan zult ge hem vertrouwen.”
„Nu, ik hoop dat het zoo zijn zal, mijn kind. Ik ken je, en ik weet,
dat je ook alleen den goeden weg vinden zult. God moge je behoeden,
want ik zal het binnenkort niet meer kunnen doen.”
„Beste vader, spreek toch niet zoo. Gij breekt me het hart met zulke
woorden.”
Onderwijl had Ellen de flesch opengetrokken, en een waterglas voor de
helft gevuld. Met veel zorg liet ze haar vader eenige slokken drinken.
„Ik dank je zeer, mijn lieveling. Nu zal ik ook wel krachtig genoeg
zijn, om je het geheim toe te vertrouwen, en mijn schuld aan je af te
doen.”
„Gij vaderlief, een schuld aan mij? Gij, de beste en edelste van alle
menschen?”
„Kom, Ellen, ga aan mijn bed zitten, en luister goed naar mij.”
Onregelmatig en zwaar haalde de zieke adem; en hoestbuien onderbraken
zijn spreken, zoodat Ellen met moeite het verhaal van haar vader volgen
kon, dat hij langzaam aanving:
„Op een Junidag van het jaar 1875 verliet een jongmensch, voormalig
Duitsch officier, met een stoomboot Europa, om in de Nieuwe wereld een
ander leven te beginnen. Lichtzinnigheid had hem zoover gebracht, dat
hij ’s konings rok moest uittrekken. Van jongsaf al niet gewoon met
geld om te gaan, had hem de speelduivel bovendien in schulden gebracht,
die door woekerrenten zoo aanwiesen, dat hij het hoofd er bij verloor.
„Volgens de in zijn kringen gebruikelijke opvatting van eer had de
jonge man zich een kogel door den kop moeten jagen, maar daarvoor was
hij te verstandig. Hij ging naar den vreemde, met het vaste voornemen
door eigen kracht de middelen te verwerven, om zijn schulden te kunnen
afbetalen.
„Mijn kind, dat jonge mensch was ik, uw vader—Werner von Eichstädt—niet
George Warner, zoo als je tot nu toe meende.”
In ademlooze spanning luisterde Ellen naar deze bekentenissen van haar
vader, en gaf hem nog een teug wijns tot versterking.
Na een korte pauze begon de oude man opnieuw:
„Op het schip leerde ik een jongen man kennen. Ook hij trok naar den
vreemde. Wij waren beiden even oud, en daar hij een vroolijke,
goedmoedige kerel leek, die tevens hetzelfde doel had, sloot ik mij bij
hem aan.
„Ik zal je niet het lijden en de ontberingen schetsen, die ik in de
eerste jaren aan den overkant van den Oceaan moest doorstaan.
„Genoeg, het noodlot hield mij met mijn reisgezel bijeen, hoewel hij
een lage natuur was, en van woesten hartstocht. Hij noemde zich John
Brown, hoewel ik later gemerkt heb, dat hij anders heette.”
Een hoestbui onderbrak den zieke. Zwaar ademhalende, viel hij op zijn
leger terug, en fluisterde:
„Ik zal mij moeten bekorten, want spoedig, ik voel het, spoedig—”
Weenend kuste Ellen haar vader den mond.
Mr. Warner, of liever gezegd, Werner von Eichstädt, vertelde verder:
„John Brown, zoo zal ik hem verder noemen, haalde mij over, met hem
naar Europa terug te keeren. Hij bracht mij eerst naar Amsterdam, in
zijn ouderlijk huis. Zijn vader, een diamantslijper, Was uit harteleed
om zijn mislukten zoon gestorven. Zijn bedaagde moeder viel den
verloren zoon, weenende van geluk, om den hals, in de meening dat hij
als een beter mensch was teruggekomen. Gauw genoeg zou zij ervaren, dat
dit niet het geval was. John had mij onderweg dikwijls van een zuster
verteld, die hij mij als hatelijk en boosaardig afschilderde. Een mij
onverklaarbare haat sprak steeds uit zijn woorden, als hij over haar
vertelde.
„Ik was dus zeer verbaasd, in het jonge, nauwelijks zeventienjarige
meisje een volwassen schoonheid te ontmoeten.
„Eenige weken bleef ik daar aan huis, en dat was genoeg dat wij beiden,
dat meisje en ik, elkander oprecht leerden beminnen.
„Wij vroegen haar moeder om haar zegen. De oude vrouw schrok heftig, en
verzocht mij, haar in een andere kamer te willen volgen. Daar vernam ik
uit haar mond de volgende romantische geschiedenis:
„De vader van mijn bruid, die een zeer groote diamantslijperij had
bezeten, had jaren geleden handelsrelaties met Indië. Op zekeren dag
bezocht hem een bevriend gezagvoerder, wiens koopvaardijschip juist in
de haven binnengeloopen was.
„In zijn gezelschap bevond zich een groote, opvallend knappe man, van
sprekend exotische type.
„De scheepskapitein vertelde, dat zijn metgezel een prins uit den stam
der Yemenisten was.
„Bij een der toenmalige oorlogen met de Turken was zijn stam
uiteengejaagd en van al zijn goederen beroofd geworden.
„Bij zijn vlucht voor den vijand uit, was ook zijn vrouw gedood.
Slechts zijn eenig kind, een dochtertje van weinige maanden oud, had
hij aan de woede den vijanden kunnen onttrekken. Na veel gevaren was
het hem gelukt den kapitein te treffen, met wien hij lange jaren
handels- en vriendschapsbetrekkingen had onderhouden. De kapitein bood
zich aan, om den Prins en zijn dochtertje mee naar Europa te nemen en
voor beiden te zorgen. Hij verzocht thans den diamantslijper en zijn
vrouw, het kindje bij zich te willen nemen, om het op te voeden.
„Beiden verklaarden zich daartoe bereid. Daarop trok de Prins een ring
van zijn vinger en gaf dien het slapende kind in de hand. Het was een
breede gouden ring, met vreemde letters ingegraveerd, een rond schild
je toonde den kop van een Indiër met een tulbandachtig hoofddeksel.
