[61] _R. F._, pag. CLI: »Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen

franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein."

En pag. CLVI zegt hij: »WILLAM schöpfte..... eingeständig aus franz.

quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des

flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois

entsprungen sein könnte."

[62] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII.

[63] _R. F._, pag. CXXXIX.

[64] _R. F._, pag. CXXXIX.

[65] _R. F._, pag. CXLV.

[66] _R. F._, pag. CXXVII.

[67] _Les Romans du Renard_, pag. 261, cf. 173 suiv.

[68] _Hist. Litter. de la France_, tom. XXII, pag. 917.

[69] Een paar regels later heet het ook dat »Tardif les chadele." Men

ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs

zijn voor mijne stelling voorgedragen _Guillaume d'Orange_, tom. II,

pag. 23, noot 4.

[70] GRIMM noemde dit reeds: »nachahmung der todten henne," _R. F._,

pag. CXXVII.

[71] Verg. ROTHE, pag. 183.

[72] _R. F._, pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII.

[73] _Les Romans du Renard_, pag. 179-180. Verg. ook pag. 183.

[74] L. c., pag. 184.

[75] De grondfout van ROTHE bestaat daarin, dat hij geen onderscheid

maakt tusschen de twee deelen der 20e (16e) branche; vandaar, dat hij

tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden

maatstaf aanlegde bij zijne redenering.

[76] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 926.

[77] Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend

zullen vermeerderd worden.

Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: »Cette rédaction.... ne

paroît être que du XIVe siècle.... et elle ne peut guère avoir été

fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs."

Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst van GLICHESÆRE, door

GRIMM in zijn _Sendschreiben an_ LACHMANN uitgegeven: »Si ce fragment

appartient à l'ouvrage perdu de GLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est

un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien

non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!)."

Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 van ROTHES

werk, maar dat hij het _Sendschreiben_ zelf gelezen had durf ik stellig

ontkennen.

Hij geeft dikwerf ROTHES opmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo

b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon

in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den

regel te paard rijden. Hetzelfde had ROTHE reeds gezegd, pag. 266.

Over den _Couronnement_ handelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts

eene verkeerde opvatting dit werk aan MARIE DE FRANCE toeschrijft, maar

ROTHE had dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.

Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien de _Couronnement_ werd

geschreven, WILLEM VAN DAMPIERRE is geweest, lijdt geen twijfel, en ook

dit had ROTHE aangetoond vóór FAURIEL; maar als de laatste zegt, pag.

936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter »nous

en apprend quelque chose de plus que l'histoire," dan heeft hij zijn

voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici

aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd.

Hetzelfde had hij kunnen vinden in WARNK[OE]NIGS _Hist. de la Flandre_,

tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk door KAUSLER uitgegeven,

zegt vs. 5845:

Dese Willem was vul der edelheden,

Ende bleeft antierende twapenspel;

Maer harde curt het hem mesvel:

Want te Trengis in den tornoy

Waert doot ghedroomt die rudder moy,

Dies menich adde zwaer verdriet,

Dat hi dus vander weerelt sciet.

[78] _Les Romans du Renard_, pag. 183.

[79] GRIMM zegt, _R. F._, pag. CXXVIII: »Diese ganze branche von dem

gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt."

[80] _Les Romans du Renard_, pag. 182, note.

[81] _R. F._, pag. CXXI. GRIMMS onderscheiding rust hoofdzakelijk op

de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef

voorkomen: in het tweede heeten zij elkander »compère." Ik voeg er bij,

dat 353-4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241-336

herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had.

[82] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CXXI.

[83] _Les Romans du Renard_, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4.

[84] Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939.

[85] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLVIII, in fine.

[86] Bij MÉON staat _li ors_, dat klinkklare onzin is.

[87] _Les Romans du Renard_, pag. 174-175.

[88] _R. F._, pag. CXXVI.

