ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot
hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de
moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren,
zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een
willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de
achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het
behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige,
dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable," maar
evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés."
Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere
kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester
bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en
die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd
wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt;
enz., enz.
Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions
à la chevalerie et à la féodalité"?
Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v.
heet het vs. 568 van Renart:
Ainz ne fina d'esperoner.
In de tweede, vs. 893:
Car il (R.) a trop ignel cheval.
In de 13e (9), vs. 6541:
Onques ne fa ses frains tenuz.
In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot
Nobel, vs. 5618:
Miex amez la grant baronie
De vostre cort avecques vos,
Si con est sire Bruns li ors....
N'avez cure de povre gent.
Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:
A la cort Noble le lion
Tient-on les plès et les oiances
De mortiez guerres et de tences,
Là nos irons de lui clamer.
Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:
.... S'om me laissoit esconduire
Par sairement et par joïse,
Je'l feroie par del devise
C'om me féist ardoir ou pendre
Se ne m'en poïsse desfendre.
Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door
ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet
veel verschillen[75]. Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste
de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich
op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE
SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938:
Que se li livres nos dit voir
Où je trouve l'estoire escrite;
vs. 5753:
Que se l'estoire ne nos ment.
Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk
van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:
Trover le poez en l'estoire.
Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van
hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene
wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel
hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de
koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van
zijne dierhelden te paard te laten rijden.
Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der
20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en
speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de
onderscheiding van ROTHE op.
Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het
karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1-7, 21-22 en 20_a_
niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding
gaf de branches 20 en 21-22 aan verschillende dichters toe te schrijven.
Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot
de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans,
waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.
Keeren wij thans tot de branche 21-22 meer bepaald terug.
FAURIEL was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt
de beide branches[76]: »Renart teint en jaune et Renart jongleur ....
deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être
_indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid_
(20)."
Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in
zijn artikel over den _Roman du Renard_ te veel misslagen begaan om hem
op zijn woord te gelooven[77]; wij moeten daarom een eigen onderzoek
instellen.
In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op
het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot
gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt
gestoord.
Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot
den das:
.... Se ma fame se marie,
Tolez li quanque je li lès,
Et si tenez ma terre en pès,
Qar moult m'aura tost oblié
Puis que me saura devié;
Ainz que Tibaut soit crestiens
En metra un en ses liens:
Qar qant li hons gist en la bière,
Sa fame esgarde par derière
S'ele voit home à son plaisir;
Ne puet pas son voloir taisir,
Con plus se pasme et vet tremblant,
Qu'il ne li face aucun semblant.
Tot autretel fera la moie,
Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.
Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld.
Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v.
vs. 12165-8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e
branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:
A une liue d'iloc ot,
Si que Renarz moult bien le sot,
Une tombe d'une martire,
Dont vos m'avez bien oï dire,
De Coupée qui là gisoit:
Tretoz li mondes le disoit
Qu'ele fesoit apertement
Vertuz à toz conmunalment.
Nus hons n'i vient, tant soit enfers,
Ou soit moignes, on lais ou clers,
De tot le mal que il éust,
Que meintenant gariz ne fust.
Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat
Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op
wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.
Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:
Dont vos m'avez bien oï dire,
zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer
stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter
zijn. ROTHE wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te
redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on
osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons
aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un
original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une
et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec
cet ancien original de la vingtième[78]."
Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene
hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische
beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen
opmerkte.
De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling
uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21-22e branche in hare
oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het
algemeen als waar aangenomen worden.
Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in
welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de
21-22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst
later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude
overlevering schijnt te bevatten[79].
Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter
niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de
identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in
het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal,
en onder nadrukkelijke verklaring
Dont VOS M' _avez bien oï dire_.
ROTHE is ook op dien regel gestuit. »_Le vos m'avez bien oï dire_", zegt
hij[80], »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux
branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la
supposer."
Die andere »considérations" meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben,
zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht
hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e
branche _a pu_ chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche
précisément."
Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft
voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook
bij ons kan opkomen.
Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21-22e branche
aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver
van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting
wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine verandering in den tekst
had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:
Dont vos avez bien oï dire,
zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.
En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit
aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te
bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders
dan eene waarschijnlijke konjektuur.
Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de
naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand
te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in
't algemeen in het ouder gedicht sprake was.
De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons
bepaaldelijk deze branche aan 20_a_ vast te knoopen, waar Reinaert
juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om
de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20_b_
noodzakelijk.
