Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts

komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, _Rein._ vs.

1756-1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931-11094 van branche 20_a_;

maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20_b_

aan te sluiten.

_Rein._ vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten,

want

Sine consten niet verdraghen

No sine consten niet ghedoghen,

Dat men Reinaert vor haren oghen

Soude hanghen alse een dief.

Zoo iets wordt in 20_a_ niet gevonden; maar later wordt in 20_b_

Grimberts smart aangestipt, vs. 11635:

Por Dant Renart que l'en devoure

Ploure Grinbert et prie et oure:

Ses parenz ert et ses amis,

Liez le voit et entrepris,

Ne set conment il le reqoe.

Que la force n'est mie soe.

_Reinaert_ vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak

te maken:

Twi sidi traech,

Isengrijn ende here Bruun?

....................

Salmen hanghen, twine doetment dan?

En ook 20_b_ zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787:

Ce dist li rois, pensez del pendre,

Que je ne voil mès plus atendre.

In den _Reinaert_ bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en

de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20_a_ heet

het alleen, vs. 11095:

Sor un haut mont en un rochier

Fet li rois les forches drecier

Por Renart pendre, le gorpil;

zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar

bij de tweede veroordeeling, in 20_b_, worden de dieren genoemd die zich

van hem meester maakten, vs. 11605:

Lors Isengrin en piez se drece,

S'aert Renart par la chevesce;

Dou poing li done tel bufet,

Del cul li fait saillir un pet.

Et Brun l'aert par le chaignon,

Les denz li met dusqu'au braon;

....................

Tybert li chaz giete les denz

Et les ongles, qu'il ot poignanz,

Saisist Renart au peliçon,

Bien li valut une friçon.

En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:

Si anemi

La hart li ont ja el col mise.

Eerst in 20_b_ wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den _Reinaert_

zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:

Or vos déussiez confesser.

Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor

Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx

schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te

trekken.

_Reinaert_ vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des

aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats

is ontleend aan 20_a_, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren

komt ook voor, vs. 1868:

Dat foret, Clene-bejach.

welk diertje niet in 20_a_ genoemd wordt, maar in de navolging der

eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd,

vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden

Et Petit-porchaz li Fuirons.

Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 _Rosseel_: in 20_a_

_Rouviel_, maar eerst vs. 11729, dus in 20_b_, _Rousel_.

Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20_a_

en -_b_ reeds had plaats gehad vóór dat onze _Reinaert_ werd geschreven,

welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier

branche is bekend geweest.

Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de

laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de

beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche

doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en

stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de _Reinaert_ naar

de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch

nagevolgd is.

De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de

uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk

voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door

zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen,

door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een

kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in

ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel

aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op

dien van meesterlijk kunstprodukt.

VII.

Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor

dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben

beschouwd.

Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van

Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den

Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16-97, waaruit blijkt, dat hij zeer

vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan

ook dadelijk.

De klacht van Cortois, vs. 97-106, komt niet in br. 20_a_ voor:

waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen

dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft

in zijn _Supplément_ een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst

voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt[107],

gelijk ook hier, vs. 107-125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't

bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist

Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der

6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg.

Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107-125. Dit

heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om

Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche

gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later

nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:

.... Grimbert

Qui por Renart parole et plaide

Entre lui et Tybert le chat;

en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires," waar

Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs.

17999-18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.

Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal

van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt:

door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht

en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd;

maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche

branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten,

daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den

eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat

hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze

alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had,

zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.

Pancers beschuldiging, vs. 126-169, weet ik nergens aan vast te knoopen,

wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.

Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20_a_

overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat

Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten

aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan:

vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen" van de kar

afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets

anders over te laten

sonder allene een pladisengraet,

dien hijzelf niet mocht (vs. 208-216).

De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had,

en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche

gedichten verteld, br. 2, vs. 749-916 en br. 10, vs. 3919 vlg.

Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de

visschen op de kar ook »pladisen" genoemd worden, vs. 3941:

De poisson chargiez estoient,

Si comme harenz et plaïz.

Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde

branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons

niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827,

te Arras of in Artois geschreven was.

Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos

bedrogen had betrekkelijk »enen bake," waarvan hij hem tot zijn deel

alleen

Die wisse daer die bake an hinc

overgelaten had (vs. 217-225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld

wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698-7970. Maar noch in

het Fransch noch in den _Reinardus_, I, 186 sqq., waarmeê de fransche

branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op

laat volgen:

Reinarde was lettel te bet,

Dat hi den goeden bake ghewan,

In sulker sorghe, dattene een man

Vinc, ende warp in sinen sac.

Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen

advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen

voorkomen.

Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik

zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den

_Reinardus_ staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef

voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt

of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den _Reinardus_

daarentegen heet het I, vs. 11:

Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille

Tamquam cognato crederet usque suo.

En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te

hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat

verdraayen, vs. 2101:

Daer na quam ic ende Isengrijn;

....................

Hi rekende dat hi ware mijn oom,

Ende began ene sibbe tellen.

Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne

vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.

Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid

dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee

afwijkingen van den tekst der 20e branche.

Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene

schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen

leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het

Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den

koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het

vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt:

Ende _minen sustren_ die hier staen,

hetgeen GRIMM terecht veranderde in _minen kindren_. Eindelijk was de

vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem

een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in

de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend.

_Reinardus_ III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors

in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan;

maar de list mislukt[108]. In de 6e fransche branche daarentegen,

getiteld: _Le desputement de la mesange avec Renart_ (MÉON, I, pag. 66),

tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van

den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden

rijksvrede, vs. 1748:

Si a danz Nobles li lions

Novelement la pès jurée,

Se Diex plaist, qui aura durée.

Par sa terre l'a fait jurer,

Et a ses barons afier,

Qu'ele ert gardée et maintenue.

In den mhd. _Reinhart_, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs.

177-216, komt deze bijzonderheid niet voor.

Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen _Renardus_,

of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche

branches.

Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het

Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. _Reinhart_, dus in

het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er

op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat

graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen

werd. Die trek is blijkbaar oud en echt[109], en er moet eene reden zijn

waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.

Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen;

want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor

Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.

Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste

jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126),

dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf

had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer

vader"[110], die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op

wiens graf terstond mirakelen plaats grepen[111]. Maar wij zullen zien,

dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.

Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van

den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En

die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den

logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel

wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den

geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het

duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk

het geval is.

Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart

aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de

koorts kreeg,

(Von vorhten bestuont in der rite. Vs. 1483)

Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en

geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den

koning de »vremdiu mære" verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:

Daz daz huon wære

Heilec vor gotes gesihte.

Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken

gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar,

roepende, vs. 1508:

»Reinhart soldez vermiten hân,

Daz er âan alle missetât

Disen heiligen gemartirt hât.

En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te

gaan om hem voor het gerecht te dagen.

Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée

begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen

over

»Cel gloton,

Qui tantes guiles nos a fetes

Et tantes pès nos a enfrètes." (vs. 10134.)

De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)

Atant se met en l'ambléure

Parmi le val d'une costure,

Que il ne siet ne ne repose.

En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde

(vs. 10146):

Lors avint à cort une chose:

Endementiers que Bruns s'en vet

Renart empira moult son plot:

Quar mesire Coars li lièvres,

Qui de péor trembloit les fièvres,

(Deus jors les avoit ja éues,)

maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich

de koorts op den hals had gehaald;--

Merci Dieu, or les a perdues

Sor la tombe dame Copée.

Car qant ele fu enterrée,

Onc ne se volt d'iloc partir,

Ainçois dormi sor le martir.

......................

Qant à la cort vint la novele,

A tiex i ot qu'ele fu bele;

Mès à Grinbert fut-ele lède,

Qui por Renart parole et plaide

Entre lui et Tybert le chat.

S'or ne set Renarz de barat,

Mar est bailliz, s'il est tenuz,

Qar Bruns li ors est jà venuz

A Malpertuis _etc._

't Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste

beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige

martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit

geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch

daarentegen heet Copée reeds _martir_ vóór dat er iets op het graf had

plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht

het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'[oe]uvre is, ter

kwader ure wordt afgebroken.

De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo

dikwerf plaats heeft[112], de feiten uit zijn origineel dooreen

gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke

voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de

vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk

ging, dit hors-d'[oe]uvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden,

uit zijne omwerking verwierp?

Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk

de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder

fransche gedicht niet gekend heeft.

Ik heb boven (bl. LIX-LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide

teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam

onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt

wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't

Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e

branche niet wordt aangetroffen.

Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821,

In enen trop van ouden wiven,

waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf" in de rivier

werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen

jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente

ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.

Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien

heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het

denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21-22 is Isengrijn

door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,

Et ses parenz et ses cosins,

zetten den wolf na, vs. 12345,

A cuinnies et à maçues,

waarop, vs. 12347,

Entre la porte et le vilein

Fet Ysengrin un saut à plein:

Si fort le hurte qu'il l'abat

En une fange trestot plat.

....................

Par les vileins s'en va fuiant,

Et cil le vont après huiant.

Le vilein trovent en la boë

Grant et parfonde, si qu'il noë;

Fors l'en ont tret a moult grant paine;

en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.

Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald

te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men

aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds

waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.

_Reinaert_ vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat

Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,

Hi loech, dat hem bachten scorde,

Ende hem crakede die taverne.

De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar

soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen[113].

WILLEMS zegt in de aanteekening op die plaats: »_Taverne_, kroeg;

doch hier figuurlijk _raeskamer_." Die verklaring is niet heel en al

bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord

gebruikte. _Taverne_ is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan

en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21-22 het

woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen

levenswijze, en zegt, vs. 12903:

»Moult par estes de mavès estre:

De poior ne poiez-vos estre,

Qar plus estes pute que moche

Qui en esté la gent entoche:

Qui que viegne ne qui que aut,

_Vostre taverne ne li faut_."

Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en

hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een

aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet

onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.

In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige

toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf

geschonden heeft, voorts, vs. 10759:

Ysengrin ai-je tant forfet,

Que nel' puis nier à nul plet:

Trois foiz l'ai fet metre en prison."

(1) Hij heeft hem in een wolfsval (_lovière_) gelokt, waar hij danig is

afgerost.

(2) Hij heeft hem in een »lardier" gebracht, waar drie baken lagen,

waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:

N'en pot issir, tant fu ventrez,

Par le pertuis où fu entrez.

Verder, vs. 10777:

(3) Gel' fis séoir en la gelée

Tant qu'il ot la qeue engelée;

(4) Gel' fis peschier en la fontaine

Par nuit quant la lune estoit plaine:

De l'ombre de la blanche image

Cuida, por voir, ce fust fromage;

(5) Et si refu par moi traïz

Devant la charete as plaïz.

................

(6) Par fine force de barat

Li fis-ge tant que il fu moines.

Pais dist que il seroit chanoines:

Qant on li vit la char mengier,

Fox fu qui de lui fist berchier.

Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte,

en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens

belegerden, had aangedaan.

Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens

alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en

Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477,

Die coninc en es mi niet ontgaen:

Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,

Ende mesprijs der coninghinne,

hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20_b_ eerst

verhaald wordt.

Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem

oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;" daar had hij hem

aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men

meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men

den wolf bijna van het leven beroofde.

Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6)

plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis

ongeveer zoo als zij in den _Reinardus_ verhaald wordt[114]. Daar is van

klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche _Comme Renart

fist Primaut prestre_, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest

te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm[115], want er bestaat

afwijking in de détails[116], hoewel het niet onmogelijk is dat dit

verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door

den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan

een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche,

die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar

inhoud.

In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij

de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had,

hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: _si comme Renart fist

Ysengrin moine_.

Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het

Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e

branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9-10e branche wordt dit

geval ook in het breede verhaald, vs. 4333-4555, maar met afwijkende

omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van

Vermendois[117] (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den

priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet

bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is,

beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies _chez un prêtre_," zoo

als ROTHE zegt[118]. Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder

de hoede van een man, die vs. 4630 _le pastor_ genoemd wordt, welke

uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE,

die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan."

Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld

van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met

eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.

In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel

overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.

Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik

mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben;

en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.

Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel,

dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde,

maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige

karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering,

of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de

laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar

de 26e branche werd omgewerkt en de 9-10e branche, hetzij dan in haar

tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten

grondslag lag[119].

Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr

terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel

en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch

stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze _Reinaert_ werd bewerkt.

Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht · 第 6 / 21 段