[89] In een enkel handschrift is ook de 19e nog door eenige

overgangsregels aan de 18e verbonden, zie ROTHE, pag. 285, note 1.

[90] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII-XLIII.

[91] De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt

ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze

varianten uitwijzen.

[92] Zoo b.v. ook GARIN, II, pag. 26:

Plévissez-moi, li Allemans Oris,

Et vous Girars _etc._

Pag. 69:

Venez avant, li fis au duc Hervin,

Tenez ma nièce.

[93] GRIMM, _R. F._, pag. CXLI.

[94] Boven, bl. LIII-LXI.

[95] Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20_a_-_b_ en

21-22; niet in 19.

Hetzelfde verschijnsel heeft ook ALF. ROCHAT opgemerkt in den

_Percheval_ van CHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld: _Ueber

einen bisher unbekannten Percheval li Galois_, pag. 179.

[96] ROTHE, _les Romans du Renard_, zegt pag. 184: »Plusieurs

considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la

principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le

noyau du cycle, pour ainsi dire."

[97] Men lette op vers 648, waar het heet: _so men mi seide_.

[98] Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel.

[99] _Les Romans du Renard_, pag. 176.

[100] _R. F._, pag. CLII.

[101] L. l. Zie ook WILLEMS, _Reinaert_, bl. 90, in de noot op vs. 2247.

[102] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I D., bl. 139.

[103] Ook in de branche die het derde deel van MÉON opent, komt

hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor.

[104] _R. F._, pag. CXXXII.

[105] Boven, bl. XXXVII.

[106] Boven, bl. XXXVIII.

[107] Verg. ROTHE, l. l., pag. 122.

[108] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV.

[109] Het gebeurde met den wolf, vs. 10157-10166, houd ik voor een

jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet met GRIMM,

_R. F._, pag. CXXXIX, onder de »treffenden zügen" rekenen.

[110] _Rijmkronijk van Vlaenderen_, uitg. door KAUSLER, vs. 3384.

[111] Zie de aangehaalde _Rijmkronijk_, pag. 137 volg.

[112] Verg. Dr. C. HOFMAN, _Ueber ein Fragment des Guillaume d'Orange_,

pag. 42.

[113] Zoo b.v. branche 20_b_, vs. 11607:

Dou poing li done tel bufet,

Del cul li fet saillir un pet.

[114] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV-LXXV.

[115] Dat de 9e branche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het

heet:

Si con nos trovons en l'estoire.

[116] Vs. 1498 echter, waarin gezegd wordt dat men

Waende dat die duvel ware,

herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het

klokkenzeel herinnert aan de 28e branche, waar Reinaert hetzelfde met

Tibert doet.

[117] In de 28e branche zegt R., vs. 20504:

Ge vois ou bois de _veneroi_,

dat is, zoo als ROTHE (p. 217) terecht zegt: »aunaie, lieu planté

d'aunes, autrefois appelés _vernes_." Zou ons _Vermendois_ ook aan

eene verwisseling met _veneroi_ kunnen doen denken? Ik acht dit noch

aannemelijk noch waarschijnlijk.

[118] _Les Romans du Renard_, pag. 137.

[119] De 9-10e branche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst

met 20_a_. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter

zweert bij _le cuer bé_, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar

niet _Ysengrin_, maar _Primaut_. Dat in het oudere stuk, waarop vs.

3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer

waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersent

_ma fame_, waarmeê ROTHE (pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt

de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs.

4555 heet het bij MÉON:

Vers la forez s'en va _le cors_:

de daarop volgende regel,

Si a trouvé Renart _le rous_,

leert dat het eerste rijmwoord moet zijn niet _le cors_, maar _li cous_;

en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van

toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:

Sire Ysengrin............

Or te pués vengier de ton pié,

en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9-10e branche.

Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien

van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook

overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen

wij boven (bl. LXVI).

[120] _R. F._, pag. CLIX-CLX.