Dat in alle handschriften de branches 20, 21-22 terstond achter elkander
volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat
de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.
Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene
onloochenbare toespeling voorkomt op de _Chanson de Guillaume au cort
nez_, dit gedicht juist in de 21-22e branche niet vermeld wordt, waar
van de _Chansons de geste_ alleen genoemd worden, vs. 12623:
Chanson d'Ogier,
Et de Rolant et d'Olivier,
Et de Charlon le ber chanu,
waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de
auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het
gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had
gezweefd, toen hij de 20e branche schreef.
Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit
blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis
behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of
althans de aanhechting der 21-22e branche aan den schrijver van 20_b_
mogen toeschrijven.
Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.
Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch
râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:
Ez-vos Renart qui le salue:
»_Godehelpe!_ fet-il, bel sire."
Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:
Et sez-tu le lai Dam Iset?"
--»Ja, Ja, dist-il, godistonet(?),
Je fot saver, dist-il, trestouz.
Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan
de vossin:
Mespris avez en tel manière
Qu'en vos en tient à chamberière,
Qui conmunaus est à garçons:
Trestuit _li entrent ès arçons_.
Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br.
20_a_, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:
Que dans Renars, cis fox garçons
Vos _entra_ onques _ès arçons_.
Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te
kennen, of moet men hier aan overneming denken?
Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden,
die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een
woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.
Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende
stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond[81]. Het
eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw
verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.
De inhoud dier branche 1_b_ hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár
toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de
20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1_b_
geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te
beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.
De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1_b_
vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE
geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste
nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e
branche wordt voorbereid[82], en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss.
2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la
dernière moitié de la branche première"[83].
Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden
schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten.
Branche 1_b_ kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden
beschouwd.
Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen
dit stuk en 20_a_.
De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding
tot hetgeen later in 20_a_ volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar
echtgenoot:
»Sire, fait-ele, vos diroiz
Corociez estes, n'est pas droiz
Que vos mostrez ici vostre ire;
Que s'om me laissait esconduire
Par sairement et par joïse,
Je'l feroie par tel devise,
C'om me féist ardoir ou pendre
Se ne m'en poïsse desfendre."
Dit hangt samen met br. 20_a_, vs. 9790, waar Hersent zegt:
»J'amasse miex assez la pès
Entre mon seignor et Renart,
Voir qui en moi n'ot onques part,
En tel manière n'en tel guise,
Si que j'en feroie une juise,
Ou de froide ève ou de fer chant.
Mès mon escondire que vaut!" _etc._
Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier
reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1_b_ is blijkbaar _après
coup_ gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen
wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van
de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit
door den schrijver van 20_a_ zelf zou geschied zijn, is a priori reeds
onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn
eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de
20e branche den aanhefsregel
Ce dist l'estoire _ès premiers vers_,
wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1_b_ ook
branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20_a_
is bearbeid.
Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:
Ne forfis rien à vostre fame,
Et por moi et por lui desfandre
Tot par là où le vodrez prendre,
Un sairement vos aramis
Au los de voz meillors amis.
Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die
in de 19e branche omstandig verhaald wordt.
Met die 19e heeft ook 1_b_ nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin
_conestable_ genoemd wordt[84], b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.
De branche 1_b_ kan dus niet van den dichter van 20_a_ zijn. Treffen wij
dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen
aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij
lezen:
.... Renars cix rous, cix puanz,
Cix viz lechierres, cix garçons,
Vos _monta onques ès arçons_.
Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21-22 nog
niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20_a_
moet zijn bewerkt.
Br. 1_b_ schijnt nog eene uitdrukking met 20_a_ gemeen te hebben. Vs.
632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:
Par Dieu, beau sire, ne'l créez,
Que nules riens i aie faites,
_Ne dras levez, ne braies traites_;
Ains par cest cors ne par ceste ame!
Ne forfis rien à vostre fame."
In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft
geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen _dras
levez_, noch bij mij zelf _braie traite_.
In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:
»Et puis qu'i _n'i ot braies traites_,
Ne huis brisiez, ne portes fraites,
S'ele m'a chier, et ele m'aime,
Cix faus jalous de coi se claime?"
Hier is intusschen de uitdrukking _traire braies_ niet op hare plaats;
zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit
de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd
lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:
Et puis que n'i ot _force fète_,
Ne huis brisiez, ne porte frète,
even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:
»Et puis qu'il n'i ot force fète,
Ne huis brisié, ne trive frète,
Se Renars le fist par amors,
N'i afiert ire ne clamors.
Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is
meer dan waarschijnlijk.
Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij
van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan
één hol heeft. Behalve _Malpertuis_, wordt ook nog _Malcrues_ genoemd.
Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972:
Et il se r'est en _Malcrues_ mis,
en vs. 8932:
Droit à _Malcrues_ son repère,
zoo als een der codices leest[85], maar waarvoor de uitgave van MÉON
terecht leest _Malpertuis_, zoo als de rhythmus leert.
Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20_a_
(16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene
vorige belegering van zijne burcht sprekende,
Qant li ost[86] fu devant _mon crues_,
........................
Tuit furent batu et ploié.
Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam
van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: _devant Malcrues_?
Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden
afschrijver, ook in branche 1_b_, vs. 568 voorkomt, waar het heet:
Ainz ne fina d'esperoner
Jusqu'a l'entrée _d'un mal crues_,
waar blijkbaar _de Malcrues_ moet gelezen worden, daar weinige verzen
later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:
Li chastiaus estoit auques fort.
Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen
betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter
der 20e toe te schrijven.
De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche
20_a_ eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan _iets later_ door den
schrijver van 20_b_ ook de branche 21-22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk
heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de
19e branche bijgedicht.
Zoowel ROTHE[87], als GRIMM[88] hebben reeds opgemerkt, dat het begin
der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald
wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op
het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene
hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:
Quant li saint furent aporté,
Il se retraist mout tost arière,
Si se féri en sa taisnière.
En evenzoo in den mnl. _Reinaert_, vs. 82:
Also saen
Alse die heleghe waren brocht,
Was hi andersins bedocht,
Ende ontfoer in sine veste.
Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat
evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij
nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de
opvallende overeenkomst in karakter met branche 20_b_, die hij niet van
20_a_ scheidt.
Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men
er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in
het slot tot den wolf, vs. 9635:
».... por Renart..........
Alez à cort, ne fètes noise:
De rien i a de mesprison,
Là vos en fera-il reson."
Dist Ysengrins: »Je m'i acort:
Quel part que la parole tort,
Ouen en Mai ferai mon claim:
A mon seignor, que je moult aim,
Me clamerai del traïteur" _etc._
Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden
schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een
Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.
Immers vs. 9202 zegt hij:
Anuit aurez moult bon herbert,
wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van _herberc_, ons
_herberg_, en dus verschilt van het gewone _héberge_.
Vs. 9147 leest men nog bepaalder:
Grimbert respont: »Ja, ja."
De schrijver kende de geheele 20e branche, zoowel het oorspronkelijke
deel als het toevoegsel.
Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namen _Goubert_ (br. 20_a_, vs.
10371), en vs. 9261, _dame Poufile_ (br. 20_a_, vs. 10378).
Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:
Cel jor porta le confanon
Li putoiz qui Foinez ot non.
In de 20e branche is _li limaçons_ de banierdrager, vs. 11313, 11558,
11617; maar juist uit de bijvoeging _cel jor_ blijkt, dat de schrijver
zich van de afwijking bewust was, en dus 20_b_ kende.
In br. 20_b_ zien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer
tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van
br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler
dieren der hofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:
Primes i cort, ainz que li autre,
_Lance levée sor le fautre_,
Rooniax li chiens.
Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt
de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den
regel heet bij hem de koning slechts _li lions_, vs. 8346, 8383, 8476,
8876, 8907, 9021; de beer, _li ors_, vs. 8745, 8774, enz.
Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21-22
met elkander in verband te brengen[89]: door wien, en wanneer is nu die
vereenigingsband om deze gedichten geslagen?
Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw
moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1_b_, 19, 20, 21-22 als
een zeker geheel werden aangemerkt.
In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men
bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling
moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te
laten opvolgen.
Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, dat MÉON tot
grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs.
is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20e voorafgaat,
terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.
Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20_a_ en _b_ waren
tesamengesmolten, en wellicht ook 21-22 daaraan toegevoegd, maar nog
niet de 19e; want het is opmerkelijk, dat de schrijver van onzen
_Reinaert_ de personagie van Roonel den hond, die toch in de 20e branche
voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat
hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.
V.
Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die
wij als de mogelijke bron van onzen _Reinaert_ aanzien, kunnen wij er
toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons
beweren te staven.
Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar
ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht
tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden
over het ontstaan van den _Reinaert_, en een duidelijker inzicht te
verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming
als de afwijking in bijzonderheden nagaan.
WILLEMS heeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van
beide teksten naast elkander geplaatst[90], maar om de letterlijke
overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen
mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk
eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.
Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus,
vs. 9659: