Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the
marvelous Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net for Project Gutenberg;
celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders
and the 500th dutch title at Project Gutenberg.
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| De in het boek genoemde verbeteringen en bijvoegsels zijn |
| zonder verdere vermelding doorgevoerd. |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht |
| van deze aangebrachte correcties. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| #uitgespatieerd#; |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| "aanhalingstekens". |
| De ganzenvoetjes(») zijn gebruikt als in het origineel. |
| |
| De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org |
| |
| Van VANDEN VOS REINAERDE zijn bij Project Gutenberg ook |
| versies als e-boek beschikbaar in het duits en het frans: |
| Goethe's Reineke Fuchs (e-boek no. 2228) en de vertaling |
| Le renard (e-boek no. 17509). |
| |
+----------------------------------------------------------------+
VANDEN VOS REINAERDE.
[Illustratie: Van den vos reynaerde
Willem die vele bouke maecte
Daer hi dicken omme waecte
Hem vernoyde so haerde
Dat die auonture van reynaerde
In dietsche onghemaket bleuen
Die willem niet heuet vulscreuen
Dat hi die vijte van reynaerde soucken
Ende hise na den walschen boucken
In dietsche dus heuet begonnen
God moete ons ziere hulpen jonnen
Nu keert hem daer toe mijn zin
Dat ic bidde in dit beghin
Lith v:d: Weyer Gr:]
VANDEN VOS REINAERDE,
UITGEGEVEN EN TOEGELICHT
DOOR
W. J. A. JONCKBLOET.
TE GRONINGEN, BIJ
J. B. WOLTERS.
1856.
AAN
JACOB GRIMM
TOEGEWIJD.
_Gij waart de eerste die onzen _Reinaert_ leesbaar hebt gemaakt; Gij
hebt ons den weg der wetenschap gewezen en de grondslagen voor onze
kritiek gelegd; aan U komt van rechtswege de opdracht dezer uitgave
toe, die ik het wage U aan te bieden, niet zoozeer ten bewijze, dat men
ook in Nederland uwe lessen waardeert, als om U openlijk een blijk te
geven mijner innige dankbaarheid voor al wat ik aan uwe werken en uwe
vriendschap verplicht ben._
GRONINGEN, 1 November 1855.
JONCKBLOET.
INLEIDING.
I.
Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling
in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie,
den uitmuntenden _Reinaert_, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS'
voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog
niet geheel is ten einde geloopen."
De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig
houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van
den _Reinaert_ en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te
beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde
van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit
vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer
middeneeuwsche letterkunde.
GRIMM stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking
ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw[1].
WILLEMS plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór
1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders[2], vrij
algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne _Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst_
voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de
veertiende eeuw gesteld[3]. De jongere SERRURE is daartegen opgekomen.
Volgens zijne meening »werd het eerste boek des _Reinaerts_ tusschen de
jaren 1200 en 1220 geschreven"[4], en aangaande den leeftijd van den
omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van
WILLEMS de meest aannemelijke[5].
Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn
nog duister of worden althans betwist.
Nu is de _Reinaert_ in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel
in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op
nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van
dit dichtstuk te beproeven.
Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke
uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig
tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene
eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen _Reinaert_ bezitten; dat
de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend
is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken,
waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.
Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste
_Reinaert_ reeds driemaal is gedrukt[6], tweemaal kritisch behandeld,
en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt[7], »durch die kritischen
ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt" is.
Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen
rechtvaardigen.
De oudste _Reinaert_ is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde
Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. GRIMM
achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben"[8];
maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER
leert ons, dat het gedeelte dat den _Reinaert_ omvat, eerst omstreeks
het jaar 1400 is te boek gesteld[9]. Het afschrift is dus betrekkelijk
zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische
naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel
misstellingen en uitlatingen[10], als willekeurige veranderingen
en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het
ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de
ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.
Dien _Reinaert_ liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken
in het vijfde deel der _Braga und Hermode_, en wel, naar KAUSLERS
woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss
der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig." Die
gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter
naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit
het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het
handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.