[121] Zie de plaatsen bij MÉON, tom. I, pag. V, en bij GRIMM _R. F._,

pag. CXCVII-CXCVIII.

[122] Bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVIII.

[123] _R. F._, pag. CXXXIX.

[124] _Reinaert_, _Inleiding_, bl. XL.

[125] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 907.

[126] PAULIN PARIS, _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 95-96.

[127] Zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XV, pag. 100.

[128] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 102.

[129] L. l., pag. 107.

[130] Verg. mijne _Geschied, der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 427-432.

[131] Onmogelijk kan de _Alexander_ eerst tusschen 1180 en 1184

geschreven zijn, zoo als dit heet in de _Hist. Litt. de la France_, tom.

XV, pag. 121, 122, 163. Als met de _Isabella_, die in dat gedicht een

verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de

dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den

franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking

of interpolatie te verraden.

[132] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 101.

[133] Aangehaald bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVII.

[134] GRIMM noemt de 5e (3e) branche terecht »vortreflich erzählt," (_R.

F._, pag. CXXII), en ik begrijp niet hoe ROTHE kon zeggen (pag. 127):

»Le récit est un peu traînant."

[135] _Les Romans du Renard_, pag. 140.

[136] _Supplément au Roman de Renart_, pag. 1; verg. ROTHE, pag. 150.

[137] _R. F._, pag. CXXXIX.

[138] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911.

[139] _R. F._, pag. CXLI.

[140] Zie mijn _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 178.

[141] T. a. p., pag. 160.

[142] Daar heet het, vs. 892, bij HOFFMANN, _Ueber ein fragment des

Guillaume d'Orange_, s. 36:

Loeys fu à Paris sa maison:

Là se deduist à guise de bricon.

N'ot aveuc lui ne conte ne baron,

Ne duc ne prince, chevalier ne garson

Qui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton.

........................

Les frans linages ot arrière boutés,

Et de sa terre et de sa cort osté,

Et des estranges ot-il fait ses privés:

Malvais conseil li ont tous jors doné,

Et son avoir et tolu et emblé;

Et si baron l'ont trestout adossé,

Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel,

Et sor tout chou li est mal encontré.

[143] Ook in de _Chanson d'Herviz de Metz_ komt dezelfde uitdrukking

voor, zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 596.

[144] _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 185.

[145] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. CXLI.

[146] VON RAUMER, _Gesch. der Hohenstaufen_, II, pag. 319.

[147] MEYERUS, _Annal. Flandriae_, Lib. VII, pag. 60.

[148] _Reinaert_, Inleiding, pag. XVI.

[149] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-198.

[150] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIII-XXXIV.

[151] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143.

[152] Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave.

[153] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLIX.

[154] Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave.

[155] T. l. a. pl.

[156] _R. F._, pag. CLIX.

[157] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXV.

[158] Zie overigens GRIMM, _R. F._, pag. CLX.

[159] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXVI-XXXVII.

[160] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193 vlg.

[161] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 142.

[162] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193, noot 2.

[163] _Corpus Chronicorum Flandriae_, tom. I, pag. 709.

[164] L. l., pag. 709.

[165] Zie het verlof daartoe in mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I

Dl., bl. 194, noot 1.

[166] Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters.

MEYERUS verhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers

strafte, onder anderen ook »adolescens quidam nobilis," die beesten

gestolen had; »hunc arreptum una cum _duobus falsis monetariis_ in

ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem."

[167] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXV-XXXVI. Verg. mijne _Geschied. der

Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-193.

[168] _Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 141.

[169] WARNKÖNIG, _Histoire de la Flandre_, tom. I, pag. 203-204.

[170] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijne _Geschied. der Mnl.

Dichtk._, I Dl., bl. 194.

[171] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143.

[172] _Trouvères Artésiens_, pag. 150 en 154.

[173] Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag.

293-299, schrijft hij, op voorgang van BARBAZAN en LE GRAND D'AUSSY,

acht gedichten toe aan zekeren JEHAN DE BOVES, die, volgens den tekst

van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijver _niet_ van was.

In het fablel _des deux Chevaux_, bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197,

lezen wij:

Cil qui trova de Morteruel,

Et del mort vilain de Bailleul,

en dan volgt de verdere opsomming der stukken aan JEHAN DE BOVES

toegekend, waarop het dan verder heet:

(Cil)

D'un autre fablel s'entremet,

Qu'il ne cuida jà entreprendre;

Ne por mestre Jehan reprendre

De Boves, qui dist bien et bel,

N'entreprent-il pas cest fablel,

Quar assez sont si dit resnable;

Mès qui de fablel fet grant fable

N'a pas de trover sens legier.

Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: »Hij, die de acht

opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht,

dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het

meester JEHAN DE BOVES te verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde

onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (_dit_) zijn vol pit;

maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden

(_trover_)."

DINAUX haalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te

bewijzen, dat de dichter »lui-même se rend assez ingénûment justice"!

Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding

vermelde gedichten te gewagen.

Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met

voordacht uit den codex door MÉON gevolgd schijnt te zijn weggelaten,

zoo als blijkt uit den aanhef van het stuk _Dou lou et de l'oue_, l. l.,

pag. 55, en evenzeer uit dien van _Brunain la vache au prestre_, l. l.,

pag. 25.

DINAUX' geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uit LE

GRAND D'AUSSY overgenomen, _Fabliaux ou Contes_, 3 éd., tom. IV, pag.

256, en wel met overhaasting. LE GRAND zegt van de vrouw des priesters:

»Dans le fabliau _du curé qui mangea des mûres_, il a été fait mention

aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in den

_Constant du Hamel_), quelques vers plus bas, est nommée _la

prêtresse_." DINAUX zegt: »Ce n'est point seulement dans ce fabliau

qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui

intitulé, _le curé qui mangea des mûres_, cette même singularité se

représente, _et comme ici_, la femme du prêtre est appelée prêtresse."

Intusschen komt in 't stuk _du Curé_ etc., in de _Choix et extraits_

achter LE GRANDS eerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is

eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit

kennen.

[174] Bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 296-326.

[175] Zie boven, bl. LXVI.

[176] Boven, bl. XLIV.

[177] Daar heet de priester dien naam te dragen, maar de plaats schijnt

niet geheel zuiver, en waarschijnlijk is er de vilain meê bedoeld.

Dezelfde dichter kende ook den naam _Gombert_, die in de 19e en 20e

branche van _Renart_ voorkomt, zie boven, pag. LXXXVI.

[178] _R. F._, pag. CXLV.

[179] _Les Trouvères Artésiens_, pag. 149.

[180] Het is duidelijk ons _ham_, bij KILIAEN: domus, habitatio, maar

dat ook, even als het fransche _hameau_, de beteekenis van dorp of

gehucht gekregen heeft; verg. NOORDEWIER, _Regtsoudheden_, bl. 210.

[181] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 9-10.

[182] _R. F._, pag. CCLVIII.

[183] Verg. WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, tom. I, pag. 240.

[184] _R. F._, pag. CLVI.

[185] _Reinaert_, 2e druk, Nabericht, bl. 356.

[186] _Vroet_, vs. 1899, verklaart hij door _verwoed_, _dol_; maar hoe

zulk eene verklaring hier in den samenhang past, is mij volstrekt

onbegrijpelijk.

[187] GRIMM meende, _R. F._, pag. CLVII, ten onrechte, dat STOKE, II

Dl., pag. 229, 238, 249, dezelfde plaats _Barsele_ noemde: de

hollandsche schrijver heeft blijkbaar _Borselen_ op 't oog.

VANDEN VOS REINAERDE.

VANDEN VOS REINAERDE.

Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht · 第 9 / 21 段