meester Jufroet, vs. 2937 (2957), laat ik buiten rekening. WILLEMS
ziet in den laatsten »_ongetwyfeld_ Godfredus Andegavensis, die in
de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde[152];" maar dat _ongetwijfeld_
is toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven,
niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen[153].
En wat den eersten betreft, zegt WILLEMS zelf[154] alleen maar dat
»GRIMM _vermoedt_ dat hier _kan bedoeld zijn_ Herman, abt van St.
Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde
eeuw." Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid" kan hebben, »daer paus
Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest
is"[155], verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger
is GRIMMS slotopmerking[156] in het oog te houden: »aber es kann viele
geistliche und decane dieses namens gegeben haben;" te gereeder, daar
het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgens WILLEMS' eigen
opmerking[157], steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier
zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.
De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs. 2652 (2672)
is te onbepaald om er bij stil te staan[158], hetgeen te meer is te
betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden
mogen vermoeden.
In navolging van WILLEMS[159] heb ik[160] groot gewicht gelegd op de
vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat
men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs. 2565 (2589). SERRURE
meent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat er _by
Hulsterloo_ een bosch was[161]." Intusschen staat er duidelijk, vs. 2553
(2578),
Int oostende van Vlaendren staet
Een bosch, ende heet Hulsterlo.
....................
Een borne, heet Kriekepit,
Gaet suutwest niet verre dane;
....................
Dats een die meeste wildernesse,
Die men hevet in enich rike.
Ic segghe u ooc ghewaerlike,
Dat somwilen es een half jaer,
Dat toten borne comet daer
No weder man nochte wijf,
No creature die hevet lijf.
Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. het
_Hulster bosch_; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste
wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van
toepassing zijn, maar op de streek _niet verre dane_. Met die opvatting
strijdt ook niet, dat er later, vs. 2644 (2664), van dien Kriekepit
gezegd wordt:
Ne staet hi niet bi Hulsterlo,
Up dien moer, in die woestine!
Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp," waarvan ook in den
giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar
alleen staat »_illum locum_ qui dicitur Hulsterloe[162]," en in een
document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in
circuitu" van Saleghem[163]. Eerst in een brief van paus Innocentius
II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et
Hulsterloe[164]." Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond,
en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven[165]. Daar het
nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij
minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van
Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand
uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier
gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van
Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang
kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart
der twaalfde eeuw ontstaan schijnt[166], in levendig aandenken zijn
gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit
haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer
lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft
vervaardigd.
Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, die
WILLEMS het eerst bekend maakte[167], dat in den _Reinaert_ Vermandois
tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot
1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella,
erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met
Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.
SERRURE merkt daarbij op[168]: »Indien die vereeniging der twee landen
tot deze aenspeling (_sic_) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by
herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der
scheiding) geschieden." Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk
voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon
voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van
Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond
daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats
had[169]; waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht,
enz., van het noordelijke afgescheurd werd.
Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van
Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzen
_Reinaert_ niet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het
tijdperk waarin de fransche 20e branche in het licht verscheen, dat
ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.
Ik heb met WILLEMS[170] een bewijs voor de oudheid van onzen _Reinaert_
meenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig
gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der
twaalfde eeuw verboden werd. SERRURE meent dat dit »geen stellig bewys"
oplevert; »want," zegt hij[171], »al is het waer, dat dit gebruik rond
1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau, _Constant du
Hamel_, welk men aen ENGUERRAND D'OISY toeschryft, en in allen gevalle
tot de XIIIe eeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters
gewaegd wordt."
De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene
eenvoudige verwijzing naar DINAUX' _Trouvères Artésiens_ is niet
voldoende.
De eenige reden waarom DINAUX vermoedt dat het fablel van _Constant
du Hamel_ aan ENGUERRAND D'OISY kon worden toegeschreven, is deze, dat
hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden
te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende
stuk getiteld: _Le meunier d'Arleux_[172]. Die meening wordt echter
door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de
naauwkeurigheid van DINAUX zonder nader bewijs te vertrouwen[173].
Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot de XIIIe
eeuw"? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch
allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk[174] schijnt
eer naar het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik
mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met
sommige branches van den _Roman du Renard_, vooral met br. 20_a_. De
overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier
slechts op de uitdrukking »por le cor bieu," vs. 354, 860, 863, die wij
ook in br. 20_a_ aantroffen[175].
Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de
omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs.
355:
Tu sambles miex leu qu'autre beste,
De bras, de jambes et de teste;
hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uit GUIBERT
DE NOGENT, vroeger aangehaald[176].
Voor die bekendheid pleit ook de naam van den _vilain_ naar wien het
geheele fablel genoemd is, _Constant_, met den bijnaam _du Hamel_.
_Constant_ toch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den
franschen _Renart_ spelen.
In de 5e (3e) branche heet hij _Constant des Noes_, vs. 1274, en evenzoo
in de 19e (15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt
algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e (20e) branche, vs.
15328 gesproken wordt van
Un vilain
Plus que Constanz des Noes riches.
In de 4e (2e) branche, vs. 1190, heet hij:
Mesire Constans des Granges,
Uns vavasors bien aaisiez.
Ook in het fablel _La vache au prestre_, bij MÉON, tom. III, Pag. 25,
vs. 31, komt die naam voor[177].
Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam
van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denkt GRIMM aan »_les Noes_,
ein alter ort in Champagne"[178]. DINAUX zoekt evenzoo in den naam _du
Hamel_ dien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du
Cambrésis"[179].
Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:
Tant qu'il entra enz où _hamel_.
Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan
een »village, hameau bâti au milieu des champs," zoo als ROQUEFORT het
woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de
campagne seule dans les champs"[180]. Ik kies deze woorden, omdat het
die zijn, waarmede ROQUEFORT het woord _mesnil_ verklaart, en dat woord
in de 5e (3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants
vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:
La bone dame del mesnil.
Wat nu den toenaam _Des Noes_ aangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk
aan een plaatsnaam ontleend te zijn. _Noes_ of _noue_ vertaalt ROQUEFORT
door »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terres
nouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse." Het komt
dus geheel overeen met ons _Maerlant_[181], en _Constant_ kan even goed
naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning.
En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heet
_des Noes (du Mesnil), des Granges_ of _du Hamel_, van welke namen de
drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.
Men ziet daaruit, dat het fablel door SERRURE als bewijs aangehaald,
geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van
de oudste, branches van den _Renart_ vallen, hetgeen veeleer naar de
laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.
Ook het gedicht _Du provoire qui menga les mores_ (LE GRAND D'AUSSY,
tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre" voorkomt, is van
geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan
een voorganger, GUERINS, ontleent.
Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de
vlaamsche _Reinaert_ tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet
gebracht worden.
Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording
licht over ons onderwerp kan verspreiden.
_Reinaert_ vs. 3347 (3367) wordt gewaagd van
Botsaerde, sconinx clerc:
Dat was hi, die hantwerc
Bet conste dan iemen die daer was.
Botsaert plach emmer dat hi las
Die lettren, die te hove quamen.
GRIMM gist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt
wird, der um 1218 starb"[182].
't Is waar, Bouchard van Avesnes was _clerc_, en in zijne jeugd beroemd
om zijne geleerdheid[183], en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld
kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot
den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend
werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hij
_een te groot zondaar_, daar hij den geestelijken stand ontloopen was,
om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.
Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige
overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit
het laatste gedeelte van den _Reinaert_; maar bij eenige oplettendheid
zal die overeenkomst in rook verdwijnen.
Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche
gravendochter gehuwd. Paus INNOCENTIUS III leî hem tot boete op een
pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare
bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van
dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men
dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te
volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen
der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.
Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende" gebannen te zijn, vs.
2718 (2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van
den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij
»in spaeus ban," vs. 2700 (2720), en hij wil naar Rome en »over see" om
aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van
het opgevatte voornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak
te trotseren.
Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de
geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn
van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke
bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik,
alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te
wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamsche
_Reinaert_ tusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de
regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van
het stuk over het algemeen herinnert.
Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien,
dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan
wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en
herhaaldelijk in de diplomata bij MIRÆUS voorkomt?
* * * * *
Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf
geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven. GRIMM was
reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung"[184] die er de
eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die
schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der
thiersage hineinbrachte"? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden
het antwoord gegeven.
Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk?
SNELLAERT zegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede
boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld"[185]. Met betrekking tot
het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den
west-vlaamschen tongval aan de woorden _eeke_, _wulf_, _ghi dinct_ en
_vroet_[186]. Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen?
Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is
echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij
voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde
van het »soete lant van Waes" (vs. 2263) gesproken hebben? Hulsterloo,
Absdal, Besele[187] liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;" Hyfte,
»thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,"
dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor
West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou
worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk
te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?
Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij
eenmaal de _Madoc_ werd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig
licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hij
WILLEM heette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele
boeke," en dat hij den _Reinaert_ op verzoek eener hoofsche vrouwe heeft
gedicht.
Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid
kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag
genoemd worden, die het graafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een
dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een
smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van
onze letterkunde, gevonden wordt.
__________
VOETNOTEN
[1] _Reinhart Fuchs_, p. CL en CLXIII.
[2] Zie ROTHE, _Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés_,
pag. 62 suiv.
[3] I Dl., bl. 185-189. Verg. ook III Dl., bl. 584.
[4] _Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, bl. 143.
[5] T. a. p. bl. 148-149.
[6] Ik reken hier de uitgave van SNELLAERT niet eens meê, die slechts
een herdruk van dien van WILLEMS is.
[7] _Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur_, I, XXIX.
[8] _R. F._, pag. CLIV.
[9] _Denkmäler_, I, XLII in verband met XXXIV.
[10] Over de uitlatingen zie men de kollatie bij onzen tekst. GRIMM
neemt er ook achter 2470 (2494) eene aan (_R. F._, p. CLIV en 281), en
werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet
waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan
den zin niets ontbreekt.
[11] _R. F._, bl. CXLIX.
[12] _R. F._, bl. CLIV.
[13] _R. F._, bl. CLIV: »Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl.
hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt."
[14] _Reinaert de Vos_, Voorbericht, bl. VIII.
[15] Voorbericht, bl. VII.
[16] Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353.
[17] »De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de
behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten
ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen
namelyk.... op de vs. 1123, 1965, 3078." Zoo leest men t. a. pl. (Ik
bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ook SNELLAERT
schijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de
verbetering op vs. 2091 door WILLEMS zelf aangegeven, »_bockine_, lees
_hoekine_, dat is _bokjens_, en vergelyk MEYER'S _Leven van Jesus_, bl.
336," is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild
dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten: 1187 _leiden_
(_beiden_), 1377 _vermerrende_, 1449 _en allen_, 1965 _dine[n] oge_,
om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend
heeft SNELLAERT nog verbeterd 2252 _bi_ in _hi_, 2548 _wancost_ in
_wanconst_; maar ook 861 _Dar_ in _Daer_, hetgeen blijkbaar _Dat_ had
moeten zijn.
[18] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXI.
[19] _Rechts Alterthümer_, bl. 14 vlgg. Zie ook NOORDEWIER, _Nederd.
Regtsoudheden_, bl. 4-5.
[20] Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen
werkelijk een regel is uitgevallen: 1075 _wale_, (....), _tale_, _wale_;
1085 _daghe_, _saghe_, (....), _maghe_; 1161 _Reinaert_, (....),
_vaert_, _Reinaert_; 1861 _Bruneel_, (....), _butseel_, _Rosseel_;
en dat het niet zijn »blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by
onze ouden op meer plaetsen ontmoet," zoo als WILLEMS aannam in het
voorbericht op den _Reinaert_, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde,
_Mnl. Versbouw_, bl. 170.
[21] Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats
van het pleonastische aanwijzend voornaamwoord _die_ achter het
zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke
voornaamwoord gesteld, b.v. 107 Tibert die [hi] wart gram; 1079 sine
herte die [soe] es; 1914, 1964, 2628 (2652), 2732 (2772), 2795 (2815),
2999 (3019), 3093 (3113), 3352 (3372). Zoo heeft het hs. naar den regel:
1246 _hi was gheraect_; 1644 _si riepen_.
[22] _R. F._, pag. CLV.
[23] Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het
Comburgsche hs. (C) of bij GRÄTER, als in de uitgaven van GRIMM en
WILLEMS voor. Gr. beteekent de uitgave van GRIMM, W. die van WILLEMS.
Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem
aangebracht.
[24] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXVI-XXVIII.
[25] Zie het facsimile, dat KAUSLER met de wellevendste bereidwilligheid
voor mij deed vervaardigen.
[26] C. heeft, gelijk wij zagen: _die vele bouke maecte_; maar KAUSLER
zegt, _Altniederl. Denkm._, Th. I, s. XLII: »Die Worte _vele bouke_ sind
von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt,
das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation,
weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte." Men ziet dit
ook duidelijk in ons facsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur
aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie
mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 189. In plaats van het
_die Madock maecte_ van den omwerker, heb ik gesteld _die den Madoc
maecte_, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het
enkele woord _Madoc_ de plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die
juist wordt ingenomen door de woorden _den Madoc_, in het schrift van
den codex.
[27] Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering
die ik vroeger op den tekst van GRIMM en WILLEMS bouwde, _Gesch. der
Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over
dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van
mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb
neêrgelegd.
[28] Evenzoo heeft men een dubbel begin _Floris ende Blanc._ vs. 1 en
28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het
werk van een afschrijver.
[29] _R. F._, pag. CVIII.
[30] Verg. ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 63.
[31] Inleiding, bl. XLVI.
[32] Uitgegeven onder den titel: _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN,
_ueber Reinhart Fuchs_, Leipzig 1840.
[33] Inleiding, bl. XXXV.
[34] Inleiding, bl. XXXV.
[35] Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII.
[36] _R. F._, pag. CLI.
[37] Inleiding, bl. XXXI.
[38] Zie zijne _Geschiedenis der Letterkunde in het graefschap
Vlaenderen_, bl. 147.
[39] Verg. mijne _Gesch. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 358-359, in
verband met bl. 361-363.
[40] GRIMM heeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard),
het vermoeden afgeleid, »dass die thierfabel vom fuchs und wolf den
Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war" (_R. F._, pag. CCXLII).
Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de
vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bij MERKEL,
pag. 17), _de conviciis_, heet het: »Si quis alterum _vulpe_ clamaverit,
120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur."
[41] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 61.
[42] _R. F._, pag. CXCV-CXCVI.
[43] Bij CHABAILLE, _Supplément au Roman du Renart_, pag. 1; zie ook
ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 150.
[44] FAURIEL trekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit,
dat »on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart."
_Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 941. Verg. ook GRIMM, _R.
F._, pag. CXXXVIII.
[45] _R. F._, pag. CXXI.
[46] _Les Romans du Renard_, pag. 109-110.
[47] Later, pag. 268-269 heet het nog sterker: »Il n'est guère douteux
qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne
nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous
connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches,
ou des parties de quelques unes des branches du _Roman de Renart_
ne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions
analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été
remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans
l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches,
quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus
anciennes que les autres, et certes _il y en a un bon nombre qui
remontent au douzième siècle_."
[48] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 906-907.
[49] FAURIEL zegt er van, _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 891, dat het
bevat: »des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était
impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus
facile d'admirer que d'égaler."
[50] GRIMM volgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20e branche de
16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling van MÉON en ROTHE volgen
en de nummers van GRIMM er tusschen haakjes bijvoegen.
[51] _R. F._, pag. CVIII.
[52] _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN, pag. 64.
[53] _Les Romans du Renard_, pag. 61.
[54] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 905.
[55] _Les Romans du Renard_, pag. 260: »Parmi ces morceaux quelques uns
se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer
qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une
partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier
auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier
ensemble deux compositions antérieures." Verg. ook GRIMMS _R. F._, pag.
CL, in fine.
[56] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 940.
[57] _L. l._, pag. 903.
[58] GRIMM, _R. F._, pag. CIX.
[59] GRIMM stelt, _R. F._, pag. CXL, het oude fransche origineel »bald
nach der mitte des 12 jh.," maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder
is, zoo als ons ook later nog zal blijken. GRIMM zelf stelt het Mhd.
gedicht elders, _R. F._, pag. CCLV, iets ouder en wel »in das zweite,
oder doch dritte viertel des 12 jh."
[60] _Les Romans du Renard_, pag. 70.