het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal,
zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door
het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,--een echt nationaal
kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem
mag dragen.
Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed
zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.
VIII.
Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze _Reinaert_ werd
bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek
de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw
geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden
innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van
hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen.
Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het
oorspronkelijke gedeelte van den _Reinaert_ te ontleenen, en wij
zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze
beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht
moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als
GRIMM dacht[120], »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich
nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen."
Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van
MÉON, mag zijn.
GAUTIER DE COINSI, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef,
en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de
Reinart-sage in Frankrijk was[121]; ja hij maakt eene toespeling
waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.
Plus volontiers oient un conte,
Ou une trufe, c'on lor conte,
Si con Tardius li limeçons
Lut et chanta les trois leçons
Sor la bière dame Coupée,
Que Renarz avoit escoupée[122];
nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen:
Sire Tardis li limaçons
Chanta por cele trois leçons,
namelijk voor Copée, die begraven werd.
Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij
haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.
De proloog van dat stuk luidt aldus:
Perroz qui son engin et s'art
Mist en vers fère de Renart
Et d'Ysengrin son chier conpère,
Lessa le miex de sa matère,
Quant il entr'oblia les plez
Et le jugement qui fu fez
En la cort Noble, le lion,
De la grant fornication
Que Renarz fist, qui toz max cove,
Envers dame Hersent, la love.
Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene
andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt
had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men
uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was
toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt.
Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. GRIMM schrijft: ȟber
seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn
des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des _Roman d'Alexandre_,
nemlich das testament, verfasst haben[123]."
WILLEMS zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde[124]."
FAURIEL, de jongste schrijver over den _Roman du Renart_, in Frankrijk,
laat zich daaromtrent aldus uit[125]:
»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du
Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps
où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir
la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées
avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée,
on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe
siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du
XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne,
du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage
fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne.
Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous
apprend rien de précis relativement à la date des premières productions
de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible
qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne
sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE
SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé
au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme
l'inventeur."
Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe
nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch
komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.
Tusschen 1150 en 1160 zag de _Roman du Rou_ het licht, en daarin heet
het:
Alisandres fu rois poissans,
Doze règnes prist en doze ans:
Mult out terres, mult ot aveir,
Et rois fu de mult grant poeir;
Mez cil cunquest poi li valu,
Enveminez fu, si moru.
Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de
Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en
wordt ook algemeen aangenomen[126].
Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk
doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven[127].
Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS
zegt[128], »l'une des meilleures branches de tout le récit," heeft tot
titel: _Signification de la mort d'Alexandre_, waarvan de inhoud aldus
door denzelfden geleerde wordt opgegeven[129]:
Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement
du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est _empoisonné_."
Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van
MAERLANTS _Alexander_[130].
Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt
onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et
demi," van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE
PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst[131], zoodat
deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven[132]. Dit
oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de
eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de
aangehaalde verzen van den _Roman du Rou_ bedoeld, en valt dus stellig
vóór 1150.
De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in
de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet
veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.
Had hij reeds vóór de branche van den _Alexander_ een gedeelte der
Reinaertsage bewerkt? In den _Alexander_ immers leest men:
Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal,
Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal[133].
In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd
staat, wordt vs. 4935-5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan
meester maakt....
Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken.
Vooreerst heet daar de haan nimmer _li gal_, maar altijd _li cos_, _le
coc_, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al
gewaagd wordt, vs. 4988,
De Chantecler qui cline l'ueil;
zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,
Si le me baille par le col;
toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling
in den _Alexander_ moet geluid hebben.
Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als
de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt
Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer _li gals_, maar _li cos_
heet, dat zij »cosin germain" zijn: hij weidt uit in den lof van
Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en
die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij
geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle
bijzonderheden bevat waarop de _Alexander_ zinspeelt:
Dist Chanteclers: »Renart, cosin, 1571.
Volez me prendre _par engin_."
--»Certes, ce dist Renars, non voil,
Mès or chantez, _si clingniez l'oil_;
D'une char somes et d'un sanc,
Miex vodroie estre d'un pié manc
Que vos mesface tant ne qant,
Que tu es trop près mon parent."
Dist Chanteclers: »Pas ne te croi:
Un poi detrai en sus de moi, 1580.
Et je dirai une chançon;
N'aura voisin ci environ
Qui bien n'entende mon fauset."
Lors s'en est souriz Renardet,
Et dist Renars: »Chante, cousins:
Je sauré bien se Chanteclins,
Mes oncles, s'il vos fu noient."
Lors encommence hautement,
Lors chanta Chanteclers un vers:
_L'un oil ot clos et lautre overs_, 1590.
Car moult forment cremoit Renart;
Sovent regarde cele part.
Ce dist Renars: »Ce n'est noient.
Chanteclins chantoit autrement,
A un lonc tret, à eulz cligniez,
C'on l'ooit d'outre les plessiez."
Chanteclers cuide que voir die:
Lors commence sa melodie,
_Les eulz cligniez_ par grant aïr.
Lors ne volt plus Renart soffrir, 1600.
Par de desus un rouge chol
_Le prent Renart parmi le col._
Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. _Reinhart_,
vs. 11-176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast
aan het oude gedicht houdt[134], waarop het zich dan ook beroept,
Trover le poez en l'estoire, 1384.
evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:
Que se li livres nos dit voir
Où je trouve l'estoire escrite.
Het schijnt dus, dat de toespeling uit den _Alexander_ niet op het
gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e
branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin
en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.
Pierres qui de Saint-Clost _fu nez_, 4851.
S'est tant traveilliez et penez
Par proière de ses amis,
Que il nos a en rime mis
Une risée et un gabet
De Renart, qui tant set d'abet,
Le puant nain, le descréu,
Par qui out esté decéu
Tant baron que n'en sai le conte,
Dès or _commencerai_ le conte:
Se il est qui i voille entendre,
Sachiez moult i porra aprendre,
Si com _je cuit_ et com _je pens_,
Se à escouter met son sens.
het slot luidt:
Ici fait Pierres remanoir
Le conte où se _volt_ traveillier,
Et lesse Renart conseillier.
Of in een ander handschrift:
Chi fait Perrins remanoir
Le livre de Renart pour voir
Duquel s'est volus travillier:
Ysengrin laist à conseillier (_sic_);
Se par ce meschiet Ysengrin
Li blames en ert sus Perrin.
Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de
afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste
eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten
wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken,
dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd
gesproken wordt, _fu nez_, _volt traveillier_, terwijl terstond daarop
de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt
aan te duiden.
ROTHE zegt[135]: »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de
PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve
assez que cette onzième branche est _précisément le poëme_ entier et
isolé _de ce même_ PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné
ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart."
Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk
toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten
_bewezen_ worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van
dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in
den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van
een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de
geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt
is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82):
Une estoire vueil commencier.
Qui durement fet à prisier;
Et grant bien i porriez aprendre
Se il vos i plest à entendre.
Or m'escotez sanz noise fère,
Que nus contes ne porroit plère
A home qui est trop noisous,
Mès de l'oïr soit covoitous:
Celi qui oïr le vorra,
Sachiez, grant profit i penra.
En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD
zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan
WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der
twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br.
5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook
ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft.
Waarschijnlijk heeft juist _le livre_, dat in de slotvariant genoemd
wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE
bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn,
dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den _Alexander_ op PIERRES
gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van _le gal_ zal zijn
genoemd.
Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene
branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de
inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen
dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,
Son engin et s'art
Mist en vers fère de Renart
_Et d'Ysengrin_,
welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.
Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid,
die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een
rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere
branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de
plaats bij CHABAILLE[136] voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd.
LE GRAND D'AUSSY en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM[137], de
branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen
nog de 1e branche geschreven heeft[138]. Van de eerste en de vijfde is
het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e
is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds
zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide
deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1_b_
weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven
dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:
Que vos ice que ne savez,
_Fors seulement par oï dire_,
Li portez ne corroz ne ire.
In branche 1 _ziet_ juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br.
11 beklaagt.
De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van
de inleiding tot de eerste branche.
Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste
helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons
is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.
Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn
dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven
hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren.
GRIMM zegt van al de fransche branches[139]: »Sprache und ausdrucksweise
tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh."
Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES,
dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der
twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het
geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt
ondersteund.
Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:
»Or ont tant fet li losengier,
Qui de moi se volent vengier,
Que vos m'avoz jugié à mort;
Mès puis, sire, que rois s'amort
A croire les mauvès larrons,
Et il lesse les bons barons,
Et gerpist le chief por la qeue
Lors vet la terre à male veue."
Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den _Guillaume
d'Orange_. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft _Li
Moniages Guillaume_, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle
deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende
verwijt, vs. 5159:
»Rois, nus frans homs ne vos devroit amer,
Ne hennor fère, ne homage porter,
Quar les prodomes avez toz adosez
Et fors de France et chaciez et gitez,
Tolu lor terres et toz deshéritez:
Foui s'en sont de la terre esgarez,
Et lor enfant chétis et désertez;
Cil vos séussent le bon conseil doner,
Quar li preudome font lor seignor douter.
Mès li glouton, li losengier prové,
Li pautonnier, cil sont à vos remés,
Por lor losange les tenez en chierté;
Li losangier font les rois décliner
Et les hauz homes par lor bordes blasmer.
Rois, tu les as montez et alevez,
Or es por euls honiz et vergondez,
Ne jà por euls ne seroiz amontez.
Ne doit rois estre, ne corone porter,
Qui à garçon fet son conseil privé,
Mès les preudomes i doit-en apeler."
En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:
»Tu as la terre empirée forment
Des gentix homes, des sages, des vaillanz,
Qu'ensus de toi as chacié laidement:
Désertez as les pères des enfanz.
Par les frans homes est li sires poissanz:
Tu n'en as nul de gentix ne de frans,
Perduz les as tot par ton malvès sens,
Dont tote France est tornée à torment."
Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met
»Les losangiers et les faus médisanz,
Les traïteurs et les glouz malcuidanz,
Ceus qui te servent de mençonges contant,
Que entor toi as tenu longuement.
Tu as doné t'onor et ton argent:
Por lor conseil seras-tu recréant,
Se Dex ne'l fet par son digne comment.
Qui bordes croit et losangier sovent
Au chief de tor, par mon chief, s'en repent."
De vergelijking van de uitdrukkingen in den _Renard_ en de aangehaalde
regels uit den _Moniage_ zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft
in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht
plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van
den _Renard_.
Van den _Moniage Guillaume_ bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste
tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt[140]. De
jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen
stellen omstreeks 1160[141]. De schrijver van de 20e branche van den
_Renard_ had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit
aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van
den _Renard_ komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste
lezing[142]. Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks
hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als
de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één
voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, _Moniage_,
vs. 5672:
D'autre Martin lor convendra chanter[143]
en _Renard_, vs. 10096,
Si parleron d'autre Martin.
Veel jonger dan deze redaktie van den _Moniage_, schijnt zelfs het
tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt.
Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord _geste_
in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk[144],
en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, _Renard_, vs. 11781:
Qui larron de pendre areste,
Toz jors het mès lui et sa jeste.
Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde
chanson de geste voor, vs. 11751:
Ainz que Tibaut soit crestiens,
waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen
Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in
eene andere branche, vs. 16136, voorkomt[145].
Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste
tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de
fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.
Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br.
20_a_ zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:
Saluz te mande Noradins
Par moi qui sui bons pelerins,
Si te criément li paien tuit,
A pou que chascuns ne s'en fuit.
Sultan Noureddin bloeide van 1149-1171, en stierf in 1173[146]. Mag men
nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene
satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen
in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147-1149, kort
daarna, althans vóór den derden tocht, 1189-1193, geschreven werd,
toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde?
Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa
verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor
Orientis, ac nostrorum terror,"[147] is het ondenkbaar, dat men zijn
naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en
onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht
hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn
tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om
de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van
dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als
men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het
verband met den _Guillaume d'Orange_, dan zal het niet te gewaagd zijn
de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En
meent men den schrijver van 20_b_ nog zekere tijdruimte te moeten gunnen
voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan
zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175
of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.
Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20_a_ in het derde, den
schrijver van 20_b_, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het
laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de
grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid
van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen
en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan
eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel
niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing
van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden
aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen
ook door anderen niet zullen worden gewraakt.
Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van
het fransche gedicht kunnen vaststellen.
IX.
Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschen _Reinaert_ tot
model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de
navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170" zijn geschreven, zoo
als WILLEMS aannam[148], en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te
betoogen[149].
WILLEMS zelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij
in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel
waarschijnlijkheid heeft. De dichter van den _Reinaert_ had vroeger
reeds den _Madoc_ geschreven, en WILLEMS vraagt, of men daarbij »niet
zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van
Owen Guynnedd, prins van Wallis, die _omtrent den jare 1170_ America
ontdekte?" en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men
wellicht voor droomerijen hield[150].
Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of
wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?
SERRURE meent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220
geschreven" werd[151], maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij
juist dit tijdperk aanneemt.
Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den
vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige
toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom
nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.