Vs. 113 wronghene _voor_ wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157
l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198
sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237
ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu
(1041 _omgekeerd_); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven;
309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476
bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605
ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver;
856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne;
1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise;
1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531
_omgekeerd_); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419
rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747
dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275
vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396)
vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607
(2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764
(2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955)
spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen.
Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels
als R gelezen; b.v. 165 Raetti _voor_ Laetti; 424 Revic-Levic; 721
Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf;
815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet;
1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike.
Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten
uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn,
werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker
recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger
te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir
herausgegebene hs."[11]. Maar wij weten[12] dat GRÄTERS tekst GRIMM
tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung
der hs." plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave
medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet
direkt van het handschrift.
GRIMMS meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche
lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan
zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in
den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis _voor_ swighic;
347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324
(2350) ghescoort-ghestoort.
Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst
nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij
gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den
codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich
om de orthographie van het stuk te verbeteren[13], zonder den versbouw
te herstellen.
Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht.
Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van
een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel
dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry
gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys,
waarvoor het was verkregen," gelijk WILLEMS zelf getuigde[14].
Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden
getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in
het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel
samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek
was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het
tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den,
volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij
daaromtrent rekenschap geeft:
»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade
geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende,
als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift
onder dien text. Doch de aldus opgeteekende _variae lectiones_ waren
zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen
dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken,
hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van
woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als _variante_ heb laten
gelden wat werkelijk _verandering_ was, of wat my toescheen van de
kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.
»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den
ouden _Reinaert_ der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg
bevat, in de dertiende eeuw geschreven."
Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en
de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles
eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans
werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren."
Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude
prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS _Odina und Teutona_, en in
GRIMMS _Reinhart Fuchs_ medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling
(_Reineke_), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven
vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen
en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer
regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch
behandelden text aen het publiek te leveren."
Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het
tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich
niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling
heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig
gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de
vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele
malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst
aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit
opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van
de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder:
in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor
te bereiden;" hij zette zich »met iever aen het werk"[15]--en het
voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is
gedagteekend den 20 Augustus!
Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt
dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave
geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt
mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft
van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat
men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de
voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van
het standpunt der toenmalige--ik zeg niet wetenschap, maar--beoefenaars
van het vak kon verwachten.
Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave
van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in
zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den
onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven.
Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende
bewerking is toch niet te veel"[16]. Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave
van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo
innig mede verbonden is," ik kan daarom nog niet toestemmen, dat
SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd" was
in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende
wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. WILLEMS
zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker
geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van
veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van
onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.
Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer
te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken,
onmogelyk een anderen text geven kon[17]."
Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst" te leveren, en ik hoop
toch geen »wangedrocht"; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige
nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.
Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen
trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in
het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop
ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.
In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene
afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte;
want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene
werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het
ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.
Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste
plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit,
wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient
en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de
bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn,
daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en
geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch
verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.
Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken,
en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het
Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke
bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing
te herstellen.
Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den
voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel.
Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen
twijfel wegnemen.
Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing
eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan
des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal
aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:
Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so
gheladen" heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt
later bij GRIMM en WILLEMS, 568:
versscer honichraten
Hebbic _commer_ harde groot,
dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche
honigraten." Intusschen is kommer _gebrek_, waarvan hier natuurlijk
geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor
het _commer_ van den tekst: _coiiiier_, en dat is blijkbaar _couuer_,
_couver_, _coever_, daar in den codex steeds onze tweeklank _oe_ door
_ou_ wordt uitgedrukt. _Coever_ nu is een bekend woord, dat _overvloed_
beteekent.
Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208:
Tibert moeste roepen doe
Ende _wronghede_ hem selven dor den noot:
Hi makede een gheroep so groot,
Dat Reinaert hoorde up der straten.
Dit _wronghede_ verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,"
en WILLEMS met »verwrong." Maar _wronghede_ veronderstelt een ww.
_wronghen_, dat niet bestaat; aan _wringen_ valt niet te denken, hoewel
de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben.
Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat
er een woord moet staan, dat _zich verraden_, of iets dergelijks
beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts
_wroughede_, _wroeghede_.
Vs. 1222 leest GRIMM:
Tibert, ghi singhet _ni lanc so bet_,
hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe
weiss."
WILLEMS veranderde _je lanc so bet_; maar eenvoudiger is te lezen _in
lanc so bet_, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking
is.
Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM:
Doe _hiefsene_ op met haerre cracht.
De variant bij GRIMM geeft _hieffene_, dat de ware lezing is, mits men
voor _Doe_ leze _Soe_. Dat de kapitale _D_ en _S_ licht te verwisselen
waren leert het facsimile.
Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:
No dor goet, no dor miede,
No dor _nijt_, no dor noot.
Uit _nijd_ kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en
buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve _nijd_ toedroeg.
De variant bij GRIMM heeft: _no dor met_, hetgeen blijkbaar verkeerd
gelezen is voor _niet_, d.i. _welwillendheid_, _genegenheid_, hetgeen
alleen een gezonden zin geeft.
Vs. 1947 bij Gr. en W.
Ghi sult doden
Reinaert, uwen neve, den fellen _voden_.
WILLEMS verklaarde: »_voden_; nog overig in _hondsvot_, een obsceen
woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan." GRIMM leerde,
p. 278: »_vode_, lump, lumpenkerl. KILIAN schreibt _vodde_, MAERL. 3,
418 steht _vuden_. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist,
forderte _vode_, es scheint also adj."
In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout,
daar men blijkbaar voor _vuden_ het bekende _ruden_ moet lezen: dezelfde
letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_
moet gelezen worden voor _vasten_.
Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde
plaats uit den _Reinaert_ dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat
het onbekende _voden_ moet plaats maken voor het hier zeer gewone: _den
fellen roden_.
Vs. 2094 leest GRIMM:
Ende verbeet _hanen_ ende hoender,
hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in:
Ende verbeet _vogel_ ende hoener,
niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen _vogelen_ te
bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: _haenden_,
d. i. _eenden_, zoo als ons MAERLANTS _Naturen Bloeme_ leert.
Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.:
Die welpkine liepen _ten brase_,
hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: _braes_
epulae, _brassen_ epulari." Intusschen is het »vermuthete" _braes_
nergens aan te wijzen. WILLEMS zegt: »_Brase_, bras; om te brassen."
GRIMMS variant geeft _ten base_, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig
is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor _ten
hase_, d. i. met de Vlaamsche adspiratie _ten ase_, dat ook de omwerking
heeft. De _h_ en _b_ worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597)
waar uit het hs. gelezen werd _hi avonture_, hetgeen blijkbaar is _bi
avonture_, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, _die avonture_.
Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan
eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo
waren de volgende onverstaanbaar.
Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de
aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124:
Hets recht dat omberet si
Die claghe die Cortois doet.
Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126:
Dinct u goet,
Tibert, dat men die claghe ombere?
Reinaert es een recht mordenere, _enz._
En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135:
Wat sechdi _van ere laghe_?
En dedi ghistren _enz._
GRIMM noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die
plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is
immers van eene _laghe_ (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft,
volgens WILLEMS' variant, _van eenre sagen_, hetgeen evenmin een
gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften
aan, te verbeteren:
Wat sechdi van _omberen claghe_?
Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.
Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt
bij onder anderen, 1022:
En comt hi niet, hets hem quaet,
Men salne _drie werven daghen_,
Te lachtre allen sinen maghen.
Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts
magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal
gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht
met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove
verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070:
Die coninc dreicht u an u leven
Ne comdi te hove niet met mi,
dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:
Men salne _hanghen sonder daghen_,
gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:
Dites moi le rox deputaire
Qu'il me viengne en ma cort droit faire
En la présence de ma gent;
Si n'i aport or ne argent,
Ne parole por soi deffendre,
Mès la hart à sa gole pendre.
Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in
het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft
Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683:
Riet hi hem goet te wesene,
..........................
Ende dat hi vort alle sine daghe
_Behendelike_ soude gheneren.
Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich
_behendelike_ te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden
_bescedelike_, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een
slordig geschreven codex lichtelijk met _behendelike_ kon verwisseld
worden, bij de overeenkomst der letters _sc_ en _h_.
Vs. 1692 leest men:
Nu moet hi pleghen siere selen,
dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen." De
lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft:
Nu moet hi siere sielen pleghen,
hetgeen GRIMM verwierp omdat _pleghen_ niet rijmde op _stelen_. Beter
ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord _selen_. De
afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd:
God moet haerre siele pleghen,
met het rijmwoord _versleghen_. Dat 692 alleen het rijmwoord te
veranderen was, leert de vergelijking met 381:
Ic moet miere siele _telen_,
welk _telen_ of _ghetelen_ ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus
1692:
Nu moet hi siere siele telen.
Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze
_Reinaert_ eene kritische behandeling noodig had om daarvan een
verstaanbaren tekst te leveren.
Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen
van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een
voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat
een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar
ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik
nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur
van den _Reinaert_ was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van
welluidendheid en verzifikatie.
Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen
aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter
vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag
om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar
zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van
het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen
is als het vervolg er mede is opgevuld.
Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een
onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen.
Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan
te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie _zooveel
mogelijk_ in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg
_zooveel mogelijk_, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door
eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger
vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of
onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen.
Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen _ghi_, _u_, in de
plaats getreden van het enkelvoudige _du_, _di_, zoo als schijnt te
blijken uit 2856-7 (2876-7). WILLEMS noemt[18] »het woord _bedi_, door
den auteur van het eerste boek _zoo gaerne_ gebezigd;" nu komt dat
woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van
_doordien_, _daarom_ (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van _want_
(2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: _dor dat_ (111,
216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede
gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het
eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat,
gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog
andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden
worden, als _altoos_, _als ende als_, _bedraghen_, _beghaen_, _bliken_,
_erre_, _iet_, _indien_, _claren_, _wout_ enz. Maar een zeer omstandig
onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.
Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze
aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914-5, 1404, 1440,
1470, 1593, 2162, 3161-2, 3177, 3425.
Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, _dorpren ende
doren_, 66 _dor edelheit ende dor ere_, 668 _onteert ende ontervet_,
1284 _scade ende scande_, 1563 _leet ofte lief_, 1606 _stene ende
struke_, 1685 _vasten ende vieren_, 1970 _nichten ende neven_, 1989
_no dor niede no dor noot_, 2073 _vrient no viant_, 2094 _haenden ende
hoener_, 2150 _lief no leet_, 2238 _hout van herten_, 2346 _droghe ende
diep_, 2855 _struke ende stene_.
Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische
uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft[19] als _stal
ende nam_, _pine ende onghemac_, _hermite oft clusenare_, _bejach no
ghewin_, _owi ende wee_, _diefte ende roof_, enz. enz., b.v. 42, 97,
103, 106, 230, 264-5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435,
484, 485, 516-7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046,
1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532-3, 1591, 1597, 1678, 1691,
1787, 1816, 1842, 1878, 1894-5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075,
2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272-3, 2308,
2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697,
2860, 2894-5, 3000, 3045-6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420.
Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door,
b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439,
3243, 3244, 3327, 3332, 3435.
In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 _man_, _nam_,
_gram_, _began_, 451 _graf_, _was_, 795 _swinghen_, _vingheren_, 2101
_Isengrijn_, _rijm_, 2113 _doe_, _vro_, 2129 _Hersinde_, _kindren_,
3359 _trac_, _dat_(?), 3431 _verbijt_, _dit_, 2851 _omberen_, _varen_,
2913 _snoeren_, _te voren_, en misschien 3027 _voeten_, _grote_.
Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden
rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging
van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 _ghedede_, _vrede_, _ghelede_,
_crede_; 261 _an_, _can_, _man_, _ban_; 267 _ware_, _clusenare_, _hare_,
_jare_; 367 _niemare_, _ware_, _clusenare_, _twaren_; 459 _boecstave_,
_grave_, _begraven_, _scraven_; 945 _prihore_, _ore_, _bescoren_,
_verloren_; 1233 _ghestaen_, _ghevaen_, _wane_, _hane_; 1307 _waert_,
_Reinaert_, _waert_, _vervaert_; 1333 _rade_, _dade_, _daet_, _raet_;
1501 _begheven_, _leven_, _gheven_, _leven_; 1737 _ghelaet_, _vraet_,
_gaet_, _quaet_; 2065 _man_, _an_, _dan_, _man_; 2295 _vrouwe_,
_trouwe_, _soude_, _woude_; 2299 _waer_, _haer_, _vare_, _openbare_;
2725 _vaert_, _claert_, _Reinaert_, _waert_; 2761 _lede_, _vrede_,
_crede_, _mede_.[20]
Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote
assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht
door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele
voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste
helft van het gedicht hier af te schrijven.
Vs. 21 _weten_, _heten_, _leven_, _begeven_; 101 _man_, _nam_, _gram_,
_began_; 155 _begeven_, _gheheven_, _spele_, _vele_; 699 _dat_, _sat_,
_sal_, _al_; 711 _ghevaen_, _staen_, _haest_, _naest_; 3315 _ram_,
_quam_, _middach_, _ghesach_; 3401 _pine_, _Beline_, _gheliet_,
_verriet_; 3433 _mesdaet_, _quaet_, _maghen_, _bejaghen_.
Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901
_verslaghen_, _ghedraghen_, _ghevaren_, _daren_, _daghe_, _claghe_, 1275
_vader_, _gader_, _jare_, _ware_, _scame_, _name_; zoo ook 1331, 1693,
1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 _gaende_,
_slaende_, _bare_, _mare_, _Cantaert_, _waert_, _hane_, _wane_; 395
_saghe_, _haghe_, _ondergaen_, _saen_, _ghetale_, _male_, _nakede_,
_smakede_; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291.
En zelfs _tien_: b.v. 447 _lanc_, _sanc_, _las_, _was_, _graf_, _was_,
_gras_, _was_, _sach_, _lach_; 1091 _vraet_, _ghelaet_, _overstaerc_,
_maerc_, _bestaen_, _waen_, _dagheraet_, _raet_, _ghedaen_, _gaen_; 1451
_Reinaert_, _herwaert_, _gheraden_, _ghenaden_, _mesdaet_, _verstaet_,
_mater_, _cater_, _mesdaen_, _dwaen_.
Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het
niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog
nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op
denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik
had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance
terug: 127 _ombere_, _mordenere_ (_dief_, _lief_), _here_, _ere_;
187 _angaen_, _ontfaen_, (_gherne_, _wernen_), _mesdaen_, _staen_;
_Isengrijn_, _pijn_ (_ghevoech_, _onghevoech_), _wijf_, _lijf_; enz.
enz.
Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 _wijf_, _lijf_,
_ontgaen_, _gaen_, _hermeline_, _mine_, _nu_, _u_, _Reinaerdine_,
_gaerdeline_, _al_, _sal_, _dief_, _lief_; 3097 _hermeline_,
_pine_, _gram_, _vernam_, _vlien_, _ghescien_, _ondergaen_, _saen_,
_mordadelike_, _ghenadelike_, _sidi_, _mi_; 539 _Reinaert_, _waert_,
_haghedochte_, _ghedochte_, _raet_, _vraet_, _driven_, _bliven_, _lanc_,
_danc_, _vrient_, _gedient_, _ganc_, _lanc_, _bestaen_, _ghegaen_,
_gheraden_, _gheladen_, _wise_, _spise_, _gaen_, _ghestaen_, _sat_,
_wat_, _have_, _grave_, _weten_, _eten_, _aten_, _honichraten_.
Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle
andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van
het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn
zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons
hebben.
Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten
aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de
afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.
Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden,
lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het
gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht
te vestigen[21].
Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie
de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden
kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van
GRÄTER terug.
Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene
vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die
der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal
dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen
heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers
der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.
In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen
schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed.
Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende _h_ in huut, hete,
hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für
ghehoorsam, geflissentlich bewahrt" werden[22], heb ik, even als
WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer
moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik
bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit
de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.
_Maerghen_ voor _morghen_ heb ik behouden, maar niet _ou_ voor _oe_, in
de woorden _drouch_, _slouch_, enz., noch ook _lust_ voor _list_, daar
de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist _list_ hebben.
Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met
betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke
buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen
zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig
mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen[23].
Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste
gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de
overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.
Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den
regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het
lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet
regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht
werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek
zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.
Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer
uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog
niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den
ouderdom van den Reinaert.
II.
Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen _Reinaert_,
hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de
proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van
den omwerker?
WILLEMS beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de
eerste regels van den proloog aldus aan:
WILLEM, die Madock maecte,
Daer hi dicke om waecte
Hem jamerde seer haerde
Dat die geeste van Reinaerde
Niet te recht en is gescreven:
Een deel is daer after gebleven:
Daeromme dede hi die vite soeken
Ende heeftse, uten walscen boeken
In duutse aldus begonnen.
Dan gaat hij voort: WILLEM heeft niet den oudsten Vlaamschen _Reinaert_
opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet _te recht gescreven_
oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het
_aldus begonnen_ van dit laetste vers; doch om geheel de _vite_ of
levensbeschryving van _Reinaert_ te doen kennen heeft hy datgene,
hetwelk _after gebleven_ was, door middel van _walsche_, dat is, door
_fransche_ boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver
van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste
boek.
»De nedersaksische vertaling van _Reineke_ en de oude prosadrukken van
Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41
aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy
van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste _Reinaert_
begon met vs. 11.
Nu keert hem daer toe mijn sin, _enz._
»Hoe men dit dan ook beschouwe, _het aldus begonnen_ van vs. 9 steekt
altoos zeer sterk af tegen vs. 40:
Nu hoort hoe ic hier beginne;
want, zie daer een dubbel _begin_! Er is ook eene dubbele bedoeling.
WILLEM verklaert zyne taek aentevangen _om dat het hem zeer jammerde_
dat er nog zoo veel aen de historie van _Reinaert_ ontbrak; terwyl de
oorspronglyke dichter slechts daerom _de avonturen van Reinaert_ MAEKTE,
om dat zekere dame, _die in groter hovescheden gerne hare saken keert_,
_hem daer toe bad_ (vs. 26-31). Deze beweegreden _alleen_ gaf hem de pen
in de hand; anders had hy _stil gezwegen_ (vs. 26).
»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk
van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de
handschriften der _Brabantsche Yeesten_ staet er een van verschillenden
inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.
»Indien WILLEM het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld,
dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der
vertaling van _Heinrich der Glichsenaere_, _Hersant_ en niet _Hersint_
of _Erswinde_ heeten; dan zou de naem van den hond, _Cortois_, in de
fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er _Roonel_, _Rooniax_
of _Morout_ genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de
behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461-1463 enz.) niet zoo
eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk
in de fransche _Renarts_ eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een
voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen
straks zien, dat de trouveres geen ouder _fransch_ gedicht kennen, dan
dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze
bylagen bl. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene
letterlyke vertaling van _onzen Reinaert_ is.
»Beschouwt men daerentegen WILLEM voor den hermaker en vervolger van het
gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk]
vindt men, _voor eerst_, eene omdichting van het eerste boek,.... en,
_ten andere_, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit
fransche poëten of uit de _Fabulae extravagantes_ samengeraept"[24].
Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:
Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste
redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:
WILLEM die vele bouke maecte,
Daer hi dicken omme waecte,
Hem vernoyde so haerde,
Dat die avonture van Reinaerde
In Dietsche onghemaket bleven,
Die WILLEM _niet_ hevet vulscreven,
Dat hi die vijte van Reynaerde soucken
Ende hise naden Walschen boucken
In Dietsche dus hevet begonnen[25].
Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts
in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is
intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan
om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den
omwerker in de plaats stelde. WILLEMS schijnt zich hoofdzakelijk aan
den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te
slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet
verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in
de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met
GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in
Nederland geheel onbekend raakte.
Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.
De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het
niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. _Niet_ is in
tegenspraak met al het overige; maar dat _niet_ is juist bedorven.
De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de _r_ en _t_ niet goed te
onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit
ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven.
Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor
_dat felle dier_ (_:lier_), _dat felle diet_; 2372 (2396) _voere_
in plaats van _voete_. Bedenkt men daarbij dat de _n_ lichtelijk in
sommige handschriften met de _h_ kan verwisseld worden, dan zal het wel
geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe _hier_,
in steê van dat onbegrijpelijke _niet_. En zoo kunnen wij, met geringe
verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:
WILLEM, die den Madoc[26] maecte,
Daer hi dicke omme waecte,
Hem vernoyede so haerde
Dat davonturen van Reinaerde
_In Dietsce onghemaket bleven_,
(Die hi hier hevet vulscreven),
Dat hi die vite [dede] soeken,
Ende hise na den walscen boeken
In Dietsce dus hevet begonnen.
Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin
heet het niet, dat de historie niet _te recht_ is geschreven, of dat er
_een deel_ van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert
(verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch _ongemaakt_: dit was
hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het
Dietsch overbracht.
De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel
opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het
geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin
vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het
oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht
treedt.
Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige
opmerking vanzelf[27].
Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van
persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf
reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de
eerste _Reinaert_ met vs. 11 begon.
Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,
Nu hoort hoe ic hier beghinne?
Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen
uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?
Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat
aanvangen, men daar terstond leest:
Nu keert hem daer toe mijn sin,
Dat ic bidde _in dit begin_, enz.
zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den
geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen
aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door
gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN
HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de
eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet
het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs.
69)
En hadde gedaen van Ingelant
Vrouwe Margriete, alsic thant
_Int beghin_ sprac overluut.
En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:
Nu helpe my God, _ic saels beginnen_[28].
Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel
aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen
der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de
ontleening? GRIMM neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als
overtuigend bewijs aan[29], en ook wij behoeven er niet aan te
twijfelen[30].
Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter
van den _Reinaert_ schynt.... een _grand clerc_, zoowel in het Fransch
als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy
sommige namen, als _Cortois_, _Malpertuis_, _Malcrois_ en _Pinte_, uit
eerstgenoemde tael ontleende"[31].
Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet
de wolvin _Hersant_ en niet, zoo als bij ons, _Hersint_!
Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den
oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen[32], en
daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem
uitgegeven gedicht, _Hersant_, maar, even als in onzen _Reinaert_,
_Hersint_, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.--ergo.
Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der
gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich
begrijpen, als men weet, dat de _Reinaert_ niet in allen deele strikt
vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging,
gelijk wij nader zullen aantoonen.
Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van
een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker
kan zijn.
Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst
het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde.
Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke
verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt[33]. In den oudsten tekst
namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de
wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):
Si daden hem alle up die vaert:
Ermeline ende here Reinaert,
Ende hare jonghe welpkine,
Dese anevaerden die woestine;
welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere
gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.
Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger
codex niet van eene omwerking wist.
WILLEMS is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de
afschryver van het codex Comburgensis den _ouderen_ text van _Reinaert_
kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te
leveren"[34].
Den grond voor die meening geeft hij aldus aan[35]:
»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds
met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe
personnagie, met name _Firapeel_, de luipaerd, die den koning tot het
besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en
om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen: