in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns
li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel
van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog
andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne
verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:
Ver Hersant, nu seget wie
Iuch iwer man bringt ze mære:
Daz magiu wesen swære,
nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is,
onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.
In het Fransch zegt Grimbers li tessons evenzoo, vs. 9761:
N'i ot force fète
Ne huis brisié, ne trive frète;
en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:
Haï! quel clamor et quel plet
Vos a hui vostres mari fet
A tantes bestes regarder!
......................
Il ne vos crient ne ne resoigne.
Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd.
des konings »zornege muot" (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:
»Sam mir mîn bart,
Sô muoz der fuhs Reinhart
Gewislîchen rûmen diz lant,
Odr er hât den tôt an der hant."
En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts
kreeg, vs. 1484:
Vor vorhten bestuont in der rite.
Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs.
10041:
Et qant li rois vit Chantecler,
Pitié li prist du bacheler,
Un soupir a fait de parfont,
Ne s'en tenist por l'or du mont.
Par mautalent drece la teste,
One n'i ot si hardie beste,
Ors ne sangler qui péor n'ait
Qant lor sire sospire et brait.
Tel péor ot Coarz li lièvres
Que il en ot deus jors les fièvres, _etc._
Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschen _Reinaert_ niets.
Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:
Der künec hiez singen gân
Hern Brûnen, sinen kapelân,
Und ander sîne lêreknaben;
Der tôte wart schiere begraben.
hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:
»Sire Bruns, prenez une estole,
Et vos, sire Bruians li tors,
Commandez l'ame de cest cors;
Là sus enmi cele costure
Me fètes une sépouture
Entre ce plain et ce jardin,
Si parleron d'autre Martin."
--»Sire, fait Bruns, vostre plaisir."
Atant va l'estole saisir,
Et non mie tant solement,
Mès li rois el commencement,
Et tuit li autre dou concile
Ont commenciée la vigile.
Sire Tardis, li limaçons,
Chanta por cele trois leçons,
Et Rooniax chanta li vers,
Et il et Brichemers, li cers,
Et Bruns, li ors, dist l'oroison,
Que Diex gart l'ame de prison.
Qant la vegile fu chantée,
Et ce vint a la matinée,
Le cors portèrent enterrer, _etc._
Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In den _Reinaert_ leest
men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs. 431:
[Wi] sullen onse vigilien singhen:
Daerna sullen wise bringhen,
Den lichame, ter eerden met ere.
..........................
Dat hi gheboot was sciere ghedaen.
Doe mochtemen horen aneslaen
Ende beghinnen, harde ho,
Dat Placebo Domino,
Ende die verse, die daer toe horden.
_Ic seide ooc, in waren worden,
Neware het ware ons te lanc,
Wie daer der siele vers sanc,
Ende wie die sielelesse las._
Doe die vigilie ghehent was,
Doe leidemen Coppen in dat graf, _enz._
Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat
de fransche branche onmogelijk naar den _Reinaert_ kan bewerkt zijn,
daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van
den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer
voor de tegenovergestelde opvatting.
In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe
te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt
dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft,
dat allen op Reinhart woedend worden.
Der hase leit sich ûf daz grap: 1489.
Ze kurzen wîlen er entswap,
Als ich iu sagen muoz,
Dô wart im des riten buoz.
Der hase ûf erschrihte
Fürn künec gienger enrihte,
Und sagt im vremdiu mære,
Daz daz huon wære
Heilec vor gotes gesihte, _etc._
Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet
op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is.
.... mesire Coars, li lièvres, 10149.
Qui de péor trembloit les fièvres,
Deus jors les avoit jà éues,
Merci Dieu, or les a perdues
Sor la tombe dame Copée:
Car qant ele fu enterrée,
Onc ne se volt d'iloc partir,
Ainçois dormir sor le martir.
En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt,
voorgevende kiespijn te hebben, waarvan hij ook beweert genezen te
worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.
Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère,
die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle
middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten;
misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar
in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit den
_Reinaert_ zijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.
Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere
stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen
die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald
zijn, wel omgekeerd.
Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in
de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet
eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)
D'un merveilleus mengier françois;
want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een
goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.
»Por tel afère con ge di, 10231.
Biau sire, avoie dès mardi
Mon lart et mes pois aünez;
Dont je me sui desjéunez,
Et s'ai bien mengié deus denrées
De novel miel en fresches rées.
Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest
bon miel frès et novel", is hier geheel op hare plaats, en dient om den
beer begeerig te maken naar die lekkernij.
De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij
naar het hof zou zijn gegaan indien hij niet zooveel van »ere vremder
niewer spise" gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar
eene onedele spijs, »cranke have," want arme lieden moeten eten wat zij
bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,
»Die moetic eten dor den noot
Als ic el niet mach ghewinnen."
Men ziet hier duidelijk het plan van den vos om de spijs te smalen, ten
einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan
ook antwoordt (vs. 575):
Helpe, lieve Vos Reinaert,
Hebdi honich dus onwaert?
Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke
spijs noemt (vs. 568)
_Goede_ versche honichraten.
Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende
uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene
ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel."
Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doet
GLICHESÆRE hem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende
ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden
spot achterna zendt.
Her Brûn vor zorne nicht ensprach 1605.
Wan daz ern übellich ane sach.
Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,
Qant il oï Brun de loing plaindre,
Si s'est mis parmi une adrece
à Malpertuis sa forterece,
Où il ne crient ost ne agait.
Au trespasser que Bruns a fait
Li a Renarz deus gaz lanciez.
........................
Li ors estoit si adolez
Qu'il ne li pot respondre mot,
Fuiant s'en vet plus que le trot.
In den vlaamschen _Reinaert_ nu raakt de beer in 't water, en aan den
oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden. GRIMM
meent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder
fransche gedicht kan gestaan hebben[64]; maar dit is onwaarschijnlijk,
daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit
het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar den _Reinaert_
vertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.
Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren,
omdat in het Mhd., volgens GRIMMS opmerking »der ganze vortrag hier eine
leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der
andern recension[65]."
De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt
naar het hof, zegt GLICHESÆRE, vs. 1831:
Ein criuze machter für sich,
Er sprach: »Got bewar nu mich
Vor b[oe]sen lügenæren,
Daz si mich nicht beswæren.
En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:
Lors se coucha adenz à terre,
Et trois foiz se rendi copables,
Puis se seigna por les déables,
Et por dant Noble, le lion,
Moult fu en grant afflicion.
En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.
Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de drie stukken weder geheel
uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.
Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden
blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk
naar onzen vlaamschen _Reinaert_ kan zijn vertaald, zoo als WILLEMS als
bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen
aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd.
of ouder fransche stuk.
Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong
van den _Reinaert_ uit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche
woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs
hier het woord _male_ buiten rekening, dat vs. 400 en 889 in de
overdrachtelijke beteekenis van _maag_ of _muil_ wordt gebruikt, even
als in het Fransch vs. 18004
Et Tybert differma sa _male_.
Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking
met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs. 130 heet het:
Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief,
_No_ den coninc, minen here,
Hine wilde dat hi lijf ende ere
Verlore, mocht hire ane winnen.
Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuk _no_ wordt aangetroffen in de
beteekenis van _zelfs_, _zelfs niet_, die hier geëischt wordt. Alleen
het fransche _néis_ kan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd
wordt:
.... beste de put conroi,
_Néis_ à Dex ne porte foi.
Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:
Renarz a bien chascun lié
Ou par la coue ou par le pié;
Moult par a fet grant deablie:
A chascun arbre le suen lie,
_Néis_ le roi lia par la coue (_sic_).
Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschen
_Reinaert_ veel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel
wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele
tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke
redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo
groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling van WILLEMS als
onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.
Maar volgt daaruit dat onze Reinaert _naar deze branche_ is vertaald? De
afwijkingen in beide teksten waren voor WILLEMS geen hinderpaal om aan
te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden
zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen;
maar het zou niet onmogelijk zijn dat de _Reinaert_ eene navolging ware
van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt
wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou
gekomen zijn.
A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen
dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben
bestaan: 1) de oudste, wier inhoud ons GLICHESÆRE heeft bewaard, 2) de
eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche
en de _Reinaert_ zouden zijn voortgevloeid.
Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende
plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde
die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders
trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e (16e) branche
bewerkte.
IV.
Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat het PIERRE
DE SAINT CLOUD niet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog
genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl
het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend
onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden en
laat ze b.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e
(7e) branche die aan PIERRE wordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.
Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet
twijfelachtig. Boven wezen wij reeds op het vlaamsche woord _villecome_;
ik voeg er bij de uitdrukkingen: _fère let_ voor _leed doen_, vs. 10975;
_eschames_, 10032, voor _schamels_, die alle naar Fransch-Vlaanderen
verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.
GRIMM schijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te
schrijven, althans hij zegt[66]: »vielleicht schloss mit 11368 die
ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen." ROTHE maakt
ter naauwernood, en ter loops[67], gewag van dit onderscheid, dat hij
in den regel uit het oog verliest; FAURIEL spreekt er in 't geheel
niet van[68]; maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat
werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet
aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend,
hoewel de navolger waarschijnlijk niet veel jonger dan de eerste
dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen
heeft.
Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschen
_Reinaert_ ook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij
hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het
eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:
Qu'iroie-ge fesant lonc coute?
even als vroeger, vs. 10849:
Que vos iroie-ge disant?
vs. 11604 heet het:
Puis parleron d'autre Bernart,
waarvoor vs. 10096:
Si parleron d'autre Martin.
De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.
Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de
taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.
Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het
geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt
niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van
het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.
Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en
zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien
zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die
geen twijfel overlaten.
En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren
die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste
gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is
dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval.
Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs.
11313:
Li limaçons porte l'enseigne,
Bien les conduit par la campaigne[69],
even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:
.... Dans Tardis li limaçon
Qui seut porter le gonfanon;
en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver
van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.
De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men met GRIMM
aanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer
zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels
11297-11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:
Renarz regarde arère soi
Et voit qu'il viegnent sans deloi.
Ne set conseil que fère doie _etc._?
De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn
eene bloote herhaling van de regels 10159-11070, waar grootendeels
dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den
eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers
aanklacht op het einde van het gedicht[70].
Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk
af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10e branche, of der
26e b.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een
van Reinaerts zonen _Roviax_ genoemd wordt, even als vs. 10251 _Rovel_
(in dativo), terwijl hij later, vs. 11729 _Rousel_ heet (in dat.).
Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele
stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan
de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het
oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het
tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl.
_Reinaert_ schijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal
ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter
verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche
branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.
Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet
te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.
Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemd _l'emperère_,
b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.
Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukking _por le cor bieu_,
b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e (6e)
branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e (18e) branche, vs. 13240,
terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e (16e).
In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal:
nog vs. 10036 heet het:
Si comme en escrit le trovon,
en vs. 10595.
Si com nos trovons en l'estoire.
Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch
waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop
misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van
onze branche, vs. 10803-10817.
Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e (16e)
branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer
een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.
* * * * *
Op de 20e branche volgt in alle handschriften eene andere, die ten
onrechte in tweeën gesplitst is[71], en die wij 21-22 zullen noemen. Zij
hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ook GRIMM opmerkte[72];
maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door
denzelfden dichter, namelijk dien van 20_a_, zouden zijn bewerkt, blijft
de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeft ROTHE het ontkend;
maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen
onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording
der vraag zelve.
Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et
incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles
sont dues à divers auteurs[73]." Vestigt men zijne aandacht op de
sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal
men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte
te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère
général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat
ici que dans la vingtième branche."
Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op
subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs van ROTHE
wel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij
heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer
weinig afdoet.
De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar
gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet
het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan
heet het, vs. 12515:
Moult s'esbaudist, moult se conforte
Por la viele qu'il enporte:
......................
Tant fist Renarz denz quinze dis
Fu bien de la viele apris:
Sages en fu et escolez.
Dit geeft ROTHE aanleiding om te zeggen[74]: »Renart _se divertit_
pendant quinze jours _avec la vielle_ qui lui a été donnée. Il y a en
cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel
de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste."
Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er
staat niet _moult s'esbaudist_ DE _la viele_, maar POR _la viele_;
hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van
het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was
eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te
kunnen spelen. Men ziet dus dat ROTHES opvatting, die alleen op een
misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan
leggen.
Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère
qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais
sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20."
Later, pag. 264-265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van
karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.
»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement
de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère
de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous
les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs
individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages
conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent
avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que
quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des
poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse
des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs
interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de
naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme
primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des
compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les
m[oe]urs et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été
épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été
blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable."
Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet
opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot
de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en
toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en
Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910:
Se il fust pris devant Halape
Ne fust-il pas si adolez,
hetgeen herinnert aan _Renart Le Nouvel_, vs. 2884:
Ne cuit mie jusqu'en Halape
Ait nul home qui le vousist.
Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der
dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.--Over de
karakteristiek handelen wij weldra.
»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent
encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent
plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des
contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en
scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.
»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité,
des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une
couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du
reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité,
et retracent les m[oe]urs, les usages et le langage de la chevalerie.
Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent
conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis,
montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers,
parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se
battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces,
à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne
laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en
maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières,
elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre
différent."