_Daerna_ sullen wi alle lopen

Na Reinaerde, ende sulne vangen,

Ende bi sine kele hangen;

een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag

krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien

hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke

_Reinaert_ met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel

gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde

voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende

dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint.

Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd,

noch passend."

Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374

(3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men

eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.

Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de

later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij

navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech" een

geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel

beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige

fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag

genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den _Renart Le

Nouvel_, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men

later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet

volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een

epos.

En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon

misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten

zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is

het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het

vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de

oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten,

ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in

het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later

zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar

was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel

waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van

zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454

zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit

vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing

gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet

aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht

verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter.

En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift

zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe

alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert;

zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in

rook verdwijnt.

Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten

wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal

GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde,

genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel"[36].

Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene

andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den

omwerker zegt hij[37]: »Hy noemt den leeuw _Lioen_, in plaets van

_Nobel_."

Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking

de leeuw slechts één enkel maal _Lioen_ heet, vs. 3757:

Ist dat ic coninc heet Lioen;

maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt

_Nobel die coninc_. Maar juist in de verzen die WILLEMS als

overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:

Hi sprac: »Here, coninc lioen, vs. 3378

Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444

Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen

van den oudsten schrijver vloeiden?

Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot

twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:

Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen,

Wien twifelt des, ghine moghet doen?

Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de

Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg

dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog

het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte

geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die

voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen,

gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het

vijfde vers volgens de echte lezing.

Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering,

mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk" zal vinden[38]. Volgens

hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen

is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen

eigenen verzwegen zou hebben." Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te

veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het

geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar

zich dan toch nooit den _Madoc_ kon toeëigenen), zijn diefstal alleen

bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog _ongemaakt_ kon heeten,

blootelijk te veranderen in _niet te recht geschreven_.

Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de

oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een

kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven

hebben."

Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt

verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op

vs. 444 en 2953-2969. In het eerste vers heette het dat men begon te

zingen

Dat placebo Domino;

en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet"

aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt),

waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis

verwerven.

Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging

van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van

een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus

communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een

geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien

dat gevoelen te weêrspreken.

Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den _Reinaert_ een

geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde

van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit

veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald

had[39]?

Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig

dichter als de opsteller van het eerste boek des _Reinaerts_, niet

in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te

berymen," dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar

ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf

de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en

onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS _malsch_ vs. 19 vertale door

_week_! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den

_Floris_ stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op

hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van

SERRURE tegenspreekt.

Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den

omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de

oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent

dat hij »naden walscen boeken" gearbeid heeft. De waarheid heeft

intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die

rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de

verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche

bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel

zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo

verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat

hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding

daartoe in den vreemde gevonden was.

Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden

dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM

geheeten was, en vroeger reeds den _Madoc_ geschreven had; 2) dat hij

naar fransche geschreven bronnen (_walsce boeken_) gewerkt heeft.

Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te

sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de

fransche gedichten betreffende de dierensage.

III.

In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud[40]. In de _Chanson des

Lorrains_, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij

ons bekend is[41], heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in

een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed

(II. 53),

Renart resenble qu'en la taisnière est mis,

hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van

Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van

den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen

bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten

vos op het oog had. GRIMM heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT

DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de

verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in

Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter

lupinam speciem" Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen

begrepen worden[42]. Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een

menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden

der elfde eeuw (1050) voorkwam.

Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of

prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar

wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons

gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus[43] zegt onder anderen:

Tout cil qui en content sans rime

Ne sevent pas vers moi la dîme:

Il le vous content à l'envers;

waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop

waren[44], die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn

opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.

Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks

van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken

(_branches_) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in

verschillende tijden bewerkt.

Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON,

slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de

voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig

gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling

van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM[45]: »abgefasst sind die

frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des

zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der

gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach

überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar

dem 14. jh. zufallen."

Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE[46]: »Bien qu'il soit

impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que,

dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie

ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes,

selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous

aujourd'hui le _Roman de Renart_ datent du treizième siècle. Quelques

uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du

quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au

nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne,

celle des trouvères"[47].

FAURIEL erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder

stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar

karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères

op het ouder stuk hebben uitgeoefend[48], dat zij »reprirent pour

ainsi dire en sous-[oe]uvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent,

l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées

et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle,

eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français." Dit

had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une

forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre

fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables."

Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet

de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige

schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles

herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES

bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder

kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag

of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige

juistheid aan te geven. GRIMM zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot

zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn

uitstekend werk zoo hoog schat als iemand[49], geloof ik toch dat het

plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder

slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is

voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.

Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg

slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen

weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.

* * * * *

In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig

is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de

verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke;

maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk,

welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de

twintigste branche van MÉON[50], welke wederom in hare eerste helft zoo

met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging

gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.

Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft,

nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.

Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de _Reinhart_ van _Heinrîch der

Glichesære_.

Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit

de onduitsche vormen van sommige eigennamen als _Birtîn_, _Hersant_,

_Isengrîn_, _Schanteklêr_ en _Pinte_; terwijl _Uebelloch_ blijkbaar eene

vertaling is van _Malpertuis_. Ook het woord _villân_, »hätte nicht

leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht[51]." Voorts haalt hij

ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden _cous_ en _bordûz_

aan om zijn gevoelen te staven[52].

ROTHE erkent dan ook[53] dat de duitsche dichter »connaissant

_infailliblement_ un poëme antérieur de Renart en français, et profitant

de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans

l'ancienne langue allemande."

En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk[54]: »Le Reinhart, tel qu'il nous

reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme

l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute

n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les

rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter

jusqu'à un certain point la substance et la suite."

Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in

de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste,

vs. 1239-2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche

branche.

Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet

bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de

woorden:

Ce dist l'estoire ès premiers vers.

Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze

verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al

vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen

uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de

fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds[55]. FAURIEL is het

met hem eens, als hij zegt[56]: »Les trouvères combinèrent de la manière

la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des

fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y

aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du

caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de

Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort

délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter."

Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde

terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den _Reinhart_ ook FAURIEL

aanneemt[57], dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot

elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen,

niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une

sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble

résultant d'une simple juxtaposition de récits divers."

Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of

hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te

maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:

Heinrich

Der hât diu buoch zesamene geleit

Von Isengrînes arbeit:

daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de

verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex

leest men die plaats aldus:

Heinrich

Er hât daz buoch gedichtôt

Umbe Isengrînes nôt;

zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.

Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde[58],

zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de

eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen

moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde

eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van

omstreeks het jaar 1100[59].

Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de

mnl. _Reinaert_ af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en

niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen

hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij

eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den _Reinhart_

ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit

het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing

aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het

andere werd bewerkt?

ROTHE schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche

gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk

verklaart. Eerst zegt hij[60]: »Les deux tiers de la vingtième

branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers

chapitres du premier livre du _Reineke Fuchs_ [en dus ook van onzen

_Reinaert_]. Pour le reste seulement, cette branche du _Roman de Renart_

diffère entièrement de la fin du premier livre de _Reineke_." En twee

bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième

siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie."

Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.

GRIMM neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het

origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn[61]. WILLEMS gaat veel

verder. Hij beweert dat de _estoire_, _l'escrit_, dat het fransche stuk

als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan

onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet

deswege geen twyfel over[62]."

Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.

Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het

andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het

vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet

omgekeerd.

Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja,

wat meer is," roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het

_vlaemsche_ woord _willecome_ staen, op dezelfde plaets waer hy het in

den _Reinaert_ aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van

navolging gevonden worden?"

En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen,

heet het vs. 1072:

Tibert, helet vri,

Neve, ghi sijt mi _willecome_!

En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:

Tybert, fet li Renarz, _villecome_!

Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe,

zoo dit slechts schijn ware?

Vooreerst staat het woord _willekome_ ook in den _Reinhart_, vs. 1663:

Er sprach: »_Willekome_, sippebluot!"

waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo

het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra

ook in het Fransch opgenomen.

Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven _Renart Le Nouvel_ (MÉON, tom.

IV), leest men:

S'irai al apostole à Roume, 1361

Et as legas, ki _wilecoume_,

Diront à moi.

Convoitise vo fille ainsnée, 1371

Ki moult sera _walecoumée_

As cardounaus et au clergié.

En flament haut le salua: 3366

»Goude jonkhiere, goudendast,"

Tibiert li respont en soumat:

»Goude kenape _willeconme_!"

In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men,

vs. 20026:

Ysengrins a le chief levé,

Si a Renart aparcéu:

»_Willecome_, bien veigne-tu,

Renart, qar vos venez séoir!"

Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers

in de _Chroniques de Normandie_ van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II,

pag. 112) leest, vs. 18608:

Là vunt les lices desfermer,

Si receivre, si _welcumier_,

waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue

à quelqu'un."

Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20

(16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het

hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men

mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche

woorden die hij gebruikt.

Het betoog van WILLEMS kan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en

wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.

Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt,

dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het

vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den

mhd. _Reinhart_, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan

moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het

oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet

noodzakelijk de middenterm uitmaken.

Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.

In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken

aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag

vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche

als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een

toevoegsel van den GLICHESÆRE is, daar het toch niet aannemelijk schijnt

dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, als GRIMM

gist[63], dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige

toespeling op voorkomt.

Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het

Mhd. dan onze _Reinaert_. In het Mhd. heet het, vs. 1366:

Do suochte reht her Isengrîn,

Eins vorsprechen er gerte,

Der künic in eines gewerte:

Daz muose Brûn der bere sîn.

Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht · 第 2 / 21 段