„De Prins verklaarde bij monde van den kapitein, dat hij door dit
geschenk voor de toekomst van het kind en haar pleegouders rijkelijk
zorg droeg, want dat de ring de sleutel was van een geheim. Hij hield
de opgave in van de plaats, waar zich een onmeetlijke schat, aan
edelgesteenten en goud bevond, dien de Prins voor zijn vlucht verborgen
had.
„Om nadere mededeelingen gevraagd, wilde hij juist voortgaan met
spreken, als hij plotseling ineenzonk. Een hartverlamming had een einde
gemaakt aan zijn leven, en hij nam het geheim mede in het graf.
„Het kind bleef bij ons, en wij beleefden er veel genoegen van, zoo
voer de oude vrouw met haar vertelling voort. Daar het ons steeds goed
ging, hebben wij het geheim van den ring nooit nagevorscht. Mijn man en
ik kwamen echter overeen, dat Mary, zooals wij het kind lieten doopen,
bij haar huwelijk het geheim van haar ring zou vernemen. Nu kunt gij
het zelf uitmaken.
„Mary werd daarop in de kamer geroepen en kreeg, met den zegen harer
moeder op onze verbintenis, ook den ring als een gedachtenis haars
vaders;—zij dacht hierbij alleen aan den diamantslijper, want het
geheim van haar geboorte had men haar, op mijn wensch, nog niet
onthuld.
„Deze Mary nu, die ik tot dat oogenblik voor John Browns zuster had
gehouden, was uw goede moeder.
„In de zonnige dagen van ons jonge geluk dachten wij niet aan het
geheim van den ring.
„Er was echter iemand anders, die daar geen vrede mee had: dat was
John. Hij had het gesprek tusschen zijn moeder en mij afgeluisterd, en
kende in zijn hebzucht geen ander doel meer, dan zich van het bezit van
het kleinood te verzekeren, en het geheim uit te vorschen.
„Mary droeg het aandenken aan haar vader, den ring, aan een zwart snoer
om den hals.
„Op iedere mogelijke manier trachtte John zich van het versiersel
meester te maken. Ook na ons huwelijk zat hij ons voortdurend op de
hielen, en bezocht ons dikwijls in ons huisje, dat ik in Muiden gekocht
had.”
De zieke zweeg een poos; hij haalde zwaar adem.
Na eenige oogenblikken ging hij, met stokkende stem, verder:
„Nu kom ik tot het moeilijkste uur mijns levens: Eens op een avond
keerde ik onverwachts van een reis voor zaken terug, en vond John, dien
ik in Amsterdam waande, die trachtte in onze slaapkamer te sluipen.
Zinneloos van woede greep ik een mes, en stiet blindelings op John in.
Een vreeselijke kreet, en hij stortte op den grond. Op het alarm
toegesneld, kwam uwe moeder in de kamer. Als zij den verwonde zag,
wierp zij zich over hem, en schreeuwde: „Werner, wat hebt gij gedaan”?
„De bezorgdheid, die uit deze woorden sprak,—die echter uit haar goed
hart welden—schenen mij bewijs genoeg voor haar ontrouw te zijn. In
mijn blinde ijverzucht joeg ik haar in nacht en ontij naar buiten. Om
John, die bloedend en steunend op den grond lag, bekommerde ik mij niet
verder.
„Ik tilde jou uit je bedje, nam den ongelukkigen ring, die aan alles
schuld droeg, mee en ijlde heen, naar den spoorweg. Nu weg, weg van
hier. Dat was mijn eenige gedachte.
„Ik voer nog denzelfden nacht met jou over naar Londen. Het huisje in
Muiden liet ik door een notaris verkoopen. Daardoor vernam ik, dat men
John met een wonde, die recht door zijn wang ging, gevonden had. Hij
had echter iedere inlichting geweigerd, hoe hij die verwonding had
opgeloopen.
„Ik trachtte, thans voor de derde maal, in Londen een nieuw bestaan te
vinden. Helaas, wat ik ook aanvatte, niets wilde gelukken. Uit elke
betrekking werd ik weer verjaagd. Branden ontroofden mij mijn zwaar
verdiende kleine bezittingen, aanklachten waren er op berekend mij mijn
eerlijken naam te doen verliezen. Wanneer ook later de ongegrondheid
der aanklachten bleek, zoo hadden ze mij toch altijd reeds mijn positie
gekost. Op zulk een manier werd mij het leven tot een hel.
„Ik weet zeker, dat John de geheime drijfveer van al deze vervolgingen
was; hij alleen is aan al het ongeluk schuld. Sinds ik hem in dien
nacht met het mes geteekend heb, hechtte hij zich aan mij vast en zocht
mij te verderven. Hoe goed hem dat gelukt is, toont een blik op onze
omgeving. Ellendig en arm sterf ik thans en moet u, mijn lieveling,
zonder bescherming achterlaten. Slechts één ding heb ik nog gered; zie
hier.”
Met zijn laatste krachten richtte zich de stervende op, en greep met
bevende hand in den stroozak, waaruit hij een pakje te voorschijn
haalde. Nadat hij het omhulsel had verwijderd, kwam er een glinsterend
voorwerp te voorschijn.
„Dat is mijn erfenis. Gij weet nu, dat uw arme moeder misschien nog
leeft. Zij is niet, zooals ik u immers zei, in Holland gestorven.
„Toen ik na mijn vertrek weder tot bezinning kwam, en mij bij nadenken
de onschuld van uw moeder immer duidelijker werd, deed ik alles om haar
verblijfplaats te ontdekken; maar haar spoor was en bleef verloren.
„Tot op het laatste oogenblik heb ik nog gehoopt, dat ik mijne Mary zou
terugvinden, om haar vergiffenis te kunnen afsmeeken. Die hoop werd
niet vervuld, maar mijn verlangen bleef ongestild.
„Daarom bid ik u, mijn kind, thans in mijn stervensuur, zoek uw moeder
en verwerf haar vergiffenis voor mij. Deze ring zal het teeken zijn,
waaraan de moeder haar kind herkent; draag hem daarom steeds.”
Met bevende hand stak de vader den ring aan den wijsvinger van de
rechterhand zijner dochter.
In huilen uitbarstende wierp Ellen zich over hem en kuste zijn
voorhoofd.
De hand van den stervende rustte zegenend op haar hoofd. Stokkend en
kuchend ging de ademtocht, en het scheen, als zocht hij met zijn
laatsten blik haar gansche gestalte te omvatten. „Luister, mijn kind.
Het geheim van dezen ring heeft goed geluk mij doen vinden. Ik weet
thans, dat gij rijk zult zijn, en ik bid u daarom nogmaals: zoek uwe
moeder! Geld opent alle deuren, en het zal u tot haar brengen. Toen ik
vandaag mijn heele leven voor mijn geest liet voorbijgaan, beschouwde
ik ook dezen ring. Mijn rechterhand gleed over den kop van den Indiër
en plotseling—”
Een trilling voer door het lichaam van den stervende, met een zucht
zonk hij op het bed terug en zijn oogen sloten zich voor immer. Het
geheim van den ring nam hij mede in de eeuwigheid!
Ellen schreide luid. Had ze tot nog toe nimmer een doode gezien, zoo
voelde zij toch, dat hier een trouw vaderhart had opgehouden te
kloppen. De opwinding van het laatste half uur was te sterk geweest
voor Ellen; een weldadige onmacht kwam over haar.
Plotseling opende zich de deur en de spookachtige gast, die door Ellens
opkomen verjaagd was, trad binnen.
Een duivelsche lach plooide zijn gelaat. Bloedrood teekende zich het
litteeken af in John’s gezicht,—want hij was het, die binnentrad.
Met één sprong was hij bij de sponde van den doode. Een snelle greep
haar Ellen’s rechterhand, en met brutaal geweld rukte hij den ring van
den vinger der bewustelooze.
„Eindelijk dan gevonden. Nu zijt gij mijn, en met u uw schat!”
Schielijk borg hij den ring, die voor zijn vinger te klein was, in zijn
zak, zonder te merken, dat hem een schitterend voorwerp ontviel, toen
hij den ring van Ellen’s vinger griste. Dan verliet hij met een
boosaardigen lach deze verblijfplaats des doods......
Het kaarsje was opgebrand, toen Ellen uit haar onmacht ontwaakte.
Zij streek zich over de zwarte lokken, alsof zij eerst haar gedachten
moest verzamelen. Dan echter, als zij het lijk haars vaders zag, brak
een nieuwe tranenstroom los.
Langzaam stond zij op en trad aan het venster. Nu keerde de herinnering
aan het gehoorde en doorleefde in haar zinnen terug.
In haar verlatenheid steeg als een zoete troost de gedachte aan hare
moeder in heur ziel op. Zij keek naar haar hand om den ring, het
aandenken, te bezien......
Hij was verdwenen.
Een oogenblik bezon zij zich. Ze herinnerde zich toch zeker, dat haar
vader zelve haar den ring aan den vinger had geschoven; waar kon hij nu
zijn?
Angstig blikte zij in de ruimte en het vermoeden van verlies snoerde
haar de borst ineen. IJverig zocht zij in alle hoeken en gaten. Steeds
duidelijker werd haar, dat de ring verdwenen was.
„Nu zal ik hem wel nooit meer vinden!”
In naamloze smart klonken deze woorden van haar lippen.
Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.
Ellen deed open, en binnen trad een flink gebouwde, elegante heer, van
middelbaren leeftijd. Hij droeg een kleine snor, en had een paar
goedige oogen.
„Nu, miss, daar ben ik, zooals ik beloofd heb,”—dat waren de eerste
woorden van den binnentredende.
„Heel gauw zal ook de dokter komen. Ik ben maar vooruitgegaan, wijl ik
wist, dat gij zeer bezorgd waart over uwen vader, en ik u het goede
nieuws snel wou overbrengen. Ik hoop, dat het den zieke wat beter
gaat?”
Met de linkerhand bedekte Ellen de oogen, om den tranenstroom te weren;
met de rechter wees zij op het doodsbed.
Langzaam naderde de vreemdeling; één blik zeide hem genoeg. Zacht legde
hij zijn hand op haar hoofd, en zeide:
„Beste miss, uw smart is zeer begrijpelijk, want het is menschelijk,
als wij treuren over hen, die van ons worden weggenomen. Bedenk echter,
dat hij nu verlost is van een zwaar lijden, en van veel ontberingen.
Gun hem den vrede! Voor de toekomst kunt gij onbezorgd zijn. Ik zelf
neem natuurlijk de zorg voor de begrafenis en voor alle noodige
schikkingen op mij. En als ik u soms ergens mee kan helpen, zeg het mij
gerust, het zal geschieden.”
„Hoe zal ik er u voor danken,” bracht Ellen eindelijk onder snikken
uit, „dat gij u de verlatenen zóó aantrekt?”
„Hier is mijn adres,” zeide de vreemdeling en legde zijn kaartje op de
tafel.
„Als gij een of anderen wensch hebt, zoo schrijf mij, of zend mij een
boodschap; ik zal dan aanstonds tot uw dienst zijn. Voor het meest
dringende verzoek ik u deze kleinigheid van mij aan te nemen.”
Met deze woorden nam de vreemdeling twee bankbiljetten van 5 pond
sterling uit zijn portefeuille en legde die op tafel.
„Neen, mijnheer,”—Ellen wierp een korten blik op het kaartje, waarop in
sierlijke letters stond John Babberton,—„dat kan ik niet aannemen.”
„Ik verzoek er u nogmaals om. Beschouw het als geleend geld, en geef
het mij later weerom.”
Mister Babberton bood Ellen de hand. Zij greep deze en boog zich, alsof
zij er een kus op wilde drukken; maar snel onttrok hij haar zijn hand.
„Kan ik in dit oogenblik nog iets voor u doen, beste Miss?”
„Ja, mijnheer, ik bid u dringend om raad en hulp. Ik ben nog
ongelukkiger dan gij vermoeden kunt. Eén uur geleden hoorde ik van
mijne moeder, die ik dood waande, dat zij nog leeft. En op denzelfden
tijd, in hetzelfde uur, heb ik haar met mijn vader verloren.”
„Ik begrijp u niet goed, vertel mij toch alstublieft wat u meent.”
Door krampachtig snikken onderbroken vertelde Ellen alles, wat haar
haar vader had toevertrouwd.
Met nieuwe meer stijgende verbazing volgde Babberton Ellen’s verhaal.
Toen zij geëindigd had, haalde hij een electrische zaklantaarn te
voorschijn, en zeide:
„Nu, miss Ellen, wij zullen eens zoeken, of de ring niet te vinden is”.
Samen begonnen zij, schrede voor schrede, den vloer, af te zoeken.
Plotseling bukte Babberton zich en hief een glanzend voorwerp op, dat
dicht bij een tafelpoot lag.
„Wat is dat nu?”
„Hebt u den ring gevonden?” vroeg Ellen, en blijde hoop klonk uit haar
toon.
„Neen, niet den ring,” antwoordde Babberton, „maar iets anders, doch ik
kan nauwelijks aannemen, dat het u behoort”.
Met deze woorden legde hij een manchetknoop op de tafel en liet het
licht van de zaklantaarn daarop vallen.
Een zee van licht scheen van den knoop uit te gaan, Het leek een
pyramide uit briljanten bestaande, waarom zich een slang kronkelde, uit
de prachtigste saphieren samengesteld. Twee schitterende robijnen
moesten de oogen van het reptiel voorstellen.
„Deze knoop vertegenwoordigt een klein vermogen,” riep Babberton uit.
„Hoe komt die dan hier?”
„Ik heb er geen begrip van. Nooit heb ik zoo iets schoons gezien,”
antwoordde Ellen met de grootste bewondering.
Een triomfantelijke lach ging over het gezicht van onzen
menschenvriend.
„Nu meen ik het verloop te begrijpen. Wilt gij toestaan, miss Ellen,
dat ik dezen knoop voorloopig behoud? Hij zal ons goeden dienst doen.
Ik geloof u thans beslist te kunnen verzekeren, dat gij binnenkort uw
ring terug zult hebben. Hier, in het aangezicht uws gestorven vader
zweer ik u, dat ik zijn lijden wreken zal op de schurken, die het
veroorzaakten.
„Ik beschouw het als mijn levenstaak een helper van armen en ellendigen
te zijn, en de schurken te straffen, die zich vetmesten van het bloed
en zweet der armen. Vertrouwt gij mij?”
„Mr. Babberton, gij zijt zoo goed. Ik leg mijn lot geheel in uwe hand.”
„Goed, lieve miss Ellen, en gij zult u daarover niet berouwen. Ga nu
mee, ik zal u in een goed hotel brengen, dan behoeft gij dezen nacht
niet met den doode te samen te zijn.”
„Ik dank u van harte, maar ik ben niet bang. Hier is mijn plaats.”
Met deze woorden trad Ellen op het sterfbed haars vaders toe.
„Dan wensch ik u goeden nacht!”
De deur viel achter Babberton in het slot. Snikkend zonk het meisje bij
het lijk haars vaders neder.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE VAL.
We bevinden ons in een jonggezellenkamer in de Fleetstreet. Het is ’s
morgens tien uur, van een klaren herfstdag, en de zonnestralen
weerkaatsen in de kamer op allerlei wapenen en gereedschappen, die er
uitgestald zijn.
Zware Indische tapijten, luipaarden en tijgervellen bedekken den vloer.
Geweren van zeldzamen vorm, pistolen en messen waarvan het handvat met
kostbare edelsteenen is ingelegd, hangen aan den wand. Overal verspreid
staan afgodsbeeldjes, vazen en allerhande vreemde spullen.
Men zou zich haast verbeelden in een museum te zijn; als niet één
voorwerp storend werkte op den kunstzinnigen beschouwer: tegen een der
wanden van de kamer staat een groote ijzeren brandkast.
Voor een elegante schrijftafel, aan den tegenover liggenden kant van
het vertrek zit een man. Hij draagt een Indischen slaaprok, rijk met
goud opgestikt, en een grauw onderkleed van den laatsten smaak.
Juist heft hij zich met een ruk op en werpt woedend een brief weg, dien
hij tot op dit moment met groote opmerkzaamheid had gelezen.
Nu eerst is zijn gezicht goed op te nemen. Een paar kleine,
schitterende oogen in een vaalgeel gelaat, geven de aanvankelijk
elegante, flinke verschijning iets terugstootends. Een breed litteeken,
van den rechterslaap tot den mondhoek, doet hem ons aanstonds herkennen
als de man, die in het kamertje van den stervende was geslopen, om den
geheimzinnigen ring te stelen.
„Gelooft die schelm werkelijk, dat ik mij door hem zal laten
verschalken,” siste hij, vol haat.
Op dit moment deed zich een eigenaardig geruisch hooren.
John Brown—zooals wij hem maar zullen blijven noemen—ijlde naar een
decoratief, naast de brandkast. Hij schoof een Indisch tapijt, dat als
ondergrond diende voor verscheidene wapens, terug en drukte op een
veer.
Als door een onzichtbare hand aangeraakt, schoof het decoratief
geluidloos een halven meter naar achter; alleen de wapens tikten even
zacht tegen elkaar.
Door de op deze wijze ontstane smalle opening kwam een zeldzaam figuur
naar voren. Op een dwergachtig klein lichaam, dat door een grooten
bochel nog meer ontsierd werd, zat een naar verhouding bespottelijk
groot hoofd, met een stekeligen vuurrooden haardos.
Met een grijnslach knikte de binnenkomende John Brown toe, en sloot dan
met een korten ruk de geheime deur.
Aan de manier waarop hij dat deed was duidelijk te zien, dat hij niet
voor de eerste maal dezen geheimzinnigen weg gekomen was.
„Goeden morgen, John. Je hebt me laten roepen, vriend, en hier ben ik
nou.”
Met deze woorden bood de dwerg John zijn verminkte hand, waar de
wijsvinger aan ontbrak.
Ietwat dralend drukte onze gastheer de hand van den roode.
Een spotachtig lachje trok over diens jenevergezicht.
„Wees maar niet bang. Je kent die hand toch wel? Die heeft het toch aan
jou vriendelijkheid te danken, dat hij vandaag niet heelemaal compleet
is. Maar wat is er aan de hand, my boy. Daar moet toch iets bijzonders
wezen, dat uwe Lordschap mij zoo snel hierheen ontbiedt.”
Zich makkelijk neerzettende op een ottomane, haalde de bochel een
pijpje te voorschijn, stak er den brand in, en keek John aan, benieuwd
wat er komen zou.
Deze nam het voorlaatste nummer van de „Times” van zijn schrijftafel,
trok een stoel bij en vroeg aan den bochel:
„Is je aandacht gisteren niet gevallen op een zeldzame advertentie van
een mooie vondst, Jim?”
Deze trok zijn gezicht weer in een grijns, terwijl hij antwoordde:
„Je weet toch, dat gevonden voorwerpen me dan alleen interesseeren, als
ik ze zelf gevonden heb, en dan adverteer ik ze niet.”
Met een knorrenden lach gaf Jimmy dit, naar zijn meening zeer geestige
antwoord.
Zijn metgezel sloeg er geen acht op, doch las met een sonore,
welluidende stem de volgende annonce:
GEVONDEN
gisteravond een kostbare manchetknoop. De eigenaar wordt verzocht
een nauwkeurige beschrijving daarvan aan het onderstaand adres op
te zenden. Als die beschrijving klopt, zal den eigenaar het
gevondene aanstonds worden teruggebracht, daar de vinder geen
belooning wenscht. X. E. 10 Postkantoor 3.
Toen John uitgelezen had, keek hij vol verwachting den bochel aan.
Deze deed alsof hij niets merkte; hij besteedde al zijn opmerkzaamheid
aan het schoonmaken van zijn pijpje.
„Nu, Jim, wat zeg je daarvan?”
„Waarvan?”
„Wel, van deze advertentie?”
„Wat zal ik daarvan zeggen? Dat moet een vreeselijke ezel van een vent
zijn. Dat vindt een kostbaren knoop, gaat dat dan gauw adverteeren om
hem weer kwijt te raken, en wil niet eens een belooning hebben. Maar
heb je me daarvoor met zoo veel haast ontboden, om me wat uit een oude
krant voor te lezen?”
„Neen Jim, maar met die advertentie hangt een zeer merkwaardige
gebeurtenis samen, die me een beetje ongerust maakt. Ik had
eergisteravond nog een klein zaakje op te knappen. Je weet, hoe of ik
op ouderwetsche versierselen verlekkerd ben. Nu, om kort te gaan, ik
was in de gelegenheid om een ouden ring machtig te worden.”
De bochel knikte John vergenoegd toe, met dichtgeknepen oogjes.
„Het is maar goed, my boy, dat je zegt „machtig te worden.” Als je
gezegd had, ik was in de gelegenheid, den ring te koopen, dan zou ik je
in je gezicht uitgelachen hebben, want ik weet genoeg, hoe jij je
kostbaarheden „machtig wordt.””
„Schei toch uit met die flauwiteiten”, zei John nijdig. „Wij weten best
wat we aan elkaar hebben, en jij kan je je geestige opmerkingen
sparen.”
„Allright, my boy, zoo als je wilt,” bromde Jim en hield zich weer druk
bezig met zijn pijp.
„Dus zoo als ik zei, op mijn wandeling— —”
„Wandeling is goed,” grijnsde Jim.
„Staak toch eindelijk dat vermaledijde spotten en luister liever,” riep
John nu woedend.
„All right,” murmelde Jim.
„....dien avond verloor ik een van de manchetknoopen, die gij ook kent.
De pyramide van briljanten met de kleine slang, het teeken mijner
waardigheid als grootmeester van onzen bond.”
„Arme boy,” grinnikte. Jim boosaardig, „Je weet toch, wat Schiller
gezegd heeft: „Und fällt der Mantel, muss der Herzog nach.” Nu was het
wel een manchetknoop, doch je kunt niet weten....”
„Je kunt je geestige opmerkingen wel voor je houden, en mij liever raad
en hulp geven.”
„Op welke manier, my boy? Zal ik den knoop gaan zoeken? Dan moet je me
eerst vertellen, waar ge dien fameusen ring „gekocht” hebt,” hoonde de
bochel.
„Wees toch eindelijk verstandig, en laat me uitpraten. Ik heb den knoop
al weer terug.”
„Nu dan, mijn liefje wat wil je nog meer?”
„Toen ik gisteren de krant doorlas, viel die advertentie mij dadelijk
op. Ik twijfelde geen oogenblik, of het was mijn manchetknoop. Ik
schreef dus dadelijk een hoffelijken brief, met een nauwkeurige
beschrijving, en verzocht den vinder bij mij te komen. In plaats
daarvan echter krijg ik van morgen met den eersten post een brief met
aangegeven waarde. Ik doe dien open, en vind, tot mijn groote vreugde,
den verloren manchetknoop.”
„Aha, nu kom ik er eindelijk achter,” aldus onderbrak de bochel hem,
„nu heb je me gauw laten halen, om met een ouden vriend deze blijde
gebeurtenis te vieren, onder een lekker fleschje wijn.”
Zonder op dit gesnap te letten, ging John voort:
„Behalve den zorgvuldig verpakten knoop vond ik in het pakket een
briefje, waarvan de inhoud me om verschillende redenen zeer heeft
verontrust.”
John stond op, liep naar de schrijftafel en nam den brief op, dien hij
bij het binnentreden van den bochel had weggeworpen.
„Luister. John Brown Esq.”
„Alle duivels,” klonk het uit den mond van den bochel, die opsprong,
alsof hij door een adder gebeten werd.
Zonder hier acht op te slaan, ging John voort:
„John Brown Esq!
Uit dit opschrift, dat zeker oude herinneringen bij u opwekt, zult
ge begrijpen, dat ik weet, wie mister John Blakhorst, als hoedanig
gij u voorstelt, vroeger was. Ik weet echter nog meer... Uw
manchetknoop zend ik u heden terug, onder mededeeling echter, dat
ik mij daarvoor den Indischen ring als vindersloon zal inruilen. Ik
moet dat wel zelf doen, want het is bezwaarlijk te verwachten, dat
gij hem mij zult zenden.
John C. Raffles.”
John liet de hand, waarin hij den brief hield, zinken, en sloeg den
indruk gade, dien de inhoud er van op Jim gemaakt had.
Deze stond, de handen in de broekzakken, te overpeinzen en kauwde op
zijn pijp. Langzaam zijn hoofd oprichtende trok over zijn gezicht weer
dat half satanische, half goedmoedige grinniken.
„Well, my boy, ik geloof wel, dat je dat dwars zit. Hoe komt die meneer
aan de wetenschap van jou vroegere pseudoniem? En wie is die meneer?”
„Wie?” snauwde John, „weet ge niet wie Raffles is? Ge hebt toch zeker
wel van den gentleman-dief gehoord, die kortelings den geweldigen
diefstal van het paarlencollier heeft opgeknapt, en die door zijn
raadselachtige inbraken gansch Scotland Yard in beweging houdt. De pers
zelfs verkneukelt zich er over, dat alle pogingen van de politie, om
den dief te vangen, mislukken.”
Een knorrend gelach deed de bochel hooren.
„Alle duivels, natuurlijk! Ik heb ook al zoo om hem gelachen, maar de
naam was mij ontschoten. Dat moet een fameuse kerel zijn; dien wou ik
wel leeren kennen.”
„Nu, wie weet, mijn brave Jim, of je daarvoor niet heel gauw
gelegenheid hebt, al is het de vraag, of je er dan nog zoo mee
ingenomen bent. Thans kondigt dat heer mij zijn bezoek aan. Ik denk de
politie om haar bescherming te vragen.”
„My boy, dat deed ik in jou plaats nu liever niet,” wierp de bochel
tegen. „Wie, als gij, een paar donkere bladzijden in zijn levensboek
heeft, die moet niet zoo de aandacht van de politie op zich vestigen.”
„Wie zal mij wat maken? Ik ben als een rijk man bekend, leef van mijn
renten en verzamel oudheden. Mijn vroegere kleine zaakjes gaan niemand
wat aan. Maar nu ter zake. Je bent toch nauwkeurig bekend met de
ijzeren kist, die in den muur gebouwd is bij het altaar in onze z.g.
Grot der Verdoemden. Ik weet, dat ik me volkomen op je verlaten kan.
Hier is een briefje, dat je het woord noemt, waarmee je het letterslot
van de kist kunt openen. Nu neem je dit kleine pakje, gaat naar den
geheimen ingang, die behalve aan Wabson alleen aan jou bekend is, en
zet het pakje in de groote kist. Ik ben zeker, dat die verduivelde
schoft, die Raffles, zijn woord houdt en terug zal komen, om me te
bestelen. De ring zal hem echter niet in handen vallen, al zou hij er
hemel en aarde voor bewegen.”
Met deze woerden opende John Blakhorst, zooals wij hem met zijn
eigenlijken naam maar noemen zullen, de brandkast, en nam er een klein
pakje uit, dat hij Jim overhandigde.
Deze liet het pakje achteloos in zijn rechter broekzak glijden.
Zorgvuldig sloot Blakhorst de brandkast en legde den sleutel in een vak
van zijn schrijftafel.
Toen hij zich omkeerde, zag hij den bochel nog altijd op dezelfde
plaats staan, met een lucifer in zijn pijp peuterende.
„Wat sta je nu nog hier? Ga heen, en doe nu precies, wat ik je gezegd
heb.”
„Nu niet zoo driftig, my boy,” grinnikte de bochel. „Je weet wel, dat
ik je graag van dienst ben, en dat jij je op mij verlaten kunt. Als je
echter zeer ver loopen moet, dan krijg je dorst onderweg, en het
zakgeld, dat je mij zoo vriendelijk gegeven heb, is op.”
Somber fronste Blakhorst zijn wenkbrauwen.
„Pas eergisteren heb ik je vijf pond gegeven, en nu heb je weer geen
geld?”
„Ja, my boy, dat is gisteravond alles in Hesterstreet er aan gegaan.”
„Kan je dan dat vervloekte spelen niet nalaten?” foeterde Blakhorst
„Als ik me niet zoo absoluut op je verlaten kon...”
„En als je,” onderbrak Jim hem grijnzend, „niet zoo erg mijn
stilzwijgendheid noodig had, dan was het anders.”
Met een halfgesmoorden vloek wierp Blakhorst den bochel twee guinea’s,
ƒ 25, toe.
„Wel wat weinig, my boy!”
„Maak, dat je weg komt!”
„Nu, nu, my boy, nu niet zoo zenuwachtig. Raffles staat nog niet op den
drempel,” hoonlachte de bochel, terwijl hij op de veer van de geheime
deur drukte.
Eenige oogenblikken later was hij verdwenen, en vertoonde de kamer weer
haar gewone voorkomen.
Aan de middelste deur werd geklopt.
Blakhorst stond op, en deed open. Het vriendelijke gezicht van een oude
vrouw vertoonde zich.
„Wel, wat is er, Betsy?” vroeg Blakhorst.
Zijn huishoudster hield hem een zilveren presenteerblad voor, waarop
een keurig visitekaartje lag, en zei daarbij, op den luiden toon, aan
doove menschen eigen:
„Mr. Blakhorst, deze heer wenscht u te spreken.”
Op het kaartje stond: John Babberton.
Blakhorst kon zich niet herinneren, ooit dien naam gehoord te hebben en
zei daarom kortaf:
„Laat mijnheer binnen komen.”
De huishoudster trok af, om vlak daarop met den bezoeker terug te
keeren, wien zij de deur opende.
In elegant visite-toilet, heelemaal een gentleman, trad John Babberton
over den drempel. Om zijn mond speelde een vriendelijk lachje, toen hij
zich voor Blakhorst boog, en zei:
„Ik moet u uitdrukkelijk mijn verontschuldiging aanbieden, dat ik u zoo
maar lastig kom vallen. Waar ik echter meen, u een dienst te kunnen
bewijzen, hoop ik dat daarmee mijn indringen geëxcuseerd zal worden.”
„Ik ben tot uw dienst,” zeide Blakhorst, een beetje koel, terwijl hij
zijn gast een zetel toeschoof.
Even neigende, dankte Babberton en liet zich in den fauteuil neder. Met
een enkelen oogopslag, zonder onbescheiden te lijken, nam hij toch
scherp zijn heele omgeving op.
Toen de heeren beiden plaats hadden genomen, vroeg Blakhorst, terwijl
hij den inhoud van zijn cigarettenkoker zijn gast offreerde:
„En waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Babberton nam een cigaret, maakte dan met de hand een afwerende
beweging en zeide:
„Laat mij u vertellen, wat mij hierheen brengt. Voor eenige dagen
hoorde ik in mijn club van uw kostbare verzameling Oostersche wapens en
oudheden. Ik zelf ben ook een groote vriend van zulke antiquiteiten, en
zou graag eens uw verzameling willen zien. Daar zoo’n verlangen van een
vreemdeling misschien wat zonderling schijnt, zoo veroorlooft gij mij
zeker wel dat ik mij van te voren voor de vriendelijkheid erkentelijk
toon.”
Met deze woorden haalde Babberton een pakje uit zijn zak. Toen hij het
los gemaakt had kwam een klein gouden Indisch afgodsbeeldje te
voorschijn.
Blakhorst was kenner genoeg, om de aanzienlijke waarde hiervan dadelijk
op te merken. Met begeerlijke oogen keek hij naar het kunstwerk.
Babberton, die hem scherp in de gaten hield, en dat heel goed merkte,
reikte Blakhorst het afgodsbeeldje met een triomfantelijk lachje over.
„Ik zie tot mijn vreugde, dat deze kleinigheid uw belangstelling wekt,
en ik verzoek u daarom, het een plaatsje te geven in uwe verzameling.”
„Maar mr. Babberton, hoe kan ik van u, die mij tot nog toe een
onbekende waart, zulk een kostbaar geschenk aanvaarden?”
„Voor mij beteekent het geen verlies, zooals gij misschien gelooft,”
antwoordde Babberton, „want ik bezit nog een tweede exemplaar. Ik zal
mij verheugen, als gij mij bij gelegenheid de eer van uw bezoek wilt
aandoen, om u dan ook mijne verzameling te laten zien.”
„Maar met het grootste pleizier. Misschien kan ik u op eenigerlei wijze
erkentelijkheid toonen. In ieder geval aanvaard ik dankbaar dit
kostbaar stuk, en hoop mijn revanche te zullen nemen,” zei Blakhorst,
wien de hebzucht te pakken had.
„Mag ik u nu mijne verzameling toonen?” Met deze woorden wilde hij
opstaan.
Babberton echter legde de hand op zijn arm en zeide:
„Ik verzoek u, mij nog een oogenblik te willen aanhooren. Waar wij
éénzelfde liefhebberij er op nahouden, durf ik mij nog een gewichtig
verzoek te veroorloven.”
„Spreek gerust, waarde heer, ik ben geheel tot uw dienst.”
„Het is een zéér delicate zaak, die mij bezighoudt,” ving Babberton
aan.
Hij sprak langzaam en met nadruk, schijnbaar zijn aandacht verdeelend
tusschen zijn cigarette en zijn vingertoppen, maar inderdaad scherp het
gelaat van Blakhorst bestudeerende.
„In de Club, waar ik van uw kostbare verzameling hoorde, werd mij ook
door een goeden vriend, dien ik niet noemen kan, verteld, dat gij ook
in nadere betrekking staat tot een kring, welks bestaan door den een
wordt ontkend, door den ander volgehouden.”
Blakhorst verbleekte lichtelijk.
„Ik weet werkelijk niet, welke vereeniging gij meent, ik behoor tot
verscheiden clubs......”
„Nu, mr. Blakhorst, ik wil voorop stellen, dat ik steeds een groote
vriend ben geweest van geheime vereenigingen, en dat ik bereid ben, elk
gevraagd geldelijk offer te brengen. Ik bezit in Indië groote
diamantmijnen, en ben in de gelegenheid om uw verzameling nog met menig
kostbaar stuk te verrijken. Ik verzoek u daarom zeer, mij de middelen
en de wegen aan te geven, hoe ik in de „Vereeniging der broeders van
den duivel” kan worden opgenomen. Ik geef u mijn woord, dat ik van uw
inlichtingen niets jegens mijn vrienden zal loslaten.”
Blakhorst speelde zenuwachtig met de kwast van zijn crapaud. Op zijn
gelaat las men duidelijk een tweestrijd in zijn binnenste.
Na een kleine pauze begon Blakhorst:
„Ik weet heusch niet wat ik doen en zeggen moet. Gij zijt zoo
vriendelijk tot mij gekomen....”
„En ik zal uw goedheid nooit vergeten, als gij mijn verzoek wilt
inwilligen.”
Blakhorst stond op en liep met groote schreden heen en weer in de
kamer. Dan zeide hij:
„Overmorgen, Donderdag, heeft een samenkomst plaats. Ik zal met de
bestuurders spreken en u introduceeren. Geloof nu echter niet, dat gij
veel zult beleven, want iedere nieuweling moet heel wat proefstukken
afleggen.”
„Ik onderwerp mij aan alle voorwaarden.”
„Goed. Gij gaat met den trein tot Stonebridge-Park. Van het station
komend gaat ge de laan door naar rechts, ongeveer twaalfhonderd passen
ver. Dan komt ge aan een klein huisje. Als ge aanklopt, doet een oude
vrouw open, en die zal vragen, wat ge verlangt. Dan legt ge den
wijsvinger van uw rechterhand op uw hart, en zegt: Goddam.
„Dan zult ge binnen gelaten worden. Ge loopt twee kamers door, en klopt
dan driemaal op den rechterwand van de laatste kamer. Het verdere zult
gij dan wel merken.”
Babberton was opgestaan en reikte Blakhorst de hand.
„Ik dank u zeer. Gij zult zien, dat ik uw vriendelijkheid niet vergeet
en ze reciproceeren zal. Hoe laat moet ik Donderdag naar dat huisje in
Stonebridge Park gaan?”
„Tegen negen uur ’s avonds.”
„Dank u zeer. Mag ik u nu nog vragen, om mij uw verzameling te laten
zien?”
Blakhorst liet eenige wapens en gevesten zien, en vertelde er een en
ander bij. Na eenige minuten echter, zei Babberton:
„Ik zie in uw verzameling niet die producten van goud en
edelgesteenten, die in Indië zoo mooi gemaakt worden.”
„O, toch,” antwoordde Blakhorst lachende, „die zijn er ook.”
Hij ging naar zijn schrijftafel en haalde uit de geheime lade den
sleutel van de groote brandkast.
Op het oogenblik, dat hij zich voor de brandkast keerde, pakten twee
sterke armen hem van achteren beet, en voor hij tot bezinning kwam,
voelde hij een prop in den mond en een doek werd over zijn gezicht
geworpen.
Een eigenaardige, zoete lucht werd in de kamer merkbaar.
„Chloroform,” steunde Blakhorst,—en meteen zonk de sterke kerel in
elkander.
Triumfeerend keek Babberton naar hem:
„Zoo, mijn jongen, nu weet ik alles, wat ik weten, wilde. Dus in
Stonebridge Park ben je te vinden. Eindelijk heb ik dan het spoor van
die woeste bende, de Broeders des Duivels. Daar je zelf zoo vriendelijk
waart, mij de sleutels tot de kostbaarheden te geven, zal ik zoo vrij
zijn, er een ruim gebruik van te maken. Om te beginnen zullen wij het
afgodsbeeldje weer meenemen, je hebt het gezien, vriendlief, en dat was
genoeg.”
Met den sleutel, dien hij Blakhorst ontnam, opende hij zonder moeite de
deur van de brandkast en nam er alles uit wat er aan kostbaarheden en
baar geld te vinden was.
Toen de brandkast leeg scheen, zocht hij zenuwachtig verder in alle
hoeken.
„Waar is de ring?” vroeg hij zich eindelijk moedeloos af. „Ik heb mijn
beschermelinge beloofd, hem terug te brengen, en moet mijn woord
houden.”
Daar alle zoeken in de kluis vergeefsch was, ging Babberton een kijkje
in de schrijftafel nemen. Hij doorzocht iedere lade, elken hoek.
Vergeefs! Onder de papieren trok een brief, dien hij in de geheime lade
gevonden had, zijn opmerkzaamheid. Hij vloog hem snel door. Groote
verbazing teekende zich op zijn gelaat af. Eindelijk stak hij het
schrijven met een tevreden lachje in den zak en zei halfluid:
„Mijn beschermelinge, de kleine Ellen, kan zich verheugen. Kan ik haar
vandaag ook den ring niet brengen, zoo weet ik toch, waar haar moeder
te vinden is.”
Op de schrijftafel lag een stuk papier. Babberton nam plaats, en
schreef er de volgende woorden op:
John Brown!
Heb ik ook vandaag den ring niet gevonden ik zal verder zoeken. Ik
kom terug, en zàl hem vinden, op mijn woord van eer!
JOHN C. RAFFLES.
Toen haalde hij den nog immer bewustelooze den prop uit den mond, stak
de geroofde kostbaarheden in de zakken van zijn overjas en verliet,
alsof er niets gebeurd was, de kamer.
DERDE HOOFDSTUK.
IN HET HOL DER VERDOEMDEN.
Toen John Raffles het Huis van Blakhorst verlaten had, sprong hij in
een cab, en gaf den koetsier zijn adres in de nabij gelegen
Oxfordstreet, waar hij onder den naam van mr. Babberton op kamers
woonde.
Binnen eenige minuten was hij thuis. Zijn vriend Charly, met wien hij
samenwoonde, liep in den salon ongeduldig heen en weer.
Toen hij Raffles zag aankomen, opende hij hem zelf de deur.
„Gauw, Charly,” riep John Raffles, haastig binnenstormende, „mijne
vermomming, die ik voor de Hesterstreet gebruik. Maak voort, we moeten
zoo gauw mogelijk hier vandaan.”
De secretaris zocht gauw het noodige bijeen, en Raffles verkleedde zich
vlug. Onderwijl vertelde hij zijn vriend, wat hem gebeurd was.
„Eindelijk, Charly, weet ik waar die schurken, die Broeders des
Duivels, hun schuilhoek hebben. Al heb ik voor het oogenblik ook niet
meer bereikt, dan dat ik weet waar die vossen hun hol hebben, dat is
toch al heel wat. Wij zullen de schoften verder scherp in de gaten
houden. Bij deze expeditie zal ik echter dringend uw trouwe hulp noodig
hebben. Luister nu goed. Ik moet in ieder geval den eersten trein naar
Stonebridge-Park pakken. Als me dat lukt, dan ben ik een heel eind.
Want je kunt op je vingers uitrekenen, dat Blakhorst, als hij weer bij
komt en begrijpt, wie hem met een bezoek vereerd heeft, dadelijk naar
Stonebridge zal gaan, om de portierster te vertellen, wat er aan de
hand is. In geen geval kan hij den eersten trein echter halen, en
daardoor heb ik twee uur voorsprong. Dat is genoeg.
„Gij pakt intusschen al onzen rommel in en stuurt die naar het station.
Knap het zoo op, dat gij in twee uur alles klaar hebt en volg mij in
een vermomming met den volgenden trein.
„Als ge dan soms Blakhorst ontdekt, verlies hem dan niet uit het oog.
Ge moet in elk geval in de buurt blijven van het huisje, dat ik u
beschreven heb, want ik denk, dat ik uw hulp zal noodig hebben. Wat er
verder gebeuren moet, dat zullen we dan moeten zien, maar ik verlaat
mij vast op u!”
„Dat kunt ge ook,” antwoordde Charly. „Ik zal alles gereed maken en
stipt op tijd in Stonebridge-Park zijn.
„Dan Good bye, mijn jongen!”
Met deze woorden ging John Raffles de deur uit, en niemand had in dat
misdadigerstype den eleganten gentleman gezocht, die tien minuten
geleden met een cab was voorgereden.
Tot den hoek van de straat slenterde hij langzaam door, alsof tijd geen
geld voor hem was, maar onderwijl keek hij toch scherp uit naar een
leeg rijtuig. Juist kwam er een om den hoek, en Raffles wenkte hem, te
stoppen.
De koetsier was met dit vrachtje, dat hem weinig beloofde, maar matig
ingenomen. Maar toen deze hem een vijf-shillingstuk in de hand drukte,
klaarde hij in eens bij.
„Zoo hard als je rijden kunt naar het Westend-station. Als je daar
binnen tien minuten bent, dan zit er een goede fooi op.”